5. Concept ontwerpbeschikking Klein Zwitserland OMWB
Tekst van het document
5.2. AV-beleid en AO/IC Het bevoegd gezag kan in deze situatie nadere voorwaarden stellen aan de capaciteit, duur en voorzieningen van/voor de overslag. Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer. Om de risico’s van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieu hygiënische en informatie technische risico’s binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico’s van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.
De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst. Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico’s voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen. Bij de aanvraag is een beschrijving van het AV-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven AV-beleid en de AO/IC voldoen aan de minimale onderdelen zoals die in het LAP zijn beschreven. In de vigerende vergunning zijn reeds voorschriften opgenomen met betrekking tot het AV-beleid en AO/IC.
5.3. Registratie In de vigerende vergunning zijn reeds registratievoorschriften voor afvalstoffen opgenomen. Daarom hebben wij in deze vergunning geen registratievoorschriften voor afvalstoffen opgenomen.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 33 van 61
5.4. Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
6.
AFVALWATER
6.1. Toetsingskader De uitgangspunten voor de bescherming van het milieu tegen verontreiniging door de lozing van afvalwater zijn vastgelegd in de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen en de waterschapsverordening. De drie belangen die deze uitgangspunten voorstaan zijn: •
De doelmatige werking van het rioolstelsel en de verwerking van het slib uit dit riool.
•
De doelmatige werking van de (externe) afvalwaterzuiveringsinstallatie.
•
De bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam.
Voor het aspect afvalwater waren algemene regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. Zoals eerder overwogen is het Activiteitenbesluit met het in werking treden van de Omgevingswet komen te vervallen. Het Activiteitenbesluit regelde niet voor alle activiteiten binnen de inrichting het aspect afvalwater. Voor een deel van de afvalwaterstromen zou dit aspect in deze vergunning geregeld worden. Nu zijn algemene regels opgenomen in het Bal en in het omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen. Deze algemene regels zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Hierna wordt beoordeeld of alle afvalwaterstromen binnen de inrichting worden geregeld door de algemene regels en of er, in het kader van de voorkeursvolgorde voor afvalwater (artikel 10.29a van de Wm) en/of de verplichting dat de BBT aanwezig moeten zijn, aanleiding is om aanvullende voorwaarden te stellen. Indien aanvullende voorwaarden noodzakelijk zijn zullen wij op grond van artikel 2.22 van de Wabo voorschriften opnemen in deze vergunning. Daarnaast wijzen wij erop dat sommige bepalingen uit het Activiteitenbesluit alleen van toepassing waren onder bepaalde voorwaarden of niet golden in bepaalde uitzonderingssituaties.
Indien die bepalingen zonder de uitzonderingen of voorwaarden terugkomen in het Bal, dan hoeft degene die de activiteit verricht tot 1 januari 2026 (2 jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet) niet aan de nieuwe bepaling te voldoen (artikel 8.1.6 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Die tijd kan gebruikt worden om alsnog te voldoen dan wel een maatwerkvoorschrift aan te vragen. De aangevraagde activiteiten hebben betrekking op een indirecte lozing van afvalwater. De aangevraagde activiteiten zijn vergunningplichtig. De afvalwateraspecten van de aangevraagde bedrijfssituatie, met uitzondering van de lozing van het huishoudelijk afvalwater, worden niet gereguleerd door rechtstreeks werkende regels. Gelet hierop dient de indirecte afvalwaterlozing op de vuilwaterriolering gereguleerd te worden in de vergunning. Het bedrijf valt onder categorie 5.3aii uit bijlage I van de IPPC-richtlijn (EU-richtlijn 96/61 EG). Na 31 oktober 2007 dienen bestaande bedrijven aan de IPPC vereisten te voldoen. Dit houdt voor de vergunning in dat specifieke emissiegrenswaarden dienen
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 34 van 61
te worden opgenomen voor met name die verontreinigende stoffen die in bijlage II van de IPPC-richtlijn zijn genoemd. De emissiegrenswaarden dienen gebaseerd te zijn op de beste beschikbare technieken (aangeduid als BAT (BBT in Nederlands) in de IPPCrichtlijn). Ter harmonisering en structurering van BAT’s die in de EU zullen worden gebruikt bij de vergunningverlening, is op Europees niveau besloten zogenaamde BATreferentiedocumenten (BREF’s en BBT conclusies) te maken voor de bedrijven die vallen onder de IPPC-richtlijn. De lozingen en monitoring van de te lozen stoffen van de IPPC-installatie dienen onder andere te voldoen aan BBT 7 en 20 (tabel 6.2) van de BBT-conclusies afvalbehandeling van 2018. Tevens dient voldaan te worden aan de BREF op- en overslag bulkgoederen.
6.2. Beoordeling en conclusie Het overtollig procesafvalwater van het natzeven wordt alvorens het wordt geloosd op het vuilwaterriool gezuiverd met een fysisch-chemische afvalwaterzuivering, bestaande uit chemische precipitatie, gevolgd door afscheiding via bezinking en zandfiltratie, zoals beschreven in bijlage 10 van de ‘Toelichting op aanvraag Omgevingsvergunning’. Het procesafvalwater van het natzeven wordt hergebruikt via een gesloten watercircuit. Het watercircuit is uitgelegd met meerdere buffervoorzieningen en de hiervoor genoemde fysisch-chemische afvalwaterzuivering. In verband met uitsleep en verdamping wordt water gesuppleerd, zijnde in eerste instantie schoon en verontreinigd hemelwater en grondwater als er geen hemelwater meer voorhanden is. Schoon hemelwater wordt tevens gebruikt voor het sproeien van opgeslagen stuifgevoelige stoffen en wegen. Het zuiveren, bufferen en hergebruik van afvalwater van het natzeven is erop gericht de lozing van afvalwater via de gemeentelijke vuilwaterriolering te voorkomen. In uitzonderingsgevallen, bij langdurige en/of hevige neerslag kan de buffercapaciteit ontoereikend zijn en wordt, vanuit een bufferbassin, gezuiverd proceswater van het natzeven op de gemeentelijke vuilwaterriolering geloosd. Aangezien lozing incidenteel plaats zal vinden wordt een meldingsplicht voorafgaand aan de lozing in deze vergunning opgenomen.
