1.8 Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA _03-12-2025
Tekst van het document
Onderzoek
Het projectgebied is gelegen in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het wetterskip is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater. Voor het planvoornemen is de watertoets doorlopen. Het advies van de watertoets is als Bijlage 4 bijgevoegd. Hieronder staan de eventuele wateraspecten die van invloed zijn op het plan en aandachtspunten om mee rekening te houden. Bij de verschillende punten is benoemd hoe hier rekening mee is gehouden in het plan. Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater.
Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel.
Tabel 4. Compensatie normen
Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. In de bestaande situatie is er 2.052 m2 (bebouwing 1.240 m2 + verharding 812 m2 ) aan verhard oppervlak aanwezig. In de toekomstige situatie wordt er 3.568,5 m2 (bebouwing 2.000 m2 + verharding 1.175 m2 + semiverharding (tuinen en parkeerterrein) 787 m2 x 0,5 = 393,5 m2 ) gerealiseerd. De toename verharding bedraagt daarmee 1.516,5 m2 en is compensatie noodzakelijk. In het plangebied wordt de aanwezige schouwwatergang met 850 m2 verbreed waarmee ruimschoots aan de compensatieopgave wordt voldaan.
23
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
5.2.3
Aanvullend wateradvies 16 januari 2025
Naar aanleiding van de uitgevoerde watertoets (zie 5.2.2 en Bijlage 4) heeft het Wetterskip aanvullend wateradvies uitgebracht (Bijlage 5). Onderstaand zijn deze punten opgenomen en waar nodig van een reactie voorzien hoe met het punt wordt omgegaan in het plan. 1.
2.
Het betreft de sloop van een bestaande gebouw en verwijderen van verharding (2052 m2 ) en het realiseren van 27 appartementen en 4 grondgebonden woningen met daarbij behorende maatschappelijke ruimtes aan de Willemstrjitte 27, 9104 EL te Damwâld. In totaal is er een toename van 1.516,5 m2 verharding in landelijk gebied. Dit betekend dat de toename verharding boven de gestelde norm komt en er minimaal 152 m2 gecompenseerd dient te worden. In de situatietekening met dossiernr. 1331 en tekeningnummer 201A van datum 23-04-2024 is een forse verbreding van de schouwwatergang ingetekend. De verbreding realiseert een extra wateroppervlak van 850 m2 , hierbij wordt ruimschoots aan de compensatienorm voldaan.
Reactie: Deze opmerkingen worden voor kennisgeving aangenomen en vragen geen verdere verantwoording. 3.
4.
De huidige overige watergangen, ten oosten en westen van het plan zullen worden aangemerkt als schouwwatergang i.v.m. derden belang wat er op wordt gevestigd. Deze twee watergangen zullen de aan- en afvoer van de compenserende watergang en de toename verharding moeten waarborgen. Wij vragen jullie daarom deze watergangen op te schonen (licht profileren en baggeren), zodat de aan- en afvoer van de 27 appartementen en 4 woningen geborgd is voor nu en in de toekomst. Graag zien wij in het ruimtelijk plan verwerkt hoe de huidige en toekomstige schouwwatergangen worden onderhouden. Wanneer de watergang te breed is voor eenzijdig onderhoud, dient er rekening te worden gehouden met een onderhoudpad aan weerzijden van de watergang, dit lijkt goed ingetekend. Afspraken voor eenzijdig of tweezijdig onderhoud (waarbij de helft voor ieder een groter oppervlak betreft) dienen notarieel vastgelegd te worden.
Reactie: Op tekening (zie Bijlage 1) is langs de randen van het perceel, langs de bestaande sloten een obstakelvrije zone van 3 meter aangehouden t.b.v. onderhoudswerkzaamheden aan de sloten. Deze sloten zullen dan ook uitgebaggerd worden en onderhouden door de initiatiefnemer. 5.
Bij de realisering van bebouwing en het aanleggen van verharding is het nodig om rekening te houden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding te voorkomen. We adviseren voor bebouwing met kruipruimte een drooglegging van 1,10 m en voor bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van 0,70 m gerekend vanaf de te realiseren bovenkant vloer. Ook voor verharding adviseren wij een drooglegging van 0,70 m. De bouwlocatie ligt in een peilgebied met een zomerpeil van -0,50 m NAP. Wij adviseren u om bij het bepalen van de aanleghoogte rekening te houden met de droogleggingsnorm, op deze manier is er ook voldoende hoogte rekening houdend met het maatgevend boezempeil van 0,01 m NAP.
Reactie: Op Geoweb is een nabijgelegen peilbout zichtbaar. Hiervan zijn geen hoogtematen ten opzicht van NAP bekend. Wij interpreteren de reactie van het Wetterskip dat het zomerpeil van het grondwater -0.5m NAP is. Het maaiveld van het plangebied zou dan minimaal op een hoogte van +0.6m NAP moeten hebben. Er is sprake van een bestaande locatie waar al een gebouw staat. De gemeente zal adviseren om hetzelfde bouwkundige peil aan te houten. Hoe zich dat verhoudt tot NAP is niet bekend. 6.
Mocht er onder de woningen en/of appartementen op de begane grond een kelder/souterrain worden gerealiseerd, dan adviseren wij het volgende. Wij adviseren om ondergrondse constructies zoals een
24
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
kelder altijd waterdicht aan te leggen om (toekomstige) wateroverlast te voorkomen. Ook als een kelder in de bestaande situatie boven de heersende grondwaterstand wordt aangelegd is het advies om deze waterdicht te realiseren. Zo ontstaat bij toekomstige stijgingen in de grondwaterstand geen wateroverlast. De initiatiefnemer is hier zelf verantwoordelijk voor. In veel gevallen is het voor de realisatie van een kelder nodig om het grondwater te verlagen. Voor het onttrekken van grondwater is een vergunning of melding nodig. Ook het lozen van onttrokken grondwater is meldingsplichtig. Om te weten of voor de onttrekking met een melding volstaan kan worden of een vergunning nodig is, kan contact opgenomen worden met de Vakgroep Vergunningverlening van Wetterskip Fryslân. Reactie: Overeenkomstig het advies van het Wetterskip zullen kelders en liftputten waterdicht aangelegd worden. Indien nodig zal contact worden gelegd met het Wetterskip. 7.
