CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting - TOE03-0465175-01A.PDF

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan voor fietspad Broekhovenseweg18.535 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2 alinea's met “grondgebied”: 384 385

CroonenBuro5

19

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming bevat regels voor houtopstanden, hout en houtproducten. Artikel 4.2 bepaalt dat het niet is toegestaan om houtopstanden buiten de bebouwde kom groter dan 10 are (1.000 m2) of bestaande uit rijbeplanting van minimaal 20 bomen te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten. Indien houtopstanden worden geveld, moeten de gronden binnen drie jaar na het vellen worden herbeplant of dient (na ontheffing van Gedeputeerde Staten) op een andere locatie herbeplanting plaats te vinden. Het doel hiervan is het areaal bos en houtopstanden te beschermen. Provinciale Staten kunnen bij verordening geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de herplantplicht. In de Interim omgevingsverordening zijn in paragraaf 2.6.3 regels opgenomen voor de bescherming van houtopstanden. In artikel 2.6.2 van de verordening is bepaald dat het verbod om houtopstanden te vellen en de herplantplicht niet gelden voor ‘houtopstanden in verband met het realiseren van een werk overeenkomstig een onherroepelijk bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan waarvoor reeds een planologische compensatie is vereist’. Het doel van deze regeling is dubbele compensatie te voorkomen, doordat zowel voor het verlies van NNB als voor het verlies van bosareaal moet worden gecompenseerd.

In dit geval wordt ten behoeve van de herbegrenzing van het NNB al voorzien in planologische compensatie (zie paragraaf 3.2.3). Op grond van de Interim omgevingsverordening is (extra) compensatie voor het verlies aan bosareaal daarom niet aan de orde.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Bergeijk Op 3 juni 2010 is de Structuurvisie Bergeijk ‘Leven en beleven tussen bossen, beken en boerenland’ vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie is een actualisatie van de StructuurvisiePlus uit 2004. In de structuurvisie is het lokale, regionale en nationale beleid vertaald en zijn plannen uit de tussenliggende periode opgenomen. Daarnaast is de structuurvisie geconcretiseerd in de vorm van een projectenplan. De Structuurvisie bestaat uit twee delen. Deel A betreft het Ruimtelijk Casco, waarin de toekomstvisie voor de gemeente Bergeijk is opgenomen. Deze visie formuleert het ontwikkelingskader voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete plannen en projecten. In het projectenplan (deel B) is het ruimtelijk programma voor de korte en middellange termijn benoemd. Daarnaast is aangegeven welke concrete projecten en plannen op korte termijn richting uitvoering worden gebracht en op welke wijze dat zal gebeuren. Het projectenplan wordt periodiek geactualiseerd. Ruimtelijk Casco Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en een toelichting, waarbij de toelichting kan worden beschouwd als een uitgeschreven legenda. Op basis van een integrale analyse die is gebaseerd op de lagenbenadering zijn in het Ruimtelijk Casco ruimtelijke keuzes gemaakt voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente Bergeijk.

De strategie voor de infrastructuur is erop gericht de bestaande infrastructuur te handhaven en te optimaliseren en alleen indien strikt noodzakelijk nieuwe infrastructuur toe te voegen. Het in stand houden en in beperkte mate uitbreiden van de hoofdverbindingen is van essentieel belang voor de bereikbaarheid van de kernen. Op lokaal niveau wil de gemeente komen tot de oplossing van enkele knelpunten in de verkeersafwikkeling. Het weren van sluipverkeer, het verbeteren van de bereikbaarheid van het westelijk deel van Bergeijk en het vergroten van de verkeersveiligheid zijn daarbij de belangrijkste doelstellingen. Fietsverkeer en openbaar vervoer spelen een belangrijke rol bij het bieden van een betrouwbare reistijd van deur tot deur. De gemeente Bergeijk kent een grote prioriteit toe aan fietsverkeer en het beter toegankelijk maken van bushaltes en aanpassing/uitbreiding van het openbaar vervoer. De kwaliteit, het comfort en de veiligheid van de fietsroutes zijn belangrijk, zeker omdat routegebonden vormen van recreatie (naast fietsen ook wandelen en paardrijden) van belang zijn voor de recreatieve en toeristische betekenis van de gemeente.

