5. Concept ontwerpbeschikking Klein Zwitserland OMWB
Tekst van het document
Ontwerpbeschikking van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
op de op 9 augustus 2022 bij hen binnengekomen aanvraag van Gronddepot Klein Zwitserland BV, om vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor de inrichting gelegen aan de Klein Zwitserland 22, 5126TA Gilze, gemeente Gilze en Rijen.
zaaknummer 2022-037462
Ondertekening bij definitieve beschikking
datum 25-10-2024
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Namens deze,
plaats Tilburg
ons kenmerk D2023-01-016422
Teammanager Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant
Spoorlaan 181 5038 CB Tilburg Postbus 75 5000 AB Tilburg 013 206 01 00
Zichtbaar samen werken aan een schone, veilige en duurzame leefomgeving
info@omwb.nl www.omwb.nl
BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING
Onderwerp Op 9 augustus 2022 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Gronddepot Klein Zwitserland B.V. Het betreft het veranderen van de inrichting met het toevoegen van een natwasinstallatie voor infillmateriaal, een waterbehandeling, het drogen van gewassen infillmateriaal in de te bouwen droogloodsen en de op- en overslag van afvalstoffen en bouwstoffen. Naast bouwen en milieu wordt ook handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening aangevraagd. De aanvraag gaat over Klein Zwitserland 22 te Gilze De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 6943991 en ons zaaknummer 2022-037462. Concreet wordt verzocht om een vergunning voor de volgende activiteit/activiteiten: •
ex artikel 2.1, lid 1, onder a (het bouwen van een bouwwerk);
•
ex artikel 2.1 lid 1, onder c (het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening);
•
ex artikel 2.1, lid 1, onder e (milieu).
Besluit Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan Gronddepot Klein Zwitserland BV een omgevingsvergunning te verlenen voor de volgende activiteit(en): •
het bouwen van bouwwerken op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo voor het bouwen van een loods, het plaatsen van legioblokken, het bouwen van waterbassins, spirotank, zonnepanelen en de natzeefinstallatie; • het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een <bestemmingspl/beheersverord/exploitatie> op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo voor <<invullen de afwijking van het plan>>; • het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo voor het toevoegen van een natwasinstallatie voor infillmateriaal, een waterbehandeling, het drogen van gewassen infillmateriaal in de te bouwen droogloodsen en de op- en overslag van afvalstoffen en bouwstoffen; Daarnaast besluiten wij: • dat de volgende delen van de aanvraag onderdeel uit maken van deze vergunning, voor zover de voorschriften en de beperkingen van deze vergunning niet anders bepalen: o OLO-aanvraagformulier met OLO-nummer 6943991; o Acceptatie- en verwerkingsbeleid en Administratieve organisatie en interne controle, Gronddepot Klein Zwitserland BV, versie 1.1 – december 2021, ontvangen 25 september 2023; o Akoestisch onderzoek Gronddepot Klein Zwitserland, projectnummer 2014-3064-6, d.d. 1 september 2023, ontvangen op 28 september 2023 ; o IPPC-toets: BREF afvalbehandeling, Gronddepot Kl.
Zw., ontvangen op 9 augustus 2022;
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 2 van 61
IPPC-toets: BREF op- en overslag bulkgoederen, Gronddepot Klein Zwitserland, ontvangen op 9 augustus 2022; o Besluit m.e.r.-beoordeling Gronddepot Klein Zwitserland BV, d.d. 25 juni 2021; o document met kenmerk in OLO ‘6943991_1660054765384_Loods_Gronddepot_CONSTRUCTIEF.pdf (56 blz)’, ontvangen op 9 augustus 2022; o augustus 2022;document met kenmerk in OLO ‘6943991_1660054873694_Keerwanden_CONSTRUCTIEF.pdf (29 blz)’, ontvangen op 9 augustus 2022; o document met kenmerk in OLO ‘6943991_1660055187593_Natwasser_installatie_CONSTRUCTIEF.pdf (41 blz)’, ontvangen op 9 augustus 2022; o document met kenmerk in OLO ‘6943991_1660055560005_Vijverbassin_CONSTRUCTIEF.pdf (2 blz)’, ontvangen op 9 augustus 2022; o rapport ‘Rapportage geotechnisch onderzoek nieuwbouw opslagtunnels aan Klein Zwitserland 22 te Gilze-Rijen (12 blz)’ van Geosonda met kenmerk 190811222-1405, laatste wijzigingsdatum 23 september 2019, ontvangen op 9 augustus 2022; o rapport ‘statische berekening vloer silo’s en waterberging (15 blz)’van bouwkundig adviesbureau Mol met kenmerk 061-2023, laatste wijzigingsdatum 8 maart 2023, ontvangen op 14 maart 2023; o handeling Proceswater t.b.v. lozing, Scheidingsinstallatie Klein Zwitserland, M2515-19 Proceswater KZ, d.d.
23 juli 2021; o Overzicht en dwarsprofielen, Klein Zwitserland gronddepot, 2023-1211 DO Klein Zwitserland v38.pdf, tekeningnummer 2023-W-038, 0806-2023, ontvangen op 26 december 2023; o Ruimtelijke onderbouwing planafwijking, Klein Zwitserland 22 Gilze, gemeente Gilze en Rijen, NL.IMRO.0784.BPKleinZw-VO02, d.d. 30 december 2023, ontvangen op 24 januari 2024 per e-mail; o Toelichting op aanvraag Omgevingsvergunning inclusief bijlagen, Gronddepot Klein Zwitserland BV, 11-12-2023, 23.1059.11-MIL, ontvangen op 26 december 2023; o Aanvulling aanvraag Omgevingsvergunning, Gronddepot Klein Zwitserland, 23.044.1059, d.d. 23 december 2023, ontvangen op 26 december 2023; o Turbin behandeling waswater zeven infill, 20231112 Turbin behandeling waswater natzeven infill, ontvangen op 26 december 2023; o E-mail Gronddepot Klein Zwitserland BV – opslag veegzand, d.d. 30 september 2024.
de voorschriften 1.2.2, 2.4.13, 3.2.1, 6.3.1, 6.3.5, 7.1.2, 7.1.3 en 7.1.4, 8.1.1 t/m 8.1.3 van de omgevingsvergunning van 1 november 2016 met kenmerk OV/2014369-16ZK00034 in te trekken en aangepast (behalve voorschrift 1.2.2) te verbinden aan deze vergunning; het voorschrift 2.4.1 van de omgevingsvergunning van 2 oktober 2017 met kenmerk 17ZK04116 in te trekken en aangepast te verbinden aan deze vergunning; het voorschrift 5.1.1 van de omgevingsvergunning van 26 oktober 2018 met zaaknummer 18090784 in te trekken. o
•
•
•
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 3 van 61
Omgevingswet en overgangsrecht Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met het in werking treden van de Omgevingswet zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de hierop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten- en regelingen, komen te vervallen. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft echter het oude recht van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2024. Onderhavige aanvraag is dan ook conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en aanverwante wet- en regelgeving beoordeeld en afgehandeld. Na het onherroepelijk worden van deze vergunning geldt deze als omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet voor zover het activiteiten betreft die als vergunningplichtig zijn aangewezen onder de Omgevingswet. Zienswijzen Een ieder kan schriftelijk of mondeling zienswijzen indienen. Dit kan tot zes weken na de dag waarop dit ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd. In de schriftelijke zienswijzen moet u, naast uw inhoudelijke zienswijzen, het volgende opnemen: uw naam en adres, de datum en een omschrijving van het ontwerpbesluit.
