BP Feanwâlden - De Bosk fase II
Tekst van het document
bestemmingsplan
Feanwâlden - De Bosk fase II Dantumadiel
DATUM IMRO IDN
16-03-2023 NL.IMRO.1891.BpFwDeBoskII-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER
Woningbouw De Bosk fase II G. van Halteren
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Dantumadiel 20230050
AUTEUR STATUS
D.Rozeboom concept
Inhoudsopgave
Toelichting
6
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Planologische regeling
8
1.4
Leeswijzer
10
Planbeschrijving
11
2.1
De bestaande situatie
11
2.2
Voorgenomen situatie
12
Hoofdstuk 3
Beleidskader
17
3.1
Rijksbeleid
17
3.2
Provinciaal beleid
20
3.3
Gemeentelijk beleid
22
Milieu- en omgevingsaspecten
23
4.1
Milieuzonering
23
4.2
Geluid
24
4.3
Ecologie
25
4.4
Water
28
4.5
Bodem
29
4.6
Archeologie
31
4.7
Cultuurhistorie
32
4.8
Luchtkwaliteit
32
4.9
Externe veiligheid
33
4.10
Kabels en leidingen
36
4.11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling/Milieueffectrapportage
36
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
38
5.1
Het juridisch systeem
38
5.2
Toelichting op de bestemmingen
38
Uitvoerbaarheid
39
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 6 6.1
3/382
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Bijlagen
39
41
Bijlage 1
Stedenbouwkundig plan De Bosk fase II
43
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek sportcomplex Feanwâlden
65
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai
127
Bijlage 4
Stikstofdepositie berekening
167
Bijlage 5
Ecologische Quickscan Wnb
181
Bijlage 6
Digitale Watertoets
209
Bijlage 7
Verkennend bodemonderzoek
217
Bijlage 8
Verkennend waterbodemonderzoek
281
Bijlage 9
Archeologisch onderzoek 2007
327
Bijlage 10
Externe veiligheid advies FUMO
345
Regels Hoofdstuk 1
358 Inleidende regels
359
Artikel 1
Begrippen
359
Artikel 2
Wijze van meten
362
Bestemmingsregels
363
Artikel 3
Groen
363
Artikel 4
Verkeer - Verblijfsgebied
365
Artikel 5
Water
366
Artikel 6
Woongebied
367
Hoofdstuk 3
Algemene regels
370
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
370
Artikel 8
Algemene bouwregels
371
Overgangs- en slotregels
373
Artikel 12
Overgangsrecht
373
Artikel 13
Slotregel
374
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Bijlagen regels Bijlage 1
4/382
375 Lijst van toegestane beroepen en bedrijven aan huis
377
Verbeelding
5/382
381
Toelichting
6/382
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de oostzijde van Feanwâlden heeft de gemeente Dantumadiel de woonwijk De Bosk gepland. De eerste fase van de woningbouwontwikkeling is inmiddels gerealiseerd op basis van het bestemmingsplan Feanwâlden – De Bosk dat in 2014 door de gemeenteraad van Dantumadiel is vastgesteld. Door een reactieve aanwijzing van de provincie Fryslân is het zuidelijk deel van het bestemmingsplan echter niet in werking getreden. Wegens de groeiende woningbouwbehoefte is besloten om alsnog de tweede fase van De Bosk in Feanwâlden juridischplanologisch te gaan regelen. De woningbouwontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende bestemmingsplannen Butengebiet Dantumadiel (2013) en Feanwâlden - Kom (2013). De planlocatie heeft op dit moment de bestemming 'Agrarisch Woudenlandschap' en 'Recreatie'. Binnen deze bestemmingen zijn geen woningen toegestaan en het plangebied bevat daarnaast geen bouwmogelijkheden om gebouwen ten behoeve van wonen op te richten. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk, waarin het voornemen toegelicht, gemotiveerd en geregeld wordt. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
In figuur 1.1 is te zien dat het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de dorpskern van Feanwâlden in de gemeente Dantumadiel. Het plangebied is kadastraal bekend als Veenwouden, sectie I, nummers 187, 189, 191, 1164, 1165, 1170, 1171, 1172 en 1173. De percelen worden ontsloten door de Bosksingel en de Boskrâne. De oostzijde van de planlocatie sluit aan op het buitengebied met agrarische percelen. Ten zuiden van het plangebied ligt de Sintrale As (N356) en de spoorlijn Leeuwarden - Groningen. In het noordwesten sluit het plangebied aan op de kern van Feanwâlden en de sportvelden.
7/382
Figuur 1.1
1.3
Ligging van het plangebied (Bron: Pdok.nl)
Planologische regeling
Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen Butengebied Dantumadiel en Feanwâlden- Kom, beide vastgesteld op 2 juli 2013 door de gemeente Dantumadiel. Een uitsnede van de bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.2.
