CConstaterende datDantumadiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Driezum [hernieuwde vaststelling, 21-05-2025]

Raadsvergadering (Dantumadiel) 24 juni 2025, gemeente DantumadielBij agendapunt: Herstel bestemmingsplan Driezum26.180 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

32

bestemmingsplan Driezum

Omdat dit bestemmingsplan actualiserend en conserverend van aard is, worden bestaande ruimtelijke structuren als gevolg van dit bestemmingsplan niet ingrijpend gewijzigd. Cultuurhistorische waarden worden hierdoor niet aangetast. Dit bestemmingsplan mag uit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar worden geacht.

5.4

Bedrijven- en (milieu)hinder

Wet- en regelgeving Milieubelastende functies (zoals bedrijven) kunnen tot hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke op milieugevoelige functies (zoals woningen) in de directe omgeving leiden. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is het waarborgen van voldoende afstand tussen bedrijven en woningen dan ook noodzakelijk. Op basis van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt hiertoe een richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor de verschillende hinderaspecten minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen milieubelastende en milieugevoelige objecten om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootst aangegeven afstand is daarbij bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Systematiek bedrijven en milieuzonering In de VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten: 1.

2.

Rustige woonwijk dan wel rustig buitengebied: Functiescheiding wordt nagestreefd door de minimale richtafstanden te hanteren die in een lijst bij omgevingstype 1 zijn opgenomen, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie tot een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functie, te weten: Milieucategorie 1 met een minimale richtafstand van 10 meter; Milieucategorie 2 met een minimale richtafstand van 30 meter; Milieucategorie 3.1 met een minimale richtafstand van 50 meter; Milieucategorie 3.2 met een minimale richtafstand van 100 meter; Milieucategorie 4.1 met een minimale richtafstand van 200 meter; Milieucategorie 4.2 met een minimale richtafstand van 300 meter. Gemengd gebied: Bij de aanwezigheid en het naast elkaar samengaan van uiteenlopende hinderveroorzakende en hindergevoelige functies is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot de rustige woongebieden van omgevingstype 1 zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieugevoelige objecten mogelijk. Hiertoe bestaat de methode dat de bij functiescheiding op grond van de VNG-publicatie aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.).

Een ander methode is om te werken met een categorie-indeling waarbij voorwaarden voor de inpassing zijn gegeven, te weten a. Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. b. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. c. Categorie C: Activiteiten zoals genoemd bij categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

Onderzoek Bij recht is nieuwvestiging van hinderveroorzakende functies op andere dan de bestaande en als zodanig aangeduide dan wel bestemde locaties binnen het voorliggende bestemmingsplan niet mogelijk. In gevallen van zowel uitbreiding als in gevallen van nieuwvestiging zal bij de verstrekking van omgevingsvergunning milieu of bij het instemmen met meldingen van geval tot geval een beoordeling plaatsvinden van de

33

bestemmingsplan Driezum

gevolgen voor de directe omgeving. In een aantal gevallen is aan een woonperceel de aanduiding 'bedrijf' toegevoegd. Het betreft hier gevallen waarbij de woonfunctie ruimtelijk duidelijk de hoofdfunctie is en de bestaande bedrijfsactiviteiten hieraan ondergeschikt zijn. In deze gevallen ontstaat geen hinder tot de omliggende percelen. H.G. van der Veenstrjitte 22 De werkplaats ten behoeve van het keuken- en interieurbouwbedrijf is niet letterlijk opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Omdat het gaat om houtbewerking is bij de beoordeling aangesloten bij de afstanden die genoemd worden voor 'timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout' (SBI-2008 203, 204, 205) behorend tot categorie 3.2. Hiervoor geldt op basis van functiescheiding een grootste richtafstand van 100 m met betrekking tot geluid en 30 meter voor stof. Het gebied rondom de H.G. van der Veenstrjitte 22 wordt gekenmerkt als gemengd gebied, in de directe omgeving zijn bedrijven, agrarische gronden en woningen gelegen. Zoals hierboven beschreven kan in een gemengd gebied de minimale richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. Als gevolg hiervan gelden de volgende afstanden; 30 meter voor stof en 50 meter voor geluid. De afstand van de gevels van de bedrijfsloods ligt op een afstand van minimaal 50 meter van de gevel van de woning aan de H.G. van der Veenstrjitte 20.

In de huidige situatie bevindt de loods waarin de werkzaamheden nu plaatsvinden zich op een afstand van 20 meter tot de woning aan de H.G. van der Veenstrjitte 20. Hoewel er sprake is van een uitbreiding van de oppervlakte van de loods op de nieuwe locatie, zal het woon- en leefklimaat in de woning aan de H.G. van der Veenstrjitte 20 verbeteren nu de bestaande loods gebruikt zal worden als bijgebouw bij de woning en niet langer voor de bedrijfsactiviteiten. Kolkensloane 2 en 4 Het bedrijf aan de Kolkensloane 2 en 4 is een installatiebedrijf, dit bedrijf kan het beste ingedeeld worden in de categorie Bouwnijverheid: Aannemersbedrijven met werkplaats b.o > 1000 m2 (SBI 2008 – 41,42,43) met bijbehorende milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid, 30 meter voor stof en 10 meter voor geur. Ook hier kan het gebied aangemerkt worden als gemengd gebied, wonen en diverse bedrijven zijn in de directe omgeving van elkaar gelegen. Zoals hierboven beschreven kan in een gemengd gebied de minimale afstand met één afstandsstap worden verkleind. Als gevolg hiervan gelden de volgende afstanden; 30 meter voor geluid, 10 meter voor stof en 0 meter voor geur. Met het planvoornemen wordt een opslagruimte voor materialen en een parkeerterrein voor bezoekers en personeel gerealiseerd.

Met de vergroting van het bouwvlak is beoogd dat ruimte ontstaat voor de realisatie van een opslagruimte voor de materialen die nu op het perceel buiten de bebouwing zijn opgeslagen. Qua uitstraling van de bedrijvigheid vindt een positieve verandering plaats. Hoewel het bouwvlak hier verandert wijzigt de afstand tussen de bedrijvigheid en naastgelegen woningen niet. Wat betreft het parkeren, dit wordt mogelijk gemaakt op agrarische grond grenzend aan de noordzijde van de bedrijvigheid. In de huidige situatie wordt met name in de bermen langs de Kolkensloane geparkeerd. Een ruimtelijke en verkeerskundige onwenselijke situatie. Het nieuwe parkeerterrein bevindt zicht op ruim 70 m tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning aan de Kolkensloane. Het parkeerterrein wordt tevens ingepast met een grondwal. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot hinder vanwege de bedrijvigheid. Kolkensloane tussen 1a en 1b De beoogde bedrijvigheid tussen Kolkensloane 1a en 1b kan het beste beschouwd worden als overige zakelijk dienstverlening: kantoren (SBI 2008 - 63, 69 t/m 71, 73,74, 77, 78 en 80 t/m 82) met bijbehorende milieucategorie 1. Het betreft hier namelijk lichte bedrijvigheid in de vorm van een kenniscentrum met kantoren. Het kenniscentrum kan als showroom beschouwd worden.