Daarbij wordt in de vergunning opgenomen dat de controlevoorziening moet zijn voorzien van een niveaumeter welke is gekoppeld aan een automatische uitschakeling van de lozing. Dit ter voorkoming van overbelasting van het gemeentelijk gemaal bij regenval. Pieklozing van gebufferd afvalwater via de gemeentelijke vuilwaterriolering en transportleiding op RWZI Rijen heeft een ongewenste hydraulische belasting van de gemeentelijke vuilwaterriolering, de transportleiding en de RWZI tot gevolg. Dit resulteert in nadelige effecten op de bergingscapaciteit van de riolering en persleiding en het verwijderingsrendement van de RWZI. Daarom wordt in deze vergunning een voorschrift opgenomen met betrekking tot: •
het optimaal benutten van de aanwezige buffervoorzieningen voor de opvang van hemelwater, procesafvalwater nat zeven en gezuiverd procesafvalwater nat zeven ten behoeve van hergebruik;
•
het voorkomen van ongewenste hydraulische belasting van de gemeentelijke vuilwaterriolering, de transportleidingen en de RWZI bij zeer hevige en/of langdurige regenval, door de lozing zoveel mogelijk onder droogweeromstandigheden plaats te laten vinden en onder regenomstandigheden de lozing zoveel als mogelijk te beperken.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 35 van 61
Mocht het overtollig gezuiverde procesafvalwater van het natzeven niet aan de lozingseisen voldoen, wordt overtollig (gezuiverd) procesafvalwater per tankwagen afgevoerd naar een erkend verwerker. Ter controle wordt hiervoor is een logboek in deze vergunning opgenomen. Uit een beperkte test blijkt de verontreiniging van het te lozen afvalwater te bestaan uit cadmium, chroom, koper, lood, nikkel, PAK en met name onopgeloste bestanddelen en zink. Hiervoor zijn lozingseisen in deze vergunning opgenomen, conform de stand der techniek. Uit het rapport “verkenning milieueffecten rubbergranulaat bij kunstgrasvelden” (RIVM Briefrapport 2018-0072) blijkt dat in hemelwater afkomstig van deze velden: minerale olie, benzothiazolen (benzothiazol en 2-hydroxybenzothiazol), PAK’s (met name pyreen), zink en kobalt in verhoogde concentraties is aangetroffen. Dit onderzoek geeft een indicatie over welke verontreinigende parameters voor kunnen komen in het afstromend hemelwater. Het is mogelijk dat deze stoffen ook in het procesafvalwater van de inrichting aanwezig zijn. Gelet hierop wordt een onderzoeksverplichting in deze vergunning opgenomen naar de aanwezigheid en sanering (indien aanwezig) van benzothiazolen en kobalt. Op basis van de bevindingen kunnen nadere eisen worden gesteld aan het te lozen gezuiverde procesafvalwater van het natzeven.
Bij de aanvraag is een BBT-toets toegevoegd waar de aangevraagde activiteiten zijn getoetst aan o.a. de BBT-conclusies afvalbehandeling en de BREF op- en overslag bulkgoederen. Hieruit blijkt dat hieraan voldaan wordt. Op basis van BBT 20 van de BBT-conclusie Afvalbehandeling kunnen bij de behandeling van op water gebaseerde vloeibare afvalstromen, naast cadmium, chroom, koper, lood, nikkel, PAK en met name onopgeloste bestanddelen en zink, ook arseen, kwik, cyanide en EOX aanwezig zijn in het te lozen afvalwater. Gelet hierop dienen deze stoffen meegenomen te worden in de eerder genoemde onderzoeksverplichting. De lozing is getoetst aan de drempelwaarden, zoals deze opgenomen zijn in de op 2 september 2013 vastgestelde beleidsregel ‘Beleid doelmatige werking zuiveringstechnische werken Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel’. Het beleid is erop gericht de doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken (rwzi en bijbehorende transportleidingen) te beschermen. De drempelwaarden worden niet overschreden. Cadmium, lood, nikkel en PAK zijn zeer zorgwekkende stoffen en zijn dermate schadelijk voor het milieu dat de verontreiniging door deze stoffen in beginsel moet worden beëindigd. Voor deze stoffen is het streven om ze te weren uit de leefomgeving of ten minste beneden een verwaarloosbaar risiconiveau te brengen.
Hiervoor geldt naast de bronaanpak en minimalisatie, conform de best beschikbare technieken, een extra inspanning om continu te verbeteren. Gelet hierop wordt in de vergunning voorgeschreven dat de vergunninghouder een programma voor continue verbetering opzet en implementeert voor de verdergaande reductie van de emissie van de betreffende stoffen. Hieraan gekoppeld is een rapportageverplichting op basis van een vijfjaarlijkse cyclus. Voor een goede uitvoering van het waterkwaliteitsbeleid is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mate waarin de te lozen grond-, hulpstoffen, tussen- en eindproducten een potentieel gevaar vormen voor het aquatisch milieu. Hiervoor is de Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM 2016) vastgesteld en als BBT-informatiedocument waarmee het bevoegd gezag rekening dient te houden bij het verlenen van vergunningen. De ABM kent voor alle bedrijfstakken op een transparante en eenduidige wijze aan de
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 36 van 61
in het afvalwater te brengen stoffen en mengsels een bepaalde waterbezwaarlijkheidscategorie toe, , op grond van de eigenschappen van die stoffen en mengsels. Daarbij geeft de methodiek aan welke saneringsinspanning (emissiebeperkende maatregel) bij een bepaalde waterbezwaarlijkheid (Z, A, B of C) hoort. De ABM is een hulpmiddel bij het vaststellen van de vereiste saneringsinspanning en gaat niet in op het beoordelen van de restlozing. Hulpstoffen die vallen onder waterbezwaarlijkheid Z of A welke niet zijn aangevraagd of niet zijn opgenomen in de vergunning en aldus niet zijn ingedeeld met de ABM en op basis daarvan niet bekend is of aan de vereiste saneringsinspanning wordt voldaan, mogen niet worden geloosd. De BBT-conclusies schrijft voor dat de vergunning passende eisen bevat voor de controle op de lozingen. Daarbij wordt gekeken voor welke parameters/stoffen in de BREF grenswaarden zijn opgenomen of welke parameters/stoffen worden aangemerkt als indicatief voor de beste beschikbare technieken. Voor deze parameters/stoffen wordt uitgaan van een frequentie van tenminste 1 keer per maand. Deze frequentie is ook van toepassing op de parameters/stoffen, die boven de E-PRTR drempel worden geloosd. Bij parameters/stoffen die in het afvalwater voorkomen en niet boven de EPRTR drempels uitkomen is de frequentie eens per twee maanden.
