CConstaterende datDantumadiel
Koppel je AI →
Document · PDF

20250240 risicoanalyse herstelpunten bp Feanwalden-Sud definitief met bijlagen 02-10-2025

Raadsvergadering (Dantumadiel) 9 december 2025, gemeente DantumadielBij agendapunt: Herstel BP Feanwâlden-Súd n.a.v. uitspraak RvS27.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit was bij bestemmingsplan Feanwâlden-Súd (2021) niet het geval. De milieuzones op het bedrijven- en industrieterrein zijn op basis van de gevoelige gebruiksmogelijkheden bepaald. Dat blijkt op de plankaart Feanwâlden-Súd mede uit de inwaartse zonering, waarbij is uitgegaan van “gemengd gebied”. De wijziging waarbij niet alle geluidzoneringsplichtige inrichtingen meer zijn toegelaten maar enkel de geluidzoneringsplichtige inrichtingen die in de Staat van Bedrijven voorkomen zal in beginsel kunnen leiden tot een theoretisch planologisch nadeel. Er is thans geen inrichting aanwezig. Een nieuwe geluidzoneringsplichtige inrichting zal in de nieuwe situatie rekening dienen te houden met de eventueel aanwezige inwaartse milieuzonering en de aanwezige bedrijfswoningen van derden. Het hiervoor genoemde theoretische planologische nadeel doet zich naar onze mening in deze situatie niet voor.

20250240

46 van 60

Ja, er kan geen lawaaimaker meer komen die binnen de geluidszone “zijn gang kan gaan”, maar in de praktijk waren deze mogelijkheden al door de geluidszone – industrie gereguleerd. Er bestaat overigens geen individueel recht om de geluidproductie te benutten. Een andere inrichting kan namelijk in theorie de geluidsruimte eerder benutten. De nabij gelegen bedrijfswoningen worden beschermd tegen geur en stof. Een nieuwe gebruiker houdt hier rekening mee en daardoor is het al in de marktwaarde verwerkt. Deelconclusie 3 Het samenvoegen van art. 6.1 onder b met art. 6.1 onder a levert geen relevant planologisch nadeel op. Samenvatting van de 3 deelconclusies Gezien het bovenstaande vatten wij de beoordeling van de herstelpunten als volgt samen. Risico op planologisch nadeel Herstelpunt

Locatie 3

1

N.v.t.

2

Nee

3

Nee

Vervolg van de advisering Gezien de uitkomst van de planologische vergelijking, is nader onderzoek van het waardeniveau niet nodig.

20250240

47 van 60

11

BEOORDELING LOCATIE 4 AMBACHTSTRJITTE 10

Locatie 4

Ambachtstrjitte 10, Feanwâlden

Kadastraal object:

Veenwouden F 4083 (aankoopjaar 1997)

Object

Bedrijfshal

Op hetzelfde perceel staat een object met woonfunctie (bron BAG). Het geheel woning en bedrijfspand hebben één adres. Foto’s opname

Nadere omschrijving object Dit object betreft een bedrijfshal met bedrijfswoning (1 adres). Het geheel ligt vrij centraal op het bedrijventerrein.

20250240

48 van 60

Kadastrale informatie

Figuur 14 Kadastrale kaart

Planologische gegevens

4.1

4.1

Figuur 15 Fragmenten plankaart bp Veenwouden Zuid (1993) en verbeelding Bestemmingsplan FeanwâldenSúd (2021).

20250240

49 van 60

De te beoordelen percelen zijn op voorgaande figuur aangeduid met de rood onderbroken belijning. De afbeeldingen zijn niet noord-gericht. Beoogde wijzigingen (a.g.v. tussenuitspraak RvS) bp Feanwâlden-Súd De beoogde wijziging betreft een 3-tal herstelpunten: 1 Schrappen aanduiding “mengvoederfabriek”. Niet van toepassing voor deze locatie. 2 Het aanpassen van de Staat van Bedrijven (schrappen bedrijven met een geur- en/of stofhindercontour > 100 meter). Het schrappen van bedrijven uit met een geur- en/of stofhindercontour van meer dan 100 meter uit de Staat van Bedrijven heeft in essentie betrekking op gronden met toegestane bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 4.1. Dit betreft alle gronden van deze locatie. Binnen een straal van 100 meter liggen 4 bedrijfswoningen (van derden). Binnen een straal van 50 meter liggen geen bedrijfswoningen. Voor bedrijfswoningen geldt dat zijn ook (enige) bescherming genieten tegen hinder van geur en stof.

Als wij voor de “bescherming van het leefklimaat” voor bedrijfswoning(en) op bedrijventerrein De Swette de milieucategorie met 1 stap verlagen ten opzichte van het gebiedstype “gemengd gebied” dan kan worden gesteld dat bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 4.1 in de oorspronkelijke planologie niet onder druk stonden ter plaatse van de te beoordelen locatie.

20250240

50 van 60

Deelconclusie 2 Wij beschouwen het schrappen van bedrijven met een geur- en/of stofhindercontour > 100 meter uit de Staat van Bedrijven als een relevant planologisch nadeel. De aanwendingsmogelijkheden van de gronden worden enigszins beperkt. Hierbij merken wij wel op dat het maar de vraag is of activiteiten met een grote geur- en stofhinder hier voor de hand ligt. Het bedrijfsobject oogt als een reguliere bedrijfshal. 3 Het samenvoegen van art. 6.1 onder b met art. 6.1 onder a Met deze samenvoeging wordt beoogd dat geluidzoneringsplichtige inrichtingen enkel worden toegestaan als de aangegeven milieucategorie gerespecteerd wordt. Dit was bij bestemmingsplan Feanwâlden-Súd (2021) niet het geval. Op een afstand van ± 200 meter en verder van deze locatie liggen woonobjecten (buiten een geluidszone – industrie). Vanwege deze woningen ligt (bij gemengd gebied) de vestiging van een “grote lawaaimaker” in een milieucategorie van 4.2 of hoger hier al niet voor de hand. Dus terplekke is maximaal 4.1 mogelijk zoals aangegeven op de verbeeldingen. Een dergelijk bedrijf wenst -bij nieuwvestiging- in beginsel op een ruimere afstand van geluidgevoelige objecten te liggen. De milieuzones op het bedrijven- en industrieterrein zijn op basis van de gevoelige gebruiksmogelijkheden bepaald.