8/382
Figuur 1.2
Uitsnede van het geldende bestemmingsplan (Bron: Pdok.nl/ruimtelijkeplannen.nl)
Op basis van de geldende bestemmingsplannen heeft het plangebied de bestemming 'AgrarischWoudenlandschap' en 'Recreatie'. Daarnaast hebben de gronden de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone- radar'. Het plangebied heeft verder geen aanvullende aanduidingen of dubbelbestemmingen. De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch- Woudenlandschap' zijn primair bestemd voor agrarisch gebruik, met uitzondering van boom-/sierteelt, houtteelt en bollenteel en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden. Binnen deze bestemming zijn daarbijbehorende functies zoals fiets-, wandelen ruiterpaden en extensieve dagrecreatie toegestaan. Gebouwen zijn niet toegestaan. Reguliere grondgebonden woningen zijn binnen deze bestemming niet mogelijk. Aan de westkant van het plangebied zijn de gronden voor een klein deel bestemd als 'Recreatie'. Deze gronden zijn primair bestemd voor het beoefenen van veldsporten, een skatebaan of ijsbaan. Binnen deze bestemming zijn daarbij behorende functies zoals groen-, parkeer-, en speelvoorzieningen, wegen en paden toegestaan. Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Reguliere
9/382
grondgebonden woningen zijn binnen deze bestemming niet mogelijk. Ter plaatse van de aanduiding ' Vrijwaringszone - radar ' geldt dat de gronden - naast de aangewezen bestemming(en) - tevens bestemd zijn voor de bescherming van de functionele bruikbaarheid van het radarstation. De bouwhoogte van bouwwerken mag niet meer bedragen dan 75 meter. Deze gebiedsaanduiding heeft geen gevolgen voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is onderdeel van het bestemmingsplan voor de woningbouwontwikkeling de Bosk fase II in Feanwâlden. De opbouw van deze toelichting is als volgt: na deze inleiding worden in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste situatie beschreven; in hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau behandeld; een toetsing van het project aan de wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten is in hoofdstuk 4 opgenomen; hoofdstuk 5 behandelt de juridische regelingen; tot slot bevat hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het plan.
10/382
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
De bestaande situatie
Het plangebied ligt in het woudenlandschap aan de oostzijde van het dorp Feanwâlden, tussen de Rûnwei en de Oastein. De gronden liggen buiten het bestaand stedelijk gebied zoals opgenomen in de Verordening Romte (2014) van de provincie Fryslân. De eerste fase van de woningbouwontwikkeling van de Bosk, ten noorden van het plangebied, zal bij de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening (2021) in bestaand stedelijk gebied liggen. Op dit moment zijn de percelen onbebouwd en in gebruik als grasland. De omgeving aan de zuidoostzijde van het plangebied wordt gekenmerkt door smalle percelen grasland, omringd door elzensingels. De noordwestkant van het plangebied wordt gekenmerkt door woonfuncties en recreatie (sportvelden). Aan de noordzijde wordt het plangebied aangesloten op de eerste fase van de woningbouwontwikkeling De Bosk. Door de ligging van het plangebied aan de rand van het dorp is er veel openheid en ruimte. In figuur 2.1 is een luchtfoto weergegeven van de huidige situatie.
11/382
Figuur 2.1
2.2
Luchtfoto van de huidige situatie (Bron: Pdok.nl)
Voorgenomen situatie
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 31 kavels voor woningbouw met variabele breedtes. Een voorwaarde hierbij is dat er geen incourante reststroken overblijven. Aan de oostkant van het plangebied (aan de Boskrâne) is ruimte voor maximaal 11 kavels van ongeveer 700 m². De wens is om hier vrijstaande woningen te realiseren. Aan de westkant van het plangbied (aan de Bosksingel) is ruimte voor maximaal 20 kavels waarin gevarieerd kan worden tussen vrijstaande en twee-onder-één kap woningen. Daarnaast zijn er enkele kavels voor starterswoningen gereserveerd. De bouwhoogte van de woningen mag maximaal 11 meter bedragen. Verder geldt een minimale dakhelling van 30 graden. Het is ook een optie om een plat dak te realiseren. Aansluitend op de oude hoofdroute aan de noordkant van het plangebied, het Oastein, zijn twee nieuwe wegen aangelegd. De ontsluiting van de Bosk fase II, het verlengde van de Bosksingel en Boskrâne blijft via de Oastein. Voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers) wordt een ontsluiting aan de zuidkant van het plangebied gerealiseerd. Door de Bosk fase II middels een fietsroute te verbinden met de bestaande bebouwing van de
12/382
Fûgelbuurt worden directe routes naar de verschillende voorzieningen gemaakt. Het stedenbouwkundig ontwerp is weergegeven in figuur 2.2. Het volledige stedenbouwkundige plan is opgenomen in bijlage 1.
Figuur 2.2
Stedenbouwkundig ontwerp De Bosk fase II (Bron: Witpaard en Van den Berg Architecten BV)
2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit De wens is om een nieuwe afronding van het dorp Feanwâlden te creeëren zodat er aan de oostzijde van het dorp een zorgvuldige overgang wordt gecreëerd naar het landelijk gebied. Gezien de belangrijke infrastructuur in het buitengebied, zoals het Oastein en de Centrale As, is het een logische keuze om op deze locatie woningbouw te realiseren, waarmee een afronding van het dorp ontstaat tussen de Runwei en het buitengebied. Het landschap bestaat in deze omgeving uit smalle percelen die omzoomd worden door elzensingels. Binnen deze gebiedskwaliteiten moet de woningbouwontwikkeling worden vormgegeven. Er is gekozen voor de ontwikkeling van twee strookvormige percelen, aansluitend op de woninbouw in De Bosk fase 1. De strook tussen deze percelen blijft onbebouwd. Daarmee wordt een zekere mate van openheid gecreeerd waardoor ook qua woningdichtheid een overgang naar het landelijk gebied wordt gerealiseerd.
13/382
In de tussenliggende groenstrook blijft agrarisch gebruik toegestaan. De bestaande elzensingels worden gehandhaafd. Hiermee sluit de toekomstige woonlocatie aan op het kenmerkende singellandschap. Op deze manier ontstaat een geleidelijke overgang tussen bebouwd en landelijk gebied. Er is voor zowel de westzijde als oostzijde van het plangebied gekozen voor een flexibele rooilijn. De voorgevelzone ligt tussen de 5 en 7 meter van de perceelgrens. Met deze flexibele rooilijn wordt een speelse en dorpse uitstraling gerealiseerd. 2.2.2 Landschappelijke inpassing In het midden van het plangebied staan meerdere bestaande elzensingels. Elzensingels zijn kenmerkend voor de omgeving en daarmee een belangrijk element in het landschap. In het landschapsbeleidsplan van de gemeente Dantumadiel (2003) wordt er gestreefd naar het behouden en versterken van noord-zuid gerichte elzensingels. In principe blijven alle bestaande elzesingels behouden. Tenzij dit echt niet anders kan vanwege inrichtingselementen die noodzakelijk zijn (verkeersontsluiting of een functionerend watersysteem). Daarnaast worden aan de zuidoostkant van het plangebied nieuwe elzesingels gerealiseerd. Hierdoor wordt de afronding van het dorp en de overgang naar het landelijk gebied op een geleidelijke manier vormgegeven. Ook ligt er een watergang aan de oostkant van het plangebied.