Aangezien de lozing in uitzonderingsgevallen plaatsvindt, wordt de meetverplichting hieraan gekoppeld. Conclusie Met het in de vergunning opnemen van voorschriften wordt gewaarborgd, dat de doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken niet wordt belemmerd, of de krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater niet worden overschreden. Gezien het vorenstaande bestaan er geen bezwaren tegen het verlenen van de gevraagde vergunning met betrekking tot de indirecte lozingen mits bij de lozing de hierna gestelde voorschriften in acht worden genomen.
7.
BODEM
7.1. Algemeen Voor het aspect bodem waren algemene regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. Op grond van het Activiteitenbesluit moesten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico, zoals gedefinieerd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming van maart 2012 (NRB). Dat betekende dat in het kader van deze vergunning geen nadere beoordeling plaats zou vinden voor het onderdeel bodem. Zoals eerder overwogen is het Activiteitenbesluit met het in werking treden van de Omgevingswet komen te vervallen. Nu zijn de algemene regels opgenomen in het Bal. Deze kunnen (deels) rechtstreeks geldend zijn. Dit deel is dan niet in deze vergunning opgenomen. Hierna wordt beoordeeld of alle activiteiten binnen de inrichting worden geregeld door de algemene regels en of er, in het kader van de verplichting dat de BBT aanwezig moeten zijn, aanleiding is om aanvullende voorwaarden te stellen. Indien aanvullende voorwaarden noodzakelijk zijn zullen wij op grond van artikel 2.22 van de Wabo voorschriften opnemen in deze vergunning. Daarnaast wijzen wij erop dat sommige bepalingen uit het Activiteitenbesluit alleen van toepassing waren onder bepaalde voorwaarden of niet golden in bepaalde
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 37 van 61
uitzonderingssituaties. Indien die bepalingen zonder de uitzonderingen of voorwaarden terugkomen in het Bal, dan hoeft degene die de activiteit verricht tot 1 januari 2026 (2 jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet) niet aan de nieuwe bepaling te voldoen (artikel 8.1.6 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Die tijd kan gebruikt worden om alsnog te voldoen dan wel een maatwerkvoorschrift aan te vragen.
7.2. De bodembedreigende activiteiten In de aangevraagde verandering vinden de volgende bodembedreigende activiteiten plaats: •
de opslag van infillmateriaal (zand met rubberkorrels);
•
het natzeven van infillmateriaal;
•
het behandelen van waswater afkomstig van de natzeefinstallatie;
•
de opslag van zand en (rubber) korrels afkomstig van de natzeefinstallatie;
•
de opslag van takjes, stenen en kunststof grassprieten afkomstig van de natzeefinstallatie;
•
de opslag van slib van het natzeven;
•
de opslag van droge zeeffracties van het natzeven;
•
de opslag van zeeffracties (grof puin, hout, stobben, stronken, kunststof) van het trommelzeven;
•
de opslag van zeefzand van eigen werken (dat nog niet gekeurd is);
•
de opslag van natronloog.
7.3. Bodembeschermende voorzieningen en maatregelen In de aanvraag zijn voor bovengenoemde bodembedreigende activiteiten de volgende bodembeschermende voorzieningen en maatregelen opgenomen: •
de opslag van infillmateriaal vindt plaats op een vloeistofdichte vloer;
•
het natzeven van infillmateriaal vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer;
•
het behandelen van waswater afkomstig van de natzeefinstallatie vindt plaats in vloeistofdichte voorzieningen;
•
zand en (rubber)korrels afkomstig van de natzeefinstallatie worden opgeslagen in een droogloods die voorzien is van een vloeistofkerende vloer. In de aanvraag is aangegeven dat het opgeslagen materiaal minder dan 10% vochtgehalte bevat en dat percolatie van water uit het opgeslagen materiaal niet optreedt;
•
de opslag van takjes, stenen en grassprieten vindt plaats boven een vloeistofkerende vloer. Daarnaast is aangegeven dat het om droge stoffen gaat;
•
de opslag van slib van het natzeven vindt plaats in een portaalcontainer boven een vloeistofkerende vloer;
•
de opslag van zeeffracties (grof puin, hout, stobben, stronken, kunststof) van het trommelzeven vindt plaats boven een vloeistofkerende vloer;
•
de opslag van zeefzand vindt plaats op een vloeistofdichte vloer;
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 38 van 61
•
de opslag van natronloog en 1 IBC met natronloog die is aangesloten op het proces zijn in een zeecontainer boven een lekbak opgeslagen.