Dat blijkt op de plankaart Feanwâlden-Súd mede uit de inwaartse zonering, waarbij is uitgegaan van “gemengd gebied”. De wijziging waarbij niet alle geluidzoneringsplichtige inrichtingen meer zijn toegelaten maar enkel de geluidzoneringsplichtige inrichtingen die in de Staat van Bedrijven voorkomen zal in beginsel kunnen leiden tot een theoretisch planologisch nadeel. Er is geen inrichting aanwezig. Een nieuwe geluidzoneringsplichtige inrichting zal in de nieuwe situatie rekening dienen te houden met de inwaartse milieuzonering. Het hiervoor genoemde theoretische planologische nadeel doet zich naar onze mening in deze situatie in theorie voor. Er kan geen lawaaimaker meer komen die binnen de geluidszone “zijn gang kan gaan”. In de praktijk waren deze mogelijkheden al beperkt door woningen op ± 200 meter afstand (buiten de geluidszone – industrie). Het relevante planologische nadeel heeft betrekking op “het wegbestemmen van “ grote lawaaimaaikers in de milieucategorie 4.2. Doordat het aantal toegestane inrichtingen afneemt, wordt de

20250240

51 van 60

kring van gegadigden kleiner. Er bestaat overigens geen individueel recht om de geluidproductie te benutten. Een andere inrichting kan namelijk in theorie de geluidsruimte eerder benutten. Deelconclusie 3 Het samenvoegen van art. 6.1 onder b met art. 6.1 onder a levert een relevant planologisch nadeel op. Samenvatting van de 3 deelconclusies Gezien het bovenstaande vatten wij de beoordeling van de herstelpunten als volgt samen. Risico op planologisch nadeel Herstelpunt

Locatie 4

1

N.v.t.

2

Ja

3

Ja

Vervolg van de advisering Gezien de uitkomst van de planologische vergelijking, is nader onder zoek van het waardeniveau relevant. De kring van gegadigden wordt in theorie kleiner. Het object bestaat uit een perceel met een grootte van 2.010 m2, een bedrijfswoning met een oppervlakte van 160 m2 go en een bedrijfsruimte met een oppervlakte van geschat 500 m2 vvo. We hanteren het uitgangspunt dat de aanwendingsmogelijkheden van de bedrijfswoning gelijk blijven, zodat wij dat aandeel in de totale waarde verder buiten beschouwing kunnen laten. Het niet bebouwde terrein is nodig om het geheel te gebruiken. De indicatieve modelmatige waarde van de bedrijfsruimte waarderen wij als volgt. locatie 4 oppervlakte bedrijfsruimte huur € /m2 vvvo Totale huurprijs per jaar Bruto aanvangsrendement in % Factor Waarde Correctie kosten koper 7% Waarde na correctie k.k. Afronding Marktwaarde check € per m2 vvo

20250240

500 35 17.500 6 16,7 291.667 0,898 261.819 1.819 260.000 520

52 van 60

Gegeven de oppervlakte van het perceel, de verhouding tussen de oppervlakte van de bedrijfswoning en de bedrijfsruimte, de positionering van beide opstallen op het perceel en het huidige gebruik van de locatie, zijn wij van mening dat de waarde na de beoordeelde verandering gelijk is aan de waarde voor de besproken herstelpunten. Er is geen reden om de huurprijs aan te passen en bezien vanuit de positie van een eigenaar die de locatie zelf gebruikt blijft ook het bruto aanvangsrendement gelijk, zodat de tweede berekening eenzelfde uitkomst laatzien en de waarde gelijk blijft. Eindconclusie Gezien het bovenstaande zijn wij van mening dat het theoretische planologische nadeel, niet tot uiting komt in de waardering van het object, zodat er geen sprake is van te vergoeden nadeel.

20250240

53 van 60

12

BEOORDELING LOCATIE 5 AMBACHTSTRJITTE 2 EN 2A

Locatie 5

Ambachtstrjitte 2a, Feanwâlden

Kadastraal object:

Veenwouden F 4570 (aankoopjaar 2011)

Object

Autobedrijf

Op hetzelfde perceel staat het object Ambachtstrjitte 2. Dit object betreft een woon- en industriefunctie (bron BAG). Foto’s opname

Nadere omschrijving object Dit object betreft een garagebedrijf met bedrijfswoning. Het is gelegen aan de rand van het bedrijventerrein (spoorzijde).

20250240

54 van 60

Kadastrale informatie

Figuur 16 Kadastrale kaart

Planologische gegevens

3.2

4.1

4.1

Figuur 17 Fragmenten plankaart bp Veenwouden Zuid (1993) en verbeelding Bestemmingsplan FeanwâldenSúd (2021).

De te beoordelen percelen zijn op voorgaande figuur aangeduid met de rood onderbroken belijning. De afbeeldingen zijn niet noord-gericht.

20250240

55 van 60

Beoogde wijzigingen (a.g.v. tussenuitspraak RvS) bp Feanwâlden-Súd De beoogde wijziging betreft een 3-tal herstelpunten: 1 Schrappen aanduiding “mengvoederfabriek”. Niet van toepassing voor deze locatie. 2 Het aanpassen van de Staat van Bedrijven (schrappen bedrijven met een geur- en/of stofhindercontour > 100 meter). Het schrappen van bedrijven uit met een geur- en/of stofhindercontour van meer dan 100 meter uit de Staat van Bedrijven heeft in essentie betrekking op gronden met toegestane bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 4.1. Dit betreft het merendeel van de gronden van deze locatie. Binnen een straal van 10 meter ligt een bedrijfswoning (van derden) met huisnummer 4. Voor deze bedrijfswoning geldt dat deze ook (enige) bescherming geniet tegen hinder van geur en stof.

Als wij voor de “bescherming van het leefklimaat” voor bedrijfswoning(en) op bedrijventerrein De Swette de milieucategorie met nog 1 stap verlagen ten opzichte van het gebiedstype “gemengd gebied” dan kan worden gesteld dat bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.2 (na 30 m1 mogelijk) en 4.1 (na 50 m1 mogelijk) reeds in de oorspronkelijke planologie onder druk stonden ter plaatse van de te beoordelen locatie

20250240

56 van 60

vanwege nabijgelegen bedrijfswoningen op een afstand van minder dan 10 meter. Op de plankaart stond milieucategorie 4.1 maar deze was praktisch al niet meer mogelijk. Het schrappen van bedrijven uit met een geur- en/of stofhindercontour van meer dan 100 meter uit de Staat van Bedrijven heeft derhalve ook geen effect op de gebruiksmogelijkheden van deze locatie. Dit herstelpunt heeft in de praktijk dan ook geen gevolgen voor de waarde van de locatie. Deelconclusie 2 Wij beschouwen het schrappen van bedrijven met een geur- en/of stofhindercontour > 100 meter uit de Staat van Bedrijven niet als een relevant planologisch nadeel. De aanwendingsmogelijkheden ten behoeve van dergelijke activiteiten stonden al onder druk in de oorspronkelijke planologie. 3 Het samenvoegen van art. 6.1 onder b met art. 6.1 onder a Met deze samenvoeging wordt beoogd dat geluidzoneringsplichtige inrichtingen enkel worden toegestaan als de aangegeven milieucategorie gerespecteerd wordt. Dit was bij bestemmingsplan Feanwâlden-Súd (2021) niet het geval. De milieuzones op het bedrijven- en industrieterrein zijn op basis van de gevoelige gebruiksmogelijkheden bepaald. Dat blijkt op de plankaart Feanwâlden-Súd mede uit de inwaartse zonering, waarbij is uitgegaan van “gemengd gebied”.