Deze vormt gezamelijk met de nieuw te realiseren elzesingels de overgang tussen de woonwijk en het open landelijk gebied. Het water aan de westkant vormt een ruimtelijke scheiding tussen de Bosk fase II en de sportvelden. 2.2.3
Welstandscriteria 'Feanwâlden - De Bosk'
In 2014 zijn de 'Welstandscriteria Feanwâlden – De Bosk' vastgesteld waarin specifiek de welstandscriteria voor dit gebied zijn opgenomen. De woningbouwontwikkeling van de Bosk fase II vormt de afronding van het reeds gerealiseerde uitbreidingsplan aan de oostzijde van Feanwâlden. De richtlijnen voor de gewenste kwaliteit voor de nieuwe bebouwing in het plangebied sluiten aan op de welstandscriteria 'Feanwâlden - De Bosk'. In overeenstemming met De Bosk fase I is er gekozen voor ruime mogelijkheden voor de vormgeving van bouwwerken. De Bosk fase II is welstandsluw. In de welstandnota staat beschreven wat welstandsluw is en hoe bouwwerken in een welstandsluwe situatie worden getoetst. Zo staat er dat in principe het bestemmingsplan de basis vormt voor toetsing van de bouwplannen. Op twee onderdelen zijn aanvullende criteria, namelijk ten aanzien van de dakhelling en de nokrichting. Voor de dakhelling geldt een minimum van 30 graden, tenzij er een plat dak wordt gerealiseerd. Voor de nokrichting geldt dat het hoofdgebouw overwegend evenwijdig aan de weg is gelegen wanneer het perceel met de langste zijde van de weg ligt. Daarnaast geldt voor de nokrichting van het hoofdgebouw haaks op de weg moet staan indien de smalste zijde van het gebouw aan de weg ligt. In het stedenbouwkundig plan zijn de 'Welstandscriteria Feanwâlden – De Bosk' van toepassing.
Er wordt daarmee aangesloten op de ruime mogelijkheden voor de vormgeving van bouwwerken die al bestaat in het gerealiseerde gedeelte van De Bosk fase I . Daarmee ontstaat er een éénduidig karakter van de wijk.
14/382
2.2.4 Verkeer en parkeren Op het gebied van verkeer en mobiliteit bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de woonfunctie mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de kencijfers uit de CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. Verkeersgeneratie De planontwikkeling omvat de realisatie van maximaal 31 woningen in het koopsegment. En zal door middel van de Boskrâne en Bosksingel worden ontsloten. Daarnaast zal er een ontsluiting worden gerealiseerd voor langzaam verkeer waarmee de oost- en westkant van het plangebied op elkaar worden aangesloten. Bestaande situatie In de bestaande situatie betreft het plangebied grasland. Het plangebied zelf genereert nauwelijks verkeersomvang. Omdat de woningbouw van De Bosk fase I via dezelfde wegen is ontsloten, is er in het gebied al sprake van verkeersgeneratie.
Toekomstige situatie Op basis van het woningbouwprogramma is de verkeersgeneratie bepaald voor op een gemiddelde weekdag en gemiddelde werkdag. Deze verkeersgeneratie is afgebeeld in tabel 2.1. Er is uitgegaan van een worst case-scenario met de hoogst mogelijke verkeersgeneratie. Dit betekent dat er gerekend is met het type woning dat het meeste verkeer genereert, namelijk een vrijstaande koopwoning. De gemiddelde werkdagintensiteit is bepaald door gebruik te maken van een omrekenfactor 1,11 voor woonfuncties (CROW-381). De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersgeneratie van 241,8 mvt/ etmaal voor een weekdag en 268,4 mvt/etmaal voor een werkdag. Dit is via aangesloten wegen af te wikkelen in het heersende verkeersbeeld en zorgt niet voor knelpunten in de verkeersstructuur. Functiegroep
Wonen
Functietype
Aantal
Kencijfer CROW
Verkeergeneratie mvt/etmaal Weekdag 241,8
Koop, Huis, 31 7,8 vrijstaand Tabel 2.1: Verkeersgeneratie woningbouwontwikkeling De Bosk fase II
Verkeersgeneratie mvt/etmaal Werkdag 268,4
Zodra verkeersintensiteiten te hoog worden, komt de oversteekbaarheid en daarmee de verkeersveiligheid onder druk te staan. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie tijdens het maatgevende uur van belang. Als vuistregel geldt dat de verkeersomvang tijdens het maatgegevende uur circa 10% van de etmaalwaarde bedraagt. In dit geval gaat het in het drukste uur op werkdagen dan om (269 *10%) om
15/382
27 voertuigen. Deze geringe toename van verkeer kan zonder problemen worden afgewikkeld op de omliggende kruispunten en wegen en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. Parkeren Het streven is om de impact van geparkeerde auto’s op het straatbeeld te minimaliseren door zoveel mogelijk op eigen kavel te parkeren. Bij grondgebonden woningen dienen minimaal twee parkeerplaatsen voor auto’s (garage telt niet mee) gerealiseerd te worden op de eigen kavel. Voor bezoekers dienen bij grondgebonden woningen 0,3 parkeerplaatsen in de openbare ruimte te worden gerealiseerd. De totale parkeerbehoefte van het plangebied bedraagt daarmee 72 (71,3) parkeerplaatsen. Door de grootte van de kavels is het mogelijk om de parkeerplaatsen voor de woningen op eigen terrein te realiseren. Conclusie verkeer en parkeren De ontsluiting van het plangebied zal niet leiden tot knelpunten. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling is dermate klein dat het niet tot knelpunten zal leiden op het omliggende wegennet. Er is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
16/382
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Dit hoofdstuk beschrijft het voor het plangebied relevante ruimtelijk beleid. Daarbij wordt achtereenvolgens ingegaan op het rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vijf opgaven: 1. De bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen; 2. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 3. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 4. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 5. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda. Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd: a. Druk op de ruimte in het landelijk gebied vraagt om gezamenlijke keuzes; b. Benutten van de brede effecten van de energietransitie; c. Economisch perspectief ten aanzien van kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw; d. Toekomstgerichte bereikbaarheid van Noord-Nederland;
17/382
e. f. g. h.