Uw zienswijzen kunt u richten aan: Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant P/a Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Postbus 75 5000 AB Tilburg Als u liever uw zienswijzen digitaal indient, dan kan deze verzonden worden naar: info@omwb.nl Wij verzoeken u om in de zienswijzen ons zaaknummer te vermelden.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 4 van 61
INHOUDSOPGAVE BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING
2
ONDERWERP BESLUIT
2 2
VOORSCHRIFTEN
8
1
HET (VER)BOUWEN VAN EEN BOUWWERK
8
1.1
8
2
3
4
VOORSCHRIFTEN MILIEU
9
2.1 2.2 2.3
9 9 9
ALGEMEEN INSTRUCTIES PROEFNEMINGEN
AFVALSTOFFEN
10
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
10 10 11 12 12
OPSLAG VAN AFVALSTOFFEN ACCEPTATIE VAN AFVALSTOFFEN BEDRIJFSVOERING REGISTRATIE INVENTARISATIE
AFVALWATER 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15
5
ALGEMEEN
12
ALGEMEEN 12 LOZINGSSITUATIE 12 MELDINGSPLICHT LOZING 13 ZUIVERINGSTECHNISCHE VOORZIENINGEN 13 LOZINGSEISEN TER PLAATSE VAN CV 1 13 VOORKOMEN VERONTREINIGING (SCHROB-) EN HEMELWATER 13 HULPSTOFFEN 14 PROCEDURES GEBRUIK BUFFERVOORZIENINGEN 14 ONDERZOEKSVERPLICHTING VERONTREINIGING PROCESAFVALWATER 14 CONTINUE VERMINDERING VAN DE LOZING VAN CADMIUM, LOOD, NIKKEL EN PAK 15 MEET- EN BEMONSTERINGSVOORZIENINGEN 15 METEN, BEMONSTEREN EN ANALYSEREN 15 VERLAGING MONSTERNAMEFREQUENTIE 16 RAPPORTAGE 16 LOGBOEK 16
BODEM
16
5.1 5.2 5.3
16 17 17
VOORZIENINGEN OPSLAG ZAND EN (RUBBER)KORRELS IN DROOGLOODSEN BEDRIJFSRIOLERINGEN
6
GELUID
17
7
LUCHT
18
7.1
18
8
OP- EN OVERSLAG EN BE- EN VERWERKEN VAN STUIFGEVOELIGE (AFVAL)STOFFEN
STIKSTOF
19
8.1
19
STILLEGGEN BEDRIJFSACTIVITEITEN (GEBRUIKSFASE)
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 5 van 61
9
PROCESINSTALLATIES
20
9.1 9.2
20 20
MEET-, REGEL- EN BEVEILIGINGSAPPARATUUR PROCESINSTALLATIES
PROCEDURELE ASPECTEN
21
1.
PROCEDURELE ASPECTEN
21
1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5. 1.6. 1.7. 1.8. 1.9. 1.10. 1.11.
21 21 21 26 26 26 26 27 27 27 28
GEGEVENS AANVRAGER PROJECTBESCHRIJVING OMSCHRIJVING VAN DE AANVRAAG HUIDIGE VERGUNNINGSITUATIE VERGUNNINGPLICHT BEVOEGD GEZAG WET NATUURBESCHERMING BEOORDELING VAN DE AANVRAAG PROCEDURE MER-BEOORDELING ADVIES EN VERKLARING VAN GEEN BEDENKINGEN
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN
29
2.
BOUWEN
29
2.1. 2.2. 2.3.
29 29 30
3.
4.
5.
6.
7.
INLEIDING TOETSING CONCLUSIE
HANDELEN IN STRIJD MET REGELS RUIMTELIJKE ORDENING
30
3.1.
30
INLEIDING
TOETSINGSKADER MILIEU
30
4.1. 4.2. 4.3.
30 30 30
INLEIDING TOETSING VERANDEREN ALGEMENE REGELS
AFVALSTOFFEN
31
5.1. 5.2. 5.3. 5.4.
31 33 33 34
ACCEPTATIE EN/OF VERWERKING VAN AFVALSTOFFEN AV-BELEID EN AO/IC REGISTRATIE CONCLUSIE
AFVALWATER
34
6.1. 6.2.
34 35
TOETSINGSKADER BEOORDELING EN CONCLUSIE
BODEM 7.1. 7.2. 7.3. 7.4. 7.5. 7.6.
37 ALGEMEEN DE BODEMBEDREIGENDE ACTIVITEITEN BODEMBESCHERMENDE VOORZIENINGEN EN MAATREGELEN BEOORDELING EN CONCLUSIE NULSITUATIEONDERZOEK EINDSITUATIEONDERZOEK EN HERSTELPLICHT BIJ GECONSTATEERDE
VERONTREINIGING
ons kenmerk: D2023-01-016422
37 38 38 39 40 40
pagina 6 van 61
8.
9.
10.
11.
ENERGIE
40
8.1. 8.2. 8.3.
41 41 41
EXTERNE VEILIGHEID
41
9.1. 9.2.
41 42
ALGEMEEN BEOORDELING EN CONCLUSIE
GELUID
42
10.1. 10.2. 10.3. 10.4. 10.5.
42 42 43 43 43
ALGEMEEN LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU MAXIMALE GELUIDSNIVEAU INDIRECTE HINDER BEOORDELING EN CONCLUSIE
LUCHT 11.1. 11.2. 11.3. 11.4. 11.5. 11.6.
12.
ALGEMEEN ENERGIE RELEVANTE INRICHTING CONCLUSIE
45 ALGEMEEN TOETSINGSKADER BEOORDELING DIFFUSE EMISSIES LUCHTKWALITEIT EINDCONCLUSIE ASPECT LUCHT
45 45 46 47 47 48
OVERIGE ASPECTEN
48
12.1. ONGEWONEN VOORVALLEN 48 12.2. OVERIGE VOORSCHRIFTEN 48 12.3. WET BEVORDERING INTEGRITEITSBEOORDELINGEN DOOR HET OPENBAAR BESTUUR (WET BIBOB) 49 12.4. PROEFNEMINGEN 49 13.