Naast water robuust bouwen door voldoende aanleghoogte zijn problemen als droogte en hittestress belangrijke aandachtspunten om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren in steden en dorpen. Woningen, tuinen en de openbare ruimte moeten worden ingericht met het oog op de toekomst. Ter voorkoming van hittestress is te denken aan de aanleg van een groene buitenruimte, maar ook aanpassingen aan woningen in de vorm van extra isolatie of groene daken. Voor het tegen gaan van droogte is te denken aan de opslag van regenwater voor gebruik in droge tijden. Meer informatie over klimaatadaptie kun je vinden op de Friese klimaatatlas.
Reactie: Het gehele terrein kent een stevige groenstructuur waardoor aan bovengestelde uitgangspunten ruimschoots wordt voldaan. 8.
Wanneer de gemeente plannen heeft voor het afkoppelen van hemelwater op het oppervlaktewater kan de gemeente dit afstemmen met de gemeentelijk contactpersoon van Wetterskip Fryslân. Bij uitwerking van het plan moet worden gekeken of het watersysteem het aan kan als er verhard oppervlak wordt afgekoppeld. Het afkoppelen kan tot gevolg hebben dat het watersysteem zwaarder wordt belast. Dit is afhankelijk van hoe vaak er nu sprake is van een overstortsituatie. Ook als afgekoppeld wordt naar een ander peilvak is het belangrijk eerst te kijken of dit peilvak voldoende berging heeft. Doel van het afkoppelen moet zijn dat de totale situatie er netto beter op wordt.
Reactie: Het hemelwater zal worden afgevloeid naar het oppervlaktewater (aangrenzende sloten). Hiermee ontzien we het gemeentelijk riool. Met het uitbaggeren en onderhouden van deze sloten is iniatiefnemer van mening dat dit geen probleem hoeft te zijn. Indien nodig wordt contact gelegd met het Wetterskip. 5.2.4
Aanvullende afspraken 11 maart 2025
Naar aanleiding van ingediende watertoets (zie paragraaf 5.2.2) en het aanvullend advies (zie paragraaf 5.2.3) is er contact geweest met het Wetterskip over de mogelijkheid om de oostelijk en westelijke sloot van het projectgebied niet aan te wijzen als schouwwatergang en dit op te lossen in de noordelijk en zuidelijke sloot van het perceel. Daarop is vervolgens contact geweest met de rayonbeheerder van Wetterskip Fryslân en zijn de volgende afspraken gemaakt aanvullend op / afwijkend van het eerder afgegeven advies: De huidige watergangen ten oosten en westen van het plangebied worden wel verbreed maar niet aangemerkt als schouwwatergang; Om voldoende oppervlaktewater te realiseren voor de compensatie wordt een deel van de watergang noord van het plan verbreed tot een vijver; De watergangen noord en zuid van het plangebied blijven schouwwatergang en worden onderhouden door de aanliggende eigenaar; De dam aan de noordkant wordt verbreed tot 8.5 meter. Hiervoor verwijst het Wetterskip naar paragraaf 4.7 over dam en duikers in de waterschapsverordening. Artikel 4.35 geeft de algemene
25
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
regels weer die hierop van toepassing zijn. Als daaraan wordt voldaan geeft artikel 4.36 aan of deze aanpassing toestemmingsvrij is. Tot slot geeft artikel 4.37 informatie over de meldingsplicht. 5.2.5
Conclusie
Bij de nadere planuitwerking wordt rekening gehouden met de adviezen. Het plan is wat betreft water niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Toetsingskader
Een project moet in beginsel worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl). Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Dit hangt af van de uitkomst van de NIBM-tool.
5.3.2
Onderzoek
Voor onderhavig project is mogelijkheid 1 aan de orde. Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van 31 woningen. De gevolgen van woningbouw voor de luchtkwaliteit zijn in veel gevallen klein. Voor de categorie woningbouwlocaties geldt een getalsmatige grens van: ca 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg ca 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling Het planvoornemen blijft ruimschoots onder de hiervoor genoemde grenzen. Het planvoornemen kan als 'nibm' worden beschouwd. Daarnaast is de gemeente Dantumadiel en omstreken geen aandachtsgebied in het kader van luchtkwaliteit. 5.3.3
Conclusie
Het project is niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit en daarmee niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
5.4
Geluid door (bedrijfsmatige) activiteiten
5.4.1
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan of de BOPA moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan of de BOPA in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).
26
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
5.4.2
Onderzoek
De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op geluidgevoelige gebouwen. Andere gebouwen en locaties reguleert het Bkl niet. Het Rijk laat de bescherming van overige gebouwen en locaties over aan decentrale overheden. Het project voorziet in het oprichten van geluidgevoelige functies, in dit geval woningen. De realisatie van woningen kan een activiteit zijn die mogelijk leidt tot een situatie die in strijd kan worden geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of als de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving. Daarom moet worden gekeken naar (geluid)hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied ten zuidwesten van het dorp Damwâld. In de directe omgeving van het projectgebied zijn diverse functies aanwezig. De omgeving bestaat voornamelijk uit woonbestemmingen en het buitengebied, met agrarische gronden. Op het adres Willemstrjitte 26 is naast de woonbestemming ook een bedrijf/detailhandel toegestaan. Er bevindt zich direct ten westen van het plangebied een paardenhouderij. Het dichtstbij en het meest relevant voor dit voornemen is de bedrijvigheid van de paardenhouderij direct ten wesen van het projectgebied.