Versterken Stedelijk Netwerk Noord-Nederland; Toekomstkracht voor gebieden met bevolkingsdaling en sociaaleconomische achterstand; Water als verbindende schakel in klimaatadaptieve maatregelen; Waarborgen van de omgevingskwaliteit.
2. De NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente Dantumadiel deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. Het beleid uit de NOVI is niet van invloed op de ontwikkeling in het plangebied. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie infrastructuur en Ruimte uit 2012 (SVIR) is geheel opgegaan in de NOVI, behalve enkele onderdelen van bijlange 6, 'Essentiële onderdelen Nota Mobiliteit'. Vanuit de SVIR zijn in de NOVI voor de periode tot 2028 de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt: vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; verbeteren van de bereikbaarheid; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Met de hierboven genoemde rijksdoelen zijn 14 nationale belangen aan de orde die verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening gekregen.
Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het opstellen van een nieuw bestemmingsplan met toelichting dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening past in die lijn. Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In paragraaf 3.1.3 van deze toelichting gaat hier verder op in. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Het bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro. 3.1.3 Ladder voor Duurzame Verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening).
Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
18/382
In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Voor wonen geldt dat een ontwikkeling vanaf 12 woningen wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). De voorgenomen ontwikkeling ligt op de planlocatie De Bosk fase II en bestaat uit het realiseren van maximaal 31 woningen. Er is hierbij sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten het bestaand stedelijk gebied. Beoordeeld moet worden of er gemotiveerd kan worden dat de behoefte en locatie voor de stedelijke ontwikkeling voldoende is afgewogen. Toetsing behoefte De vraag naar woningbouw is groot. Ook in Feanwâlden zijn er meer woningen nodig om aan te sluiten op de woningbehoefte. De gemeente Dantumadiel zoekt naar voldoende woningen op maat in alle dorpen. Uit verschillende woningmarktonderzoeken blijkt dat het aantal huishoudens tot 2030 sneller lijkt te groeien dan eerder werd aangenomen.
Door de snelle groei van het aantal huishoudens in de afgelopen jaren is de druk op de woningmarkt sterk toegenomen. Dit vraagt om een versnelling in de woningbouw. Om te onderzoeken of er behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling is er een informatieavond georganiseerd door de gemeente Dantumadiel. Tijdens deze informtieavond is gebleken dat er aanzienlijke behoefte is aan het soort kavels dat met de Bosk fase II op de markt komt. Met uitbreidingslocaties zoals de Bosk fase II zijn er mogelijkheden voor grondgebonden koopwoningen voor zowel starters als gezinnen. Ook is er een behoefte aan enkele grondgebonden koopwoningen voor jonge doorstromers en vestigers van buiten de gemeente waarin met deze ontwikkeling wordt voorzien. Aanvullend is het toevoegen van woningen op de korte termijn belangrijk voor het vitaal houden van Dantumadiel en het bieden van voldoende passende woningen in de gemeente. Hierbij is het van belang dat starters een woning kunnen vinden en er doorstroming in de woningmarkt ontstaan. Om bovenstaande te kunnen realiseren wil de gemeente extra mogelijkheden voor het bouwen van woningen geven. Met de ontwikkeling van De Bosk fase II wordt de woningvoorraad voor verschillende doelgroepen in Feanwâlden uitgebreid. Daarnaast passen de te realiseren woningen binnen het gemeentelijk beleid. Hier wordt in hoofdstuk 3.3 verder op ingegaan.
Samengevat blijkt dat de ontwikkeling van maximaal 31 woningen in Feanwâlden past binnen de behoefteraming en zorgt voor de nodige doorstroming. De behoefte is hiermee voldoende aangetoond. Toetsing beoogde locatie In de rest van deze paragraaf wordt gemotiveerd waarom de locatie aan de Bosksingel en de Boskrâne het meest
19/382
geschikt is voor de voorgenomen woningbouw ontwikkeling. Allereerst is het niet mogelijk om vrijstaande- en halfvrijstaande woningen te realiseren binnen het dorp Feanwâlden. Er zijn geen open plekken binnen het dorp die dit toestaan. Er zouden anders groene elementen uit het dorp verdwijnen. Dit is niet wenselijk omdat er veel waarde wordt gehecht aan het dorpse en ruime karakter van Feanwâlden. Daarom is de locatie ten zuiden van de eerste fase van De Bosk, tegen het dorp aan, met een goede aansluiting op de huidige bebouwing de meest geschikte locatie voor het te realiseren woonsegment. Daarnaast wordt er waarde gehecht aan een passende afronding van het dorp zoals uitgewerkt in de paragraven 2.2.1 en 2.2.2. 3.1.4 Conclusie Rijksbeleid De voorgenomen ontwikkeling raakt geen nationale belangen als opgenomen in de NOVI. Er wordt richting gegeven aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken door te reageren op de huidige woningvraag. Ook raakt de woningbouwontwikkeling van de Bosk fase II geen nationale belangen uit het Barro. Er is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling waar de beleidsvrijheid bij de gemeente en de provincie ligt. Als laatste wordt door middel van de ladder voor duurzame verstedelijking de zorgvuldige afweging voor de woningbouwontwikkeling gemotiveerd. De ontwikkeling past binnen de kaders van het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân- De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 wordt uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met negen principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. De insteek om de ambities te realiseren, is niet door verandering tegen te houden, maar door de gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. De planontwikkeling past binnen het principe van omgevingskwaliteit als ontwerpbasis. Dit houdt in dat nieuwe ontwikkelingen voortbouwen op bestaande omgevingskwaliteiten. Er is hierbij aandacht voor eigenheid en identiteit. Bij de bouw van de nieuwe woningen wordt nauw aangesloten op de bestaande wijk en de groene en ruime opgezette structuur van de zuidoostzijnde van het dorp Feanwâlden. Een gedetailleerde omschrijving van de nieuw situatie is terug te vinden in hoofdstuk 2.2. 3.2.2 Verordening Romte Fryslân 2014 Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld.