CONCLUSIE
50
BEGRIPPENLIJST
51
BIJLAGE 1: TE OVERLEGGEN GEGEVENS ZOALS BEDOELD IN VOORSCHRIFT 4.7.2 57 BIJLAGE 2 ANALYSEFREQUENTIE ZOALS BEDOELD IN VOORSCHRIFT 4.12.3 58 BIJLAGE 3 ANALYSEMETHODEN ZOALS BEDOELD IN VOORSCHRIFT 4.12.4
59
BIJLAGE 4: AMBTSHALVE AERIUS BEREKENINGEN
60
BIJLAGE 5: (ONTWERP)VVGB GEMEENTERAAD GILZE EN RIJEN
61
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 7 van 61
VOORSCHRIFTEN
Bouwen 1
HET (VER)BOUWEN VAN EEN BOUWWERK
1.1 Algemeen 1.1.1. De volgende gegevens en bescheiden moeten uiterlijk drie weken voor aanvang van de werkzaamheden ter beoordeling worden overgelegd aan het bevoegd gezag, via bouwen@omwb.nl: a.
de uitvoeringstekeningen van alle stalen constructieonderdelen van de loods;
b.
de detailberekeningen en -tekeningen van de verbindingen van de staalconstructies van de loods;
c.
tekening ‘Overzicht en dwarsprofielen’ met kenmerk 2019-W-035 dient aangepast te worden: •
legioblokken aangeven in plaats van keerwanden daar waar deze zijn geplaatst op plattegrond en in doorsnede A;
•
aangeven maximale storthoogtes van de bulkgoederen op alle wanden rondom de stortvakken volgens rapport ‘Plaatsen keerwanden Legioblock Gronddepot Kl.Zw.’ met kenmerk 216187;
•
tekening aanzicht kantoor-unit aanpassen aan bestaande situatie met één verdieping in plaats van twee;
•
Spiro tank en Decanter tanks van tekening halen, deze bouwwerken worden niet aangevraagd in het OLO formulier.
1.1.2. Voordat met bouwwerkzaamheden wordt begonnen, moet dit ten minste twee werkdagen (bij voorkeur één werkweek) van tevoren, conform artikel 7.7 lid 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl), worden gemeld via https://www.omwb.nl/meldingenbouw/startmelding-bouw. 1.1.3. Aan het bevoegd gezag moeten de volgende werkzaamheden per e-mail worden gemeld via bouwen@omwb.nl met als onderwerp “melden bouwwerk, OLO-nummer en adres”: ten minste twee werkdagen (bij voorkeur één werkweek) van tevoren: •
het storten van beton voor fundering van de loods;
•
het monteren van de staalconstructie van de loods.
1.1.4. Zodra de werkzaamheden zijn beëindigd, moet dit direct worden gemeld via https://www.omwb.nl/meldingenbouw/gereedmelding-bouw. Conform artikel 7.7 lid 2 van het Bbl, wordt een bouwwerk voor het bouwen waarvan een vergunning voor het bouwen is verleend, niet in gebruik gegeven of genomen indien niet voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid van artikel 7.7 Bbl (gereedmelding).
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 8 van 61
Milieu 2
VOORSCHRIFTEN MILIEU
2.1
Algemeen
2.1.1
De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
2.1.2
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
2.1.3
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
2.2
Instructies
2.2.1
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
2.2.2
De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.
2.3
Proefnemingen
2.3.1
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
2.3.2
Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef, moeten minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt: a. het doel en de noodzaak van de proefneming; b. een beschrijving van de alternatieve stof of van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen; c. de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu;
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 9 van 61
d. e. f.
de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd; de hoeveelheid in te zetten materiaal; de duur van de proef.
2.3.3
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieu hygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
2.3.4
De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.
2.3.5
De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd.
3
AFVALSTOFFEN
3.1
Opslag van afvalstoffen
3.1.1
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
3.2
Acceptatie van afvalstoffen
3.2.1
In de inrichting mogen de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan 25.000 m3 voor de in te nemen afvalstoffen. Voor de diverse deelstromen gelden de maxima zoals deze zijn genoemd in de onderstaande tabel. Gebruikelijke
Eural-codes
benaming
Max. opslag
Max. te
(in m3)
accepteren per
afvalstof Infillmateriaal
jaar (in ton) 19.12.09,
15.000
60.000
10.000
40.000
150
600
19.12.12 Grond klasse
17.05.04,
achtergrond waarde
20.02.02
en wonen Veegzand
ons kenmerk: D2023-01-016422
20.03.03
pagina 10 van 61
Voor de afvalstoffen die ontstaan binnen de inrichting als gevolg bewerkingshandeling op de afvalstoffen en voor de stoffen die opgeslagen worden, gelden de maximale opslagcapaciteiten genoemd in paragraaf 3.1 van de toelichting op de aanvraag Omgevingsvergunning, d.d. 11 december 2023. 3.2.2
Indien vergunninghouder een afvalstof wil accepteren waarvan de Eural-code niet is opgenomen in bovenstaande tabel, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen moet, voordat de feitelijke acceptatie plaatsvindt, een verzoek ter goedkeuring aan bevoegd gezag gezonden worden. In het verzoek moet het volgende vermeld worden: a. omschrijving van de afvalstof; b. euralcode; c. met welke reeds vergunde euralcode de afvalstof overeenkomt; d. wijze van acceptatie, verwerking en opslag; e. dat er sprake is van vergelijkbare milieu hygiënische aspecten (gemotiveerd); f. dat de totale vergunde opslag- en verwerkingscapaciteit niet wijzigt. Pas na goedkeuring van bevoegd gezag mag de afvalstof geaccepteerd worden.
3.2.3
Vergunninghoudster mag grond en bouwstoffen accepteren, op- en overslaan en bewerken, die voldoet aan de volgende criteria: a. grond met kwaliteitsklasse achtergrondwaarde; b. grond met kwaliteitsklasse wonen; c. vormgegeven bouwstoffen; d. niet-vormgegeven bouwstoffen.
3.3
Bedrijfsvoering
3.3.1
Binnen de inrichting mogen per kalenderjaar niet meer dan de hieronder aangegeven hoeveelheden afvalstoffen worden verwerkt. Verwerking
Te verwerken
Euralcode
Maximale
afvalstoffen
hoeveelheid
(gebruikelijke
(ton/jaar)
benaming) Natwassen en
infillmateriaal
Zie
60.000
voorschrift
drogen fracties
3.2.1 Zeven,
grond
Zie
40.000
samenvoegen,
voorschrift
opbulken
3.2.1
conform BRL 9335
3.3.2
De opslaghoogten van de hieronder vermelde afvalstoffen mogen de maxima genoemd in onderstaande tabel niet overschrijden. Gebruikelijke benaming afvalstof
ons kenmerk: D2023-01-016422
Euralcode
Maximale opslaghoogte (in m) t.o.v. peil
pagina 11 van 61
Infillmateriaal
Zie voorschrift
9
3.2.1 grond
Zie voorschrift
9
3.2.1 Zand en bouwstoffen
9
3.4
Registratie
3.4.1
In de inrichting moet van alle aangevoerde hulpstoffen die bij de verwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende worden geregistreerd: a. benaming hulpstof; b. de datum van aanvoer; c. de aangevoerde hoeveelheid; d. de naam en adres van de leverancier.
3.5
Inventarisatie
3.5.1
Binnen één maand na ieder kalenderkwartaal moet ter afsluiting van dit kalenderkwartaal een inventarisatie plaatsvinden van de in de inrichting op de laatste dag van het kwartaal aanwezige voorraad afvalstoffen. Deze gegevens moeten in een rapportage worden vastgelegd. Op verzoek moet deze rapportage aansluitend worden verzonden aan het bevoegd gezag. In de rapportage moet het volgende worden geregistreerd: a. een omschrijving van de aard, de samenstelling en euralcode van de opgeslagen (afval)stoffen; b. de opgeslagen hoeveelheid (omgerekend naar kg) per soort (afval)stof; c. de datum, waarop de inventarisatie is uitgevoerd. Verschillen tussen deze fysieke voorraad en de administratieve voorraad (op basis van geregistreerde gegevens) moeten in deze rapportage worden verklaard.