Dit bedrijf kan in potentie hinder veroorzaken (geur en geluid). De afstand tussen de nieuw te realiseren woningen en de grens van het agrarisch bedrijf bedraagt minimaal 60 meter waarbij het gebied tussen de grens van de bestemming 'Agrarisch' en de woningen is ingericht als groen met bomen en bossages en vormt daarmee een natuurlijke bufferzone. De nieuw te realiseren woningen komen op eenzelfde afstand als waar nu nog het voormalig dagbestedingsgebouw staat. Ook dit is, net als woningen, een geluidgevoelig gebouw. Er treedt in dit kader geen wijziging op ten opzichte van de bestaande situatie. Niet is gebleken dat deze afstand bezwaarlijk wordt geacht. Het bedrijf heeft op basis van de richtafstandenlijst van de VNG de milieucategorie 3.1 met een bijbehorende minimale richtafstand van 50 meter. Hierbij is geur de bepalende afstand (50 meter). In paragraaf 5.7 is nader ingegaan op het aspect geur. De afstand voor geluid is voor dit type bedrijf kleiner (30 meter). Met een afstand van minimaal 60 meter en het feit dat de afstand tussen het bedrijf en de gevoelige functie niet wijzigt wordt ruimschoot aan de richtafstanden voldaan. 5.4.3
Conclusie
Het plan is wat betreft geluid door (bedrijfsmatige)activiteiten niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
5.5
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.5.1
Toetsingskader
Het Bkl regelt verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving, waaronder ook omgevingsgeluid, met inbegrip van geluidsoverlast door wegverkeer. In het Bkl zijn normen en regels opgenomen die van toepassing zijn op geluidsoverlast veroorzaakt door wegverkeer op geluidgevoelige gebouwen. Wegen met een verkeersintensiteit onder de 1.000 mvt per etmaal vallen niet onder de instructieregels van het Bkl (Artikel 5.78i. Bkl). In feite bestaat er voor deze wegen dus geen standaardwaarde en geen grenswaarde, er hoeft daar daarom ook niet aan te worden getoetst. Voor wegen met een verkeersintensiteit onder de 1.000 mvt per etmaal kan (over het algemeen) worden aangenomen dat er vanwege de geringe verkeersintensiteit altijd sprake is van een goed woon en leefklimaat/ETFAL. Mocht er sprake zijn van een situatie waarbij de woning bijvoorbeeld zeer dicht op de weg gesitueerd is en/of de verkeersintensiteit bijna 1.000 mvt per etmaal is, kan het wellicht in het kader
27
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
van ETFAL handig zijn om toch een onderzoek te laten uitvoeren. Indien de woning op redelijk ruime afstand van de weg gelegen is, en de verkeersintensiteit ruim onder de 1.000 mvt ligt kan je eigenlijk wel met zekerheid stellen dat de standaardwaarden niet worden overschreden. 5.5.2
Onderzoek
De instructieregels uit het Bkl hebben uitsluitend betrekking op geluidgevoelige gebouwen. Andere gebouwen en locaties reguleert het Bkl niet. Het Rijk laat de bescherming van overige gebouwen en locaties over aan decentrale overheden. Het projectgebied bevindt zich aan de Willemstrjitte 27 en deze weg wordt met name gebruikt voor bestemmingsverkeer en daarmee is er sprake van lage verkeersintensiteiten die ruim onder de 1.000 motorvoertuigen per etmaal blijven. Geluidhinder ten gevolge van de weg op de gevel van de te bouwen gebouwen op het perceel Willemstrjitte is niet aannemelijk. Verwacht mag worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege geluid van wegverkeer. Nader onderzoek is niet aan de orde. 5.5.3
Conclusie
Het plan is wat betreft geluid door wegen niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
5.6
Bodem
5.6.1
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl). Bodemkwaliteit is van belang voor elk omgevingsplan dat verblijfsgebouwen toelaat. Voor zulke situaties moet het omgevingsplan regels bevatten. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). 5.6.2
Onderzoek
Door WMR is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geldt, ten aanzien van de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem geen belemmering voor het beoogde gebruik ten behoeve van wonen. Daarnaast is door Qualis een asbestinventarisatie uitgevoerd (Bijlage 8). In het te slopen pand is asbest aangetroffen. Bij de sloop van het pand zal hier rekening mee gehouden worden. 5.6.3
Conclusie
Het plan is wat betreft bodem niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
5.7
Geur
5.7.1
Toetsingskader
Bkl De instructieregels over geur zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. De instructieregels zijn
28
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Er zijn voor een paar activiteiten specifieke geurregels opgenomen, zoals veehouderijen en rioolwaterzuiveringsinstallatie. Voor andere activiteiten bepaalt het Bkl dat een ruimtelijk besluit ervoor moet zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld. Bruidsschat Voor het aspect 'geur' zijn ook de artikelen 22.97, 22.101 en 22.103 uit de bruidsschat relevant. De afstand voor geur wordt gemeten vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf (artikel 22.97). De afstand van een dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouw-huisdieren of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, mag niet kleiner zijn dan: 100 m binnen de bebouwde kom; 50 m buiten de bebouwde kom. Wanneer de gemeente een Geurverordening geurhinder en veehouderij heeft vastgesteld, mag hier van worden afgeweken en mogen de afstanden die genoemd zijn in de geurverordening worden aangehouden. De gemeente Dantumadiel heeft een verordening geurhinder en veehouderij Dantumadiel vastgesteld.