Het gebied aangemerkt worden als gemengd gebied, wonen en diverse bedrijven zijn in de directe omgeving van elkaar gelegen. Zoals hierboven beschreven kan in een gemengd gebied de minimale afstand met één afstandsstap worden verkleind. Als gevolg hiervan gelden de volgende afstanden; 0 meter voor geluid, 0 meter voor stof en 0

34

bestemmingsplan Driezum

meter voor geur. In dit geval dienen de functies bouwkundig van elkaar gescheiden te zijn. Ten noorden van de bedrijvigheid bevindt zich een burgerwoning. De afstand van de bedrijvigheid (bestemmingsgrens) tot de gevel van de woning bedraagt circa 30 meter. Ten zuiden van de bedrijvigheid bevinden zich eveneens diverse woningen waaronder bedrijfswoningen. De afstand van de gevel van deze woningen tot de bedrijvigheid bedraagt minstens 10 meter. Verwacht mag worden dat de ontwikkeling niet leidt tot hinder vanwege de bedrijvigheid. Conclusie Met dit bestemmingsplan worden twee nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt die voldoen aan geldende criteria omtrent minimale richtafstanden ten opzichte van hindergevoelige objecten. Daarnaast kan worden gesteld dat bestaande bedrijven en voorzieningen in het plangebied in hun huidige omvang en op grond van de huidige bedrijfsvoering (en bijbehorende omgevingsvergunning milieu) acceptabel zijn. Er zijn dan ook geen belemmeringen in het kader van hinder van en voor bedrijven en voorzieningen te verwachten. Het bestemmingsplan mag uitvoerbaar worden geacht.

5.5

Waterparagraaf

Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6 Bro moet in een zogenoemde waterparagraaf worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van een ruimtelijk plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. De watertoets heeft ten doel waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze te beschouwen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt aandacht besteed aan het wateraspect. Voor het uitvoeren van de watertoets is het beleid van het Wetterskip Fryslân van belang. Dit beleid is neergelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) 'En wat doen we morgen met water?' en het waterhuishoudingsplan (WHP4) 'In feilige provinsje mei genôch en skjin Wetter, foar no en foar letter'. Beide waterplannen houden rekening met de nieuwe Waterwet. De Waterwet, die per 22 december 2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van waterwetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het tweede NWP is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro, en is opgesteld voor een planperiode van 2016-2021.

Met de inwerkingtreding van de Waterwet is tevens de Watervergunning van kracht geworden. Watervergunning van Wetterskip Fryslân als waterbeheerder is nodig voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen en wegen in het beheer van Wetterskip Fryslân, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater. Onderzoek/Wateradvies Vooropgesteld dient te worden dat dit bestemmingsplan, behalve de twee ontwikkelingen, een conserverend plan is. Dit bestemmingsplan legt enkel de huidige planologisch-juridisch toegelaten situatie in het plangebied opnieuw vast. De gevolgen van dit bestemmingsplan op de waterhuishouding zullen dan ook gering zijn. Het aanbrengen van veranderingen in het heersende watersysteem wordt met dit bestemmingsplan niet beoogd; uitgangspunt is de bestaande aan- en afvoer van regen- en afvalwater te handhaven. Bij concrete ontwikkelingen en het gebruik maken van de mogelijkheden om binnen- en buitenplans af te wijken van het bestemmingsplan dient wateradvies bij Wetterskip Fryslân te worden aangevraagd. Voor de twee ontwikkelingen aan de H.G. van der Veenstrjitte en de Kolkensloane is een digitale watertoets doorlopen. Uit de adviezen komt naar voren dat de korte procedure gevolgd kan worden. Beide ontwikkelingen hebben een beperkte invloed op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen.

Deze beperkte invloed kan op worden gevangen met standaard maatregelen die vermeld staan in

35

bestemmingsplan Driezum

de Leidraad watertoets. In de bijlage bij het bestemmingsplan zijn beide wateradviezen opgenomen (zie Bijlage 4 en Bijlage 5). Ook voor de derde ontwikkeling tussen de Kolkensloane 1a en 1b is een digitale watertoets doorlopen. Het advies is opgenomen in Bijlage 6. Hieruit komt naar voren dat een normale procedure gevolgd kan worden. Met het voornemen wordt de zuidelijke greppel op het perceel (30 m2 ) gedempt en wordt ten noorden van het perceel een nieuwe sloot gegraven van 120 m2 . Hiermee is voldaan aan de benodigde compensatie vanwege de toename aan verharding op het perceel. Dit bestemmingsplan is aan het Wetterskip voorgelegd in het kader van het reguliere overleg van de bestemmingsplanprocedure. Conclusie De gemeente volgt de wettelijk gestelde eisen die door Wetterskip Fryslân aan het wateraspect in het plangebied worden gesteld. Er bestaan voor het aspect water geen belemmeringen ten aanzien van dit bestemmingsplan.

5.6

Bodem

Wet- en regelgeving In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem inzicht moet worden verkregen in de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan. Het gaat daarbij onder meer om de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel worden voorkomen. Op de bodeminformatiekaart van Rijkswaterstaat (het zogeheten Bodemloket) is zoveel mogelijk informatie verzameld over de kwaliteit van de bodem. Het bodemloket biedt informatie over bodemonderzoeken en -saneringen die zijn uitgevoerd. Ook is er informatie opgenomen over bedrijven of terreinen waar 'verdachte' werkzaamheden hebben plaatsgevonden die mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt en waar mogelijk bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Ook voor onverdachte terreinen geldt overigens dat bodemverontreiniging kan worden aangetroffen, omdat altijd activiteiten kunnen hebben plaatsgevonden die tot verontreiniging van de bodem hebben geleid en die thans niet bekend zijn.