CroonenBuro5

20

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Projectenplan Het projectenplan bevat een programmatische keuze voor diverse thema’s. Daarnaast is aangegeven waar het programma wordt gerealiseerd en hoe het uitvoeringstraject (koppeling tussen grondbeleid en ruimtelijke ontwikkeling en inzet van Wro-instrumenten) eruit ziet. Tenslotte is een projectenoverzicht opgenomen met projecten en maatregelen die de gemeente ter uitvoering van het structuurvisiebeleid wil oppakken. In het projectenplan is een aantal maatregelen voor het fietsverkeer opgenomen, waaronder de aanleg van een aanliggend of vrijliggend fietspad langs de Broekhovenseweg. Relevantie voor het bestemmingsplan In de structuurvisie is de verbetering van de (fiets)infrastructuur in het buitengebied als doelstelling opgenomen. In het projectenplan is de aanleg van een fietspad langs de Broekhovenseweg expliciet benoemd. Door realisering van het fietspad wordt uitvoering gegeven aan het gemeentelijk beleid zoals opgenomen in de structuurvisie.

3.3.2

Dorpenontwikkelingsplan Op 23 oktober 2006 is het Dorpenontwikkelingsplan ‘Bergeijk, kernen in ontwikkeling’ vastgesteld. In 2009 is het DOP omgevormd naar een iDOP (integraal Dorpenontwikkelingsplan) door per kern een sociale paragraaf op te stellen met daarin de gewenste sociaal-culturele ontwikkeling. Deze sociale paragraaf vormt per kern tevens een beknopte actualisatie van het DOP. Zowel het DOP als de iDOP’s zijn opgesteld in nauwe samenwerking met bewoners van de kernen in de gemeente Bergeijk. In het iDOP zijn de gemeentelijke ambities op het gebied van wonen en leefbaarheid binnen de kernen verwoord. Het hoofdthema is de leefbaarheidsbevordering in de gemeente Bergeijk, uitgesplitst in een visie op wonen en een visie op leefbaarheid. De belangrijkste doelstellingen zijn:  het zoveel mogelijk voorzien in de eigen woningbehoefte van de inwoners van Bergeijk;  het bevorderen van de sociale cohesie en zelfredzaamheid van de burger;  Het verbeteren van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid. Relevantie voor het bestemmingsplan Eén van de doelstellingen uit het DOP en de iDOP’s is het verbeteren van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid. De realisering van een vrijliggend fietspad langs de Broekhovenseweg draagt hieraan bij en past dus binnen het gemeentelijk beleid zoals opgenomen in het DOP en de iDOP’s.

3.3.3

Gemeentelijke Visie Mobiliteit De Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2015-2018 is op 24 september 2015 vastgesteld door de gemeenteraad en is de opvolger van het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan 2009-2015. In de raadsvergadering van 22 november 2018 heeft de gemeenteraad ingestemd met de actualisatie van de Gemeentelijke Visie Mobiliteit, waarmee de Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2019–2022 is vastgesteld. In de Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2019–2022 is hoog ingezet op het thema fiets. Naast de voorgenomen realisatie van de fietspaden uit de Gebiedsimpuls van de N69 is ingestemd met de Fietsambitie. Hiermee wordt de komende jaren ingezet op het realiseren van verschillende fietspaden/fietsverbindingen in de gemeente Bergeijk. Met de Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2019-2022 wordt gestreefd naar het verbreden van de huidige fietsverbindingen, het verbeteren van het fietscomfort en het realiseren van nieuwe fietsverbindingen. Relevantie voor het bestemmingsplan Aanleg van een fietspad langs de Broekhovenseweg past naadloos in het beleid zoals opgenomen in de Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2019-2022. Door aanleg van het fietspad is sprake van een verbetering van de verkeersveiligheid, het fietscomfort en de bereikbaarheid en wordt fietsverkeer gestimuleerd.

CroonenBuro5

21

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

CroonenBuro5

22

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

4

Milieuhygiënische en planologische aspecten

4.1

M.e.r.-beoordeling

4.1.1

Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht:  in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan een m.e.r. verplicht is;  in onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling).

De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.beoordeling. Voor deze toets wordt veelal de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd.

4.1.2

Toetsing De aanleg van een fietspad komt niet voor op de C- of D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De lijsten kennen wel een categorie voor de uitbreiding van wegen (categorie C1.3 en categorie D1.2), maar die categorie ziet uitsluitend op de wijziging of uitbreiding van wegen bestaande uit vier of meer rijstroken, of op de verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken. De aanleg van een fietspad valt dus niet onder een categorie die is opgenomen in de C- of D-lijst, zodat het opstellen van een m.e.r. of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen Voor iedere functie- of bestemmingswijziging, al dan niet naar een gevoelige functie, dient onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. De miliehygiënische kwaliteit van de bodem moet geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. De gemeente Bergeijk heeft in juli 2014 een bodemkwaliteitskaart (inclusief onderbouwing/toelichting) en een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart wordt onder meer gehanteerd als bewijsmiddel bij ruimtelijke ontwikkelingen (bestemmingsplanherzieningen en omgevingsvergunningen). Hierbij geldt dat de locatie waar een ruimtelijke ontwikkeling is gepland, niet verdacht mag zijn en/of niet negatief mag zijn beïnvloed door een puntbron. Dit moet worden vastgesteld door minimaal het uitvoeren van een (historisch) vooronderzoek.

4.2.2

Toetsing In het plangebied is een verkennend bodemonderzoek verricht om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen.2 De onderzoeksrapportage is als bijlage opgenomen. 2

Verkennend bodemonderzoek Fietspaden Bergeijk e.o., Antea Group, 3 juni 2019

CroonenBuro5

23

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Het onderzoek is verricht voor gronden langs de Heuvel/Dorpsstraat (traject A in het onderzoek), voor gronden langs de Schoolstraat (traject B), voor gronden nabij de kruising Broekhovenseweg/Kapelstraat (traject C) en voor gronden langs de Broekhovenseweg (D). Tijdens het vooronderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten in het onderzoeksgebied. Ook wordt niet verwacht dat de activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit negatief hebben beïnvloed. Op basis van het vooronderzoek is daarom uitgegaan van een onverdachte lijnvormige locatie. Omdat de trajecten A, B en C geen deel uitmaken van dit bestemmingsplan wordt hierna specifiek ingegaan op de resultaten voor traject D. Op traject D zijn 35 boringen geplaatst. Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem tot de maximaal geboorde diepte van 1 m-mv hoofdzakelijk uit zand bestaat. Lokaal wordt in de ondergrond leem aangetroffen. Bij het uitvoeren van het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op bodemverontreiniging. Zintuiglijk zijn er geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Analytisch zijn er maximaal licht verhoogde gehalten aan PAK en/of minerale olie aangetoond. De verhogingen met PAK en minerale olie zijn vermoedelijk veroorzaakt door de situering van de boorpunten relatief dicht op de weg.

Geen van de verhogingen is matig of sterk verhoogd. Er is daarom geen aanleiding voor het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat er geen milieuhygiënische belemmering is voor de aanleg en het gebruik van een fietspad langs de Broekhovenseweg.

4.3

Water

4.3.1

Algemeen Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om een waterparagraaf op te stellen, waarin de resultaten van de watertoets worden opgenomen. In de waterparagraaf wordt verwoord hoe er in het plan rekening is gehouden met het aspect water, in relatie tot het waterbeleid en de waterhuishouding.

4.3.2

Beleid en regelgeving Waterschap De Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Het beleid van het waterschap is gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van gebiedseigen water, gecombineerd met het zoveel mogelijk scheiden van schoon en verontreinigd water. Het beleid is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol Water’. Het waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap binnen de planperiode. Omdat de wateropgaven feitelijk niet veranderd zijn, zijn de thema’s in het waterbeheerplan hetzelfde als de thema’s in het waterbeheerplan 2010-2015. De vijf waterthema’s zijn:  Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied, onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen.  Voldoende water: voor zowel de natuur als de landbouw is het van belang dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarom reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater.  Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren.  Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen.  Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Bij nieuwe ontwikkelingen is het uitvoeren van een watertoets verplicht.

Het Waterschap heeft de Handreiking Watertoets 2015 opgesteld, waarin is aangegeven welke onderdelen deel kunnen uitmaken van de waterparagraaf.

CroonenBuro5

24

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Voor de verwerking van hemelwater hanteert het waterschap een voorkeursvolgorde: hergebruik - vasthouden/infiltreren - bergen en afvoeren - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar de riolering. De regels omtrent de waterhuishuishouding zijn opgenomen in de Keur 2015. Samen met de legger vormt de Keur het juridisch instrumentarium van het Waterschap. In de Keur zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot compensatiemaatregelen in het geval van een toename van het verhard oppervlak. Daarnaast zijn in de Keur gebods- en verbodsregelingen opgenomen die betrekking hebben op handelingen in en rond watergangen en waterkeringen die zijn opgenomen op de legger. Regels voor toename van verhard oppervlak In het geval van een toename van het verhard oppervlak dient te worden voldaan aan de regels die het waterschap hieraan stelt. Op grond van artikel 3.6 van de Keur van het waterschap is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppeling van bestaand verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

In de ‘Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015’ is in artikel 15 een vrijstelling van dit verbod opgenomen: er is geen vergunning nodig als de toename van het verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 bedraagt, als minder dan 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld of als de toename van het verhard oppervlak tussen de 2.000 en 10.000 m 2 bedraagt en compenserende maatregelen zijn getroffen in de vorm van een bergings-/infiltratievoorziening. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een vergunning benodigd en geldt de ‘Beleidsregel afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’ (artikel 13 van de ‘Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Keur waterschap De Dommel 2015’).

4.3.3

Beleid gemeente Bergeijk Het beleid van de gemeente Bergeijk sluit aan op het landelijke en provinciale beleid en op het beleid van Waterschap De Dommel. Het belangrijkste uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in het deelstroomgebied. Daarnaast is het van belang dat bij inpassing wordt voorkomen dat afwenteling op andere delen van het deelstroomgebied plaatsvindt. Nieuwe rioolstelsels van enige omvang dienen als (verbeterd) gescheiden stelsel te worden uitgevoerd. Verder dient bij nieuwe ontwikkelingen hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, te worden geïnfiltreerd. Hiervoor is een afkoppelkansenkaart bij de gemeente aanwezig.

4.3.4

Toetsing Locatiestudie In de huidige situatie zijn de gronden waarop het fietspad wordt gerealiseerd onverhard en in gebruik als agrarische grond of bos. De rijbaan van de Broekhovenseweg watert af naar de bermen, waarin op een aantal locaties (zak)sloten en watergangen aanwezig zijn. De sloten zijn over het algemeen niet permanent watervoerend en zijn niet opgenomen op de legger van Waterschap De Dommel. Uitzondering zijn de watergangen langs het oostelijk deel van de Broekhovenseweg. Hier ligt aan de zuidzijde van de weg een B-watergang. Tussen de kruising met de Zeven Fonteinen en de kruising met de Volmolen ligt ook aan de noordzijde van de weg een B-watergang. De Broekhovenseweg wordt ter hoogte van nummer 18 gekruist door een A-watergang (DL49). Deze kruising ligt niet in het plangebied van dit bestemmingsplan, maar in het plangebied van het provinciaal inpassingsplan ‘Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69’.

CroonenBuro5

25

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

A-watergang B-watergang

Uitsnede legger Waterschap De Dommel

A-watergangen zijn oppervlaktewaterlichamen met een debiet van 30 l/s of meer, of watergangen die zijn aangewezen vanwege een specifieke wateraanvoerfunctie, bij lozingen vanuit riooloverstorten of op basis van een functie vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW). A-watergangen worden over het algemeen onderhouden door het waterschap en hebben een generieke beschermingszone van 5 meter, gemeten vanaf de insteek van de watergang. In sommige gevallen is op de legger een afwijkende beschermingszone vastgelegd. De regels en beperkingen die gelden binnen de beschermingszones zijn opgenomen in de Keur. B-watergangen hebben geen beschermingszone en worden onderhouden door de eigenaren van de aanliggende gronden. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) in het plangebied varieert. Blijkens de Watertoetskaart van Waterschap De Dommel ligt de GHG In het bosgebied aan de Broekhovenseweg over het algemeen dieper dan 100 cm onder maaiveld. Langs het oostelijk deel van de Broekhovenseweg is sprake van een hogere grondwaterstand, met een GHG tussen de 20 en 60 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met het beeld van het oppervlaktewater: langs het westelijk deel van de Broekhovenseweg liggen zaksloten of greppels, terwijl langs het oostelijk deel van de Broekhovenseweg (watervoerende) B-watergangen aanwezig zijn.