Hierin zijn andere waarden voor de afstand in zowel bebouwde kom als het buitengebied opgenomen: binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter; buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter. De geurverordening is enkel van toepassing op bedrijven die in de bijlage van de Geurverordening voorkomen. De betreffende manege is niet in deze lijst opgenomen waardoor de afwijking zoals opgenomen in de geurverordening niet van toepassing is op dit planvoornemen en moet voor dit planvoornemen uitgegaan worden van de afstanden zoals opgenomen in de bruidsschat. 5.7.2
Onderzoek
De instructieregels in het Bkl wijzen geurgevoelige gebouwen aan die in ieder geval beschermd moeten worden (artikel 5.91 Bkl). Hieronder vallen onder andere gebouwen met een woonfunctie. Onder gebouwen met een woonfunctie vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. De aanwijzing van geurgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfunctie van een ander Omgevingswetsinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De te realiseren woningen zijn geurgevoelig. Het emissiepunt van de naast het projectgebied gelegen manege ligt op circa 80 meter tot de rand van het projectgebied en op circa 140 meter tot de gevel van de te realiseren woningen. Deze afstand is groter dan de minimale afstand van 50 meter die geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf tot een geurgevoelig object. 5.7.3
Conclusie
Het plan is wat betreft geur niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
29
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
5.8
Stofhinder
5.8.1
Toetsingskader
De Omgevingswet bevat geen specifieke landelijke regels voor stofhinder veroorzaakt door maneges. Maneges vallen namelijk niet onder de definitie van 'landbouwhuisdier' in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), omdat de paarden niet voor productie- of fokdoeleinden worden gehouden. Hierdoor zijn de algemene rijksregels uit het Bal niet van toepassing op maneges. Echter, in de 'bruidsschat' van het omgevingsplan zijn wel milieuregels opgenomen die van toepassing zijn op maneges. Deze regels zijn bedoeld om hinder, zoals geluid- en geurhinder, te voorkomen of te beperken. Hoewel stofhinder niet expliciet wordt genoemd, geldt de zorgplicht uit de bruidsschat. 5.8.2
Onderzoek
Bij dit plan is geen sprake van activiteiten waarvoor vanuit het Bkl of de Bruidsschat specifieke (instructie)regels gelden. Stofhinder is een milieuthema waarvoor in de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering 2009 richtafstanden waren opgenomen. De nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024 vervangt de veelgebruikte publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009. Om de volgende redenen is het thema stofhinder niet opgenomen in de de milieuzonering nieuwe stijl. In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan verschillende regels om stofhinder te voorkomen al direct buiten de inrichting, dus los van de ligging ten opzichte van de woonomgeving. Die regels hebben betrekking op zowel puntbronemissies (zoals een puinbreker) als emissies door de op- en overslag van goederen in de buitenlucht. Voor die laatste geldt bijvoorbeeld dat wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is; verontreiniging van de omgeving wordt zoveel mogelijk beperkt (artikel 3.32 lid 1 onder a Activiteitenbesluit). Daarnaast zijn andere milieuthema’s zoals geluid, geur en gevaar maatgevend voor de milieubelasting en de aan te houden afstanden tussen bedrijven en woningen.
Omdat er nog geen nieuwe regelgeving is die specifiek ziet op stofhinder van maneges wordt in dit geval nog aansluiting gezocht bij de VNG-uitgave bedrijven en milieuzonering 2009. Op basis van deze VNG handreiking moet voor het aspect stof een richtafstand worden gehanteerd van 30 meter. De afstand tussen de paardenbak en de woningen bedraagt minimaal 67 meter waarbij het gebied tussen de paardenbak en de woningen is ingericht als groen met bomen en bossages en vormt daarmee een natuurlijke bufferzone. Deze groene bufferzone is toegepast over de gehele westzijde van het plangebied. Aan de richtafstand wordt voldaan. Aanvullend kan worden geredeneerd dat in de huidige situatie het voormalig dagbestedingsgebouw op eenzelfde afstand van de paardenbak is gelegen en dat niet is gebleken dat die afstand bezwaarlijk wordt geacht. Er zijn namelijk geen bezwaren uit de omgeving bekend met betrekking op mogelijke stofhinder van de paardenbak. Uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2013:2412) blijkt dat de Afdeling een dergelijke motivering niet onredelijk acht. De mate van hinder kan daardoor nooit dermate hoog zijn dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Met oog op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er wat geur betreft geen beperkingen zijn voor het planvoornemen. 5.8.3
Conclusie
Het plan is wat betreft stofhinder niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
30
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
5.9
Ladder voor duurzame verstedelijking
5.9.1
Toetsingskader
Op grond van artikel 5.129g van het Bkl wordt, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden met de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen in en buiten stedelijk gebied, dan wel buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 5.9.2
Onderzoek
1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van het Bkl is een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd: "ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is." Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. In een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de juridische lijn ten aanzien van de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijk uiteengezet (ECLI:NL:RVS:2017:1724). Uit de uitspraak blijkt dat een bestemmingsplan dat voorziet in minder dan 11 woningen niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling zoals deze in het toenmalige Besluit ruimtelijke ordening (Bro) was gedefinieerd. Voor wonen geldt dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De definitie van een stedelijke ontwikkeling uit het Bro is nagenoeg identiek aan de definitie uit het Bkl.
Voor deze BOPA wordt deze uitspraak daarom gebruikt om te beoordelen of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De voorliggende BOPA ziet op de realisatie van 31 woningen. Dit aantal is hoger dan 11 woningen. Er is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. De tweede trede van de Ladder moet worden doorlopen. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt namelijk alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw of groter beslag op de ruimte dan op grond van het huidige planologisch-juridische kader aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Ook kan er sprake zijn van nieuw ruimtebeslag bij een functiewijziging die op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten veroorzaakt. In de bestaande situatie is het projectgebied bestemd als 'maatschappelijk'. In het geldende bestemmingsplan is geen bouwvlak opgenomen maar is bepaald dat ten behoeve van de toegestane functie 'begeleid wonen en werken' maximaal 1.460 m2 aan gebouwen mogen worden gebouwd. Op basis van de inrichtingstekening neemt de verharding ten opzichte van de huidige situatie met circa 1.500 m2 toe en wordt een woonfunctie toegekend en neemt de bouwhoogte ook toe. Hiermee neemt het planologisch ruimtebeslag toe. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3.
Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang
31
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de gemeente Dantumadiel binnen de woonregio Noordoost-Fryslân. 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? De provincies hebben van het Rijk de wettelijke regierol gekregen om ruimtelijk invulling te geven aan volkshuisvestelijke behoefte. Provincies vullen dit met name kwalitatief in en maken hierover beleidsmatige afspraken met regio's/gemeenten. Door de druk op de woningmarkt vraagt het Rijk tijdelijke overprogrammering tot maximaal 130% (harde en zachte plancapaciteit). Aansluitend op deze vraag zet de Provincie Fryslân in op een experiment met de woonregio Noordoost-Fryslân, waaronder gemeente Dantumadiel valt. Dit experiment heeft een looptijd tot en met 2025. In dit experiment wordt de bandbreedte (woningbehoefte) losgelaten. In halfjaarlijkse bestuurlijke overleggen wordt de balans van de woningmarkt in de regio Noordoost-Fryslân besproken. De provincie geeft daarbij vrijheid aan de woonregio Noordoost-Fryslân bij het programmeren van zowel binnen- als buitenstedelijke projecten. Het uitgangspunt hierbij is dat binnenstedelijke programmering voor buitenstedelijke programmering gaat. Afspraken met de provincie hebben ertoe geleid dat de provincie zich verder terugtrekt.