In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. De volgende artikelen uit de Verordening Romte zijn van belang:
20/382
Artikel 1.1.1 In dit artikel wordt aangegeven dat er in principe geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden zijn voor nieuwe stedelijke functies in het landelijk gebied. Hierin wordt als mogelijke afwijking gegeven dat in een ruimtelijk plan een uitbreidingslocatie aansluitend op bestaand stedelijk gebied kan worden toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling van de Bosk fase II valt volgens de Verordening Romte buiten bestaand stedelijk gebied. Maar sluit aan op de bestaande bebouwing van het dorp Feanwâlden en de bestaande bebouwing van de woningbouwlocatie De Bosk fase I . Fase II van dit plan sluit niet alleen aan op fase I , maar zet ook de in fase I opgezette stedenbouwkundige en landschappelijke structuur door in zuidelijke richting. Hierdoor is de woningebouwontwikkeling in lijn met artikel 1.1.1. Artikel 2.1.1 Dit artikel gaat over de ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke projecten. Hierin wordt het belang van een goede ruimtelijke inpassing omschreven voor uitbreidingslocaties of ontwikkelingen in het landelijk gebied. Vanwege de ligging van De Bosk in het landelijk gebied (aansluitend op stedelijk gebied) is de ruimtelijke kwaliteit van de voorgenomen ontwikkeling uitgewerkt in hoofdstuk 2.2 en in het stedenbouwkundig plan (bijlage 1).
Hierin wordt onderbouwd dat de voorgenomen woningbouwontwikkeling een passende voortzetting van woningbouwontwikkeling De Bosk is, en tevens een geschikte afronding van de dorpsrand vormt. Als gevolg van de ruimteijkheid een link legt met het landelijk gebied en er is sprake van een gezonde woonkwaliteit. Artikel 2.3.1 Dit artikel gaat over het principe zorgvuldig ruimtegebruik. Bij zorgvuldig ruimtegebruik is het van belang dat plannen buiten bestaand stedelijk gebied invulling geven aan dit principe. Uit een motivering moet blijken dat de beoogde functie redelijkerwijs niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Hoofdstuk 4.3 gaat door middel van de ladder van duurzame verstedelijking in op de keuze voor de locatie. Door het midden van het plangebied onbebouwd te houden wordt er openheid en ruimte gecreëerd en ontstaat een stapsgewijze overgang van bebouwd naar landelijk gebied. Bovendien wordt de bebouwing binnen de contour van de Runwei gebouwd aansluitend op een eerdere nieuwbouwwijk. Daarmee is sprake van een goede inpassing in en aansluiting op de al aanwezige bebouwingsstructuren.
Artikel 3.1.1 Dit artikel van de provinciale verordening stelt dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. De ontwikkeling van het plangebied moet passen in het geheel van van de regionale woningbouwafspraken tussen de regio Noordoost Fryslân en de provincie Fryslân. In mei 2020 zijn de regio en de provincie gekomen tot nieuwe regionale woningbouwafspraken. Dit is in de vorm van een experiment tot en met 2025 waarbij er meer regie en verantwoordelijkheid ligt bij de regio. De kern van de afspraak en het experiment is balans in de woningmarkt. De plannen voor ontwikkeling van de Bosk fase II zijn door de gemeente met de provincie afgestemd. Omgevingsverordening Fryslân 2022 Op 16 februari 2021 is de omgevingsverordening Fryslân als ontwerp ter inzage gelegd. Deze omgevingsverordening zal de Verordening Romte uit 2014 gaan vervangen als de Omgevingswet in werking treedt. De inhoudelijke principes uit beide verordeningen blijven grotendeels gelijk op het gebied van
21/382
stedelijke functies waardoor de voorgenomen ontwikkeling ook binnen het beleid van de nieuwe omgevingsverordening Fryslân zal passen. 3.2.3 Conclusie provinciaal beleid Bij de woningbouwontwikkeling De Bosk fase II wordt rekening gehouden met de bestaande omgevingskwaliteiten van het dorp Feanwâlden. Hierbij wordt aangesloten op de Omgevingsvisie van de provincie Fryslân. Daarnaast zijn er vanuit de relevante artikelen uit de Verordening Romte (2014) geen belemmeringen. Door de krapte op de woningmarkt krijgen gemeenten meer ruimte voor woningbouw. Er wordt voldoende invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Uit het voorgaande blijkt dat de provinciale belangen voldoende zijn geborgd.