7.4. Beoordeling en conclusie Binnen het bedrijf zijn activiteiten aanwezig die vallen onder een IPPC-installatie en activiteiten die vallen onder een niet-IPPC-installatie. De activiteiten m.b.t. de natwasinstallatie voor het reinigen van het infill en de daarbij behorende activiteiten zijn een IPPC-installatie. De bodembescherming van deze activiteiten is niet geregeld in het Bal en dient daarom in deze vergunning geregeld te worden. De opslag van gevaarlijke stoffen (b.v. opslag van natronloog in een IBC) is een bedrijfstakoverstijgende activiteit (paragraaf 3.2.9). Hiervoor is de bodembescherming wel geregeld in het Bal. De grondbank en de daarbij behorende activiteiten (zoals het trommelzeven van grond en opslag van puingranulaat) zijn activiteiten die niet onder een IPPC-installatie vallen. Voor de opslag van grond zijn in het Bal (paragraaf 3.5.8) geen artikelen van toepassing ten aanzien van bodembescherming. De opslag van veegzand/veegvuil is aangewezen als mba in artikel 3.184 van het Bal en is niet uitgezonderd van vergunningplicht in artikel 3.185 van het Bal. In artikel 3.198 onder lid p van het Bal is aangegeven dat voor de mba in artikel 3.184 van het Bal de paragraaf 4.104 van toepassing is. Hierin is de bodembescherming geregeld voor opslag en zeven van veegzand/vuil.
Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald, behalve voor de opslag van slib van het natzeven. De opslag van slib dient volgens de NRB en BB-cvm plaats te vinden boven een gekeurde vloeistofdichte bodemvoorziening. Een portaal container voldoet hier niet aan. Wij hebben daarom voorgeschreven dat deze opslag dient plaats te vinden boven een gekeurde vloeistofdichte bodemvoorziening. Ter plaatse van de opslag van infillmateriaal, het natzeven van infillmateriaal, de behandeling van waswater en de opslag van slib van het natzeven moeten vloeistofdichte voorzieningen worden/zijn aangelegd en dient dit in de vergunning te worden geregeld. De nieuwe voorzieningen moeten binnen 3 maanden na het in werking treden van deze vergunning zijn gerealiseerd. Ter plaatse van de opslag van zand en infill in de droogloodsen afkomstig van het natzeven en de opslag van takjes, stenen en grassprieten dienen vloeistofkerende voorzieningen te worden aangelegd en dient dit in de vergunning te worden geregeld. Bij het stellen van de voorschriften hebben wij met het bovenstaande rekening gehouden.
In de vigerende vergunning zijn vergunningvoorschriften opgenomen die voorzien in de inspectie en het onderhoud van de bodembeschermende voorzieningen. In voorschrift 6.3.1 van de vergunning van 28 oktober 2018 is een voorschrift opgenomen waarin is vastgelegd bij welke bodembedreigende activiteiten een vloeistofdichte vloer gerealiseerd moet worden. Bepaalde vergunde activiteiten onder het Bal worden niet meer gezien als bodembedreigende activiteiten (zoals de opslag, overslag en zeven van grond van de klasse Wonen). Deze activiteit hoeft daarom niet meer boven een vloeistofdichte vloer uitgevoerd te worden. Daarnaast worden grond van onbekende kwaliteit, klasse industrie en puin van onbekende kwaliteit (alleen schoon puin/puingranulaat) niet meer ingenomen, opgeslagen en bewerkt. Daarom
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 39 van 61
wordt dit voorschrift ingetrokken en aangepast aan de vergunning verbonden met daarin ook de nieuw aangevraagde activiteiten verwerkt.
7.5. Nulsituatieonderzoek Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over: •
de bodemkwaliteit ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Hierbij is ook van belang dat op de stoffen wordt geanalyseerd die worden gebruikt; • de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming; • de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; • de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties. De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Binnen de inrichting zijn de volgende relevante bodemonderzoeken uitgevoerd: • Verkennend bodemonderzoek, Rasenberg Milieutechniek, d.d. 31 mei 2012, documentnummer VB/821062; • Verkennend bodemonderzoek, Strukton Milieutechniek, d.d. 15 maart 2016, documentnummer VB/M20317-2. Tijdens deze onderzoeken is de bodemkwaliteit van de gehele locatie uitvoerig onderzocht. De toekomstige herindeling van de locatie maakt geen aanvullend nulsituatie bodemonderzoek noodzakelijk.
Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat is (in combinatie met de gestelde voorschriften) verwaarloosbaar conform het gestelde in de NRB. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd. 7.6.
Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. In de vigerende vergunning zijn hier reeds voorschriften voor opgenomen.
8.
ENERGIE
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 40 van 61
8.1. Algemeen In aansluiting op de criteria voor inrichtingen die onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen, worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten en/of een jaarlijks verbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit als energierelevant bestempeld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft de zorgplicht voor doelmatig gebruik, beheer en onderhoud van energie bestaan. Deze staat in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in artikel 2.6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting (volgens de aanvraag wordt het elektriciteitsverbruik van natwasinstallatie geschat op 150.000 – 200.000 kWh/jaar. Dit betreft alleen de natwasinstallatie. Hiermee is Gronddepot Klein Zwitserland een midden- of grootverbruiker van energie (middenverbruiker tussen 50.000 en 200.000 kWh/jaar of tussen 25.000 en 75.000 m 3 aardgasequivalenten/jaar)(grootverbruiker tussen 200.000 en 10 miljoen kWh/jaar of tussen 75.000 en 170.000 m3 aardgasequivalenten/jaar).
8.2. Energie relevante inrichting Vanaf 1 juli 2023 vallen vergunningplichtige bedrijven type C voor het onderwerp energiebesparing onder afdeling 2.6 van het Activiteitenbesluit. Deze bedrijven moeten dan voldoen aan een (geactualiseerde) energiebesparings- en informatieplicht. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit geregeld in paragraaf 5.4.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (gebruiksfuncties gebouwen). Paragraaf 5.4.1 van het Bal is aangewezen voor alle complexe bedrijven en andere vergunningplichtige activiteiten op grond van het Bal. Tevens is vanaf 1 juli 2023 een onderzoeksplicht ingevoerd voor bedrijven met een jaarlijks verbruik hoger dan 10 miljoen kWh of 170.000 m3 aardgasequivalenten. De onderzoeksrapportage heeft betrekking op energiebesparende maatregelen in het bedrijfsproces en moet voor 1 december 2023 en daarna elke vier jaar bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) worden ingediend. Tevens moet voor 1 december 2023 en daarna elke 4 jaar voldaan zijn aan de informatieplicht energiebesparing voor energiebesparende gebouwmaatregelen. Hierbij moeten bedrijven alle maatregelen met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar uitvoeren.