De gemeenten krijgen meer regie, wat ervoor zorgt dat ze flexibeler zijn in de ontwikkeling van bouwplannen en daardoor sneller te werk kunnen gaan. De verantwoordelijkheid voor afweging en onderbouwing van welke plannen wel en niet doorgaan ligt nu bij de gemeente. De initiatiefnemer heeft voor de voorgenomen ontwikkeling een principeakkoord van de gemeente Dantumadiel ontvangen. De gemeente heeft daarmee aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan onderhavig project. Het planvoornemen past derhalve binnen de afspraken en voorziet daarmee in de aanwezige behoefte. Daarnaast draagt het project bij aan de doorstroming op de woningmarkt door senioren een passende woonruimte te bieden, waardoor bestaande gezinswoningen vrijkomen. Dit bevordert niet alleen een betere verdeling van woonruimte, maar ondersteunt ook de regionale woningprogrammering. Hierdoor draagt het bij aan een evenwichtige woningmarkt in Noordoost Fryslân. Verder sluit het plan aan bij de versnelling van de woningbouwproductie. Friesland heeft tot 2030 behoefte aan circa 17.500 nieuwe woningen. Door gebruik te maken van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), wordt een bestaande locatie efficiënt herontwikkeld, waardoor de realisatie van de woningen sneller kan plaatsvinden. Dit sluit aan bij de versnellingsafspraken binnen de Woondeal.
Daarnaast sluit de ontwikkeling aan bij de ontwerpvisie Wonen met welzijn & zorg – regio Noordoost Friesland ANNO 2024–2030. In deze visie is vastgelegd hoe de regio toekomstgericht wil voorzien in woonvormen voor ouderen met een (toenemende) zorgbehoefte. Hierbij wordt gewerkt met een indeling in drie zones (basis, medium en compleet), die lokaal functioneel kunnen worden ingevuld zonder aanpassing van de gebouwstructuur. Het plan aan de Willemstrjitte past binnen dit model doordat het inzet op differentiatie in bewoning en samenwerking met zorgaanbieders. Zo ontstaat een flexibel woonconcept waarin ook plaats is voor mensen met een zwaardere zorgvraag. Daarmee wordt niet alleen invulling gegeven aan de volkshuisvestelijke behoefte, maar ook aan een zorgvuldig ruimtegebruik, conform artikel 5.129g van het Bkl. Ook op het gebied van duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit past het plan binnen de uitgangspunten van de Woondeal. De ontwikkeling houdt rekening met landschappelijke inpassing en behoudt bestaande groenstructuren, zoals singels. Dit draagt niet alleen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit van het gebied, maar versterkt ook de herkenbaarheid van het Friese cultuurlandschap.
32
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
Tot slot is het plan afgestemd op de regionale woningbehoefte. De Woondeal benadrukt dat woningbouw moet aansluiten bij de vraag in de regio. Met deze ontwikkeling wordt direct bijgedragen aan het verminderen van de druk op de woningmarkt en het verbeteren van de woonkwaliteit voor ouderen in de regio. In paragraaf 4.4 wordt verder ingegaan op gemeentelijk woonbeleid en in paragraaf 4.3 is ingegaan op de regionale afspraken. 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Het plangebied is gelegen aan de Willemstrjitte 27 in Damwâld en ligt buiten bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied betreft een herontwikkelingslocatie waar reeds een maatschappelijke functie met bebouwing aanwezig was. Binnen het bestaand stedelijk gebied van Damwâld en omliggende dorpen zijn onvoldoende geschikte locaties beschikbaar die voldoen aan de specifieke eisen voor geclusterde woonvormen. Dit heeft onder andere te maken met de ruimtelijke inpassing en de aanwezigheid van noodzakelijke zorgvoorzieningen. De keuze voor deze locatie is mede gebaseerd op de mogelijkheid om een kwalitatieve woonomgeving te creëren die aansluit bij de behoeften van ouderen en de beleidsdoelstellingen van de gemeente en provincie. Bovendien draagt deze herontwikkeling bij aan een efficiënt en duurzaam ruimtegebruik.
Het voorgaande maakt dat er geconcludeerd kan worden dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik bij de voorgenomen ontwikkeling. 5.9.3
Conclusie
Voor de geplande woningen op de beoogde locatie is op basis van de vereisten van de Ladder voldoende kwantitatieve en kwalitatieve Ladderruimte aangetoond. Bovendien sluit de beoogde ontwikkeling aan bij het provinciale, regionale en lokale beleid. Daarmee past de ontwikkeling binnen de vereisten van de Ladder. Het plan is niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
5.10 Archeologie en cultuurhistorie 5.10.1
Toetsingskader
In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van archeologie een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. De provincie Fryslân heeft het initiatief genomen om, zoveel mogelijk in samenwerking met het rijk en de gemeenten, het bodemarchief zo goed mogelijk in kaart te brengen. Dit gebeurt op de FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. De FAMKE biedt informatie over in de provincie bekende of te verwachten archeologische waarden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee onderzoeksperiodes: de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen. De Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geeft informatie over in de provincie bekende cultuurhistorisch waardevolle objecten/elementen. De cultuurhistorische kaart is informatief: de kaart geeft aan welke cultuurhistorische elementen en structuren op provinciale schaal van betekenis zijn. 5.10.2
Onderzoek
In het omgevingsplan zijn voor het plangebied geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Om de archeologische verwachtingswaarde van het plangebied te kunnen bepalen is de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) geraadpleegd. De FAMKE adviseert onderzoek uit te voeren voor ingrepen van meer dan 5.000 m2 .