Onderzoek Uit de informatie van het bodemloket blijkt dat in het plangebied op verschillende locaties bodemonderzoek is uitgevoerd waar geen vervolg (onderzoek of sanering) voor nodig is geweest. Op een enkele locatie is bodemonderzoek uitgevoerd waar verder onderzoek nog noodzakelijk kan zijn. Saneringslocaties komen in het plangebied niet voor. Wel is van verschillende locaties bekend dat er in het verleden activiteiten zijn verricht die tot een verontreiniging van de bodem kunnen hebben geleid. In het kader van in de toekomst uit te voeren projecten binnen de regels van dit bestemmingsplan zal daar waar nodig nader onderzoek moeten worden verricht. In de voorbereiding- en uitvoeringsfase moet daarom rekening worden gehouden met verkennend of actualiserend bodemonderzoek en het werken in en het afvoeren van licht tot sterk verontreinigde grond. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt hierdoor echter op voorhand niet door onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit van de bodem belemmerd. Om er bij ruimtelijke ontwikkelingen voldoende zeker van te zijn dat er geen sprake is van bodemverontreiniging, is het in het kader van het traject van een omgevingsvergunning voor het bouwen noodzakelijk dat er een vooronderzoek uitgevoerd wordt, conform de NEN 5725.

Als uit de resultaten van het vooronderzoek geen zaken naar voren komen die een verdenking van bodemverontreiniging veroorzaken, kan worden volstaan met een dergelijk vooronderzoek. Als er wel verdenkingen van

36

bestemmingsplan Driezum

bodemverontreiniging zijn, dan dient een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Dergelijk onderzoek dient voorafgaand aan bouw- en graafwerkzaamheden plaats te vinden. Het uitvoeren van het vooronderzoek, en indien noodzakelijk een verkennend bodemonderzoek, is een voorwaarde waaraan voldaan moet worden voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen in werking kan treden. H.G. van der Veenstrjitte 22 Ten aanzien van de aanwezige bodemkwaliteit is de kaart van het Bodemloket geraadpleegd. Voor het plangebied aan de H.G. van der Veenstrjitte is geen informatie bij het Bodemloket bekend. Het is dan ook niet uit te sluiten dat de ondergrond schoon is. Aanvullend bodemonderzoek is uitgevoerd om de bodeminformatie van het perceel te achterhalen. Op basis van het rapport, nummer 170912, opgesteld op 8 november 2017, uitgevoerd door Enviso Ingenieursbureau te Drachten (zie Bijlage 7), kan worden geconcludeerd dat er, ondanks het feit dat enkele stoffen in de boven- en ondergrond de achtergrondwaarde overschreden, in de bodem en in het grondwater geen dusdanige verhogingen van de parameters aanwezig zijn die een belemmering zouden kunnen vormen voor de huidige bestemming en het gebruik van het perceel. Met het planvoornemen is dan ook geen sprake van bouwen op verontreinigde grond.

Voor verwerking van meer dan 50 m3 uitkomende grond anders dan binnen de bouwlocatie, de eigenaar van de ontvangende grond dient vooraf een melding te doen van de locatie waar de grond toegepast gaat worden. Kolkensloane 2 en 4 De kaart van het Bodemloket geeft voor de Kolkensloane 2 en 4 weer dat ter plaatse van de nieuw te bouwen loods de bodem voldoende onderzocht/gesaneerd is. Voor de locatie van het parkeerterrein geldt dat geen bodeminformatie bekend is. Op deze locatie zijn geen grote vergravingen of functies aanwezig die bodemonderzoek verlangen. Aanvullend onderzoek is dan ook niet nodig, de ontwikkelingen worden dan ook niet door onvoldoende milieuhygiënische bodemkwaliteit belemmerd. Kolkensloane tussen 1a en 1b De kaart van het Bodemloket geeft voor het perceel tussen Kolkensloane 1a en 1b geen bodeminformatie weer. Dat wil zeggen dat geen bodemvervuilingen voor het perceel bekend zijn of geen onderzoeken hebben plaatsgevonden waaruit blijkt wat de bodemkwaliteit ter plaatse is. Met het voornemen zullen in de toekomst voortdurend of nagenoeg voortdurend (langer dan 2 uur per dag) mensen op het perceel verblijven. Wanneer hier sprake van is, is vanuit het Besluit Bodemkwaliteit is een bodemonderzoek noodzakelijk om de aanwezige bodemkwaliteit in beeld te brengen. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt het benodigde bodemonderzoek uitgevoerd.

Vanwege het huidige gebruik en de informatie van het Bodemloket mag verwacht worden dat dit geen belemmeringen geeft voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Conclusie Voorliggend plan is zoals reeds genoemd is, grotendeels, een conserverend en actualiserend plan. Naast reeds toegelaten reguliere perceelsgebonden bouwmogelijkheden worden er geen nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied mogelijk gemaakt. Geconcludeerd kan worden dat de status quo met betrekking tot bodemverontreiniging in het plangebied acceptabel is. De aanwezigheid van (potentieel) vervuilde locaties vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.7

Geluidhinder

Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet

37

bestemmingsplan Driezum

bepaalde norm. In veel gevallen is deze norm 48 dB, die als voorkeurs-grenswaarde wordt aangeduid. In het plangebied is geen sprake van industrie- of spoorweglawaai. Derhalve is enkel nader op wegverkeerslawaai ingegaan. Wegverkeerslawaai In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, behoudens wegen die binnen een als woonerf aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Wanneer binnen een geluidzone nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. Onderzoek Met voorliggend bestemmingsplan wordt bij recht niet voorzien in het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten. Ook de twee nieuwe ontwikkelingen zijn geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Uitsluitend de bestaande situatie in het plangebied wordt planologisch-juridisch vastgelegd. Ook vinden vanwege dit bestemmingsplan geen ingrijpende wijzigingen in de verkeersinfrastructuur plaats waardoor verkeersstromen in belangrijke mate zullen veranderen ten nadele van geluidgevoelige objecten in de omgeving. Akoestisch onderzoek is voor dit bestemmingsplan dan ook niet van toepassing. Conclusie De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd door geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai.