4
AFVALWATER
4.1
Algemeen
4.1.1
Bedrijfsafvalwater mag uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan: a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool of de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuivering technisch werk behorende apparatuur; b. de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een zuivering technisch werk; c. de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt.
4.2
Lozingssituatie
4.2.1
Het via de vuilwaterriolering op de rwzi Rijen te lozen afvalwater mag uitsluitend bestaan uit de, in de tabel genoemde afvalwaterstroom met bijbehorende lozingspunt en controlevoorziening, zoals ook aangegeven op bijlage ‘2023-12-11 DO Klein Zwitserland v38’ van de aanvraag:
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 12 van 61
Lozingspunt
Controlevoorziening
Zuiveringstechnische voorziening
Afvalwaterstromen
1
Controlevoorziening 1 (Cv 1)
Fysisch-chemische zuivering
gezuiverd procesafvalwater van het natzeven
4.3
Meldingsplicht lozing
4.3.1
Tenminste 48 uur voorafgaand aan lozing van gezuiverd procesafvalwater nat zeven, zoals bedoeld in voorschrift 4.2.1, dient vergunninghouder het Waterschap Brabantse Delta in kennis te stellen, dat lozing op de gemeentelijke vuilwaterriolering zal plaatsvinden.
4.4
Zuiveringstechnische voorzieningen
4.4.1
Het verontreinigd procesafvalwater nat zeven dient alvorens het wordt geloosd op het vuilwaterriool door een fysisch-chemische afvalwaterzuivering te worden geleid.
4.4.2
De in de zuiveringstechnische voorzieningen achtergehouden bestanddelen mogen niet worden geloosd.
4.4.3
De in voorschrift 4.4.1 bedoelde zuiveringstechnische voorziening moeten doelmatig functioneren, in goede staat van onderhoud verkeren en met zorg worden bediend. Aanwijzingen hieromtrent door of vanwege het bevoegd gezag moeten worden opgevolgd.
4.4.4
De wijze van bewaking van de goede werking van de zuiveringsinstallatie behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag. Terzake dient binnen 4 maanden na het van kracht worden van deze vergunning een voorstel te zijn ingediend.
4.5
Lozingseisen ter plaatse van Cv 1
4.5.1
De maximale afvoerhoeveelheid per uur mag maximaal 10 m3 bedragen.
4.5.2
De gemiddelde afvoerhoeveelheid per uur mag maximaal 4 m3 in een etmaal bedragen.
4.5.3
De zuurgraad (pH) mag in enig steekmonster niet lager zijn dan 6,5 en niet hoger dan 9.
4.5.4
De in onderstaande tabel genoemde parameters/stoffen mogen niet meer bedragen dan de daarbij vermelde waarden:
a. b. c. d. e.
4.6
Parameters/stoffen
steekmonster
eenheid
Cadmium (als Cd) PAK Minerale olie Onopgeloste bestanddelen Som zware metalen Cr, Cu, Ni, Pb en Zn
10 200 200 300 6
µg/l µg/l mg/l mg/l mg/l
Voorkomen verontreiniging (schrob-) en hemelwater
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 13 van 61
4.6.1
De opslag, overslag, bewerking en/of verwerking van materialen, grondstoffen, hulpstoffen, producten, nevenproducten en afvalstoffen moet zodanig geschieden, dat wordt vermeden dat daardoor het van vloer- en terreinoppervlakken schrob- en hemelwater meer dan onvermijdelijk wordt verontreinigd.
4.7
Hulpstoffen
4.7.1
Het te lozen afvalwater mag geen hulpstoffen bevatten die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en mengsels voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Algemene Beoordelings Methodiek 2016), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A en/of Z geldt.
4.7.2
Nieuwe stoffen en mengsels die onder normale bedrijfsvoering in het te lozen afvalwater kunnen geraken en in overeenstemming zijn met de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften dienen binnen één kwartaal na doorvoering van de wijziging schriftelijk te worden mede gedeeld aan het bevoegd gezag. Hiertoe dient de vergunninghouder tenminste de gegevens met betrekking tot de samenstelling, waterbezwaarlijkheid en saneringsinspanning zoals genoemd in bijlage 1 in bij het bevoegd gezag.
4.8
Procedures gebruik buffervoorzieningen
4.8.1
Vergunninghouder dient er voor zorg te dragen dat binnen 4 maanden na het van kracht worden van deze vergunning procedures zijn opgesteld en ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn voorgelegd, met betrekking tot: - het optimaal benutten van de buffervoorzieningen voor de opvang van procesafvalwater, hemelwater en grondwater; - het voorkomen van ongewenste hydraulische belasting van de gemeentelijke riolering, de transportleiding en de rwzi bij zeer hevige en/of langdurige regenval, door de lozing zoveel mogelijk onder droogweeromstandigheden plaats te laten vinden en onder regenomstandigheden de lozing zoveel als mogelijk te beperken.
4.8.2
Het afvalwater mag slechts worden geloosd nadat aan de procedures met betrekking tot het optimaal benutten van de buffervoorzieningen en het zoveel mogelijk lozen onder droogweeromstandigheden is voldaan en/of de aanwezige voorzieningen optimaal zijn benut.
4.8.3
Vergunninghouder dient er zorg voor te dragen dat de in voorschrift 4.8.1 bedoelde procedures zo vaak als dit in verband met gewijzigde werkzaamheden nodig is, worden aangepast.
4.9
Onderzoeksverplichting verontreiniging procesafvalwater
4.9.1
Uiterlijk 6 maanden na het van kracht worden van deze vergunning dient door vergunninghouder een onderzoek te zijn uitgevoerd en daarvan aan het bevoegd gezag een rapport te zijn overlegd naar de aanwezigheid en sanering van bentothiazolen (benzothiazol en 2-hydroxybenzothiazol), kobalt, arseen, kwik, cyanide en EOX in het via de vuilwaterriolering te lozen procesafvalwater.
4.9.2
Het onderzoek bedoeld in voorschrift 4.9.1 dient te worden opgezet in overleg met het bevoegd gezag en behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 14 van 61
4.10
Continue vermindering van de lozing van cadmium, lood, nikkel en PAK
4.10.1
Uiterlijk op 1 januari 2025 en vervolgens elke vijf jaar, moet de vergunninghouder bij het bevoegd gezag voor de stoffen cadmium, lood, nikkel en PAK de volgende informatie verstrekken: 1. de mate waarin deze zeer zorgwekkende stoffen met het afvalwater geloosd worden, 2. de reeds toegepaste technieken om de emissie van deze zeer zorgwekkende stoffen zoveel mogelijk te voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, te beperken, en 3. een vermijdings- en reductieplan, gericht op het zoveel als technisch en kostentechnisch haalbaar is verder beperken van deze emissies, met daarin: a. een overzicht van de technieken om emissies van deze zeer zorgwekkende stoffen in de toekomst nog verder te voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, verder te beperken, b. informatie over het rendement en de validatie van deze technieken, c. informatie over de bedrijfszekerheid en de kosten van deze technieken, d. informatie over afwenteleffecten van deze technieken, en e. een keuze voor de op basis van deze informatie al dan niet toe te passen technieken.