33
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
Uit paragraaf 5.2 blijkt dat er in de bestaande situatie 2.052 m2 (bebouwing 1.240 m2 + verharding 812 m2 ) aan verhard oppervlak en daarmee geroerde grond aanwezig is. In de toekomstige situatie wordt er 3.962 m2 (bebouwing 2.000 m2 + verharding 1.175 m2 + semiverharding (tuinen en parkeerterrein) 787 m2 ) gerealiseerd en daarnaast wordt de aanwezige schouwwatergang met 850 m2 verbreed. In totaal bedraagt de ruimtelijke ingreep 4.812 m2 . De toename aan geroerde grond neemt in totaal met 2.760 m2 (4.812 m2 minus 2.052 m2 ) toe. Nu de ruimtelijke ingreep een kleinere oppervlakte heeft dan 5.000 m2 , is archeologisch onderzoek niet aan de orde. Daarnaast zijn er op basis van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân geen waarden waarmee rekening moet worden gehouden met betrekking tot dit projectgebied. 5.10.3
Conclusie
Het plan is wat betreft archeologie en cultuurhistorie niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
5.11 Ecologie 5.11.1
Toetsingskader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 5.11.2
Onderzoek Natuurtoets
Adviesbureau JM-ecologie heeft in eerste instantie een ecologische Quickscan (Bijlage 9) op de locatie uitgevoerd. Deze QuickScan is opgesteld om de ecologische waarden van het plangebied te bepalen, en de, ten gevolge van de geplande wijziging, eventuele strijdigheden met de Wet in kaart te brengen, waaruit een advies zal volgen over hoe te handelen volgens deze wet. Soortenbescherming Uit de QuickScan is gebleken dat er mogelijk een jaarrond beschermd nest van boomvalk of ransuil, algemene broedvogels, verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen, boommarter en grote vos aanwezig zijn binnen het plangebied. Ook zijn de kleine marterachtigen, bunzing, hermelijn en wezel, te verwachten binnen het plangebied, welke na de inwerkingtreding van de nieuwe omgevingswet van de vrijstellingslijst zijn gehaald. Om overtredingen te voorkomen, dient er voor het jaarrond beschermde nest, gebouw- boombewonende vleermuizen, boommarter en grote vos nader onderzoek uitgevoerd te worden. Voor algemene broedvogels dient er buiten het broedseizoen gewerkt te worden. Daarnaast dient eventueel aanwezige bouwverlichting niet uit te stralen naar aangrenzende percelen, om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Bij de realisatie van nieuwbouw wordt geadviseerd om natuurinclusief te bouwen.
Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzaam bouwen, waarbij er meer plek voor verschillende diersoorten gerealiseerd wordt. Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van inbouwkasten in de muur of speciale dakpannen voor huismussen, ringmussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Voor het verstoren of vernietigen van nest- of verblijfsplaatsen van beschermde diersoorten dient een ontheffing te worden aangevraagd. Om deze ontheffing te verkrijgen, dient er in ieder geval gemitigeerd te worden voor het verlies aan nest- of verblijfsplaatsen, welke mogelijk middels het nader onderzoek zullen
34
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
worden aangetoond. Bij het aanbieden van deze mitigatie dient tevens rekening gehouden te worden met soort-specifieke eisen en aanvullende voorschriften vanuit de ontheffing. Met name de vaak verplichte gewenningsperiode kan ervoor zorgen dat het planvoornemen langer uitgesteld moet worden dan vooraf gedacht, de vertraging kan hierbij oplopen tot een jaar. Wanneer men echter de alternatieve verblijfplaatsen aanbiedt, voordat het nader onderzoek heeft plaatsgevonden, kan de gewenningsperiode alvast beginnen en kunnen de werkzaamheden mogelijk eerder worden uitgevoerd. Gebiedsbescherming Om de stikstofdepositie die gepaard gaat met het planvoornemen te berekenen, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Bijlage 10). De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf-bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.
Ten aanzien van het NNN mag een plan geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. NNN-gebieden liggen op ruim 3,5 kilometer afstand. Direct ten zuiden van het plangebied ligt een strook die is aangeduid als ‘Natuur buiten NNN’. Op grond van Afdeling 2.12 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 zijn deze gebieden gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. De voorliggende ontwikkeling ligt buiten deze gronden en zal deze natuurwaarden niet onevenredig schaden. Binnen het plan wordt bovendien ruim aandacht besteed aan het behoud en de versterking van de bestaande landschappelijke en ecologische structuren. De bestaande houtsingels rondom het plangebied blijven grotendeels behouden. Deze singels hebben een belangrijke functie voor de biodiversiteit in het gebied, onder meer als leefgebied en verbindingszone voor flora en fauna. Ook worden maatregelen genomen die de ecologische kwaliteit verder versterken, zoals het verbreden van de sloot aan de noordzijde met plasdras-oeverzones, aanleg van fruitbomen en het ontwikkelen van een beplantingsplan dat recht doet aan de historische context.
Daarmee draagt het plan bij aan behoud en versterking van de natuurwaarden in het gebied en sluit het aan bij de Belvedère-gedachte: behoud door ontwikkeling. Het bouwen van de woningen in het plangebied heeft bovendien geen effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Houtopstanden Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Er zijn uitzonderingen. De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet voor houtopstanden op erven of in tuinen. De bomen die gekapt worden, bevinden zich op een erf, waardoor dit niet onder de Rijksregels valt en er ook geen meldplicht van toepassing is op basis van Omgevingsverordening. 5.11.3
Nader onderzoek beschermde soorten
Om te onderzoeken hoe de geplande voornemens zich verhouden tot (potentieel) aanwezige beschermde natuurwaarden in en nabij het plangebied, is er een QuickScan uitgevoerd door JM ecologie b.v. (zie 5.11.2 en Bijlage 9. Uit het verkennend ecologisch onderzoek kwam naar voren dat nader ecologisch onderzoek nodig is naar nesten van ransuil, verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, kleine marterachtigen en boommarter, en de aanwezigheid van dagvlinder grote vos. Om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat nesten en/of verblijfplaatsen van één of meer van deze soorten aanwezig zijn, is nader ecologisch onderzoek naar vorengenoemde soorten uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten samengevat weergegeven. Het hele onderzoek is als Bijlage 11 bijgevoegd.