3.3
Gemeentelijk beleid
Woonvisie 2020-2025 De gemeente Dantumadiel heeft de Woonvisie 2020-2025 vastgesteld. Met de Woonvisie geeft de gemeente richting aan ontwikkelingen in de gemeente en het is de basis voor de uitvoeringsagenda, woningbouwprogrammering en de prestatieafspraken. De woonvisie bevat 7 speerpunten voor de komende jaren: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten; Nieuwbouw in dorpen en wijken, omgang met groei en krimp; Ontwikkeling van de sociale huurvoorraad: betaalbaar, beschikbaar en kwaliteit; Wonen en zorg in dorpen en wijken; Energietransitie en verduurzaming; Leefbare dorpen: sociaal en veilig, met bereikbare voorzieningen; Samenwerking gemeente, belanghebbenden en bewoners.
Volgens de Woonvisie is Feanwâlden vanwege haar strategische ligging nabij de Centrale As, het toekomstige Transferium en een woonklimaat met rust en ruimte een kern waar extra woningen nodig zijn om de vraag te bedienen. Het woningbouwplan Feanwâlden- De Bosk was in de eerste fase zeer succesvol en er is voldoende behoefte aan woningen om ook de tweede fase te realiseren. Door middel van dit bestemmingsplan wordt de realisatie van de tweede fase van de Bosk planologisch geregeld. 3.3.1 Conclusie gemeentellijk beleid Uit het beleid van de gemeente Dantumadiel komt duidelijk de wens naar voren om ook de tweede fase van De Bosk te realiseren. Door de ligging van het plangebied, de inpassing met de huidige structuur van de wijk en het dorp, en de grote vraag op korte termijn maakt voorgenomen ontwikkeling passend binnen het gemeentelijk beleid.
22/382
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. Het gaat hierbij om het minimaliseren van de invloeden vanuit het plangebied op de omgeving en omgekeerd. Dat zijn de milieu- en omgevingsaspecten geluid, luchtkwaliteit, bodem, externe veiligheid, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie, bedrijven en milieuhinder en kabels en leidingen. In de volgende paragrafen worden deze omgevingsaspecten en eventueel daaraan verbonden planologische randvoorwaarden behandeld.
4.1
Milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft een milieugevoelige functie (woningen). Vanwege de ligging van het plangebied binnen de zone van de N356 en het spoortraject 32 (lijn Groningen - Leeuwarden), en de voorkomende agrarische activiteiten en woonfunctie, is er sprake van een gemengd gebied.
Sportcomplex Aan de westzijde grenst het plangebied aan de sportvelden van Feanwâlden. Volgens de VNG publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" geldt voor een sportcomplex een richtafstand van 50 meter. Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen er woningen worden gebouwd binnen deze richtafstand. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is als onderdeel van het bestemmingsplan Feanwâlden - De Bosk (2014) een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van het sportcomplex (bijlage 2). Het onderzoek geeft inzicht of kan worden afgeweken van de richtafstand met betrekking tot de daadwerkelijk optredende hinder ten gevolge van de activiteiten (stemgeluid etc.) binnen de perceelsgrens van het sportcomplex. Omdat de uitgangspunten van het planvoornemen en de indeling van het sportcomplex gelijk zijn gebleven geeft het akoestisch onderzoek 2014 voldoende motivering voor de uitvoerbaarheid van het plan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in het onderzoek rekening gehouden met het stemgeluid van de bezoekers; hiervoor geldt op grond van het activiteitenbesluit een uitzondering. Uit het onderzoeksresultaat
23/382
blijkt dat het sportcomplex bij de aangegeven representatieve bedrijfssituatie voldoet aan de in het activiteitenbesluit gestelde grenswaarden ter plaatse van de binnen het plan Feanwâlden De Bosk aangegeven rooilijn (gevels woningen) en eveneens voldoet aan de richtwaarden voor een gemengd gebied, zoals aangegeven in de VNG publicatie "Bedrijven en Milieuzonering". De richtafstand van 30 meter kan worden gehanteerd zoals in de planvorming is voorzien en de representatieve bedrijfssituatie van het sportcomplex leidt niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het onderzoeksrapport is voor de volledigheid opgenomen als bijlage 2. Agrarische bedrijven Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen aan Oastein 27. Het bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Besluit landbouw Milieubeheer (< 200 koeien). De aan te houden afstand is 100 meter (categorie 2). De afstand tot het plangebied is ruim 400 meter en vormt hiermee geen probleem voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Conclusie Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuhinder en (agrarische) bedrijven staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.2
Geluid
Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd indien een plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van het spoortraject tussen de stations 'De Westereen' en 'Feanwâlden' en binnen de wettelijke geluidzone van de weg Rûnwei. Het aspect railverkeerlawaai en wegverkeerslawaai zijn daarom wel van belang. Er is daarom onderzocht of de geluidbelasting van deze wettelijke gezoneerde geluidbronnen, ter plaatse van de te realiseren woningen, voldoet aan de wettelijke grenswaarden. Het akoestisch onderzoek is te vinden in bijlage Wegverkeerslawaai Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen.
De breedte van een geluidszone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. Voor de geluidsbelasting op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de wettelijke geluidszone van een weg, gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Voor het plangebied geldt de algemene voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De maximale grenswaarde bedraagt Lden = 63 dB (binnenstedelijke situatie). De Rûnwei is een weg met, ter hoogte van het plangebied, een snelheidsregime van 80 km/uur en is daardoor
24/382
zoneringsplichtig. De zone bedraagt 250 meter aan weerszijden van de weg. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt binnen deze zone waardoor onderzoek noodzakelijk is. Toetsing De berekeningen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer zijn uitgevoerd overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012 (kortweg: RMG 2012). Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Rûnwei, op de uiterste kavelgrenzen, ten hoogste 48 dB (incl. aftrek art 110g Wgh.) bedraagt. Daarmee wordt, bij alle te realiseren woningen, de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Railverkeerslawaai De zone van de spoorlijn bedraagt 100 meter aan weerszijden van het spoor. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt binnen deze zone waardoor onderzoek noodzakelijk is. De grenswaarden voor nieuwe gevoelige ontwikkelingen zijn vastgelegd in het Besluit geluidhinder. In eerste instantie wordt ervan uitgegaan dat een zogenaamde voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet mag worden overschreden (artikel 4.9, eerste lid). De maximaal toelaatbare waarde (ontheffingswaarde) bedraagt 68 dB (artikel 4.10). Indien een hogere-waarde procedure wordt gevolgd, dan moet het bevoegd gezag motiveren dat de gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar is. De Wet geluidhinder noemt hierbij geen grenswaarden.