4.11
Meet- en bemonsteringsvoorzieningen
4.11.1
Het te lozen afvalwater via lozingspunt 1, zoals bedoeld in voorschrift 4.2.1, dient te allen tijde te kunnen worden bemonsterd. Daartoe dient het afvalwater via een controlevoorziening (Cv 1) te worden geleid, die geschikt is voor bemonsteringsdoeleinden en die de goedkeuring heeft van het bevoegd gezag.
4.11.2
De controlevoorziening, zoals bedoeld in voorschrift 4.11.1, dient zodanig te worden geplaatst, dat deze voor inspectie goed bereikbaar en toegankelijk is. De controlevoorziening dient tevens te zijn voorzien van een niveaumeter, welke is gekoppeld aan een automatische uitschakeling van de lozing. Verder dient de controlevoorziening in goede staat van onderhoud te verkeren en oordeelkundig te worden bediend. Aanwijzingen hieromtrent van of vanwege het bevoegd gezag moeten worden opgevolgd.
4.12
Meten, bemonsteren en analyseren
4.12.1
Het te lozen afvalwater dient door of vanwege vergunninghouder door meting en/of bemonstering en analyse te worden gecontroleerd.
4.12.2
De hoeveelheid via lozingspunt 1 te lozen afvalwater dient dagelijks te worden vastgesteld.
4.12.3
De frequentie van het afvalwateronderzoek en de parameters/stoffen zijn omschreven in de tabel in bijlage 2.
4.12.4
De bemonstering, conservering en analyses van de in deze vergunning genoemde parameters moeten worden uitgevoerd conform de methoden, waarnaar verwezen wordt in bijlage 3 van deze vergunning.
4.12.5
De wijze van het te verrichten onderzoek, alsmede de wijze van rapporteren behoeven de goedkeuring van het bevoegd gezag.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 15 van 61
4.12.6
Indien uit onderzoeksresultaten blijkt dat met andere analysemethoden gelijkwaardige resultaten kunnen worden bereikt als die met de in voorschrift 4.12.4 bedoelde methoden, mogen die, na verkregen toestemming van het bevoegd gezag worden gebruikt.
4.13
Verlaging monsternamefrequentie
4.13.1
Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat met een lagere onderzoeksfrequentie, dan wel met een geringer aantal parameters/stoffen kan worden volstaan, kan het bevoegd gezag op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek aldus besluiten.
4.14
Rapportage
4.14.1
Steeds binnen een maand na afloop van een kalenderkwartaal dient opgave te zijn gedaan aan het bevoegd gezag van de volgende op het betreffende kwartaal betrekking hebbende gegevens: a. de meetgegevens van het afvalwateronderzoek, zoals bedoeld in de voorschriften 4.12.2 en 4.12.3; b. volgens welke methode en in wat voor monsters (etmaal- of steekmonsters) de afzonderlijke parameters/stoffen zijn bepaald.
4.15
Logboek
4.15.1
Van de bedrijfsvoering dient een logboek te worden bijgehouden waarin tenminste de volgende gegevens dienen te worden vermeld: -
welke categorieën afvalwaterstromen zijn afgevoerd;
-
welke hoeveelheden van elke categorie zijn afgevoerd.
4.15.2
Het in voorschrift 4.15.1 bedoelde logboek dient zo regelmatig te worden bijgehouden dat het steeds inzicht geeft in de meest actuele stand van zaken. Het logboek dient gedurende 5 jaar jaar te worden bewaard en moet te allen tijde door het bevoegd gezag kunnen worden ingezien.
5
BODEM
5.1
Voorzieningen
5.1.1
Uiterlijk binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden moet ter plaatse van de volgende activiteiten een vloeistofdichte voorziening zijn gerealiseerd: • de opslag en het droog zeven van infillmateriaal;
5.1.2
•
het natzeven van infillmateriaal;
•
de behandeling van waswater;
•
de opslag van slib van het natzeven.
Uiterlijk binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden moeten ter plaatse van de navolgende activiteiten vloeistof kerende voorzieningen zijn gerealiseerd: • de droogloodsen voor de opslag van zand en (rubber)korrels afkomstig van de natzeefinstallatie; •
de opslag van takjes, stenen en grassprieten.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 16 van 61
5.2
Opslag zand en (rubber)korrels in droogloodsen
5.2.1
De opslag van zand en (rubber)korrels in de droogloodsen afkomstig van de natzeefinstallatie dient minder dan 10% vochtgehalte te bevatten en er mag vanuit de opslagen geen percolaat ontstaan.
5.3
Bedrijfsrioleringen
5.3.1
Nieuw aan te leggen rioolsystemen voor het afvoeren van bodembedreigende vloeistoffen moeten vloeistofdicht zijn ontworpen en aangelegd volgens de criteria genoemd in de BRL SIKB 7700.
5.3.2
Rioolsystemen moeten aantoonbaar vloeistofdicht zijn volgens de criteria genoemd in AS SIKB 6700 en bestand tegen de daardoor afgevoerde (vloei)stoffen. Uitgezonderd hierop zijn rioolsystemen voor de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater van huishoudelijke aard.
5.3.3
De bedrijfsriolering moet op de volgende tijdstippen aan de hand van NEN-EN 13508-2 2003+A1:2011+CNL1:2021/NEN-EN 13508-1:2012 worden geïnspecteerd op gebreken: a. voor ingebruikname; b. binnen tien jaar na ingebruikname; c. eenmaal per vijf jaar na de onder b genoemde inspectie. Bij afkeur moet zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen zes maanden voldaan worden aan de eisen als genoemd in de NEN-EN 13508-2:2003+A1:2011+CNL1:2021/NEN-EN 13508-1:2012.
6
GELUID
6.1.1
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of plaatsvinden activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag niet meer bedragen dan de tabel 1 voor de betreffende plaats en periode aangegeven waarden. Tabel 1. Grenswaarden langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in dB(A) (LAr,LT) LAr,LT in dB(A) Referentiepunt
Dag
Avond
Nacht
07.00 – 19.00 u
19.00 – 23.00 u
23.00 – 07.00 u
01, Klein Zwitserland 20
46
25
25
02, Klein Zwitserland 6
40
<20
<20
03, Moleneind 13 en 15
33
<20
<20
De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven op pagina 50 en 51 van het akoestisch onderzoek Gronddepot Klein Zwitserland, projectnummer 2014-3064-5, d.d. 30 september 2020. De beoordelingshoogte voor de dagavond- en nachtperiode is respectievelijk 1,5 meter, 5,0 meter en 5,0 meter.
6.1.2
Onverminderd het gestelde in voorschrift 6.1.1 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 17 van 61
plaatsvindende activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woningen van derden niet meer bedragen dan: a.
70 dB(A), tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);
b.
65 dB(A), tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode);
c. 60 dB(A), tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode). De beoordelingshoogte voor de dag- avond- en nachtperiode is respectievelijk 1,5 meter, 5,0 meter en 5,0 meter.