35
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
Uit het nader ecologisch onderzoek blijkt dat voor de meeste onderzochte soorten geen beschermde verblijfplaatsen of functies zijn aangetroffen in het projectgebied. Zo zijn er geen jaarrond beschermde nesten van ransuil of andere roofvogels gevonden en vervult het gebied geen broedfunctie voor deze soorten. De dagvlinder grote vos is tijdens het onderzoek niet waargenomen en maakt geen gebruik van het projectgebied. Ook boommarter, wezel en hermelijn zijn niet aangetroffen; het gebied vervult voor deze soorten geen functie. Wat betreft vleermuizen zijn er geen verblijfplaatsen in het gebouw of de te kappen boom aangetroffen, al wordt het gebied wel als vliegroute en foerageergebied gebruikt door verschillende soorten vleermuizen. Alleen voor de bunzing is vastgesteld dat het projectgebied daadwerkelijk onderdeel uitmaakt van het leefgebied, waardoor een vergunning voor de flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. 5.11.4
Conclusie
Het plan is wat betreft ecologie niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd, mits voorafgaand aan de werkzaamheden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de bunzing wordt verkregen en de voorgeschreven mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Het verkrijgen van deze vergunning is als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gekoppeld, conform de beschikking van de provincie Fryslân. De gemeente kan derhalve onder voorwaarden met betrekking tot het ecologische aspect (soortenbescherming) tot vergunningverlening overgaan.
5.12 Verkeer en parkeren 5.12.1
Toetsingskader
Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). 5.12.2
Onderzoek parkeren
Uitgangspunt bij de realisatie van onderhavige ontwikkeling is voldoende parkeergelegenheid. In het gemeentelijk Mobiliteitsprogramma Dantumadiel is opgenomen dat bij het toetsen van nieuwe ontwikkelingen aangesloten wordt bij de meest recente parkeernormen van het CROW. Het CROW hanteert daarbij een bandbreedte met een minimum en maximum waarde. Daarbij wordt voor de gemeente Dantumadiel uitgegaan van de gemiddelde waarde. Daarbij wordt uitgegaan van een ‘niet stedelijke’ gemeente. Om de parkeerbehoefte van dit initiatief te bepalen is gebruik gemaakt van de parkeerkencijfers 2024 van de CROW. De kencijfers voor woningen in het CROW zijn opgesteld met het oog op een brede, landelijke gemiddelde doelgroep. Wanneer woningen voor een zeer specifieke doelgroep worden gebouwd, kunnen zowel meer als minder parkeerplaatsen nodig zijn dan berekend aan de hand van deze kencijfers. Het gaat dan om bijvoorbeeld ouderenwoningen en flexwoningen. Hiervoor zijn geen nieuwe kencijfers opgenomen, maar is een toelichting op zijn plaats. Er komen steeds meer verschillende woonvormen voor ouderen, die verschillen in de wijze waarop, en de mate waarin, wordt voorzien in zorg. Voor het toepassen van de parkeerkencijfers is het met name van belang in welke mate bewoners nog in staat zijn om zelf auto te rijden.
Als de bewoners een auto hebben en gebruiken, zijn de betreffende woningen te beschouwen als een 'gewone' woning. ls dat niet het geval, dan is meer sprake van een woonzorgcentrum. Sommige complexen zijn een combinatie van beide. In die gevallen schrijft het CROW voor om de parkeervraag verhoudingsgewijs te bepalen door gebruik te maken van bestaande kencijfers (of een combinatie daarvan), zoals serviceflat of aanleunwoning (zelfstandige woning met beperkte zorgvoorziening).
36
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
Het planvoornemen ziet op de realisatie van 31 woningen (27 appartementen en 4 grondgebonden woningen) gericht op een zorgbehoevende 60+ doelgroep. Daarbij wordt aangesloten bij de Visie Wonen met Welzijn & Zorg Noordoost Fryslân, waarin wordt uitgegaan van een evenwichtige bewonersmix: 1/3 met een zwaardere zorgbehoefte 1/3 met een lichtere zorgbehoefte 1/3 zonder directe zorgbehoefte Deze indeling is bepalend voor de parkeervraag. Hoe groter de zorgvraag, hoe lager het autobezit en dus de parkeerbehoefte. Voor de berekening is daarom uitgegaan van drie verschillende categorieën binnen de appartementen, gecombineerd met de reguliere norm voor de 4 grondgebonden woningen. Type woning
Aantal
Norm Bezoekers Totaal
Behoefte
Zorggeschikt/geclusterd
9
0,5
0,3
0,8
7,2
Zelfstandige woning met beperkte zorg
9
0,9
0,3
1,2
10,8
Senioren/nultreden appartement
9
1,0
0,3
1,3
11,7
Koop huis, tussen/hoek
4
1,8
0,3
2,1
8,4
Totaal
31
38,1
De totale parkeerbehoefte bedraagt afgerond 39 parkeerplaatsen. In het plangebied worden op eigen terrein 48 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeernormen en is er voldoende marge aanwezig voor toekomstige aanpassingen in de programmatische invulling. 5.12.3
Onderzoek verkeer
In de CROW-publicatie 744 (2024) zijn parkeerkencijfers en verkeersgeneratiecijfers opgenomen die gebruikt kunnen worden om verkeerseffecten van nieuwe ontwikkelingen te bepalen. Deze richtlijnen hanteren een bandbreedte tussen minimum- en maximumwaarden. Voor de gemeente Dantumadiel wordt uitgegaan van de gemiddelde waarde en van een niet-stedelijke situatie. De ontwikkeling aan de Willemstrjitte 27 ziet op de realisatie van 31 woningen (27 appartementen en 4 grondgebonden woningen), gericht op een zorgbehoevende 60+ doelgroep. Net als bij het parkeren is voor de verkeersgeneratie aangesloten bij de Visie Wonen met Welzijn & Zorg Noordoost Fryslân, waarin een evenwichtige bewonersmix van 1/3 zware zorgvraag, 1/3 lichte zorgvraag en 1/3 zonder directe zorgvraag wordt nagestreefd. Op basis hiervan is de verkeersgeneratie per woningtype bepaald met de gemiddelde CROW-waarden. De berekening luidt als volgt: Type woning
Aantal
Verkeer per woning
Totaal verkeer
Zorggeschikt/geclusterd
9
2,6
23,4
Zelfstandige woning met beperkte zorg
9
2,6
23,4
Senioren/nultreden appartement
9
5,6
50,4
Koop huis, tussen/hoek
4
7,4
Totaal
31
29,6 126,8
Volgens bovenstaande tabel genereert het voorgenomen programma in een maximale verkeersgeneratie van 127 verkeersbewegingen per etmaal. In het vigerende bestemmingsplan (onderdeel van het gemeentebrede omgevingsplan) hadden de gronden de bestemming maatschappelijk met de functieaanduiding begeleid wonen en werken. Op basis daarvan konden 22 woon/zorgplaatsen worden gerealiseerd. Omdat het CROW hiervoor geen afzonderlijke
37
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
categorie kent, is dit eveneens benaderd met de functie zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen. Bij een norm van 2,6 verkeersbewegingen per woning levert dit een verkeersgeneratie op van 57 verkeersbewegingen per etmaal. Met de nieuwe ontwikkeling is er dus sprake van een toename van circa 70 verkeersbewegingen per etmaal. Deze extra verkeersbewegingen verdelen zich over de dag en zullen opgaan in het bestaande verkeersbeeld. De Willemstrjitte en de aansluitende wegen hebben voldoende capaciteit om deze verkeersgeneratie op te vangen. De bereikbaarheid en verkeersafwikkeling komen daarmee niet in het geding. 5.12.4
Conclusie
Het plan is wat betreft verkeer en parkeren niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
5.13 Duurzaamheid 5.13.1
Toetsingskader
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. b.