8.3. Conclusie Gronddepot Klein Zwitserland is een energie relevante inrichting. Vanuit de algemene rijksregels moet voldaan worden aan de energiebesparingsplicht en de informatieplicht. In de vergunning zijn daarom geen aanvullende voorschriften ter bevordering van het zuinig gebruik van energie opgenomen. Hiermee wordt ook voldaan aan de BBT23 van de BBT-conclusies afvalbehandeling.
9.
EXTERNE VEILIGHEID
9.1. Algemeen Binnen de inrichting zijn de volgende gevaarlijke stoffen aanwezig: •
het opslaan van natronloog;
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 41 van 61
•
het doseren van natronloog vanuit een IBC die is aangesloten op de waterbehandeling.
De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving. Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen.
9.2. Beoordeling en conclusie Volgens de toelichting op het Bal wordt een IBC gezien als een verpakking en wordt een verpakking gebruikt als een opslagtank indien deze staat opgesteld op een vaste plaats en daar via leidingen en pomp is aangesloten op een proces of een installatie. De op het proces aangesloten IBC valt daarom onder paragraaf 3.2.8 van het Bal, maar er geldt tevens een vergunningplicht (omdat deze activiteit valt onder de IPPCinstallatie). De algemene regels van paragraaf 4.95 zijn van toepassing. Er gelden geen specifieke regels met betrekking tot externe veiligheid. De opslag van de extra IBC is geen milieubelastende activiteit (mba) die is aangewezen in het Bal, maar maakt wel onderdeel uit van de IPPC-installatie. Volgens het Bal en tabel 2 van de PGS 15:2021 versie 1.0 geldt er een algemene ondergrens van 1.000 kg of liter in totaal aan de gevaarlijke stoffen. Uit paragraaf 1.3 van de PGS is op te maken dat voor vloeistoffen uitgegaan wordt van de nominale inhoud van de houder, in dit geval dus van 1.000 liter. Omdat dit geen aangewezen mba is en de PGS 15 niet van toepassing is, hoeft ook niet voldaan te worden aan voorschrift 3.4.1 uit de PGS. Wij achten het niet nodig om voor deze opslag vergunningvoorschriften voor te stellen.
10.
GELUID
10.1. Algemeen De bedrijfsactiviteiten van de onderhavige inrichting hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. De door deze inrichting veroorzaakte geluidbelasting in de omgeving is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Sain milieuadvies met kenmerk 2014-3064-5 d.d. 30 september 2020. Het geluid wordt beoordeeld op basis van de in het akoestisch rapport beschreven bedrijfssituaties. Beoordeeld worden de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidsniveaus als gevolg van het in werking zijn van de inrichting alsmede de geluidemissie ten gevolge van de indirecte hinder vanwege het wegverkeer van en naar de inrichting. 10.2. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau De normen en beleidsuitgangspunten met betrekking tot het geluid in de omgeving van een inrichting dienen gebaseerd te worden op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (oktober 1998). Omdat er geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld, dient voor het stellen van grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) te worden uitgegaan van de richtwaarden uit hoofdstuk 4 van de eerder genoemde handreiking. De geluidgrenswaarden worden getoetst ter plaatse van woningen van derden. De inrichting is gelegen in het buitengebied van de kern Gilze, aan de noordzijde van de A58.
Het gebied is te typeren als een landelijke omgeving, waar volgens de Handreiking een richtwaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde geldt. Echter vanwege de
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 42 van 61
rijksweg A58 is het referentieniveau van het omgevingsgeluid ten gevolge van wegverkeer ter plaatse van de dichtstbijgelegen woning Klein Zwitserland 20 hoger dan 40 dB(A) etmaalwaarde. Bij bestaande inrichtingen is overschrijding van de richtwaarde mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen. Uitgaande van de verkeersintensiteiten uit het geluidregister van Rijkswaterstaat is bij de ten zuiden van de inrichting gelegen woning Klein Zwitserland 20 het referentieniveau van het omgevingsgeluid door Sain milieuadvies bepaald. Uit het akoestisch rapport van Sain milieuadvies blijkt dat het referentieniveau op de achtergevel bij de woning Klein Zwitserland 20 ongeveer 46 dB(A) in de dagperiode, 43 dB(A) in de avondperiode en 39 dB(A) in de nachtperiode bedraagt (bepaald volgens de rekenmethode beschreven in de IL-HR-15-01). In onderhavig geval wordt voor de grenswaarden voor de woning Klein Zwitserland 20 derhalve aansluiting gezocht bij het referentieniveaus van het omgevingsgeluid van de dag-, avond- en nachtperiode. 10.3.
Maximale geluidsniveau Als hoogst toelaatbare maximale geluidniveaus (LAmax), gemeten in de meterstand ‘fast’ ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige bestemmingen geldt in beginsel respectievelijk voor de dag-, avond- en nachtperiode een waarde van 70, 65 en 60 dB(A). Bij een veranderingsvergunning wordt in eerste instantie getoetst of de aangevraagde situatie past binnen de vigerende grenswaarden. Indien dit niet het geval is, dient het hierboven staande toetsingskader te worden gehanteerd. 10.4. Indirecte hinder Voor wat betreft de geluidemissie tengevolge van de indirecte hinder vanwege het wegverkeer van en naar de inrichting dient deze beoordeeld te worden conform de Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer (1996). Daarin wordt een voorkeursgrenswaarde aanbevolen van 50 dB(A) etmaalwaarde. 10.5. Beoordeling en conclusie In de vigerende oprichtingsvergunning van 1 november 2016 zijn in geluidvoorschrift 7.1.2 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT) de grenswaarde voor de dagperiode (07.00 – 19.00 uur) van 40 dB(A) gesteld ter plaatse van woningen van derden. Voor het maximale geluidniveau is in geluidvoorschrift 7.1.3 de grenswaarde van 70 dB(A) voor de dagperiode ter plaatse van woningen van derden opgenomen.