6.1.3
Binnen 3 maanden nadat de beschikking in werking is getreden dienen de bronvermogenniveaus van de grondzeefinstallatie en van de natwasinstallatie middels metingen gevolgd door berekeningen de immissierelevante bronsterktes (Lwr) te worden vastgesteld. De resultaten van de controlemetingen dienen in een akoestische rapportage te worden verwerkt, waarmee wordt aangetoond dat aan de geluidnormering zoals gesteld in voorschrift 6.1.1 en 6.1.2 wordt voldaan. Wanneer blijkt dat niet kan worden voldaan aan de geluidnormering dient tevens onderzoek naar maatregelen te worden uitgevoerd. Zonder de te nemen maatregelen mogen de activiteiten met de grondzeefinstallatie en de natwasinstallatie niet worden uitgevoerd.
7
LUCHT
7.1
Op- en overslag en be- en verwerken van stuifgevoelige (afval)stoffen
7.1.1
Activiteiten binnen de inrichting moeten op een zodanige wijze plaatsvinden dat als gevolg daarvan op meer dan 2 meter vanaf de bron geen stofvorming visueel waarneembaar is.
7.1.2
Gemorste stuifgevoelige (afval)stoffen moeten onmiddellijk na beëindiging van het verladen worden verwijderd.
7.1.3
Stofverspreiding ten gevolge van het af- en aanrijden van verkeer moet worden tegengegaan.
7.1.4
Transportafstanden binnen de inrichting moeten zo kort mogelijk worden gehouden om stofverspreiding te voorkomen.
7.1.5
De verkeerssnelheid binnen de inrichting moet op een duidelijke wijze zijn beperkt tot 15 km/uur.
7.1.6
De opslag van stuifgevoelige (afval)stoffen met stuifklasse S2 en S4 dient bevochtigd te worden of afgedekt te worden.
7.1.7
Bij het mengen van stuifgevoelige (afval)stoffen behorend tot de stuifklasse S2 en S4 in de buitenlucht moeten, bij het opbouwen en afgraven van een menghoop, deze stuifgevoelige (afval)stoffen worden bevochtigd.
7.1.8
Laden, lossen en transporteren dienen te worden gestaakt indien de windsnelheid de bij de onderstaande stuifklasse genoemde waarde overschrijdt:
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 18 van 61
a. b. c.
klasse S1 en S2 8 m/s; windkracht 4 / matige wind; klasse S3 14 m/s; windkracht 6 / krachtige wind; klasse S4 en S5 20 m/s; windkracht 8 / stormachtige wind.
7.1.9
Het opslaan, be- en verwerken en continue mechnisch transport van stuifgevoelige (afval)stoffen behorend tot stuifklassen S1 en S3 moet gesloten plaatsvinden. Bij continue mechnisch transport van stuifgevoelige (afval)stoffen behorend tot stuifklasse S3 is het ook toegestaan om deze (afval)stoffen in een open transportsysteem in de buitenlucht af te schermen tegen windinvloeden door middel van langsschermen, dwarsschermen of halfronde overkappingen.
7.1.10
Bij de opslag van (afval)stoffen behorend tot de stuifklasse S1 en S3 moet de afgezogen lucht door een filtrerende afscheider worden gevoerd die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
7.1.11
Bij het verwerken van (afval)stoffen behorend tot de stuifklassen S1, S2, S3 of S4 in een gesloten ruimte of systeem moet de ruimte/systeem op onderdruk wordt gehouden en de afgezogen lucht door een filtrerende afscheider worden gevoerd die in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
7.1.12
Bij de overslag van stuifgevoelige (afval)stoffen moet bij het laden en lossen in de open lucht de storthoogte worden beperkt tot minder dan één meter.
7.1.13
Bij de overslag van stuifgevoelige (afval)stoffen uit de stuifklasse S2 en S4 moeten deze afdoende worden bevochtigd. Stofverspreiding tijdens het laden en lossen moet met een nevelgordijn worden tegengegaan.
7.1.14
Bij het laden en lossen van (afval)stoffen behorend tot stuifklasse S1, S2 en S3 met behulp van grijpers moet het laden en lossen plaatsvinden met deugdelijke en van de bovenkant afgesloten grijpers. Voor nieuwe grijpers, gebruik maken van grijpers met de volgende eigenschappen: a. geometrische vorm en optimale laadcapaciteit; b. het grijpervolume is altijd groter dan de grijpercurve; c. het oppervlak is glad om te vermijden dat er materiaal aan blijft vastkleven; d. een goede sluitcapaciteit bij permanent gebruik.
7.1.15
Dagelijks worden er visuele inspecties uitgevoerd om te zien of zich stofemissies voordoen, en om te controleren of de preventieve maatregelen goed werken.
8
STIKSTOF
8.1
Stilleggen bedrijfsactiviteiten (gebruiksfase)
8.1.1
Tijdens de aanlegfase dienen alle bedrijfsactiviteiten van de inrichting stil gelegd te worden. De aanvang van de aanlegfase en het stilleggen van de bedrijfsactiviteiten dient gemeld te worden aan het bevoegd gezag. Het einde van de aanlegfase en het weer in gebruik stellen van de bedrijfsactiviteiten dient eveneens gemeld te worden bij het bevoegd gezag.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 19 van 61
Toelichting: in het overlegde stikstofonderzoek/Aeriusberekeningen is uitgegaan van het stilleggen van alle bedrijfsactiviteiten van de inrichting tijdens de aanlegfase van 3 maanden.
9
PROCESINSTALLATIES
9.1
Meet-, regel- en beveiligingsapparatuur
9.1.1
Meet-, regel- of beveiligingsapparatuur die direct verband heeft met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies, welke niet of slecht functioneert moet direct worden gerepareerd of worden vervangen. Als de betreffende apparatuur niet direct kan worden gerepareerd of vervangen moeten de activiteiten onverwijld worden stilgelegd tenzij vergunninghoudster kan aantonen dat met behulp van bijvoorbeeld visueel toezicht het proces tijdelijk afdoende kan worden beheerst.
9.1.2
De zogenaamde kritische alarmeringen (alarmeringen die direct verband hebben met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid en emissies) moeten visueel en akoestisch worden aangegeven en moeten gehandhaafd blijven totdat ze door terzake kundig personeel worden geaccepteerd.
9.2
Procesinstallaties
9.2.1
Procesleidingen, tanks, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten voor zover deze betrekking hebben op stoffen waarop het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen van toepassing is, zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is.
9.2.2
De installaties moeten worden beschermd tegen verlies van stoffen door corrosie en beschadigingen.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 20 van 61
PROCEDURELE ASPECTEN 1.
PROCEDURELE ASPECTEN
1.1. Gegevens aanvrager Op 9 augustus 2022 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van Gronddepot Klein Zwitserland B.V., Klein Zwitserland 22 te Gilze.
1.2. Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: het veranderen van de inrichting met het toevoegen van een natwasinstallatie voor infillmateriaal, een waterbehandeling, het drogen van gewassen infillmateriaal in de te bouwen droogloodsen en de op- en overslag van afvalstoffen en bouwstoffen. Naast bouwen en milieu wordt ook handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening aangevraagd. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: -
het veranderen of het veranderen van de werking van een inrichting;
-
het bouwen van bouwwerken;
-
het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.