5.8

Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving Op 1 maart 1993 is de Wet milieubeheer (Wm) in werking getreden. Onder andere de Europese regelgeving voor de luchtkwaliteit is met de inwerkingtreding van de wijziging van de Wm (onderdeel luchtkwaliteitseisen) op 15 november 2007 in de Nederlandse wet- en regelgeving verwerkt. Uitgangspunt van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Hierin is bepaald wanneer en hoe overschrijdingen van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit moeten worden behandeld. Het NSL werd op 1 augustus 2009 van kracht, met een looptijd tot 1 augustus 2014. Vervolgens is het NSL verlengd tot en met 31 december 2014. Daarna is het NSL vore een tweede keer verlengd tot en met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de ruimtelijke ordeningspraktijk zijn vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM10 ) van belang. De grenswaarden zijn als volgt: Tabel 3. Grenswaarden luchtkwaliteit

Stof Stikstofdioxide (NO2 )

Fijn stof (PM10 )

Toetsing van

Grenswaarde

Geldig vanaf

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

2015

Uurgemiddelde concentratie maximaal 18 keer per jaar

200 µg/m3

2015

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

2005

24-uurgemiddelde concentratie maximaal 35 keer per jaar

50 µg/m3

2011

De wet is enerzijds gericht op het voorkomen van negatieve effecten voor de volksgezondheid. Anderzijds biedt de wet mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. Om de bovenstaande doelen te behalen voorziet de Wm in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het NSL. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele

38

bestemmingsplan Driezum

koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen op grond van de Wm geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling indien: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In het Besluit en de Regeling Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is exact vastgelegd welke typen projecten 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging. Projecten met een invloed van 'niet in betekende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. De Nibm-grens is gelijk aan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 en komt overeen met een bijdrage van 1,2 µg/m3 . Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is d.d. 30-03-2015 sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 1.283 voertuigbewegingen van personenwagens of 87 voertuigbewegingen van vrachtverkeer per weekdagetmaal leidt. Onderzoek Dit bestemmingsplan is, grotendeels, actualiserend en conserverend van aard. Nieuwe grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen worden met dit bestemmingsplan niet voorzien.

Daarom is voor dit bestemmingsplan geen toename van verkeersstromen te verwachten en is er geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit bestemmingsplan kan daarom worden beschouwd als 'niet in betekende mate' van invloed op de luchtkwaliteit. Conclusie Dit bestemmingsplan wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.

5.9

Overig

5.9.1

(vormvrije) m.e.r.-beoordeling

De m.e.r.-beoordeling houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben. De grondslag hiervoor is enerzijds het Besluit m.e.r. en anderzijds de hiervoor beschreven milieuonderzoeken. Omdat met dit bestemmingsplan slechts twee nieuwe ruimtelijke ingrepen worden voorzien (anders dan die reeds planologisch-juridisch al waren toegelaten), worden geen drempelwaarden uit bijlage D van het Besluit m.e.r. overschreden. Op basis van het onderzoek betreffende omgevingsaspecten worden verder ook geen onaanvaardbare milieueffecten als gevolg van dit bestemmingsplan verwacht. Er is dan ook geen noodzaak of aanleiding voor een (vervolg)onderzoek in het kader van het Besluit m.e.r. 5.9.2

Kabels en leidingen

In het plangebied is sprake van nutsinfrastructuur zijnde de gebruikelijke huisaansluitingen betreffende gas, water, elektriciteit, kabel en/of telecom. Dergelijke perceelsgebonden verbindingen van kabels en leidingen zijn van ondergeschikt belang en hoeven geen specifieke regeling, want ze zijn reeds in de diverse bestemmingen begrepen.

39

bestemmingsplan Driezum

5.9.3

Duurzaamheid

Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema's: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid, materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Bestemmingsplannen kunnen echter beperkt worden gehanteerd om duurzame energieaspecten te regelen. Voor eventuele ambitieuze duurzame energiedoelstellingen dienen dan ook extra instrumenten, zoals privaatrechtelijke overeenkomsten, ingezet te worden. Er is bij bewoners en ondernemers in de gemeente Dantumadiel vraag naar het mogen plaatsen c.q. realiseren van zonnepanelen. Het opwekken van zonne-energie is een ontwikkeling die in en rond de dorpen te verwachten is. In het provinciale beleid (Verordening Romte) wordt deze ontwikkeling zowel individueel bij woningen, als projectmatig, in de vorm van zonneweiden, voor mogelijk gehouden.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet dan ook in een afwijkingsmogelijkheid en een wijzigingsbevoegdheid. Afwijkingsmogelijkheid bij (bedrijfs-)woningen De plaatsing van zonnecollectoren en fotovoltaïsche cellen op daken in het plangebied is gewoon mogelijk binnen de regels van dit bestemmingsplan. Aanvullend is een regeling opgenomen die voorziet in het toestaan van kleinschalige duurzame energievoorzieningen bij (bedrijfs-)woningen. Het gaat dan om voorzieningen direct op en aansluitend aan het erf (bouwperceel) waarop (bedrijfs-)woningen zijn toegestaan. Wel is het nodig om hiervoor een ruimtelijke procedure van het afwijken van het bestemmingsplan te doorlopen. Het betreft hier de reguliere afwijkingsprocedure met een doorlooptijd van 8 weken. Op deze wijze is gewaarborgd dat aan een aantal voorwaarden is voldaan, voordat zonnepanelen worden geplaatst op een bouwperceel van de (bedrijfs-)woning of op een aansluitend perceel. Het uitgangspunt van de afwijkingsmogelijkheid is dat ruimte wordt geboden voor het opwekken van energie voor de eigen behoefte. De afwijkingsmogelijkheid is dan ook in oppervlakte begrenst. Wijzigingsbevoegdheid Daarnaast is er een aparte regeling opgenomen voor het realiseren van zogenoemde zonneparken, zonnepanelen die niet alleen voorzien in het opwekken van energie voor de eigen behoefte. Hierbij moet een andere afweging worden gemaakt.

Deze mogelijkheid is in het bestemmingsplan dan ook opgenomen als wijzigingsbevoegdheid en ziet op meerdere bestemmingen. De gestelde voorwaarden sluiten zoveel mogelijk aan op het provinciale beleid, namelijk 'Romte foar Sinne' van 18 februari 2015.

40

bestemmingsplan Driezum

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. SVBP2012 De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.

6.2

Opbouw van de regels

De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud. Standaard hoofdstukindeling De hoofdstukindeling van de regels is op een standaardwijze opgesteld. In navolgende is per hoofdstuk een toelichting hierop gegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In artikel 1 van de regels worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Artikel 2: Wijze van meten De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, is opgenomen in artikel 2. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De bestemmingsregels in hoofdstuk 2 hebben betrekking op de in het bestemmingsplan gehanteerde enkel- en dubbelbestemmingen en zijn artikelsgewijs in de regels opgenomen. De verbeelding van het bestemmingsplan geeft aan waar de gehanteerde bestemmingen van toepassing zijn. Daarbij kan sprake zijn van verschillende soorten aanduidingen (gebieds-, functie-, bouw- en maatvoeringaanduidingen) waarmee een bepaald gebruik en het daarvoor bouwen nader wordt geregeld.