In het akoestisch rapport van Sain milieuadvies zijn de geluidbelastingen, in termen van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus vanwege de gehele inrichting, ter plaatse van de gevels van de dichtst bij gelegen woning van derden, gepresenteerd. In het onderzoek is uitgegaan van een worst-case situatie waarbij alle genoemde activiteiten op één dag plaatsvinden. In onderhavig onderzoek zijn de geluidniveaus bepaald bij een viertal nabij de inrichting gelegen woningen van derden. Conform de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening is ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen voor de dagperiode een beoordelingshoogte aangehouden van 1,5 meter en voor de avond- en
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 43 van 61
nachtperiode een beoordelingshoogte van 5 meter boven lokaal maaiveld. Voor de referentiepunten is een beoordelingshoogte van 5 meter boven lokaal maaiveld aangehouden. Omdat in de aanvraag om een omgevingsvergunning en in het akoestisch onderzoek nu ook rekening is gehouden met activiteiten voor 7.00 uur ’s morgens en na 19.00 uur ’s avonds kan er niet meer worden voldaan aan de geluidvoorschriften uit de oprichtingsvergunning van 1 november 2016. Daarnaast blijkt uit het akoestisch rapport dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode bij de woning Klein Zwitserland 20 ten hoogste 46 dB(A) kan bedragen. Uit het akoestisch rapport blijkt dat bij de in de omgeving van de inrichting gelegen woningen van derden kan worden voldaan aan de van toepassing zijnde richtwaarden. Bij de woning Klein Zwitserland 20 wordt voldaan aan de referentieniveaus van het omgevingsgeluid van 46, 43 en 39 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. En bij de overige, verder van de A58 gelegen, woningen aan de richtwaarden behorende bij een landelijke omgeving van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus zijn hiermee toelaatbaar.
In de voorschriften worden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau de geluidniveaus vastgelegd zoals deze zijn bepaald in het akoestisch onderzoek van Sain milieuadvies bij de maatgevende woningen van derden. Uit de rapportage blijkt dat bij de in de omgeving van de inrichting gelegen woningen van derden wordt voldaan aan de grenswaarden van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) voor het maximale geluidniveau. De optredende geluidniveaus zijn hiermee toelaatbaar. Het verkeer van en naar de inrichting op de openbare weg dient beoordeeld te worden conform de circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer (1996). Uit de rapportage blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) vanwege indirecte hinder. Het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport hebben wij beoordeeld. Met de uitgangspunten en de berekeningsresultaten kunnen wij instemmen. De gehanteerde bronvermogenniveaus zijn aannemelijk. Ten aanzien van de geluidbelasting voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximale geluidniveaus en indirect hinder is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.
Ten behoeve van de handhaafbaarheid zijn in de voorschriften voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveaus nieuwe grenswaarden, gelden voor de gehele inrichting, gesteld bij woningen van derden. Omdat de bronvermogens van het zeven van grond en van de natwasinstallatie niet ter plaatse zijn vastgesteld en in het akoestisch rapport is uitgegaan van een geprognosticeerde situatie wordt ter verificatie dat daadwerkelijk aan het te stellen geluidvoorschriften kan worden voldaan een controlevoorschrift aan deze beschikking verbonden. Middels uit te voeren geluidmetingen gevolgd door berekeningen dienen van de grondzeefinstallatie en van de grondwasinstallatie de immissierelevante
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 44 van 61
bronsterktes (Lwr) te worden vastgesteld alvorens aan de geluidgrenswaarden wordt getoetst. 11.
LUCHT
11.1. Algemeen Luchtemissies moeten zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt door het treffen van maatregelen met als doel: beschermen en verbeteren van de luchtkwaliteit. Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
11.2.
Toetsingskader
11.2.1. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Voor het aspect lucht waren bepalingen opgenomen in het Activiteitenbesluit. Zoals reeds eerder overwogen is het Activiteitenbesluit met het in werking treden van de Omgevingswet komen te vervallen. Thans zijn eisen opgenomen in het Bal of in een eerder verleende vergunning. De eisen uit het Bal zijn rechtstreeks geldend en worden daarom niet in een vergunning. Hierna wordt beoordeeld welke activiteiten binnen de inrichting worden gedekt door de algemene regels en of eerder opgelegde vergunningvoorschriften (die nu mogelijk maatwerkvoorschriften zijn geworden) en of er in het kader van de verplichting dat de BBT aanwezig moeten zijn aanleiding is om aanvullende voorwaarden te stellen. Opgemerkt wordt dat in het Bal, in tegenstelling tot de Wabo, niet uitgegaan wordt van het inrichtingenbegrip maar van het begrip milieubelastende activiteiten (mba). Wij hebben zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek van het Bal en hebben dus per (relevante) mba het aspect lucht beoordeeld. Daarnaast wijzen wij erop dat sommige bepalingen uit het Activiteitenbesluit alleen van toepassing waren onder bepaalde voorwaarden of niet golden in bepaalde uitzonderingssituaties.
Indien die bepalingen zonder de uitzonderingen of voorwaarden terugkomen in het Bal, dan hoeft degene die de activiteit verricht tot 1 januari 2026 (2 jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet) niet aan de nieuwe bepaling te voldoen (artikel 8.1.6 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Een bedrijf kan die tijd gebruiken om alsnog te gaan voldoen dan wel een maatwerkvoorschrift aan te vragen. Specifiek voor lucht gaat het dan bijvoorbeeld om de verplichting om stuifgevoelige goederen (S1 t/m S4) in een gesloten ruimte op- en over te slaan en het vervallen van de grensmassastroom. Bijlage IV van het Bal geeft per stof een indeling in stuifklassen. Deze lijst geeft de meest voorkomende aan: •
S1: sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar
•
S2: sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar
•
S3: licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar
•
S4: licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar
•
S5: nauwelijks of niet stuifgevoelig
Voorbeelden van nauwelijks stuifgevoelige stoffen (S5) zijn puin, kalksteen, lava en puingranulaat. Voorbeelden van stuifgevoelige stoffen zijn cement (S1), zand (S2, S3 , S4 of S5) en tarwemeel (S1).