1.3. Omschrijving van de aanvraag De aanvraag bestaat uit de volgende delen:
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 21 van 61
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 22 van 61
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 23 van 61
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 24 van 61
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 25 van 61
Op 20 februari en 14 maart 2023 zijn aanvullende gegevens per e-mail ontvangen. Tevens is op 24 januari 2024 een aangepaste ruimtelijke onderbouwing per e-mail ontvangen. Op 30 september 2024 is een e-mail ontvangen m.b.t. de bodembeschermende voorziening bij de opslag van veegzand. 1.4. Huidige vergunningsituatie Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend: Soort
Vergunning
Kenmerk
Onderwerp
1 november
OV/2014369-
Oprichten gronddepot
2016
16ZK00034
2 oktober 2017
OLO nummer
Vergroten opslag
3099183
infillmateriaal en
datum Oprichtingsvergunning
Milieuneutrale wijziging
verlagen opslag zand Milieuneutrale
10 september
OLO nummer
Aanpassen
wijziging
2018
3903383
bodembeschermende voorziening opslag infillmateriaal
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Uit artikel 4.13, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet van toepassing is en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet. Dit is van toepassing op alle bovenvermelde omgevingsvergunningen en vergunningen die met een omgevingsvergunning zijn gelijkgesteld. 1.5. Vergunningplicht Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I categorie 5.3aii van de Richtlijn industriële emissies vanwege het zuiveren (fysischchemisch) en de lozing van afvalwater vanuit de natwasinstallatie voor het reinigen van infillmateriaal. Om die reden is op grond van artikel 2.1 van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting. Uit artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet volgt dat het oude, vóór 1 januari 2024, geldende recht van toepassing is op de onderhavige aanvraag om omgevingsvergunning.
1.6. Bevoegd gezag Wij zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3 eerste lid van het Bor, op grond van de activiteiten van de inrichting, genoemd in Bijlage I onderdeel C categorie 28.4 van het Bor.
1.7. Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (Wnb art, 2.7 lid 2) en/of zonder
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 26 van 61
ontheffing beschermde dieren en/of planten opzettelijk te doden, vangen, verstoren, vernielen, beschadigen etc. (Wnb, art 3.1, 3.5 of 3.10 lid 1) In het Bor artikel 2.2aa is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het aspect natuur verkregen moet worden wanneer men: 1.
een project wil realiseren als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming,(handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;
2.
een handeling wil verrichten als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, lid 1 van de Wet natuurbescherming (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).
Een omgevingsvergunning natuur is niet nodig wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen of gevraagd. Verder is een omgevingsvergunning niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is. De gevraagde veranderingen zijn geen project waarvoor op grond van de Wnb een vergunningplicht bestaat. De stikstofdepositie van de activiteiten van de inrichting (gebruiksfase) en de aanlegfase is minder dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit blijkt uit ambtshalve Aerisuberekeningen die zijn uitgevoerd. Deze berekeningen zijn opgenomen in bijlage 4 van deze vergunning. In de aanvraag is aangegeven dat alle bedrijfsactiviteiten van de inrichting gedurende de aanlegfase stil worden gelegd. In de voorschriften is hier rekening mee gehouden. Omdat de stikstofdepositie minder is dan 0,00 mol/ha/jaar is een omgevingsvergunning natuur voor Natura2000-activiteiten of Wnb-vergunning niet van toepassing.
1.8. Beoordeling van de aanvraag In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de aanvrager op 25 november 2022 in de gelegenheid gesteld om binnen 8 weken na de hiervoor genoemde datum de aanvraag aan te vullen. Vervolgens hebben wij meerdere malen verzoeken ontvangen voor het opschorten van het aanleveren van aanvullende gegevens. Hiermee hebben wij ingestemd. Wij hebben aanvullende gegevens ontvangen op 20 februari 2023, 14 maart 2023, 25 en 28 september 2023, 26 december 2023, 24 januari 2024 en 30 september 2024. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is 397 dagen opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
1.9. Procedure Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.
1.10.
Mer-beoordeling
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 27 van 61
Op 4 november 2020 is een m.e.r.-aanmeldnotitie ontvangen. Hierop is op 25 juni 2021 een besluit m.e.r.-beoordeling genomen. Hierin is bepaald dat voor de aanvraag voor een (veranderings)vergunning voor het bewerken van infillmateriaal, het bouwen van bouwwerken en het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, Gronddepot Klein Zwitserland geen MER hoeft op te stellen. Dit besluit is toegevoegd aan de aanvraag.
1.11. Advies en verklaring van geen bedenkingen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden: -
het waterschap Brabantse Delta;
-
Gemeente Gilze en Rijen;
-
Regionale brandweer.
Op 8 februari 2024 hebben wij een eindadvies ontvangen van het Waterschap Brabantse Delta. Het advies kort samengevat dat vergunning verleend kan worden onder bepaalde voorwaarden. In de vergunning is aangesloten bij het advies van het Waterschap. De gemeenteraad van Gilze en Rijen heeft op 28 oktober 2024 een ontwerp Verklaringen van geen bedenkingen toegestuurd. Deze hebben wij bijgevoegd in de bijlage 5. Op 28 februari 2023 hebben wij een advies van de brandweer ontvangen inhoudende dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen activiteit.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 28 van 61
INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN 2.
BOUWEN
2.1.
Inleiding
Een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder a van de Wabo dient te worden verleend als geen sprake is van één van de weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 2.10 van de Wabo. Wij hebben beoordeeld of hiervan sprake is.
2.2.
Toetsing
2.2.1.
Bouwbesluit
De aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens maken voldoende aannemelijk dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens het Bouwbesluit 2012. 2.2.2.
Bouwverordening
De aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens maken voldoende aannemelijk dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven in de gemeentelijke bouwverordening. 2.2.3.
Welstand
Op 21 oktober 2022 heeft de welstandscommissie van de gemeente Gilze en Rijen ons geadviseerd over de aanvraag. Zij is van mening dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Wij hebben dit advies overgenomen. 2.2.4.
Bestemmingsplan
Het perceel waarop gebouwd gaat worden valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied (vastgesteld 2013-07-01)’. Het perceel heeft volgens dit bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijf’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ en ‘Leiding – Gas-1’. De aanvraag is getoetst aan de voorschriften van dit bestemmingsplan.
Hieruit is gebleken dat de ingediende aanvraag niet past binnen de voorschriften van dit bestemmingsplan. In artikel 4.2.f van het bestemmingsplan is niet voorzien in het uitbreiden van het aantal overige bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak. De aanvraag voorziet in het uitbreiden van het aantal overige bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak door de voorgenomen bouw van een loods. Er is daarom sprake van strijd met het bestemmingsplan. Artikel 4.2.f van het bestemmingsplan bepaalt dat overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet hoger mogen zijn dan 6,0 m. De ingediende aanvraag gaat uit van een natwasserinstallatie met een hoogte van 9,25 m. Er is daarom sprake van strijd met het bestemmingsplan.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 29 van 61
De aanvraag past niet binnen de voorschriften van het bestemmingsplan. De vergunning wordt in dat geval slechts geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 Wabo niet mogelijk is. Gebleken is dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.12 zodat de vergunning voor het zogenaamde ‘planologisch strijdig gebruik’ kan worden verleend. Voor de overwegingen verwijs ik u naar het gestelde onder “het gebruik van gronden of bouwwerken….” in onderstaande overwegingen. 2.3.