Toetsing De berekeningen van de geluidbelasting ten gevolge van het railverkeerslawaai zijn uitgevoerd overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012 (kortweg: RMG 2012). Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van het railverkeer op het spoortraject tussen de stations 'De Westereen' en 'Feanwâlden' op de uiterste kavelgrenzen ten hoogste 53 dB bedraagt. Daarmee wordt, bij alle te realiseren woningen, voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Conclusie De geluidbelasting als gevolg van zowel wegverkeer als railverkeer voldoet aan de daarvoor geldende wettelijk voorkeursgrenswaarden. Er hoeft dan ook geen hogere waarde te worden aangevraagd. Met betrekking tot de gevelgeluidwering kan worden volstaan met de minimale vereisten uit het Bouwbesluit. De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.3
Ecologie
Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
25/382
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen de Groote Wielen (6,5 kilometer), Alde Feanen (10,5 kilometer), de Waddenzee (17 kilometer), en het Lauwersmeer (15 kilometer). Ondanks dat de voorgenomen locatie voor woningbouw buiten de grenzen van de Natura 2000gebieden ligt, kan de ontwikkeling van het plangebied leiden tot een toename van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden in de omgeving. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) moet beoordeeld worden of het plan leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van de beschermde habitats en de habitats van soorten binnen de Natura 2000-gebieden. Het is daarom noodzakelijk om een AERIUS berekening uit voeren om te bepalen of stikstofdepositie een knelpunt vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. Per 1 juli 2021 trad de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) in werking. De Wsn en de Bsn regelden een vrijstelling voor de vergunningsplicht van artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Op 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3159) is in de zaak van Porthos een uitspraak gedaan door de Afdeling Bestuursrechtspraak over deze partiële bouwvrijstelling. Uit deze uitspraak blijkt dat art. 2.9a van de Wnb en art. 2.5 Bnb in strijd is met art. 6 van de Habitatrichtlijn uit de Wet natuurbescherming. Er wordt daarom teruggegaan naar de situatie vóór 1 juli 2021 waarbij ook de aanlegfase van bouwprojecten moet worden doorgerekend voor stikstofdepositie om significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden te kunnen uitsluiten. Stikstofberekening De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat waarin wordt geconstateerd dat er als gevolg van de gewenste ontwikkeling geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden waarbij sprake is van een overschrijding van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar.
De aanleg- en exploitatiefase zijn worstcase in dezelfde berekening meegenomen. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. De stikstofberekening en de bijbehorende memo zijn opgenomen in bijlage 4. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
26/382
Het plangebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van enige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. In het kader van dit plan is een ecologische quickscan uitgevoerd om na te gaan of er maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van beschermde soorten (bijlage 5). Ecologische Quickscan Ten behoeve van de soortenbescherming is een ecologische quickscan uitgevoerd welke is opgenomen in bijlage 5. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van de ecologische quickscan wordt nader onderzoek geadviseerd om de aanwezigheid van de waterspitsmuis, heikikker, de grote modderkruiper en jaarrond beschermde nesten in het plangebied te onderzoeken. Het is mogelijk dat deze soorten in het plangebied voorkomen.
Voor deze soorten dient daarom nader onderzoek plaats te vinden of mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Daarnaast moet er mogelijk een ontheffing worden aangevraagd. In het plangebied zijn twee boomholtes geschikt voor vleermuizen aangetroffen. Voor de realisatie van de woningen zullen de bomen met de holtes worden gekapt. Er is daarom ook nader onderzoek nodig naar vleermuizen. In de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met algemene broedvogels om overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen. Dit kan door te werken buiten het broedseizoen. Een andere oplossing is de werkzaamheden uitvoeren onder begeleiding van een ecoloog. Voor andere beschermde soorten dan hierboven beschreven heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Algemene zorgplicht Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. Die zorgplicht houdt in dat u de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
Conclusie Er is nader onderzoek nodig om uit te sluiten of beschermde soorten in het plangebied worden gehinderd en om te bepalen of er eventueel mititgerende maatregelen nodig zijn. In het ontwerp bestemmingsplan wordt het resultaaat van deze onderzoeken verwerkt. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden.
27/382
4.4
Water
Toetsingskader Een belangrijke verplichting voor alle ruimtelijke plannen en projecten is de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap (kenmerk: 00010587). Uit de watertoets blijkt dat de normale procedure van toepassing is op het plan (zie bijlage 6). In het kader van het wettelijk vooroverleg zal er overleg plaatsvinden met het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip zal ook bij de verdere uitwerking van het plan worden betrokken. Onderstaand zijn de resultaten van de digitale watertoets uitgewerkt. Toetsing Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard.