De regels kunnen per bestemming achtereenvolgens bestaan uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming. Bouwregels

41

bestemmingsplan Driezum

In de bouwregels is aangegeven of en hoe er in een bepaalde bestemming gebouwd mag worden. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt in het bouwen van hoofdgebouwen en aan-, uit- en bijgebouwen en overkappingen. Dit onderscheid is vooral zichtbaar in de diverse woonbestemmingen. De maatvoering voor hoofdgebouwen is veelal in de regels vastgelegd dan wel op de verbeelding met een aanduiding aangegeven. Door middel van bouwvlakken is de locatie van hoofdgebouwen in het plangebied vastgelegd. De begrenzing van de bouwvlakken is bepaald aan de hand van het globaal na te streven ruimtelijk (stedenbouwkundig) beeld en uitbreidingsmogelijkheden die nog worden geboden. Naast hoofdgebouwen zijn veelal buiten het bouwvlak aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan. Deze zullen door situering, oppervlakte en maatvoering ondergeschikt moeten blijven aan de hoofdbebouwing op het perceel. De toegelaten hoogte van erf- en terreinafscheidingen is tevens in de regels opgenomen, voor zover dat in bepaalde bestemmingen is toegestaan. Nadere eisen Met het opnemen van nadere eisen kan het bevoegd gezag aanvullende voorwaarden stellen aan de plaats en de afmetingen van bebouwing.

Dit met het oog op onder meer het voorkomen van een onevenredige aantasting van een goede woonsituatie, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de verkeersveiligheid of de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Voor water wordt ook gekeken naar de goede waterhuishouding. Afwijken van de bouwregels Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming. Specifieke gebruiksregels Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend. Afwijken van de gebruiksregels In voorkomende gevallen kan door het bevoegd gezag onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen worden afgeweken van de gebruiksregels, zoals die eerder zijn genoemd. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Hiermee wordt geregeld dat met omgevingsvergunning toestemming dient te worden gekregen om bepaalde werkzaamheden in gebieden met een onderkende waarde (uit bijvoorbeeld landschappelijk of cultuurhistorisch oogpunt) uit te voeren. Het kan hierbij zoal om het dempen of graven van sloten, het aanleggen van verhardingen of het aanplanten van bomen gaan.

Wijzigingsbevoegdheid Met een wijzigingsbevoegdheid bestaat de mogelijkheid voor burgemeester en wethouders om gronden te wijzigen in een andere bestemming. Hoofdstuk 3: Algemene regels Algemene regels gelden doorgaans voor het gehele bestemmingsplan en staan min of meer los van de specifieke bestemmingsregels en worden om die reden in een apart hoofdstuk opgenomen. Artikel 16: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.

42

bestemmingsplan Driezum

Artikel 17: Algemene bouwregels In de algemene bouwregels staat voor het gehele plan geregeld dat afwijkende maatvoeringen passen binnen de kaders van het bestemmingsplan, mits het een vergunde situatie betreft. Artikel 18: Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is opgenomen welk gebruik in elk geval geen onderdeel uitmaakt van de bestemmingen in het plangebied. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat hier geen sprake is van een uitputtende opsomming. Artikel 19: Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde voorzieningen te kunnen realiseren. Artikel 20: Algemene wijzigingsregels Vergroten bouwvlak woonbestemming De eerste wijzigingsbevoegdheid ziet op het vergroten van een bouwvlak binnen de woonbestemming. Dit ten behoeve van het vergroten van een hoofdgebouw. Als het noodzakelijk is, kan ook de bestemming 'Tuin' worden gewijzigd in de woonbestemming. Sletten Romte belied De wijzigingsbevoegdheid 'wetgevingszone – sletten romte belied' heeft betrekking op de bouw woningen op individuele kavels, op basis van het 'sletten romte belied'. Per wijzigingsgebied mag ten hoogste één woning worden gerealiseerd, indien voldaan wordt aan de in artikel 20 onder b genoemde voorwaarden.

wetgevingszone – wijzigingsgebied De wetgevingzone is opgenomen voor de voormalige school. Gezien de ruimtelijke omgeving is aan de school een woonbestemming gegeven. Ook wordt de mogelijkheid geboden om bedrijvigheid toe te staan. Hiervoor zal een ruimtelijke afweging gemaakt moeten worden, zodat een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen. De wijzigingsbevoegdheid is voorzien van een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden. Archeologie Tot slot is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' mocht onderzoek daartoe aanleiding geven. Artikel 21: Overige regels In de overige regels is de koppeling tussen het bestemmingsplan en de gemeentelijke welstandnota opgenomen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 22 en 23: Overgangsrecht en slotregels Overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht en de SVBP2012 zijn de overgangs- en slotregels in de afsluitende artikelen van de regels opgenomen.

6.3

Toelichting op de bestemmingen

Agrarisch (art. 3) Agrarische bedrijven zijn opgenomen in de bestemming 'Agrarisch'. In de bestemming is grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan.

43

bestemmingsplan Driezum

Bepaalde ontwikkelingen zijn pas toegestaan als daarvoor een omgevingsvergunning is verstrekt op basis van de afwijkingsmogelijkheden in het plan. Afwijkingsmogelijkheden maken beperkte ontwikkelingen mogelijk, die de gemeente op voorhand passend vindt binnen de bestemming. Voordat een omgevingsvergunning wordt verleend, moet wel voldaan zijn aan de gestelde voorwaarden. Grotere ontwikkelingen zijn opgenomen in een wijzigingsbevoegdheid. Een wijzigingsbevoegdheid is een bevoegdheid, medewerking door het bevoegd gezag is een keuze en geen recht. Veelal gaat het hier om een wijziging van de bestemming. Bedrijf (art. 4) In de bedrijfsbestemming is alle bedrijvigheid toegestaan, die is genoemd in de bij de regels behorende bijlage 2. Uiteraard is er ook bestaande bedrijvigheid gevestigd, die niet is genoemd. Deze bedrijven zijn toch toegestaan, omdat ze zijn opgenomen in bijlage 5 bij de regels. Bedrijfswoningen zijn voorzien van de aanduiding 'bedrijfswoning', zodat inzichtelijk is waar bestaande bedrijfswoningen aanwezig zijn. Gebouwen die zijn voorzien van de aanduiding 'karakteristiek' zijn uitsluitend in de bestaande bouwvorm toegestaan. Voor het slopen van dergelijke gebouwen is een sloopvergunning op basis van het bestemmingsplan nodig. Het bestaande tuincentrum is aangeduid met de aanduiding 'tc'. Bos (art. 5) Bospercelen zijn opgenomen in de bestemming 'Bos'.