Conclusie
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het (ver)bouwen van een bouwwerk zijn wij van oordeel dat de gevraagde vergunning voor de activiteit het (ver)bouwen van een bouwwerk voor de volgende onderdelen verleend kan worden. Het betreft de bouw van een loods, het plaatsen van legioblokken, het bouwen van een waterbassin en het bouwen van de natzeefinstallatie. In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
3.
HANDELEN IN STRIJD MET REGELS RUIMTELIJKE ORDENING
3.1.
Inleiding
4.
TOETSINGSKADER MILIEU
4.1. Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo.
4.2. Toetsing veranderen Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo: • de bestaande toestand van het milieu betrokken; • met het milieubeleidsplan rekening gehouden; • de best beschikbare technieken in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. De in de vergunning aangevraagde wijzigingen hebben geen gevolgen voor de aspecten waterbesparing, afvalpreventie en veiligheid. Deze aspecten zijn voldoende geregeld in de geldende vergunning. In deze veranderingsvergunning worden daarom voor deze aspecten geen voorschriften gesteld, maar wordt verwezen naar de voorschriften van de vigerende vergunning(en).
4.3. Algemene regels In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) waren voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. Met het in werking treden van de Omgevingswet is ook het Activiteitenbesluit komen te vervallen. Per 1 januari 2024
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 30 van 61
kunnen van rechtswege algemene regels op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving en het omgevingsplan van toepassing zijn. Binnen het bedrijf is een IPPC-installatie (het zuiveren (fysisch-chemisch) en de lozing van afvalwater vanuit de natwasinstallatie voor het reinigen van infillmateriaal) aanwezig met daarbij behorende (functioneel ondersteunende) activiteiten. Daarnaast vinden er activiteiten plaats die losstaan van de IPPC-installatie. Dit betreffen de open overslag, zeven en samenvoegen van grond en de daaruit gezeefde fracties, op- en overslag van bouwstoffen, zand en veegzand. De gehele inrichting is vergunningplichtig, maar hiervoor kunnen ook algemene regels van toepassing zijn.
Binnen de aangevraagde/gewijzigde situatie vinden in ieder geval de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen: Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening (paragraaf 22.3.8.2 van het omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen); Het opslaan, zeven en samenvoegen van grond valt onder paragraaf 3.2.24 van het Bal (de rechtstreeks werkende regels van paragraaf 4.122 van het Bal zijn van toepassing); Het ontvangen van afvalstoffen als de activiteiten niet als vergunningplichtig zijn aangewezen (paragraaf 4.50 van het Bal); De op het proces aangesloten IBC met natronloog valt onder paragraaf 3.2.8 van het Bal. De algemene regels van paragraaf 4.95 zijn van toepassing. De activiteiten die onder het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het omgevingsplan vallen dienen te voldoen aan deze regels. Voor zover de beoogde wijzigingen van het bedrijf moeten worden gemeld, beschouwen wij de informatie uit onderhavige aanvraag tevens als de melding in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving.
5.
AFVALSTOFFEN
5.1.
Acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen
5.1.1. BBT conclusies afvalbehandeling Op 10 augustus 2018 is het document met BBT conclusies voor afvalbehandeling vastgesteld. Veel BBT conclusies voor afvalbehandeling hebben betrekking op emissies naar water en lucht (stof en geur) alsmede op geluid en trillingen. Voor zover een BBT conclusie betrekking heeft op emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies en/of trillingen wordt voor de overwegingen verwezen naar de desbetreffende paragraaf. Bij het bepalen van de BBT, specifiek voor de acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies voor afvalbehandeling: BBT 2, 4, 5, 6, 7, 19, 20 en 23. Tevens is op de op- en overslag van (afval)stoffen die onderdeel zijn van de IPPCinstallatie ook de BREF op- en overslag bulkgoederen van toepassing. De aangevraagde acceptatie en/of verwerking van afvalstoffen voldoet aan de hierboven genoemde BBT-conclusies. Op grond van de BBT-conclusies afvalbehandeling zijn voorschriften in deze vergunning opgenomen.
5.1.2.
Doelmatig beheer van afvalstoffen
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 31 van 61
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 20172029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: a. b. c. d. e.
preventie; voorbereiding voor hergebruik; recycling; andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; veilige verwijdering.
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.
5.1.3.
Verwerking: afvalstro(o)m(en) waarvoor in deel E van het LAP een sectorplan is opgenomen Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen uit deel E van het LAP van toepassing: • •
84 (Overige recyclebare monostromen (matrassen, steenwol, tapijt, kunstgras en luiers/incontinentiemateriaal); 11 (kunststofafval)(thermoplasten, thermoharders en elastomeren die vrijkomen uit zeefproces).
In de aanvraag is voor infillmateriaal de volgende verwerkingsmethode beschreven: Infill materiaal wordt gezeefd in een natte zeefinstallatie. Na het zeven komt er een fractie schoon zand uit de natte zeefinstallatie die vrij toepasbaar is en een fractie rubber korrels. De rubber korrels worden hergebruikt. De gescheiden fracties (zand en rubber korrels) worden opgeslagen en gedroogd in open loodsen. Er ontstaan ook nog enkele kleine deelfracties, dit zijn: -
kunststofgrassprieten (ongeveer 3 tot 4 emmers per dag indien de hele dag natgezeefd wordt). Deze worden als restafval afgevoerd;
-
takjes en steentjes. De hoeveelheid varieert per locatie van herkomst. Naar schatting totaal 0,5 – 1 m3 per hele dag nat zeven. Takjes en steentjes worden als restafval afgevoerd;
-
fijn slib. Dit is 1-3% van de totale hoeveelheid. Over het algemeen is het fijn slib sterk verontreinigd met zware metalen (zink) en is ook civieltechnisch onbruikbaar. De fijne slibfractie wordt opgeslagen in vloeistofdichte containers (portaalcontainers) en naar een extern verwerker afgevoerd.
Het beleid voor infillmateriaal is neergelegd in sectorplan 84 en 11 en is gericht op recycling. In het sectorplan 84 en 11 zijn daartoe minimumstandaarden opgenomen.
ons kenmerk: D2023-01-016422
pagina 32 van 61
Voor infillmateriaal is deze minimumstandaard afscheiden van zand, thermoplasten, thermoharders en elastomeren. Vervolgens verwerken/recyclen van de thermoplasten, thermoharders en elastomeren en recycling van het afgescheiden zand. De in de aanvraag voor infillmateriaal beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard. Het zeven, samenvoegen en opbulken van grond conform de BRL 9335 is eerder al vergunning voor verleend. De doorzet hiervoor wordt verlaagd van 50.000 ton/jaar naar 40.000 ton/jaar. Een toets aan het LAP hoeft daarom voor grond niet plaats te vinden.