De wijziging waarbij niet alle geluidzoneringsplichtige inrichtingen meer zijn toegelaten maar enkel de geluidzoneringsplichtige inrichtingen die in de Staat van Bedrijven voorkomen zal in beginsel kunnen leiden tot een theoretisch planologisch nadeel. Er is thans geen inrichting aanwezig. Een nieuwe geluidzoneringsplichtige inrichting zal in de nieuwe situatie rekening dienen te houden met de eventueel aanwezige inwaartse milieuzonering en de aanwezige bedrijfswoningen van derden. Het hiervoor genoemde theoretische planologische nadeel doet zich naar onze mening in deze situatie niet voor. Ja, er kan geen lawaaimaker meer komen die binnen de geluidszone “zijn gang kan gaan”, maar in de praktijk waren deze mogelijkheden al door de geluidszone – industrie gereguleerd. Er bestaat overigens geen individueel recht om de geluidproductie te benutten. Een andere inrichting kan namelijk in theorie de geluidsruimte eerder benutten. De nabij gelegen bedrijfswoningen worden beschermd tegen geur en stof. Een nieuwe

20250240

57 van 60

gebruiker houdt hier rekening mee en daardoor is het al in de marktwaarde verwerkt. Deelconclusie 3 Het samenvoegen van art. 6.1 onder b met art. 6.1 onder a levert geen relevant planologisch nadeel op. Samenvatting van de 3 deelconclusies Gezien het bovenstaande vatten wij de beoordeling van de herstelpunten als volgt samen. Risico op planologisch nadeel Herstelpunt

Locatie 5

1

N.v.t.

2

Nee

3

Nee

Vervolg van de advisering Gezien de uitkomst van de planologische vergelijking, is nader onderzoek van het waardeniveau niet nodig.

20250240

58 van 60

13

CONCLUSIE

Wij hebben in dit advies de drie herstelpunten beoordeeld en wij schatten in dat het, op basis van artikel 6.1 Wro beoordeelde directe planschaderisico als gevolg van de beoogde wijziging voor de te beoordelen locaties niet verdergaand toe zal nemen in vergelijking met het

eerder

vastgestelde

bestemmingsplan

“Feanwâlden-Súd”

(NL.IMRO.1891.

BPFeanwaldensud-0402). Nr. Locatie

Risico nadeelcompensatie

1

Mûnestrjitte 6 en 8

Niet relevant

2

De Swette 3c

Geen

3

De Swette 3a en 3b

Geen

4

Ambachtstrjitte 10

Geen

5

Ambachtstrjitte 2 en 2a

Geen

Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken

mr. J.G.E. Geleijns RT RM

E. Hoopman RT RM

Algemeen directeur

senior adviseur

20250240

59 van 60

14

BIJLAGEN

Bijlage 1

Tussenuitspraak 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5254)

Bijlage 2

Beoogde “Staat van bedrijven”

20250240

60 van 60

ECLI

ECLI:NL:RVS:2024:5254

Datum uitspraak

18 december 2024

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2021 heeft de raad van de gemeente Dantumadiel het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd" vastgesteld. Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Feanwâlden. Het wordt globaal begrensd door de spoorweg Leeuwarden Groningen aan de noordzijde, de "Centrale As" aan de oostzijde, De Swette aan de zuidzijde en De Prysterikker aan de westzijde. Het plangebied ziet onder meer op het bedrijven- en industrieterrein De Swette. Het plan bestaat volgens de plantoelichting uit een conserverend deel en een ontwikkelingsdeel. Over het conserverende deel staat in de plantoelichting dat de bestaande situatie als zodanig is bestemd. Daarbij is wel een verkleining van het industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder en de geluidzone opgenomen. Het bouwen van woningen op het industrieterrein en binnen de geluidzone is niet langer mogelijk. Op het bestaande deel van het bedrijventerrein buiten het industrieterrein, wordt wel ruimte geboden voor bedrijfswoningen.

Volledige tekst 202106126/1/R3. Datum uitspraak: 18 december 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd te Feanwâlden, gemeente Dantumadiel, en anderen (hierna: [appellante sub 1] en anderen), 2. [appellant sub 2], wonend te Feanwâlden, gemeente Dantumadiel, 3. [appellant sub 3], wonend te Feanwâlden, gemeente Dantumadiel, 4. [appellant sub 4], wonend te Feanwâlden, gemeente Dantumadiel,

1

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], wonend te Feanwâlden, gemeente Dantumadiel, appellanten, en de raad van de gemeente Dantumadiel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 5 juli 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De raad, [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De Staat heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 juli 2024, waar zijn verschenen: - [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 2], vertegenwoordigd respectievelijk bijgestaan door ing. J.A. Wiegersma, rechtsbijstandverlener te De Westereen; - [appellant sub 3] en [appellant sub 4], beiden vertegenwoordigd door J. Dantuma, rechtsbijstandverlener te Driezum; - [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], bijgestaan door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden; - de raad, vertegenwoordigd door drs. W. Smid.

Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 7 mei 2020 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Feanwâlden. Het wordt globaal begrensd door de spoorweg Leeuwarden - Groningen aan de noordzijde, de "Centrale As" aan de oostzijde, De Swette aan de zuidzijde en De Prysterikker aan de westzijde. Het plangebied ziet onder meer op het bedrijven- en industrieterrein De Swette.

2

Het plan bestaat volgens de plantoelichting uit een conserverend deel en een ontwikkelingsdeel. Over het conserverende deel staat in de plantoelichting dat de bestaande situatie als zodanig is bestemd. Daarbij is wel een verkleining van het industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) en de geluidzone opgenomen. Het bouwen van woningen op het industrieterrein en binnen de geluidzone is niet langer mogelijk. Op het bestaande deel van het bedrijventerrein buiten het industrieterrein, wordt wel ruimte geboden voor bedrijfswoningen. Over het ontwikkelingsdeel staat in de plantoelichting dat er met de regio en de provincie Fryslân (hierna: de provincie) afspraken zijn gemaakt over de uitbreiding van het bedrijventerrein met 5 ha netto. Deze uitbreiding is niet bij recht voorzien, maar hiervoor is een wijzigingsbevoegdheid in het plan opgenomen. De gronden waarvoor de wijzigingsbevoegdheid geldt, hebben in het plan hoofdzakelijk een agrarische bestemming. Dit komt overeen met de bestaande situatie, aldus de plantoelichting. 3. [appellante sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] kunnen zich om verschillende redenen niet met het plan verenigen en hebben daartegen beroep ingesteld.

Vanwege de gedeeltelijke overlap tussen de beroepschriften van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], bespreekt de Afdeling deze beroepschriften hierna gezamenlijk. De andere beroepschriften bespreekt de Afdeling vervolgens afzonderlijk van elkaar. De Afdeling vermeldt hierna eerst hoe zij een beroep tegen een bestemmingsplan beoordeelt en vervolgens hoe zij beoordeelt of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van het bestemmingsplan vanwege de beroepsgronden die appellanten hebben aangevoerd. Toetsingskader bestemmingsplan 4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Toetsingskader relativiteit 5.

Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 5.1. Op verschillende plaatsen in deze uitspraak zal worden beoordeeld of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van het bestemmingsplan vanwege de beroepsgronden die appellanten hebben aangevoerd. Op die beoordeling is steeds het

3

hiervoor weergegeven toetsingskader van toepassing. Relevante wet- en regelgeving 6. De relevante wet- en regelgeving, voor zover niet geciteerd in de overwegingen, is opgenomen in bijlage 1. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. De beroepen van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] Bestemming Bedrijventerrein - Gezoneerd" 7. [appellante sub 1] en anderen zijn gevestigd dan wel wonen in of nabij het plangebied. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] wonen aan de [locatie 1] te Feanwâlden, op korte afstand van het plangebied en het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein Gezoneerd". [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] kunnen zich om meerdere redenen niet verenigen met de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd". 7.1. Aan het westelijke deel van het plangebied is de bestemming "Bedrijventerrein Gezoneerd" toegekend. Aan het middelste deel van dit plandeel is vervolgens de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" toegekend. Via stippellijnen op de verbeelding is een aflopende categorie west- en oostwaarts aangegeven.

Voor het westelijke deel geldt dat na de eerste stippellijn de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" is toegekend, na de tweede stippellijn de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1", na de derde stippellijn de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" en na de vierde stippellijn de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1". Aan het oostelijke deel loopt de categorie af tot en met categorie 3.1. 8. De Afdeling bespreekt hierna de beroepsgronden van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] Woon- en leefklimaat - Grote lawaaimakers en toegekende milieucategorieën 9. [appellante sub 1] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een mogelijkheid voor grote lawaaimakers. Daarover voeren zij aan dat er geen sprake meer is van grote lawaaimakers, en de vestiging van grote lawaaimakers ook niet wenselijk is. Volgens hen gaat het daarbij namelijk om zeer grootschalige bedrijven die vallen in een hogere categorie dan categorie 4.1, waarvoor in het plangebied geen ruimte beschikbaar is. Het is dan ook niet zinvol om de geluidzone in stand te laten, aldus [appellante sub 1] en anderen. Eventuele problemen met bedrijfswoningen kunnen volgens hen worden opgelost door daarvoor hogere waarden vast te stellen. Daarnaast achten zij van belang dat in het gebied een hoge concentratie van wonen en werken voorkomt.

Volgens hen heeft de raad ten onrechte de bestaande bedrijfswoningen op het gezoneerde industrieterrein niet betrokken bij de beoordeling om grote lawaaimakers te blijven toestaan in het gebied. De bedrijfswoningen zijn hiermee wat betreft geluidbelasting vogelvrij, en ook heeft de raad ten onrechte de gevolgen voor de al bestaande bedrijfswoningen voor de aspecten geur, stof en gevaar niet beoordeeld. Verder heeft de raad volgens hen de gevolgen van de mogelijkheid voor categorie 4.1 bedrijven ten onrechte niet onderzocht. Concreet dient volgens hen de situatie op de locaties De Swette 3C en [locatie 2] te worden aangepast. Volgens hen wordt hier namelijk niet voldaan aan de richtafstanden in de VNG-brochure en liggen deze percelen bovendien al jaren braak. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] voeren aan dat de raad ten onrechte volstaat met de

4

constatering dat het plan deels conserverend van aard is. Zij wijzen erop dat zij in het verleden veel stank- en geluidhinder van het [bedrijf] aan de [locatie 2] ondervonden. Dit bedrijf was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan op 7 mei 2020 gestopt. Volgens hen mag een dergelijk bedrijf in categorie 4.1 zich hier nu ten onrechte opnieuw vestigen. Volgens [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] stelt de raad verder ten onrechte dat zij hinder van bedrijvigheid moeten accepteren, omdat zij wonen in een gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Hun woning is namelijk gelegen in een rustige woonwijk, waar een park is gerealiseerd, en een basisschool en verzorgingshuis staan. In 1993 was wellicht sprake van een gemengd gebied, maar sindsdien is er veel veranderd in de buurt van het industrieterrein. In dat verband wijzen [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] er ook op dat het doel van de gemeente is om de veiligheid en leefbaarheid in de dorpjes in de regio te verbeteren en specifiek voor Feanwâlden in september 2019 een beleidsstuk is vastgesteld. 9.1. De raad stelt dat de afweging om het westelijk deel van het bedrijventerrein als gezoneerd industrieterrein in stand te laten, ermee te maken heeft dat dit het enige gezoneerde industrieterrein is op het grondgebied van de gemeente.

Volgens de raad is acht jaar geleden de milieu-adviesdienst Leeuwarden om advies gevraagd over de consequenties van het volledig opheffen van de geluidzone en het wijzigen van de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd" naar "Bedrijventerrein". Daaruit kwam naar voren dat de consequentie daarvan is dat bij de tien bedrijfswoningen op het westelijke deel van het terrein ’s nachts niet meer aan de geluidnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer of in de omgevingsvergunning kan worden voldaan. Volgens de raad is het bestemmingsplan wat het betreft het gezoneerde industrieterrein gericht op het behoud van planologische rechten die ruimer kunnen zijn dat het feitelijk bestaande gebruik. Hierdoor heeft het stoppen van een bedrijf als [bedrijf] niet geleid tot een beperking van de planologische ruimte in het bestemmingsplan, aldus de raad. Voor wat betreft de ruimtelijke aanvaardbaarheid stelt de raad dat het uitgangspunt van dit plan is dat de richtafstanden van de VNG-brochure niet gelden voor bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein. Volgens de raad is sprake van een bestaande situatie en leidt toepassing van de VNG-brochure op de bedrijfswoningen bovendien tot een grote beperking van de gebruiksmogelijkheden van de gronden. Verder betwist de raad dat de bedrijfswoningen op het gezoneerde industrieterrein voor wat betreft geluid vogelvrij zijn.

Onder verwijzing naar de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening stelt de raad dat er formeel geen grenswaarden gelden maar dat het bevoegd gezag moet "streven naar maximaal 65 dB(A)". Deze waarde wordt bij geen enkele bedrijfswoning bereikt, aldus de raad. De aspecten geur en stof worden volgens de raad bij het aanvragen voor omgevingsvergunningen en meldingen Activiteitenbesluit milieubeheer door het bevoegd gezag beoordeeld. Daarnaast is er voor gevaar een advies over de externe veiligheid als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. In het plan is rekening gehouden met dat advies. Over de woning van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] stelt de raad zich op het standpunt dat deze in een gebied ligt waar meerdere functies aanwezig zijn, zodat sprake is van een gemengd gebied. Daarom heeft de raad toepassing gegeven aan de geadviseerde richtafstanden voor gemengd gebied uit de VNG-brochure. Over het beleidsstuk waarnaar [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] verwijzen, stelt de raad tot slot dat dit een toelichting is op de herinrichting van het plangebied voor het stationsgebied in Feanwâlden, en geen tot nauwelijks betrekking heeft op het woongebied van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]. 9.2.

De Afdeling stelt vast dat de raad de geluidzone ten opzichte van het vorige plan heeft verkleind, en de vestiging van geluidzoneringsplichtige inrichtingen heeft beperkt tot het westelijke deel van het bedrijventerrein. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er in

5

algemene zin voor kunnen kiezen om het gezoneerde industrieterrein op deze locatie te handhaven. De raad heeft daarbij van belang mogen achten dat dit industrieterrein het enige gezoneerde industrieterrein is op het grondgebied van de gemeente. De omstandigheid dat hiermee grote lawaaimakers zich op het industrieterrein kunnen vestigen, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten moet worden voldaan aan de voor het industrieterrein geldende geluidzone. Hiermee zijn de bedrijfsactiviteiten wat de toegestane geluidbelasting betreft begrensd. Ook hebben [appellante sub 1] en anderen hun stelling dat er geen ruimte beschikbaar zou zijn voor grootschalige bedrijven, niet onderbouwd. In zoverre slaagt het betoog niet. 9.3. Voor wat betreft de mogelijkheid voor een bedrijf in categorie 4.1 op de locatie De Swette 3C en op [locatie 2], middels de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein mengvoederfabriek", overweegt de Afdeling als volgt. Zoals volgt uit onder meer uit de uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1815, onder 19.1, zijn de richtafstanden in de VNG-brochure bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties.

Daarnaast zijn de richtafstanden uit de VNG-brochure niet bedoeld voor bedrijfswoningen op bedrijventerreinen en kan voor een bedrijfswoning op een bedrijventerrein in het algemeen een grotere milieubelasting aanvaardbaar worden geacht dan voor een burgerwoning. Voor de locaties De Swette 3C en [locatie 2] geldt echter dat op het moment van vaststelling van het plan de planologische mogelijkheden van het voorheen geldende plan niet of niet volledig werden benut. Voor deze locaties was daarmee geen sprake van een bestaande situatie. Gelet op de korte afstand vanaf De Swette 3C tot een aantal bedrijfswoningen van [appellante sub 1] en anderen en vanaf [locatie 2] tot (bedrijfs)woningen van [appellante sub 1] en anderen en de woning van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], heeft de raad ten onrechte niet gemotiveerd waarom het opnieuw mogelijk maken van bedrijven in categorie 4.1 op deze locaties ruimtelijk aanvaardbaar is. Het gaat daarbij evenwel alleen om de aspecten geur en stof, en niet om de aspecten gevaar en geluid. Daarover overweegt de Afdeling dat de raad voor het aspect gevaar het "Advies Externe Veiligheid inzake ‘Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd 2021’" aan het plan ten grondslag heeft gelegd en [appellante sub 1] en anderen dit niet inhoudelijk hebben bestreden.

Dat er in dit advies alleen is gekeken naar de bestaande situatie, zoals [appellante sub 1] en anderen stellen, leidt niet tot het oordeel dat de raad hiernaar nader onderzoek had moeten doen. In artikel 6.1 van de planregels zijn risicovolle inrichtingen binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd" namelijk uitgezonderd. Voor het aspect geluid geldt dat de bedrijfsactiviteiten door de geluidzone voor de toegestane geluidbelasting zijn begrensd en de wet bovendien niet voorziet in geluidgrenswaarden voor bedrijfswoningen op een gezoneerd industrieterrein. Dit geldt echter niet voor de milieuaspecten geur en stof. Dat deze aspecten in het kader van de omgevingsvergunning of melding worden getoetst aan de normen uit het Activiteitenbesluit, wat daar ook van zij, laat onverlet dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet worden bezien of ter plaatse van de (bedrijfs)woningen van appellanten voor deze aspecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daarbij komt dat voor de [locatie 2], aan de rand van het industrieterrein, niet wordt voldaan aan de richtafstand die geldt voor een bedrijf in categorie 4.1.

Weliswaar heeft de raad vanwege de omstandigheid dat de woningen ten westen van het industrieterrein liggen in een gebied waar meerdere bedrijven zijn gevestigd en in de directe omgeving van hoofd(spoor)wegen, kunnen uitgaan van omgevingstype "gemengd gebied". Dat betekent de richtafstand met één afstandsstap kan worden verlaagd, waardoor de richtafstand van de grens van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" tot de uiterste situering van de gevel van een woning die op grond van het bestemmingsplan of

6

vergunningvrij bouwen mogelijk is, 100 m bedraagt. Ook aan deze afstand wordt bij [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 1], waar appellanten wonen, echter niet voldaan, zodat ook in zoverre onvoldoende is gemotiveerd waarom het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - mengvoederfabriek" voor wat betreft de aspecten geur en stof ruimtelijke aanvaardbaar is. Het betoog slaagt in zoverre. 9.4. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat op grond van artikel 6.1, aanhef en onder b, van de planregels op alle gronden met de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd" geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn toegestaan. Uit de stukken en het verhandelde op de zitting, leidt de Afdeling af dat de raad ervan uitgaat dat deze geluidzoneringsplichtige inrichtingen gebonden zijn aan de bedrijfscategorieën zoals op de verbeelding opgenomen, en alleen wat betreft het aspect geluid één stap hoger mogen zijn dan de betreffende categorie. Dit is echter niet in het plan geborgd. Omdat onder b van artikel 6.1 van de planregels in algemene zin geluidzoneringsplichtige inrichtingen mogelijk zijn gemaakt, gelden er, anders dan de opgenomen geluidzone, op grond van het plan voor deze inrichtingen geen beperkingen.

Daarmee wordt dan ook de systematiek van het plan, waarmee richting de randen van het industrieterrein een steeds lagere milieucategorie is toegestaan, doorkruist. Dit heeft de raad niet onderkend. Voor zover dit wel in overeenstemming is met de bedoeling van de raad, heeft de raad niet onderbouwd waarom de mogelijkheid van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zonder beperking in milieucategorie, binnen het hele plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein - Gezoneerd" ruimtelijke aanvaardbaar is. Het betoog slaagt in zoverre. - RIVM-rapport lawaai 10. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] betogen dat lawaai negatieve gevolgen heeft op de volksgezondheid. Dit wordt volgens hen bevestigd in het RIVM-rapport "Het doel heiligt de middelen", nummer 2019-0027, van 5 juni 2020 (hierna: het RIVM-rapport). Volgens hen is het de taak van de overheid om met regelgeving en beleid de negatieve gezondheidseffecten door geluid te verminderen, terwijl de raad met dit plan in plaats daarvan kiest voor een economisch belang. Ook wijzen zij er in dat verband op dat op grond van de nieuwe Omgevingswet het vaststellen van geluidproductieplafonds door een gemeente wettelijk verplicht wordt gesteld ten behoeve van de volksgezondheid. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] menen dat een goede ruimtelijke ordening die beoordeling nu al meebrengt. 10.1.

De raad heeft bij de vaststelling van het plan de systematiek gevolgd zoals is neergelegd in de Wgh voor gezoneerde industrieterreinen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan een groter gewicht had moeten toekennen bij het belang van [appellant sub 5A] en Lebbing om gevrijwaard te blijven van geluidoverlast dan hij heeft gedaan. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat de woning en ruim de helft van de tuin van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] buiten de aanduiding "geluidzone - industrie" liggen. Weliswaar ligt een deel van de tuin wel binnen die aanduiding, maar de Afdeling ziet in wat [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad om die reden het plan niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen. Het RIVM-rapport waarnaar [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] verwijzen leidt niet tot dat oordeel. Zoals staat in de uitspraak van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3917, onder 25.4, gaat het RIVM-rapport namelijk slechts in algemene zin in op de achtergronden van WHO-aanbevelingen en het Nederlandse beleid. Voor zover [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] in dit verband wijzen op de Omgevingswet, verwijst de Afdeling naar wat hiervoor is overwogen onder 1.

7

Het betoog slaagt niet. - Luchtkwaliteit en gezondheid 11. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] betogen dat onvoldoende aandacht is besteed aan de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit en volksgezondheid. De GGD-richtlijn "medische milieukunde: Veehouderij en gezondheid" geeft aan dat luchtwegaandoeningen, hart- en vaatklachten, sterfte door longkanker en andere zaken het gevolg kunnen zijn. 11.1. Het plan voorziet grotendeels in een mogelijkheid voor industrie en daarnaast in agrarische cultuurgrond en het hobbymatig gebruik ten behoeve van het houden van dieren op de agrarische gronden. 11.2. In paragraaf 4.5 van de plantoelichting is ingegaan op het onderwerp luchtkwaliteit. Daar wordt geconcludeerd dat het project kan worden beschouwd als een nibm-project. Dat is een project dat niet in betekende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het plangebied zodanig dat de normen voor een goed woonklimaat worden gewaarborgd. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven, zo staat in de plantoelichting. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Over de verwijzing van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] naar de GGD-richtlijn in het kader van gezondheid overweegt de Afdeling dat deze richtlijn gaat over veehouderijen.

Het plan voorziet echter niet in een mogelijkheid voor veehouderijen. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad desondanks deze richtlijn bij zijn besluitvorming had moeten betrekken. Het betoog slaagt niet. Bedrijfsvoering 12. [appellante sub 1] en anderen betogen dat de bestaande bedrijven van [appellante sub 1] en anderen door de geluidzone in hun geluidruimte worden beperkt. Zij wijzen erop dat die beperking is opgelegd in de vorm van maatwerkvoorschriften. Hierdoor worden volgens hen met name de kleinere bedrijven beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden, omdat eerst moet worden beoordeeld of de ontwikkeling past in de geluidzone. 12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het vastleggen van maatwerkvoorschriften noodzakelijk was voor goed zonebeheer. Er was een overschrijding van de geluidzone ontstaan en de gemeente was verplicht deze ongedaan te maken. Het was noodzakelijk om de standaard geluidruimte die voor type B-bedrijven van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt te verkleinen, en de gemeente heeft dat gedaan door het vaststellen van maatwerkvoorschriften. Bij de bedrijven is door de gemeente onderzoek gedaan welke geluidruimte nodig is voor de bedrijfsvoering en deze ruimte is vastgelegd. Elk bedrijf kon daartegen rechtsmiddelen aanwenden. 12.2.

Voor zover [appellante sub 1] en anderen betogen dat zij als gevolg van de maatwerkvoorschriften in hun uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt, overweegt de Afdeling dat deze maatwerkvoorschriften in deze procedure niet voorliggen. Voor zover [appellante sub 1] en anderen betogen dat het plan met de geluidzone ten onrechte de uitbreidingsmogelijkheden beperkt, heeft de raad hiermee naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs geen rekening hoeven houden. Daarvoor is van belang dat niet is gebleken van concrete plannen van [appellante sub 1] en anderen daartoe.

8

Het betoog slaagt niet. Aanbevelingen brandweer en FUMO 13. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] stellen dat het onduidelijk is hoe de aanbevelingen van de brandweer en de FUMO in het plan zijn geborgd. 13.1. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat om inzicht te krijgen in de risico’s vanwege het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, door de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (hierna: FUMO) een externe veiligheidsonderzoek is uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het document "Advies Externe veiligheid inzake ‘Bestemmingsplan ‘Feanwâlden-Súd’" van augustus 2021, dat is opgenomen in bijlage 4 bij de plantoelichting. Daarnaast staat in deze paragraaf dat op 8 juni 2017 advies is uitgebracht door de Brandweer Fryslân. Dit advies is opgenomen in bijlage 5 bij de plantoelichting. In de plantoelichting wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van het plan, mits de adviezen van de FUMO en Brandweer Fryslân worden opgevolgd. 13.2. De raad stelt dat de adviezen zijn opgevolgd. In het verweerschrift is toegelicht dat in het advies van de FUMO de mogelijk relevante risicobronnen voor dit plan zijn opgesomd.

Dit zijn inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over wegen en transport van gevaarlijke stoffen over het spoor. Alle conclusies uit dit advies zijn verwerkt in de regels en/of op de verbeelding. Dit is gedaan door het aanbrengen van de nadere aanduiding "veiligheidszone bedrijf" op de verbeelding met de daaraan verbonden regels en het niet bij recht mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbaar objecten binnen de 1% dan wel 100% letaliteitszone. Bij het transport van gevaarlijke stoffen over wegen en het spoor is gebleken dat het treffen van nadere maatregelen niet nodig is. 13.3. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben geen gronden naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat de aanbevelingen desondanks niet goed zijn geborgd. Het betoog slaagt niet. Gebiedsbescherming 14. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] betogen dat significante gevolgen op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. 14.1. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste zich verzet tegen vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond. 14.2.

[appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] beroepen zich op de normen die zijn neergelegd in bepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb). Uit de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 (hierna: de overzichtsuitspraak), onder 10.49 en 10.51, volgt dat de bepalingen in de Wnb over de beoordeling van onder meer plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken tot bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Als een natuurlijk persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Uit de overzichtsuitspraak, onder

9

10.51, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Uit de overzichtsuitspraak, onder 10.53, volgt verder dat de bepalingen in de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, kennelijk niet strekken tot bescherming van bedrijfseconomische belangen, waaronder het concurrentiebelang. Zo strekken deze bepalingen niet tot bescherming van belangen van degene die eigendommen heeft buiten de begrenzing van het betrokken Natura 2000-gebied en die vreest dat hij door een bestemmingsplan in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Deze bepalingen strekken bijvoorbeeld ook niet ter bescherming van het bedrijfseconomische belang van een appellant die vreest dat minder depositieruimte voor zijn bedrijf overblijft als de in het door hem bestreden bestemmingsplan mogelijk gemaakte bedrijvigheid een deel van de depositieruimte in gebruik neemt. 14.3.

Het belang van [appellante sub 1] en anderen, voor zover het betreft de natuurlijke personen, en het belang van [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], is gelegen in het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving. De afstand tussen het plangebied, waar het merendeel van de woningen van appellanten is gelegen, en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Groote Wielen" bedraagt ongeveer 5 km. Gelet op deze afstand maakt dat Natura 2000-gebied geen onderdeel uit van de leefomgeving van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]. De normen in de Wnb over de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van hun belang. Daarnaast is het belang van [appellante sub 1] en anderen bedrijfseconomisch van aard, voor zover het beroep is ingesteld namens de bedrijven. Zij vrezen immers dat er minder depositieruimte voor hun bedrijven overblijft als de in het plan mogelijk gemaakte bedrijvigheid een deel van de depositieruimte in gebruik neemt. De normen in de Wnb over de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van hun belang. 14.4.

Voor zover [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] betogen dat een passende beoordeling had moeten worden gemaakt en om die reden ook een nieuwe MER had moeten worden opgesteld, beroepen zij zich op artikel 7.2a van de Wm. Zoals hiervoor is overwogen, strekken de bepalingen uit de Wnb kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B]. Een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste brengt met zich dat belanghebbende die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Wnb omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich ook niet kunnen beroepen op die normen ten behoeve van het betoog dat een MER moest worden gemaakt (vergelijk overweging 10.87 van de overzichtsuitspraak). 14.5. Voor zover [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] op de zitting hebben gewezen op de aanvullende stikstofberekeningen in het nadere stuk van de raad van 27 juli 2022, waaruit volgt dat significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, en zich op het standpunt hebben gesteld dat het plan gelet hierop niet uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling als volgt. Het relativiteitsvereiste met zich brengt dat belanghebbenden die zich niet kunnen

10

beroepen op een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, omdat die bepaling kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen, evenmin schending van die norm aan hun betoog dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is ten grondslag kunnen leggen (vergelijk overweging 10.31 van de overzichtsuitspraak). 15. Gelet op het voorgaande staat het relativiteitsvereiste in de weg aan een vernietiging van het besluit vanwege de beroepsgronden over stikstof. De Afdeling bespreek deze beroepsgronden van [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] daarom niet inhoudelijk. Afspraken met de provincie 16. [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] voeren over de mogelijkheid voor uitbreiding van het bedrijventerrein aan dat het niet redelijk is om de in 2010 en 2014 gemaakte afspraken met de provincie ten grondslag te leggen aan de motivering van het bestemmingsplan. Er hebben zich daarna namelijk wijzigingen voorgedaan in beleid, wet- en regelgeving en het politieke klimaat. 16.1. De raad stelt dat in het kader van de bestemmingsplanprocedure contact is geweest met de provincie in de vorm van vooroverleg, inspraak en zienswijze. Daarnaast is volgens de raad in de plantoelichting beschreven dat het plan in overeenstemming is met provinciaal beleid- en regelgeving. 16.2.

De Afdeling ziet in wat [appellante sub 1] en anderen en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen. De enkele stelling dat zich wijzigingen hebben voorgedaan in beleid, wet- en regelgeving en het politieke klimaat, is daarvoor onvoldoende. Het betoog slaagt niet. Omgevingsvergunning rubberverwerker 17. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] voeren aan dat op basis van het vorige bestemmingsplan van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend voor de vestiging van een nieuwe lawaaimaker in het plangebied, namelijk een rubberverwerker. Deze rubberverwerker moest haar huidige plek in het oosten van het land verlaten vanwege milieuovertredingen. Het bezwaarschrift dat [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] op 30 juli 2021 tegen die vergunning hebben ingediend, wordt in deze procedure herhaald en ingelast. 17.1. De Afdeling overweegt dat in deze procedure uitsluitend het bestemmingsplan, zoals vastgesteld op 5 juli 2021, ter discussie staat. Dat betekent dat wat [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] hebben aangevoerd over de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de rubberverwerker niet in deze procedure aan de orde kan komen. Herhalen en inlassen zienswijze 18.

Waar [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] voor het overige verzoeken de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzennota is ingegaan op die zienswijze. Visser en [appellant sub 5B] hebben in hun beroepschrift en op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze onjuist of onvolledig zou zijn. Conclusie

11

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 9.3 en 9.4 is het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. 20. Afdeling zal onder de eindconclusie van deze uitspraak bezien tot welke gevolgen dit moet leiden. Het beroep van [appellant sub 2] 21. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 7] in Feanwâlden. Hij kan zich in het bijzonder en om meerdere redenen niet verenigen met artikel 3.6 planregels, waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de percelen in de omgeving van zijn woning te wijzigen van "Agrarisch" naar "Bedrijventerrein". Ook kan hij zich niet verenigen met artikel 22 van de planregels, waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om onder meer die bestemming vervolgens weer te wijzigen in het toestaan van zonnepanelen in grondopstelling. 21.1. Aan de gronden ten noorden van de woning van [appellant sub 2] is de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" toegekend. Op grond van artikel 3.6 van de planregels kan de agrarische bestemming die geldt voor deze gronden, onder meer worden gewijzigd in de bestemming "Bedrijventerrein", als aan de in het artikel vermelde voorwaarden wordt voldaan.

Op grond van artikel 22 van de planregels kan onder meer de bestemming "Bedrijventerrein" worden gewijzigd voor het plaatsen van zonnepanelen in grondopstelling, als aan de in het artikel vermelde voorwaarden wordt voldaan. Dat betekent dat, nadat gebruik is gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.6 van de planregels en de bestemming is gewijzigd naar "Bedrijventerrein", ook artikel 22 van de planregels voor deze gronden geldt. 21.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingplan houdt in dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Daarom moet de raad bij de vaststelling van de wijzigingsbevoegdheid onderzoeken of toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in beginsel mogelijk is. Daarbij dient onder meer vastgesteld te worden dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Artikel 3.6 van de planregels 22.

[appellant sub 2] betoogt dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.6 van de planregels onvoldoende is onderzocht. Zo wijst hij erop dat de raad eraan voorbij is gegaan dat een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt. Volgens hem is ten onrechte niet getoetst aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de mer-richtlijn, zoals de risico’s voor de menselijke gezondheid. Daarnaast heeft de raad ten onrechte geen specifiek onderzoek gedaan naar de behoefte aan de uitbreiding van het bedrijventerrein. Ook is volgens hem onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat. In dat verband acht hij van belang dat, anders dan de raad meent, bij zijn woning sprake is van een rustige woonomgeving. In het bijzonder wijst hij op de aspecten geluid en verkeer. Ook is volgens hem het onderzoek naar flora en fauna gebrekkig

12

en is in de stikstofberekeningen uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. 22.1. Het betoog dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid van artikel 3.6 van de planregels onvoldoende heeft onderzocht, slaagt. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. 22.2. Over de behoefte aan de uitbreiding van het bedrijventerrein, overweegt de Afdeling dat voor zover in de plantoelichting de behoefte aan een bedrijventerrein wordt beschreven, deze is gebaseerd op het rapport "Convenant bedrijventerreinen Noordoost Fryslân 20182025". Dit rapport, waarin op hoofdlijnen afspraken zijn vastgelegd tussen de gemeenten in de regio Noordoost Fryslân en de provincie, bevat echter onvoldoende gegevens om in dit geval te kunnen dienen als een onderzoek naar de actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Dat de noodzakelijkheid van de uitbreiding nog wordt beoordeeld bij een concrete aanvraag, zoals de raad stelt, doet daar niet aan af. Weliswaar is het op grond van artikel 3.1.6, derde lid, van het Bro mogelijk om de beschrijving van de behoefte door te schuiven naar het wijzigingsplan door dat in het bestemmingsplan te bepalen, maar dat is in dit plan niet gedaan. Dat betekent dat de raad deze beoordeling nu al had moeten maken. In zoverre slaagt het betoog. 22.3.

Over het woon- en leefklimaat overweegt de Afdeling dat de raad wel de eis van een goede woonsituatie als toepassingsvoorwaarde aan de wijzigingsbevoegdheid heeft verbonden, maar onvoldoende heeft onderzocht of toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mede gelet daarop in beginsel mogelijk is. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom ook ter plaatse van de woning van [appellant sub 2], op een afstand van meer dan 350 m tot het bestaande bedrijventerrein, kan worden uitgegaan van de richtafstanden die gelden voor gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Daarbij komt dat de kortste afstand tussen het perceel van [appellant sub 2] en de grens van aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied" ongeveer 27 m bedraagt. Dat betekent dat ook als wordt uitgegaan van gemengd gebied, de richtafstand van 30 m niet wordt gehaald. Daarnaast overweegt de Afdeling over het aspect verkeer dat uit paragraaf 4.4.1 van de plantoelichting volgt dat de raad bij het onderzoek naar de gevolgen van de wijzigingsbevoegdheid slechts de uitbreiding op een beperkt deel van de gronden waarvoor de wijzigingsbevoegdheid geldt heeft betrokken. In zoverre slaagt het betoog. 22.4.

Over de soortenbescherming overweegt de Afdeling dat aan het plan de rapporten "Advies natuurwaarden Feanwâlden-Súd" van 7 maart 2018 (hierna: het natuurrapport van 2018) en "Actualisatie natuurtoets Feanwâlden-Súd" van 7 juni 2021 (hierna: het actualisatierapport van 2021) van BügelHajema ten grondslag zijn gelegd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich niet op basis van deze rapporten op het standpunt kunnen stellen dat de Wet natuurbescherming op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat in het rapport van 2021 wordt geconcludeerd dat onvoldoende beeld is ontstaan van de aan- of afwezigheid van nesten van jaarrond beschermde vogels, zoals de boomvalk, en van de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in bomen, zodat daarnaar nog nader onderzoek nodig is. Dat nadere onderzoek heeft niet plaatsgevonden. In zoverre slaagt het betoog. 22.5. Over de stikstofberekeningen in het kader van de gebiedsbescherming overweegt de Afdeling dat, zoals ook hiervoor overwogen onder 14.2 tot en met 14.4, het relativiteitsvereiste aan een eventuele vernietiging van het plan op basis van deze beroepsgrond in de weg staat. Om die reden gaat de Afdeling niet over tot een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. 23. De Afdeling ziet gelet op de hiervoor geconstateerde gebreken geen aanleiding om de

13

overige beroepsgronden van [appellant sub 2] over artikel 3.6 van de planregels te bespreken. Artikel 22 van de planregels 24. [appellant sub 2] betoogt dat artikel 22 van de planregels, waarmee de gronden binnen de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsbevoegdheid" na gebruikmaking van artikel 3.6 van de planregels kunnen worden gewijzigd voor het plaatsen van zonnepanelen in grondopstelling, niet heeft getoetst aan de zogeheten zonneladder van artikel 9.5.1 van de provinciale verordening, het gemeentelijke "Beleidskader zonne-energie 2020" en het amendement op dit beleidskader inhoudende dat geen zonneprojecten worden toegestaan op landbouw- en natuurgronden. 24.1. De raad stelt dat is getoetst aan actueel beleid. In het plan is volgens de raad aangesloten bij de provinciale verordening "Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon)". Bovendien is het amendement op het Beleidskader zonne-energie 2020, om geen zonneprojecten toe te staan op landbouw- en natuurgronden, verwerkt in het bestemmingsplan "Feanwâlden-Súd". 24.2. De Afdeling stelt vast dat in artikel 22 van de planregels voorwaarden zijn opgenomen voor het gebruikmaken van de wijzigingsbevoegdheid. Deze voorwaarden komen overeen met artikel 9.5.1 van de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (zon).

Het is de Afdeling echter niet gebleken dat de raad bij de vaststelling van het plan heeft onderzocht of het gebruikmaken van de bevoegdheid, mede gelet op die voorwaarden, in beginsel mogelijk is. Gelet hierop heeft de raad de onderzoeksplicht naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van zonnepanelen in grondopstelling ten onrechte volledig doorgeschoven naar het moment waarop de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast. Het betoog slaagt. Bescherming van natuur buiten de EHS 25. [appellant sub 2] betoogt dat niet is ingegaan op het belang van het nationale landschap. Hij wijst in dit verband op de strook waaraan in de Verordening Romte Fryslân 2014 een natuurbestemming toegekend. 25.1. De raad stelt dat in de ecologische onderzoeken wel degelijk de invloed van de planontwikkeling op het nabijgelegen gebied met de bestemming "Natuur" is onderzocht. De raad wijst daartoe op paragraaf 3.3 van het natuurrapport 2018 en op p. 10 van het actualisatierapport 2021, die zijn opgenomen als bijlage 6 en 6a bij de plantoelichting. 25.2. In paragraaf 3.3 van het natuurrapport 2018 staat dat de houtsingel ten noorden van het plangebied, direct langs de spoorlijn, in het kader van de Verordening Romte Fryslân is aangewezen als Natuur buiten het NNN. De ontwikkelingen hebben volgens het natuurrapport geen betrekking op deze gronden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=gemeentedantumadiel&id=453fdc8b-5c3f-496d-8c86-c3f131b15d39