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 45 van 61
De volgende onderdelen van het Bal zijn relevant voor het aspect lucht: -
Artikel 2.11 - Specifieke zorgplicht: geldt voor alle aangevraagde mba’s. Naast de algemene doelstelling (emissies voorkomen, beperken en BBT toepassen) verplicht dit degene die de mba verricht om voorzieningen te realiseren om gekanaliseerde luchtemissies doelmatig te kunnen bemonsteren en te registreren.
Voor complexe bedrijven is de aanwijzing van paragrafen in hoofdstuk 4 beperkt ingevuld. Alleen de paragrafen waarin een Europese richtlijn is geïmplementeerd, zijn aangezet. De volgende bijlagen van het Bal zijn relevant voor het aspect lucht: Bijlage I Begrippen; Bijlage III Stoffen en stofklassen; Bijlage IV Stuifklassen; Bijlage V Stoffen aanvullende rapportageplicht PRTR en Bijlage VI Groepen verontreinigende stoffen PRTR. 11.2.2. Wet milieubeheer In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
11.2.3. Schone lucht akkoord (SLA) In 2020 hebben gemeenten, provincies en het Rijk afspraken gemaakt over het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit in Nederland. Deze afspraken staan in het Schone Lucht Akkoord (SLA). Het doel van het SLA is dat in 2030 sprake is van minder gezondheidsschade door luchtvervuiling door emissies in de sectoren die de meeste impact op schone lucht hebben: (weg)verkeer, landbouw, scheepvaart, industrie, huishoudens en luchtvaart. Dit betekent dat: -
-
-
alle passende preventieve maatregelen moeten worden getroffen tegen verontreiniging van het milieu en ter bescherming van de gezondheid; resultaatgerichte emissiegrenswaarde op basis van de toepassing van BBT worden gesteld en deze een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van gezondheid en milieu beogen; significante verontreiniging moet worden voorkomen, mede in relatie tot de regels in het gemeentelijke omgevingsplan en of op basis van de aanvullende provinciale regels in de omgevingsverordening om de functies van de leefomgeving evenwichtig toe te delen; de specifieke zorgplicht van iedere mba wordt geconcretiseerd; de effecten die in beeld komen door een milieueffectrapportage worden betrokken; de oplossingen die deelnemers inbrengen tijdens participatieprocessen worden betrokken.
11.3. Beoordeling Hieronder worden de voor luchtemissie relevante aangevraagde activiteiten opgesomd, waarna wij ingaan op de beoordeling van deze activiteiten met betrekking tot de luchtkwaliteit op leefniveau (luchtimmissie). Daarna volgt de toetsing van de aangevraagde activiteiten. Er wordt beoordeeld of de activiteit voldoet aan de beste beschikbare technieken ten behoeve van bescherming en verbetering van de luchtkwaliteit en indien relevant wordt gemotiveerd waarom er aanvullende en/of afwijkende voorschriften worden gesteld voor het aspect lucht.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 46 van 61
De aanvraag heeft betrekking op activiteiten die emissies naar de lucht tot gevolg hebben. Dit betreffen de luchtemissie van transportbewegingen en diffuse emissies van de op- en overslag en het bewerken van stuifgevoelige stoffen. De luchtemissies vinden plaats bij een inrichting met een IPPC-installatie en tevens zijn activiteiten aanwezig die niet onder de IPPC-installatie vallen (de eerder vergunde activiteiten/gronddepot). De luchtemissies van de IPPC-installatie en de daarbij behorende activiteiten dienen geregeld te worden in de vergunning. Van de luchtemissies van de niet-IPPC installatie dient beoordeeld te worden of de vergunningvoorschriften/maatwerkvoorschriften nog afdoende zijn of dat deze moeten worden aangepast of moeten worden ingetrokken en of dat, indien algemene regels van toepassing zijn, of dat maatwerk nodig is.
11.4. Diffuse emissies Uit de aanvraag blijkt dat op- en overslag en bewerking van stuifgevoelige stoffen plaatsvindt. Hierin is ook aangegeven welke maatregelen worden getroffen om diffuse emissies te voorkomen. In de vigerende vergunning van 1 november 2016 zijn in paragraaf 8.1 voorschriften opgenomen met betrekking tot de op- en overslag en het bewerken van stuifgevoelige niet inerte goederen. Voor de op- en overslag en het bewerken van inerte goederen was het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. De voorschriften uit paragraaf 8.1 van de oprichtingsvergunning van 1 november 2016 zijn van toepassing op de opslag van grond van de klasse industrie, wonen en onbekende kwaliteit en puin van onbekende kwaliteit. Dit blijkt uit de considerans van deze vergunning. Nu de activiteit wijzigt dient opnieuw beoordeeld te worden of deze voorschriften aangepast of ingetrokken moeten worden. Wij hebben dit beoordeeld en zien noodzaak om de voorschriften in te trekken en gewijzigd aan deze vergunning te verbinden. Daarnaast was voorschrift 8.1.2 niet duidelijk en was voorschrift 8.1.3 niet volledig (S4 en S5 stuifklassen ontbraken. Gezien het bovenstaande hebben we voorschriften voor op- en overslag en be- en verwerken van stuifgevoelige (afval)stoffen gesteld die van toepassing zijn op het gehele bedrijf.
11.5. Luchtkwaliteit In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren. De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag in het luchtkwaliteitsonderzoek . Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria: a. b. c.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde er is - al dan niet per saldo - geen verslechtering van de luchtkwaliteit de bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate' (NIBM)
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 47 van 61
d.
het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Wij hebben het bij de aanvraag toegevoegde luchtkwaliteitsonderzoek beoordeeld. Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
11.6. Eindconclusie aspect lucht Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
12.