Een bos heeft een openbaar toegankelijk karakter. Extensief dagrecreatief medegebruik is dan ook toegestaan. Op wat kleine bouwwerken na, mag er binnen de bestemming niet worden gebouwd. Groen (art. 6) Groene percelen in het dorp, alsook de speelterreinen en –voorzieningen zijn opgenomen in de bestemming 'Groen'. In deze bestemming is het openbare toegankelijke karakter van een perceel doorslaggevend. Maatschappelijk (art. 7) Maatschappelijke voorzieningen als kerken en begraafplaatsen zijn bestemd als 'Maatschappelijk'. Bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan. Als een voormalige bedrijfswoning wordt bewoond door een derde die geen relatie heeft met de functie, is de aanduiding 'wonen' opgenomen. Er is dan geen sprake van een bedrijfswoning meer, maar van een reguliere woning. Recreatie (art. 8) Sportterreinen en ijsbanen zijn opgenomen in de bestemming 'Recreatie'. Op één perceel is aan minicamping toegestaan, hiervoor is de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – minicamping' opgenomen. Tuin (art. 9) De tuinbestemming waarborgt dat er aan de voorzijde van woningen geen verrommeling kan ontstaan door de bouw van bouwwerken. De bestemming 'Tuin' is afgestemd op de definitie van 'erf' en 'achtererfgebied', opgenomen in bijlage II, artikel 1 Besluit omgevingsrecht. Op deze wijze wordt strijd met het omgevingsvrije bouwen zoveel mogelijk voorkomen.

44

bestemmingsplan Driezum

Verkeer (art. 10) Doorgaande wegen en paden, gericht op ontsluiting van het gebied, zijn bestemd voor 'Verkeer'. Alle overige woonstraten en paden zijn opgenomen in de bestemming 'Verkeer – Verblijf'. Verkeer – Verblijf (art. 11) Deze bestemming ziet op de reguliere woonstraten en paden in het dorp. In deze bestemming is een landschappelijk waardevol pad aanwezig. De inrichting van het pad is vastgelegd in het bestemmingsplan, zodat het bestaande landschappelijke karakter behouden blijft. Water (art. 12) Binnen deze bestemming valt het water dat aansluit op water in het buitengebied. Wonen (art. 13) Woningen, niet zijnde bedrijfswoningen, zijn opgenomen in de bestemming 'Wonen'. Bij een woning is een aan-huis-verbonden beroep toegestaan. Daarnaast komt een aantal bestaande functies in woningen voor. Deze functies zijn toegestaan, doordat de woningen zijn voorzien van een aanduiding. Voor het bepalen wat mag worden gebouwd moet worden gekeken naar de verbeelding in combinatie met de bouwregels. In het digitale bestemmingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl is de informatie gekoppeld beschikbaar. Wonen-1 (art. 14) De bestemming is een maatwerkbestemming voor het perceel Van Sytzamawei 37. De bestemming is gericht op woningen, al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep.

Het maatwerk is erin gelegen om de aanwezigheid van het huidige bedrijf ter plaatse te continueren, op basis van het eerder geldende juridisch-planologisch kader voor dit perceel (te weten het postzegelbestemmingsplan Van Sytzamawei 37 te Driezum, als vastgesteld op 25-09-2012 en vervolgens onherroepelijk is geworden). Wel zijn de mogelijkheden in verband met de tussenuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State voor het perceel bij hernieuwde vaststelling ingeperkt. Op de gronden met de aanduiding 'bedrijf' is alleen het aanwezige bedrijf toegelaten en is de omvang van de bedrijfsactiviteiten zowel op de verbeelding als in de regels (onder art. 14.6, sub j) gemaximeerd op niet meer dan 1.000 m2 bedrijfsoppervlakte, zodat gesproken kan worden van een kleinschalig aannemersbedrijf met werkplaats, niet hoger dan van milieucategorie 2 (SBI-code 41, 42, 43 nummer 3). De oppervlakte aan bebouwing voor de bedrijvigheid is gemaximeerd op 200 m2 . In de gebruiksvoorschriften is expliciet aangeven dat vrijstaande ondergeschikte gebouwen niet gebruikt mogen worden ten behoeve van bewoning, een aan-huis-verbonden beroep, winkel en bedrijfsruimten. Daarnaast is niet-permanente bewoning uitgesloten, evenals het gebruik van gebouwen ten behoeve van seksinrichtingen en koffiehuizen/coffeeshops. Waarde - Archeologie (art.

15) Op de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' mogen bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m2 slechts worden gebouwd, indien daar door het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning van afgeweken wordt. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad. Een vergelijkbare regeling is opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden met een

45

bestemmingsplan Driezum

oppervlakte van meer dan 50 m2 , met dien verstande dat hiervoor middels een omgevingsvergunning van mag worden afgeweken.

6.4

Overige aspecten

6.4.1

Additionele voorzieningen

In het bestemmingsplan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, verhardingen, bermen, geluidswerende voorzieningen, centrale installaties ten behoeve van de energievoorziening, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke bij de bestemming inbegrepen zonder dat dit uitdrukkelijk wordt vermeld. 6.4.2

Handhaving

Het bestemmingsplan geeft de gewenste planologische situatie voor het plangebied aan. Bestemmingsplannen zijn bindend voor de overheid en de burger. Enerzijds kan de overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen, anderzijds vormt het bestemmingsplan een juridisch kader voor burgers waaruit deze kan afleiden wat de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, op de in eigendom zijnde dan wel de naastgelegen buurpercelen, in de directe woon- en leefomgeving. 6.4.3

Parkeren in het bestemmingsplan

Op 29 november 2014 is de zogenaamde Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Deze wet regelt formeel dat de grondslag voor het opnemen van stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening komt te vervallen. Alle stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening moeten worden opgenomen in bestemmingsplannen. Plannen die vanaf de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK in procedure worden gebracht, moeten (mits de gemeente dit wenselijk acht) voorzien van een regeling voor de diverse stedenbouwkundige bepalingen. Op het gebied van de stedenbouwkundige bepalingen ten aanzien van het parkeren kiest de gemeente ervoor om geen regeling het bestemmingsplan op te nemen. Het plangebied betreft een ingericht gebied, waar vrijwel geen parkeerproblemen aan de orde zijn. Ontwikkelingen die door middel van een wijzigingsplan of een zelfstandige ruimtelijke procedure mogelijk zijn, worden getoetst aan de goede ruimtelijke ordening. Op basis van de goede ruimtelijke ordening zal altijd worden getoetst aan parkeernormeringen zoals in elk geval opgenomen in de CROW.