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.
38
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
5.13.2
Onderzoek
In het plan wordt rekening gehouden met natuurinclusief bouwen. Tot voor kort had de bouw weinig aandacht voor natuur. En natuurbescherming had weinig aandacht voor gebouwen. Het waren twee gescheiden werelden. Dat is jammer, want de wijze waarop de mens het landschap vormgeeft, bepaalt in belangrijke mate het voorkomen van planten en dieren. Dat geldt ook voor dorpen en steden. Verstedelijking draagt weliswaar bij aan het verlies van biodiversiteit in algemene zin. Echter, deze verandering van het landschap bied ook kansen. Sommige diersoorten hebben daarvan geprofiteerd. Voor enkele soorten zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Bekende voorbeelden zijn gierzwaluw, huismus en gewone dwergvleermuis, die alle succesvol gebruik maken van de gebouwen waarin wij wonen en werken. Natuurinclusief bouwen vergroot de biodiversiteit. Zo worden ‘plaagsoorten’ als ratten en muggen door meer biodiversiteit aangepakt. Ook zorgen bijvoorbeeld groene daken en gevels ervoor dat gebouwen in de zomer koeler blijven, dat fijnstof in de stad minder wordt en dat hevige regenbuien veel beter kunnen worden opgevangen, waardoor het riool niet overbelast raakt. Daarom is het belangrijk dat ook in deze ontwikkeling gekeken wordt naar natuurinclusief bouwen.
De kansen aan de rand van het dorp en aan de rand van de overgang van de Walden naar de Natuurinclusief ontwerpen en bouwen Mieden zal de biodiversiteit versterken. Hierbij wordt rekening gehouden met het toepassing van relatief simpele voorziening voor vogels, vleermuizen en wilde bijen. Daarnaast is de openbare ruimte qua groeninrichting opgezet met inheemse, bij voorkeur streekeigen soorten. Er wordt een variatie aan beplantingen gebruikt om de biodiversiteit te vergroten. Voor zo ver mogelijk wordt het zogenoemde groen-blauwe casco intact gehouden. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat bestaande houtopstanden, waar mogelijk, behouden worden. Onderliggende motivering is als toelichting op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Daarmee wordt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit in stand gehouden. 5.13.3
Conclusie
Het voornemen is in lijn met de doelen van een duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in de Omgevingswet en het gemeentelijk beleidskader.
5.14 Gezondheid 5.14.1
Toetsingskader
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.4.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.
39
Willemstrjitte 27 Damwâld - motivering BOPA realisatie (zorg)woningen en appartementen
5.14.2
Onderzoek
Bij dit initiatief wordt met name gekeken naar een gezond leefmilieu (aanwezigheid van milieuhinder, waterkwantieit en -kwaliteit) Ook aspecten zoals biodiversiteit, natuurinclusief bouwen en een schone bodem zijn relevante onderdelen van een gezond leefmilieu. Zaken zoals geur, geluid, bodem en water worden in de andere paragrafen van dit hoofdstuk nader behandeld. Met het planvoornemen worden bovenstaande aspecten ook geborgd bij nieuwbouw. Daarmee is er sprake van een toegevoegde waarde wat betreft gezondheid. Als gevolg van dit planvoornemen zal er geen sprake zijn van een wijziging in een gezonde fysieke leefomgeving, in concreto het beschermen van de gezondheid. 5.14.3
Conclusie
Er wordt rekening gehouden met het aspect gezondheid in de planvorming. De conclusie luidt dat het plan in het kader van gezondheid niet evident onuitvoerbaar is en op aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
5.15 M.e.r.-beoordeling 5.15.1
Toetsingskader
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure. 5.15.2
Onderzoek
De activiteit die hierbij mogelijk zal worden gemaakt, valt onder onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Onderdeel J11 betreft: 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Voor dit onderdeel zijn geen drempelwaarden opgeno-men maar wordt in kolom 2 vermeld 'Niet van toepassing'. Dat betekent dat voor die projecten geen directe project-mer-plicht geldt. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Omdat het project zal leiden tot een gehele functiewijziging van het plangebied waarbij ook een deel onbebouwd gebied met een maatschappelijke bedrijfsbestemming zonder bouwmogelijkheden wordt getransformeerd naar wonen is er sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject, waarvoor een project- mer- beoordeling noodzakelijk is. 5.15.3