OVERIGE ASPECTEN
12.1. Ongewonen voorvallen In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld. In artikel 17.2, vierde lid is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval, waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn kan bepalen dat in afwijking van artikel 17.2, eerste lid het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting, genoemd in artikel 17.2, eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden. In de vigerende vergunning in voorschrift 1.2.2 van 1 november 2016 is opgenomen dat ongewone voorvallen gemeld moeten worden bij de gemeente Gilze en Rijen. Nu de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant het bevoegd gezag zijn geworden, hebben we bekeken of dit voorschrift aangepast of ingetrokken moet worden. In de artikelen 2.11, 2.21 en 2.22 van het Bal die rechtstreeks werkend zijn, is dit nu onder andere opgenomen. Het vergunningvoorschrift 1.2.2 van de vergunning van 1 november 2016 wordt daarom ingetrokken.
12.2.
Overige voorschriften
12.2.1. Verspreiding verontreinigingen Grootschalige of grensoverschrijdende verontreinigingen van de activiteiten van de inrichting worden niet verwacht. Daarom zijn hier geen voorschriften voor opgenomen.
12.2.2. Bijzondere bedrijfsomstandigheden Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door bijvoorbeeld het opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden zijn de voorschriften in deze vergunning opgenomen.
12.2.3. Ongevallen Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van ongevallen, zijn de voorschriften in deze vergunning opgenomen.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 48 van 61
12.2.4. Bedrijfsbeëindiging Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.
12.3.
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) Wij hebben, in het kader van de Wet Bibob, de aangeleverde stukken met betrekking tot de bedrijfsvoering en de financiering getoetst. Naar aanleiding van deze toets zien wij geen aanleiding tot verdere stappen.
12.4.
Proefnemingen
12.4.1. Proefnemingen met producten en procesvoering Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu. Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieu-hygiënische consequenties. Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren. In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en moeten proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons. Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men wil de resultaten daarvan implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
12.4.2. Proefnemingen met afvalstoffen Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 49 van 61
verbonden milieu-hygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn. Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren. In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd. De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons. Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
13. CONCLUSIE Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de veranderingen van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend. In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 50 van 61
BEGRIPPENLIJST Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.) Begrip
Definitie
Considerans BBT
Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld. In een BBT document zijn de BBT beschreven.
BREF
BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.
E-PRTR
European Pollutant Release Transfer Register
IPPC
Integrated Pollution Prevention and Control
MER
Milieueffectrapport
Afval Minimumstandaard
De minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën van afvalstoffen. De minimumstandaard vormt een referentie voor de maximale milieudruk die verwerking van (een categorie van) afvalstoffen mag opleveren. De standaard is een invulling van de afvalhiërarchie voor afzonderlijke afvalstoffen en vormt op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer. Ook betreft het een uitwerking van de artikelen 3 en 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen.
Ontdoener
Persoon of bedrijf waar afval ontstaat en die zich van het afval wil ontdoen door het af te geven aan een inzamelaar, vervoerder handelaar, bewerker of verwerker.
Opbulken
Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 51 van 61
Overslaan
Verrichten van alle handelingen op één locatie, waarbij afvalstoffen vanuit of vanaf een opbergmiddel of transportmiddel in of op een ander opbergmiddel of transportmiddel worden overgebracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld beladen, lossen, hevelen, enz. met bijvoorbeeld kranen, transportbanden en leidingen, maar het uitvoeren van iedere verwerkingshandeling (sorteren, scheiden, spoelen, mengen, etc. etc.) valt hier niet onder.
Sorteren
Scheiden van een mengsel van materiaalstromen of van samengestelde materialen gescheiden in de oorspronkelijke materiaalstromen.
Uitsorteren
Het handmatig scheiden van incidenteel voorkomende verontreinigingen uit een vrijwel schone materiaalstroom of uit een mengsel van vrijwel schone materiaalstromen
Afvalwater Afvalwater
Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.
Bedrijfsafvalwater
Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.
Bedrijfsriolering
Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.
Hemelwater
Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel.
Huishoudelijk
Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van
afvalwater
particuliere huishoudens.
Openbaar riool
Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer.
PAK
- Polycyclische aromatische koolwaterstoffen. - De som van de elementen: naftaleen, acenafteen, acenaftyleen, fluoreen, fenantreen, antraceen, pyreen, chryseen, benz(a)antraceen, fluorantheen, benzo(b)fluorantheen, benzo(a)pyreen, dibenz(a,h)antraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(g,h,i)peryleen en indeno(1,2,3-c,d)pyreen.
Riolering
Bedrijfsriolering of openbare riolering.
RWZI
Rioolwaterzuiveringsinstallatie
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 52 van 61
Zeer zorgwekkende stoffen
Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) is een verzameling van de meest gevaarlijke stoffen voor mens en milieu. Deze hebben veelal een combinatie van de volgende eigenschappen: ze zijn giftig bij lage concentraties, hopen op in het milieu, zijn niet of zeer moeilijk afbreekbaar, kankerverwekkend, veroorzaken erfelijke schade of zijn schadelijk voor de voortplanting. Voor deze groep stoffen is als beleidsdoelstelling gesteld om deze ZZS te weren uit de leefomgeving. Voor de actuele lijst zie: http://www.rivm.nl/rvs/Stoffenlijsten/Zeer_Zorgwekkende_St offen
Bodem AS SIKB 6700
Accreditatieschema Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement, versie 3.0, februari 2018
BAOC
Een bewijs van aanleg onder certificaat, door de aannemer verstrekt.
Bedrijfsriolering
Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, oliewaterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.
Bodemincident
Een incident waarvan op voorhand een redelijk vermoeden bestaat dat vrijgekomen stoffen de bodem zullen verontreinigen, dan wel een incident waarna door middel van lekdetectie of anderszins is vastgesteld dat bodemverontreiniging is opgetreden.
Bodemrisicodocume
Document dat inzicht geeft in het risico van
nt
bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico.