3. regels TAM-IMRO Schoolstraat 62 Molenschot (15-04-2026) (1139525)
Tekst van het document
Regels TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b, Schoolstraat 62 Molenschot Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een woonfunctie en een agrarische functie ter plaatse van een agrarische bedrijfsfunctie in het landelijk gebied. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) in het omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen. Dus: • • • • • •
hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 1; hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 2; hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 3; hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 4; hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 5. bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22b.1
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Algemene bepalingen
Begripsbepalingen
1. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan. 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in bijlage 1 daarvan is afgeweken.
Artikel 2
Meet- en rekenbepalingen
In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen: 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk. 2. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg. 3. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen. 4. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de functie, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die functie. 5. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren. 6. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 7. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 8. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 9.
de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 10. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen. 11. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 12. peil: a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.
Artikel 3
Toepassingsbereik
1. De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Schoolstraat 62 Molenschot, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0784.TAMSchoolstraat62-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1
Functies
Wonen – Landelijke gebieden
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen – Landelijke gebieden‘.
4.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
4.2.1
Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. wonen in een woning; b. het exploiteren van een bed and breakfast. 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. tuinen en erven; b. in- en uitritten; c. parkeervoorzieningen d. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en, e. groen- en speelvoorzieningen. 4.2.2
Voorwaardelijke verplichting
1. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in artikel 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals bedoeld in artikel 6 overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels, uiterlijk binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden; 2. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in artikel 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de te slopen opstallen, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 3 van deze regels, in het kader van de provinciale regeling ‘maatwerk met als doel omgevingskwaliteit’, uiterlijk binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan zijn gesloopt.
4.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
4.3.1
Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: 1. bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van artikel 4.4. 4.3.2
Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 22.2, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden: a. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling. 2. De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als: a. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is; b. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend; c. geen buitenopslag en buitenactiviteiten;
d. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en, e. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt.
4.4
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in artikel 4.2 en artikel 4.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte; 2. het wonen en verblijven in kampeermiddelen; 3. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf, met uitzondering van het exploiteren van een bed and breakfast; 4. het exploiteren van een groothandels-, horeca- en/of detailhandelsbedrijf; 5. het exploiteren van een seks- en/of pornobedrijf en het uitoefenen van prostitutie; 6. het parkeren voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw, met uitzondering van in- /uitritten behorende bij een woning, tenzij op de kaart anders geregeld; en, 7. het opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen, met uitzondering van de (tijdelijke) opslag in het kader van de verwezenlijking van de toegedeelde functie en het bijbehorende beheer en onderhoud.
4.5
Toegestane bouwactiviteiten
Het is toegestaan de volgende bouwactiviteiten ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel te verrichten of te laten verrichten: 1. het bouwen van pergola’s in het achtererfgebied van het hoofdgebouw met een bouwhoogte van maximaal 3 meter.
4.6
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
4.6.1
Algemene beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, binnen een bouwvlak worden gebouwd. 4.6.2
Beoordelingsregels hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als: 1. per bouwvlak maximaal 1 hoofdgebouw wordt gebouwd ten behoeve van een woning, tenzij ter plaatse op de kaart een ander aantal is aangegeven, dan geldt dit aantal woningen; 2. de inhoud van een woning niet meer bedraagt dan 750 m3; 3. ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’ een twee-onder-een-kapwoning wordt gebouwd; 4. de gezamenlijke inhoud van een twee-onder-een-kapwoning, ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’, niet meer bedraagt dan 1.000 m3; 5. de twee-onder-één-kapwoning, ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’, gebouwd wordt op een minimale afstand van 16,30 meter uit het hart van de weg; 6. het hoofdgebouw wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 12 en maximaal 55 graden bedraagt, tenzij ter plaatse op de kaart een vlak dak is aangegeven, dan geldt dat een vlak dak verplicht is; 7. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; en, 8. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter. 4.6.3
Beoordelingsregels afwijking minimale afstand tot het hart van de weg
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een twee-onder-een-kapwoning op een kortere afstand tot het hart van de weg dan bepaald in artikel 4.6.2 onder 5 wordt verleend als:
1. door middel van een akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat, ondanks de verkleinde afstand, wordt voldaan aan de geldende wettelijke geluidgrenswaarden ter plaatse van de gevels van de woning 4.6.4
Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning wordt verleend als: 1. de afstand tot de voorgevellijn van het hoofdgebouw niet minder bedraagt dan 2 meter en de afstand tot de woning niet minder dan 1 meter; 2. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter, tenzij ter plaatse op de kaart een andere goot- en/of bouwhoogte is aangegeven, dan geldt deze gooten/of bouwhoogte; 3. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en, 4. de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt maximaal 100 m². 4.6.5
Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als: 1. voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter; 2. achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter; 4. de bouwhoogte van windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter.
4.7
Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 4.5 en artikel 4.6 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel. Daaronder wordt in ieder geval begrepen het oprichten en in stand houden van aan- en uitbouwen aan het hoofdgebouw.
Artikel 5 5.1
Agrarisch
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch‘.
5.2
Toegestane gebruiksactiviteiten 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. het telen van gewassen in de vorm van akkerbouw- en vollegrondstuinbouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf; b. beweiden van landbouwhuisdieren; en, c. extensief recreatief verblijven. 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. wegen; b. voet- en rijwielpaden; c. verkeervoorzieningen; d. straatmeubilair; e. openbare nutsvoorzieningen; f. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en, g. groen- en speelvoorzieningen.
5.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
5.3.1
Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteit te verrichten of te laten verrichten: 1. het realiseren van een paardenbak. 5.3.2
Aanvraagvereisten en beoordelingsregels paardenbak
De omgevingsvergunning voor de realisatie van een paardenbak wordt verleend als: 1. aangetoond wordt dat de situering van een paardenbak binnen het bouwvlak of binnen de woonfunctie niet mogelijk is; 2. de paardenbak wordt gerealiseerd in een agrarische bestemming, bij voorkeur aangrenzend aan het bouwvlak, mits dit geen Natuur Netwerk Brabant betreft; 3. er geen lichtmasten, geluidsinstallaties en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken worden gerealiseerd; 4. de totale oppervlakte, zowel binnen als buiten het bouwvlak, maximaal 1.000 m 2 bedraagt.
5.4
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in artikel 5.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest; 2. motorcrossen; 3. grootschalige openluchtevenementen; 4. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; 5. het stallen van kampeermiddelen; 6. nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf; 7. het gebruik voor parkeren.
5.5
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
5.5.1
Algemene beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder bedraagt dan 15 meter;
2. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen van nieuwe te bouwen bouwwerken niet minder bedraagt dan 5 meter. 5.5.2
Beoordelingsregels bouwwerken
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 5.5.3
Beoordelingsregels schuilhutten
In afwijking van artikel 5.4.2 wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen van schuilhutten verleend als: 1. de bebouwde oppervlakte maximaal 20 m 2 per 1,5 hectare bedraagt; 2. de goot- en bouwhoogte maximaal 3 meter bedragen; 3. aangetoond is dat het noodzakelijk is om de schuilhut buiten het bouwvlak te situeren; 4. de aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast.
5.6
Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.5 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel. Daaronder wordt in ieder geval begrepen het oprichten en in stand houden van teeltondersteunende voorzieningen.
Artikel 6 6.1
Agrarisch – Agrarisch bedrijf
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten op de gronden die zijn aangewezen als 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'.
6.2
Toegestane gebruiksactiviteiten 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. de uitoefening van een grondgebonden veehouderij, paardenfokkerij of akker- en vollegrondstuinbouwbedrijf, waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bouwvlak; b. de uitoefening van productiegerichte detailhandel, waarbij de gezamenlijke vloeroppervlakte per agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan 100 m 2; c. kleinschalig logeren, waarbij de bruto-vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m2; d. het telen van gewassen in de vorm van akkerbouw- en vollegrondstuinbouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf; en e. beweiden van landbouwhuisdieren. 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. een bedrijfswoning; b. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. wegen; d. voet- en rijwielpaden; e. verkeervoorzieningen; f. straatmeubilair; g. openbare nutsvoorzieningen; h. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en, i. groen- en speelvoorzieningen;
6.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
6.3.1
Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: 1. bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van artikel 5.4.; 2. het realiseren van tijdelijke huisvesting ten behoeve van seizoenarbeiders. 6.3.2
Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 16.2, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden: a. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling. 2. De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als: a. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is; b. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend; c. geen buitenopslag en buitenactiviteiten; d. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en, e. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt.
6.3.3
Aanvraagvereisten en beoordelingsregels functiewijziging agrarisch naar wonen
1. De omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden en/of bouwwerken binnen de functie 'Agrarisch' voor een woonfunctie kan worden verleend, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het agrarisch gebruik van het perceel is aantoonbaar beëindigd; b. Hervatting van agrarische bedrijfsactiviteiten is redelijkerwijs niet te verwachten; c. De functiewijziging betreft uitsluitend de bestaande bedrijfswoning met een bijgebouw van maximaal 200 m2; d. Alle bebouwing boven de 200 m2 moet worden gesaneerd; e. De functiewijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving, de milieusituatie, verkeersveiligheid of de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen; f. De woning is landschappelijk inpasbaar en wordt voorzien van een passend erfbeplantingsplan, afgestemd op de karakteristiek van het omliggende landschap; g. Er is geen sprake van strijdigheid met milieuwetgeving, zoals geur- of geluidszones van omliggende (agrarische) bedrijven; h. De functiewijziging leidt niet tot een toename van het aantal wooneenheden.
6.4
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in artikel 6.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest; 2. motorcrossen; 3. grootschalige openluchtevenementen; 4. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; 5. het stallen van kampeermiddelen; 6. nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf; 7. nieuwvestiging van een veehouderij; 8. nieuwvestiging van een intensieve kwekerij; 9. het gebruik voor parkeren.
6.5
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
6.5.1
Algemene beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen een bouwvlak worden gebouwd. 6.5.2
Beoordelingsregels bedrijfsgebouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als: 1. het bedrijfsgebouw wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 18 en maximaal 55 graden bedraagt, tenzij ter plaatse op de kaart een vlak dak is aangegeven, dan geldt dat een vlak dak verplicht is; 2. de totaal oppervlakte aan bedrijfsgebouwen op locatie niet meer bedraagt dan 450 m 2; 3. de afstand tot de voorgevelrooilijn niet minder bedraagt dan 10 meter; 4. de afstand tot de bedrijfswoning niet minder bedraagt dan 2 meter; 5. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedraagt dan 5 meter; 6. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; en, 7. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 11 meter. 6.5.3
Beoordelingsregels bedrijfswoningen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning wordt verleend als: 1. per bouwvlak maximaal één bedrijfswoning wordt gebouwd, tenzij ter plaatse op de kaart een ander aantal is weergegeven, dan geldt dit aantal bedrijfswoningen;
2. de inhoud van een bedrijfswoning niet meer bedraagt dan 750 m 3; 3. de bedrijfswoning wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 12 en maximaal 55 graden bedraagt, tenzij ter plaatse op de kaart een vlak dak is aangegeven, dan geldt dat een vlak dak verplicht is; 4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedraagt dan 5 meter; 5. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; en, 6. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 11 meter. 6.5.4
Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning wordt verleend als: 1. de afstand tot de voorgevelrooilijn niet minder bedraagt dan 5 meter en de afstand tot de woning niet minder dan 2 meter en niet meer bedraagt dan 10 meter; 2. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder bedraagt dan 5 meter; 3. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter, tenzij ter plaatse op de kaart een andere goot- en/of bouwhoogte is aangegeven, dan geldt deze gooten/of bouwhoogte; 4. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en, 5. de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, bedraagt maximaal 200 m². 6.5.5
Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als: 1. voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter; 2. achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter; 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter; 4. de bouwhoogte van windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter. 6.5.6
Beoordelingsregels herbouw bedrijfsgebouwen
De omgevingsvergunning voor het herbouwen van bedrijfsbebouwing op een andere locatie binnen het bouwvlak, wordt verleend als: 1. voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 6.5.2; 2. de omliggende woonfuncties niet onevenredig worden beperkt; 3. de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast. 6.5.7
Beoordelingsregels herbouw bedrijfswoning
De omgevingsvergunning voor het herbouwen van een bedrijfswoning op een andere locatie binnen het bouwvlak, wordt verleend als: 1. voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 6.5.3; 2. er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 3. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden beperkt; 4. de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast; 5. er voldaan wordt aan de eisen die gelden ingevolge de Wet geluidhinder; 6. de voormalige bedrijfswoning wordt gesloopt. 6.5.8
Beoordelingsregels uitbreiding oppervlakte bedrijfsbebouwing
De omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing, wordt verleend als: 1. het een eenmalige uitbreiding van maximaal 15% van de maximale oppervlakte betreft; 2. er geen sprake is van een toename van de bestaande oppervlakte voor mestbewerking;
3. de (situering van de) uitbreiding geen onevenredige afbreuk doet aan de in de directe omgeving aanwezige functies en waarden; 4. de uitbreiding niet leidt tot onevenredige aantasting van de in de directe omgeving voorkomende waarden; 5. in geval van een voorgenomen uitbreiding van meer dan 15% van de maximale oppervlakte, voorafgaand aan de besluitvorming een advies is verkregen van de agrarische adviescommissie.
6.6
Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.5 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel.
Artikel 7 7.1
Groen - Landschappelijke inpassing
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Groen - Landschappelijke inpassing’.
7.2
Toegestane gebruiksactiviteiten 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: a. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in bijlage 2, ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap; b. extensief recreatief verblijven. 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a. groen- en speelvoorzieningen; en b. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.3
Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 7.2 onder 1.a. 2. De omgevingsvergunning voor andere landschapsmaatregelen wordt verleend als: a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald; b. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waarde berekening inclusief toelichting en beplantingsplan; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden.
7.4
Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 7.2 en 7.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod: 1. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen; 2. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en, 3. het gebruik voor parkeren.
7.5
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 7.2; 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter; 3. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn; 4. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht;.
7.6
Verboden bouwactiviteiten 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 7.5 ten behoeve van de functie ‘groen – landschappelijke inpassing’ als bedoeld in dit artikel. 2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van: a. paardenbakken; en, b. kassen.
Hoofdstuk 3 Artikel 8 8.1
Thema’s
Leiding – Water
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Leiding – Water’.
8.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten: 1. het gebruik van de gronden ten behoeve van een watertransportleiding; 2. het gebruik van de gronden ten behoeve van de andere, op deze gronden voorkomende functie(s).
8.3
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als: 1. de bouwactiviteit betrekking heeft op de in artikel 8.2 genoemde gebruiksactiviteiten en uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bouwhoogte van maximaal 4 meter; en 2. het belang van de aanwezige leiding(en) niet onevenredig wordt geschaad; 3. alvorens te besluiten over de vergunningaanvraag, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder over de vraag of aan de voorwaarden in lid 2 wordt voldaan.
8.4
Vergunningplichtige activiteiten
8.4.1
Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen van wegen, paden of andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; 3. het aanleggen van kabels en leidingen anders dan bedoeld in artikel 8.3, en daarmee samenhangende constructies, installaties of apparatuur; 4. het indrijven van voorwerpen in de bodem; 5. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen of het aanleggen van drainage; 6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen zoals sloten en vijvers. 8.4.2
Uitzonderingen op het aanlegverbod
Het verbod zoals genoemd in artikel 8.4.1 is niet van toepassing op: 1. werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwactiviteit waarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 8.3; 2. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie; 3. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het moment van inwerkingtreding van dit plan. 8.4.3
Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de leiding(en) niet onevenredig wordt geschaad. 8.4.4
Advisering over de omgevingsvergunning
Alvorens te besluiten over een aanvraag voor een omgevingsvergunning, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of wordt voldaan aan lid 3.
8.5
Verboden activiteiten
Het is verboden werken en werkzaamheden uit te voeren die in strijd zijn met de bepalingen in de artikelen 8.2, 8.3 en 8.4.
Artikel 9 9.1
Waarde – Archeologie 3a
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 3a’.
9.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
De voor 'Waarde - Archeologie 3a' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 3a' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functies.
9.3
Verboden bouwactiviteiten
9.3.1
Verbod
Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 3a' bestemde gronden. 9.3.2
Uitzonderingen
Het in artikel 9.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: 1. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 500 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of; 2. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of; 3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits: a. de bestaande fundering wordt gebruikt; b. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; of 4. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
9.4
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
9.4.1
Afwijken van het verbod
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor bouwactiviteiten in afwijking van artikel 9.3.1, ten dienste van de andere geldende functie(s), indien: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
c.
een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
9.4.2 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 9.4.3 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in artikel 9.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
9.5
Vergunningplichtige werkzaamheden (niet zijnde bouwactiviteiten)
9.5.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren op gronden met de functieaanduiding 'Waarde – Archeologie 3a': 1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; 2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; 6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; 7. het ophogen van gronden. 9.5.2 Uitzonderingen op het verbod Het in artikel 9.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: 1. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of; 2. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 9.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, of; 3.
de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; 4. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of; 5. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; 6. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 7. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of; 8. het werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 9.5.1 onder 7 betreft, waarbij: a. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²; b.
het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
9.5.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 9.5.1 wordt verleend als: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; c.
een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 9.5.4 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 9.5.5 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
9.6
Vergunningplichtige sloopactiviteiten
9.6.1 Verbod Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3a' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag. 9.6.2 Uitzonderingen op het verbod Het in artikel 9.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: 1. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of; 2. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, of; 3. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of; 4. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; 5. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 9.6.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.6.1 wordt slechts verleend indien: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2.
op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; c. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 9.6.4 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
9.6.5 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
9.7
Nadere eisen
9.7.1 Behoud archeologische waarden in situ Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
Artikel 10 10.1
Waarde – Archeologie 4
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 4’.
10.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 4' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functies.
10.3
Verboden bouwactiviteiten
10.3.1 Verbod Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 4' bestemde gronden. 10.3.2 Uitzonderingen Het in artikel 10.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: 1. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 1.000 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of; 2. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,30 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of; 3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits: a. de bestaande fundering wordt gebruikt; b. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; of 4. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
10.4
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
10.4.1 Afwijken van het verbod Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor bouwactiviteiten in afwijking van artikel 10.3.1, ten dienste van de andere geldende functie(s), indien: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
c.
een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
10.4.2 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 10.4.3 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in artikel 10.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
10.5
Vergunningplichtige werkzaamheden (niet zijnde bouwactiviteiten)
10.5.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren op gronden met de functieaanduiding 'Waarde – Archeologie 4': 1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; 2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; 6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; 7. het ophogen van gronden. 10.5.2 Uitzonderingen op het verbod Het in artikel 10.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: 1. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 1.000 m², of; 2. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 10.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,30 meter onder het bestaande maaiveld, of; 3.
de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; 4. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of; 5. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; 6. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; 7. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of; 8. het werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 10.5.1 onder 7 betreft, waarbij: a. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²; b.
het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
10.5.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 10.5.1 wordt verleend als: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; c.
een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 10.5.4 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 10.5.5 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
10.6
Vergunningplichtige sloopactiviteiten
10.6.1 Verbod Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag. 10.6.2 Uitzonderingen op het verbod Het in artikel 10.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: 1. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 1.000 m², of; 2. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,30 meter onder het bestaande maaiveld, of; 3. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of; 4. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; 5. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 10.6.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.6.1 wordt slechts verleend indien: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2.
op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; c. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 10.6.4 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
10.6.5 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
10.7
Nadere eisen
10.7.1 Behoud archeologische waarden in situ Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
Artikel 11 11.1
Waarde – Archeologie 5
Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 5’.
11.2
Toegestane gebruiksactiviteiten
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 5' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functies.
11.3
Verboden bouwactiviteiten
11.3.1 Verbod Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 5' bestemde gronden. 11.3.2 Uitzonderingen Het in artikel 11.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: 1. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 25.000 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of; 2. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,30 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of; 3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits: a. de bestaande fundering wordt gebruikt; b. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; of 4. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
11.4
Vergunningplichtige bouwactiviteiten
11.4.1 Afwijken van het verbod Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor bouwactiviteiten in afwijking van artikel 11.3.1, ten dienste van de andere geldende functie(s), indien: 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of; 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of; 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
c.
een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
11.4.2 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 11.4.3 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in artikel 11.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
11.5
Vergunningplichtige werkzaamheden (niet zijnde bouwactiviteiten)
11.5.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren op gronden met de functieaanduiding 'Waarde – Archeologie 5': 1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; 2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; 6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd; 7. het ophogen van gronden. 11.5.2 Uitzonderingen op het verbod Het in artikel 11.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: 1. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 25.000 m², of; 2. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 11.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, of; 3.