Omdat de planlocatie op dit moment grasland is zonder bebouwing wordt uitgegaan van de normen voor het landelijk gebied. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteert het Wetterskip de volgende compensatienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10% Voor de woningbouwontwikkeling De Bosk fase II zal de toename aan verharding door het graven van oppervlakte water worden gecompenseerd. De verharding zal met ongeveer 7.695 m² toenemen. Dit betekent dat er 769,5 m² compensatie moet worden gerealiseerd voor de nieuwe verharde oppervlakte. Aan de zuidoostzijde van het plangebied is de bestemming 'Water' aangewezen voor de realisatie van extra oppervlaktewater. Voor de watervergunning zal dit in overleg met het Wetterskip verder worden uitgewerkt. Dempen en graven van oppervlaktewater Voor het dempen van oppervlaktewater is het beleid van Wetterskip Fryslân dat dit voor 100% gecompenseerd moet worden in hetzelfde peilgebied. Er wordt 140 m² aan watergangen gedempt. Dit zal gecompenseerd worden door de realisatie van nieuw oppervlaktewater aan de zuidoostzijde van het plangebied.
Door de omvang van de planlocatie is er genoeg ruimte om ook oppervlaktewater te compenseren. Conclusie
28/382
De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.5
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Toetsing Om eventuele belemmeringen in te schatten is het bodemloket geraadpleegd (figuur 4.1). Bij het bodemloket is geen informatie over deze locatie beschikbaar met betrekking tot bodemonderzoek en/of sanering.
Omdat het voorgenomen plangebied wordt gebruikt als grasland worden er geen belemmering op het gebied van bodem verwacht. Om aan te tonen dat de locatie geschikt is voor de beoogde woonfunctie is een bodem- en wateronderzoek uitgevoerd.
Figuur 4.2 Bodeminformatie plangebied (Bron: bodemloket.nl)
29/382
Bodemonderzoek WMR Rinsumageast heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 en NEN 5740/A1. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Door de onderzoeksresultaten kan bepaald worden of de milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de voorgenomen nieuwbouwplannen. Op basis van het vooronderzoek is op 10 februari 2023 veldwerk uitgevoerd. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn voor barium, cadmium, koper, nikkel, zink en tetrachlooretheen licht tot matig verhoogde concentraties gemeten. Van zware metalen is het bekend dat deze in (sterk) verhoogde concentraties in het grondwater voor kunnen komen zonder dat voor deze metalen verhoogde gehalten in de grond worden gemeten of er een andere directe verontreinigingsbron aanwezig is (verspreiding vanuit de omgeving). De gemeten concentraties aan de diverse zware metalen hebben vermoedelijk dan ook een natuurlijke oorzaak. De gemeten concentraties zijn daarnaast dusdanig (alleen overschrijding van de streefwaarde) dat een aanvullend onderzoek naar deze parameters niet noodzakelijk is. De oorzaak van de licht verhoogde concentratie aan tetrachlooretheen in het grondwater is onbekend.
De gemeten concentratie is echter dusdanig (alleen overschrijding van de streefwaarde) dat aanvullend onderzoek naar deze parameter niet noodzakelijk is. Na indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) valt de grond binnen bodemkwaliteitsklasse 'altijd toepasbaar'. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zijn geen veiligheidsklassen van toepassing. Conform de CROW 400 dienen de werkzaamheden waarbij geen veiligheidsklasse van toepassing is, te worden uitgevoerd onder het minimale niveau van risicobeheersing (basishygiëne maatregelen en basiskennis). In bijlage 7 is het complete onderzoeksrapport te vinden. Waterbodemonderzoek WMR Rinsumageast heeft een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5717:2017 en NEN 5740:2017. De Aanleiding van het verkennend waterbodemonderzoek is het voornemen om meerdere sloten te dempen. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem. Op basis van het vooronderzoek zijn er geen aanwijzingen voor het vermoeden van een waterbodemverontreiniging en zijn geen separate deelgebieden onderscheiden. De locaties kunnen als onverdacht beschouwd worden. Vervolgens is op 9 februari veldwerk uitgevoerd (bijlage 8) . Ter plaatse zijn drie onderzoeksvakken (totale lengte circa 310 m) te onderscheiden. Van twee vakken zijn tien steekboringen van het slib genomen.
Van één vak zijn zes grondboringen genomen. Het opgeboorde materiaal van elke boring is beoordeeld op het voorkomen van verontreinigingen en bodemvreemde materialen. Hierbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. Op basis van de gemeten gehalten zijn er ons inziens geen bezwaren om de sloten te dempen met gebiedseigen grond.
30/382
Conclusie Door middel van het uitgevoerde bodem- en waterbodemonderzoek is de kwaliteit van eventueel vrijkomende materialen ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwbouw of het dempen van de sloten op de onderzoekslocatie in voldoende mate in beeld gebracht. Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Archeologie
Toetsingskader Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In de provincie Friesland wordt gebruik gemaakt van de archeologische kaart FAMKE. FAMKE staat voor Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.). Toetsing Volgens de kaart ijzertijd-middeleeuwen van FAMKE geldt voor het plangebied karterend onderzoek 3. In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen.
Het gaat hier dan met name om vroeg en vol-middeleeuwse veenontginningen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan eventuele Romeinse sporen en/of vroeg-middeleeuwse ontginningen. Op de kaart steentijd-bronstijd van FAMKE wordt aangegeven dat voor het plangebied een archeologische quickscan moet worden uitgevoerd. Het vermoeden is dat eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn, maar dit is niet met zekerheid te zeggen. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een quickscan te verrichten. Ten behoeve van het bestemmingsplan Feanwâlden - De Bosk (2014) is in 2007 een archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 9). Het gedeelte van de tweede fase van De Bosk was hier ook in opgenomen. Tijdens dit onderzoek is gebleken dat het oorspronkelijk aanwezige podzolprofiel niet meer gaaf is. De bodem is door ploegen grotendeels verstoord. Zelfs de graspercelen zijn verstoord. Een zandrug in het zuidoosten is eveneens verploegd. In de boringen noch in de geploegde oppervlakte van de akkerpercelen zijn eenduidige archeologische indicatoren aangetroffen. De kans op onverstoorde archeologische grondsporen is klein en archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom niet geadviseerd.