6.5

Bestemmingsplanprocedure

In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Voorbereidingsfase De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek uit naar de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente. De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro haar voornemen (vaak als een concept- dan wel voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook kan de gemeente aan belangstellenden de mogelijkheid bieden om te reageren op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. De gemeente geeft een reactie op mogelijke overleg- en inspraakreacties die voor zover noodzakelijk worden verwerkt in de regels en verbeelding. Terinzageleggingsfase Het ontwerpbestemmingsplan wordt na aankondiging in de Staatscourant en de website www.officielebekendmakingen.nl voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door

46

bestemmingsplan Driezum

iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend. Vaststellingsfase Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan voor 6 weken ter inzage. Dit gebeurd als volgt: Indien Gedeputeerde Staten (GS) of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan eventuele zienswijzen van GS en/of de ILT wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

Ook een niet-belanghebbende die eerder een zienswijze indiende tegen het ontwerpbestemmingsplan kan voorlopig tegen het definitieve bestemmingsplan in beroep bij de ABRvS. Indien geen beroep tegen het vastgestelde bestemmingsplan is ingediend, is het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn onherroepelijk.

47

bestemmingsplan Driezum

48

bestemmingsplan Driezum

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1

Economische uitvoerbaarheid

7.1.1

Grondexploitatieplan

Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wro en het Bro beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten voor bijvoorbeeld bouw- en woonrijp maken. Verder hebben gemeenten hierdoor sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden, diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. Indien er sprake is van bouwplannen volgens het Bro, dient de gemeente hiervoor een exploitatieplan op te stellen, tenzij voornoemde kosten anderszins verzekerd zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten, en het stellen van eisen met betrekking tot kwaliteit en fasering niet noodzakelijk wordt geacht. Een combinatie van een exploitatieplan en overeenkomsten is ook mogelijk. Dit bestemmingsplan is een conserverend plan. Dit houdt in dat er slechts kleinschalige ontwikkelingen op perceelsniveau (extra bijgebouwen e.d.) in het plangebied mogelijk zijn. Deze ontwikkelingen kunnen hoofdzakelijk mogelijk worden gemaakt door middel van het bij omgevingsvergunning afwijken van de bouw- of gebruiksregels of het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Het betreft in alle gevallen particulier initiatief waaraan in beginsel geen kosten voor de gemeente zijn verbonden, afgezien van kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt.

Er worden geen nieuwe bouwplannen mogelijk gemaakt als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Gelet hierop is er geen aanleiding voor een kostenverhaal anderszins, er hoeft daarom geen exploitatieplan te worden opgesteld. 7.1.2

Planschade

De enige kosten die verder uit dit plan kunnen voortvloeien zijn planschadekosten. Deze zijn op voorhand niet uit te sluiten. De gemeente zal daarom bij iedere aanvraag bezien of er planschade kan ontstaan. Indien dit het geval kan zijn, zal met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst worden gesloten zoals bedoeld in artikel 6.4a van de Wro. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap de planschadekosten moet betalen die gemaakt worden in het belang van de aanvrager. 7.1.3

Conclusie

Gezien het bovenstaande is een exploitatieplan voor dit bestemmingsplan niet nodig. Mochten zich in de toekomst toch ontwikkelingen voor doen waarbij de gemeente kosten moet maken dan zullen die uitsluitend onder de wijzigingsbevoegdheden vallen. Er zal dan eerst worden bezien of er een kosten-verhaalsovereenkomst kan worden gesloten. In het uiterste geval kan worden overwogen om bij wijzigingsbevoegdheden een exploitatieplan vast te stellen. Dat is geen uitgangspunt en gezien de ontwikkelingsmogelijkheden niet de verwachting.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg en inspraak Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Omdat de gemeente participatie van belangenorganisaties belangrijk vindt, biedt de gemeente deze partijen reeds voorafgaand aan de wettelijke procedure de mogelijkheid reacties op het plan kenbaar te maken. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor overleg toegezonden aan belanghebbende organisaties. Op het voorontwerpbestemmingsplan zijn enkele reacties ingekomen. In Bijlage 8 zijn de ingekomen reacties opgenomen en voorzien van een gemeentelijke reactie. De ingekomen reacties hebben geleid tot een kleine aanpassing van de regels van het bestemmingsplan.

49

bestemmingsplan Driezum

Tervisielegging ontwerp Na het overleg en de inspraak is het bestemmingsplan gedurende 6 weken (afd. 3.4 Awb) ter visie gelegd. Tijdens deze periode bestond de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen. De behandeling van ingekomen zienswijzen heeft in een afzonderlijke notitie bij het bestemmingsplan plaats gevonden, zie Bijlage 9. Daarnaast zijn enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd, hiervoor wordt verwezen naar het raadsbesluit. Het bestemmingsplan is op 28 september 2021 gewijzigd vastgesteld.

50

bestemmingsplan Driezum

Bijlagen bij de toelichting

51

bestemmingsplan Driezum

52

bestemmingsplan Driezum

Bijlage 1 Ecologische inventarisatie H.G. van der Veenstrjitte 22

53

A&W-notitie NWGka2017 #27

Ecologische beoordeling van het realiseren van een bedrijfsloods aan de van der Veenstrjitte te Driezum Opdrachtgever Referentie

Fam. Damstra, Driezum Schut, E. 2017. Ecologische beoordeling van het realiseren van een bedrijfsloods aan de van der Veenstrjitte te Driezum. A&W-notitie NWGka2017 #27. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.

Projectcode Status Datum Projectleider Autorisatie

NWGka2017#27 Definitief 24 oktober 2017 E.W. de Vries R.J. Strijkstra

Inhoud 1. 2. 3. 4. 5.

Inleiding Situatieschets en plannen Gebiedsbescherming en beoordeling Soortbescherming en beoordeling Conclusies Literatuur

Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2, 9269 TZ Feanwâlden tel. 0511 – 474764 email: info@altwym.nl website: www.altwym.nl

1

2

A&W-notitie NWGka2017 #27

Foto's 1 t/m 3: Boven: Overzicht van het plangebied kijkend richting oosten. Midden: De Elzensingel die aan de noordkant langs het terrein loopt. Onder: Detail van de Elzensingel (Foto's: A&W, oktober 2017).

A&W-notitie NWGka2017 #27

1. Inleiding De familie Damstra heeft het voornemen om een bedrijfsloods te realiseren aan de H.G. van der Veenstrjitte 22 te Driezum. Onderzoek in de vorm van een ecologische quickscan is nodig om te bepalen hoe de ingrepen zich verhouden tot de ecologische wet- en regelgeving. Dit betreft o.a. de Wet natuurbescherming en de regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland (in Fryslân de Ecologische Hoofdstructuur genoemd), Weidevogelkerngebieden en Ganzenfoerageergebieden. De familie Damstra heeft Altenburg & Wymenga opdracht gegeven om dit ecologisch onderzoek uit te voeren. In onderhavige notitie zijn de resultaten van het ecologisch onderzoek gepresenteerd. Het onderzoek naar de aanwezigheid van relevante natuurwaarden is gebaseerd op twee benaderingen. Ten eerste zijn recente bronnen geraadpleegd (verspreidingsatlassen en websites) over de aanwezigheid van beschermde gebieden en soorten in en nabij het plangebied. Er is daarbij onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Daarnaast is op 12 oktober 2017 een oriënterend veldbezoek uitgevoerd. Tijdens dit veldbezoek is gelet op de (mogelijkheden voor) aanwezigheid van beschermde en/of kritische soorten. Altenburg & Wymenga presenteert in deze notitie de resultaten van een onafhankelijk ecologisch onderzoek.

Het onderzoek spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het onderhavige plan of een bepaalde ontwikkeling. Landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden komen niet aan de orde. Aan deze ecologische beoordeling kunnen geen rechten worden ontleend.

2. Situatieschets en plannen De familie Damstra is voornemens om een bedrijfloods en kapschuur te realiseren aan de H.G. van der Veenstrjitte 22 te Driezum. Het gaat hierbij om een perceel dat achter een woning gelegen is. In de huidige situatie gaat het om grasland dat is omringd door elzensingels. Op het terrein zijn takkenbulten en hopen met bakstenen en pallets aanwezig. Achter de Elzensingel loopt aan de noordkant van het plangebied een sloot. De planlocatie ligt aan de rand van de dorpskom van Driezum. De bedrijfsloods wordt aan de achterzijde van het perceel geplaatst. De locatie is op bijgaande schetsen aangegeven. Er worden geen singels gekapt en er vindt geen sloop plaats van gebouwen.

3

4

A&W-notitie NWGka2017 #27

Figuur 1: A: Ligging van het plangebied. B: Precieze locatie van de geplande bedrijfsloods (I) en kapschuur (II).

A&W-notitie NWGka2017 #27

3. Gebiedsbescherming en beoordeling In Nederland zijn de meeste beschermde gebieden beschermd volgens de Wet natuurbescherming (Natura 2000) of regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/ Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Daarnaast kunnen gebieden ook worden beschermd vanwege hun natuurwaarden via verordeningen of het bestemmingsplan. Uit de kaartgegevens over wettelijk beschermde gebieden blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van de NNN, Natura 2000-gebieden of andere gebieden die zijn beschermd vanwege hun natuurwaarden. Het plangebied ligt aan de rand van het dorp. Om die reden is het onwaarschijnlijk dat de beoogde ingrepen van invloed zijn op beschermde gebieden in de omgeving en/of de daarbij behorende natuurwaarden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Lauwersmeer' ligt op circa 9 kilometer afstand van het plangebied. Enkele aangewezen soorten, zoals ganzensoorten, zwanensoorten en Smient slapen in het Natura 2000-gebied ‘Lauwersmeer’ en foerageren op agrarische percelen buiten de grenzen van dit gebied. Volgens de externe werking van de Natuurbeschermingswet zijn bovengenoemde vogelsoorten ook beschermd buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Het plangebied is vanwege de kleinschaligheid (besloten landschap) en de ligging aan de rand van de dorpskom van Driezum ongeschikt als foerageergebied voor bovengenoemde herbivore watervogels.

Deze watervogels mijden deze besloten landschappen grotendeels. Bovendien zorgen menselijke activiteiten aan in de dorpsomgeving voor verstoring. Om deze redenen wordt geconcludeerd dat de uitvoering van de beoogde ingrepen in het plangebied niet stuit op bezwaren vanuit de ecologische wet- en regelgeving ten aanzien van gebiedsbescherming.

4. Soortbescherming en beoordeling Soortbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Aan de Wet natuurbescherming zijn drie lijsten met soorten gekoppeld. Het gaat om artikel 3.1 waar soorten van de Vogelrichtlijn onder vallen, artikel 3.5 waar soorten van de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn onder vallen en artikel 3.10 voor overige soorten. Soorten uit de eerste twee artikelen zijn daarmee Europees beschermd, terwijl soorten van artikel 3.10 nationaal beschermd zijn. Provincies hebben de mogelijkheid om voor soorten uit artikel 3.10 een vrijstelling te verlenen van enkele verbodsbepalingen. De Provincie Fryslân hanteert vanaf 1 januari 2017 een dergelijke lijst met (dier)soorten die een vrijstelling genieten bij o.a. ruimtelijke ontwikkeling. Gezien de aard van de werkzaamheden en de ligging van het plangebeid aan de rand van de bebouwde kom, zijn er beperkte mogelijkheden voor soorten die beschermd zijn volgens de Wnb. Hieronder is beschreven welke beschermde soorten mogelijk in het plangebied voorkomen en wat de consequenties daarvan zijn voor de beoogde ingrepen. 4.1 Algemeen Er zijn op de locatie beperkte mogelijkheden voor natuurwaarden aanwezig. Het is onwaarschijnlijk dat in het plangebied wettelijk beschermde soorten uit de volgende

5

6

A&W-notitie NWGka2017 #27

soortgroepen voorkomen en/of worden beïnvloed door de uitvoering van het beoogde project: x x x x

Planten Ongewervelde diersoorten Vissen Reptielen

De redenen die aan deze conclusie ten grondslag liggen, zijn één of meer van de volgende: x x x

Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van deze soorten. In het plangebied is geen geschikt biotoop voor deze soorten aanwezig. Uitstralende effecten van de ingreep reiken niet dermate ver buiten de begrenzing van de locatie dat daardoor (mogelijk) leefgebied van deze soorten wordt beïnvloed.

Conclusie De herinrichting van het plangebied veroorzaakt om deze redenen geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van bovengenoemde soortgroepen.

4.2 Amfibieën Amfibieën artikel 3.5 Wnb Amfibieënsoorten die worden beschermd volgens artikel 3.5 Wnb, komen niet voor in de omgeving van het plangebied (NDFF, Van Delft et al. 2016). Bovendien voldoet het plangebied niet aan de habitateisen van dergelijke soorten. Om deze redenen kan de aanwezigheid van deze soorten in het plangebied worden uitgesloten. Amfibieën artikel 3.10 Wnb Het perceel en de aangrenzende sloot kunnen mogelijk deel uitmaken van het leefgebied van enkele amfibieën die vallen onder artikel 3.10 van de Wnb, zoals Bruine kikker of Gewone pad (NDFF, Van Delft et al. 2016). Voor deze soorten geldt dat door de Provinciale Staten van de provincie Fryslân vrijstelling is verleend. Amfibieënsoorten die vallen onder artikel 3.10 Wnb en waarvoor geen vrijstelling geldt, komen niet in het plangebied voor. Conclusie De uitvoering van de plannen veroorzaakt geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van amfibieën.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=gemeentedantumadiel&id=adc47f3a-0272-47ce-9161-8c5f360405ae