De bodemopbouw van het plangebied bestaat blijkens de kaartbank van de provincie Noord-Brabant uit zandgronden. Vrijwel het hele plangebied is aangemerkt als infiltratiegebied, slechts het oostelijke deel van de Broekhovenseweg, dat relatief dicht bij het beekdal van de Dommel ligt, is aangemerkt als kwelgebied. Nieuwe waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied wordt circa 1,7 kilometer vrijliggend fietspad aangelegd met een breedte van 4 meter. De toename van verharding bedraagt daarmee circa 6.800 m2. De benodigde compensatie kan worden berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 meter) en met een gevoeligheidsfactor voor het betreffende gebied. De gevoeligheidsfactor in het plangebied bedraagt 1. De compensatieopgave per strekkende meter fietspad kan dus als volgt worden berekend: 4,0 x 1 x 0,06 = 0,24 m3 per m1. Voor de afwatering van het nieuwe fietspad is, overeenkomstig het beleid van waterschap en gemeente, gekozen voor infiltratie en berging ter plaatse, waar mogelijk met gebruikmaking van het watersysteem dat langs de bestaande weg ligt. Dit betekent dat zo min mogelijk nieuwe waterhuishoudkundige maatregelen worden getroffen, maar dat gebruik wordt gemaakt van de bestaande (zak)sloten en watergangen langs de rijbaan.

CroonenBuro5

26

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Dit geldt in ieder geval voor het westelijk deel van het plangebied, tot aan de aansluiting op het nieuwe viaduct over de nieuwe N69. Voor de gronden tussen het nieuwe viaduct over de N69 en de Volmolen wordt de waterhuishoudkundige situatie op onderdelen wel gewijzigd. Hieronder wordt op beide delen van het tracé ingegaan. Westelijk deel fietspad (Wilgerijs – viaduct N69) Het water afkomstig van het fietspad loopt af naar de bestaande (zak)sloten/greppels langs de rijbaan en kan van daaruit infiltreren in de bodem. De (zak)sloten/greppels in het westelijk deel van het plangebied staan niet in verbinding met watergangen die zijn opgenomen op de legger. Gelet op de bodemopbouw (zandgronden) en de relatief diepe ligging van het grondwater (GHG tussen 60 en 120 cm-mv) zijn de gronden hier geschikt voor infiltratie. Water dat in deze (zak)sloten/greppels terechtkomt wordt dus niet via het oppervlaktewatersysteem afgevoerd, maar infiltreert ter plaatse in de bodem. Oostelijk deel fietspad (viaduct N69 – Volmolen) Voor de gronden tussen het nieuwe viaduct over de N69 en de Volmolen worden de bestaande Bwatergangen verlegd. Mede gelet op het hoogteverschil tussen de rijbaan en de lager gelegen agrarische percelen is het niet praktisch om het water op te vangen in (zak)sloten of watergangen in de tussenberm tussen de rijbaan en het fietspad.

Dit zou namelijk betekenen dat het fietspad op het traject tussen het nieuwe viaduct en de oversteek bij de Zeven Fonteinen behoorlijk wat lager komt te liggen dan de rijbaan, wat de bereikbaarheid van het fietspad voor aanwonenden verslechtert. Bovendien zou in die situatie geen sprake zijn van een logische, natuurlijke scheiding tussen het fietspad en de naastgelegen agrarische gronden. Door de watergangen hier aan de buitenzijde van het wegprofiel te leggen (dus rijbaan-fietspad-watergang in plaats van rijbaan-watergang-fietspad) wordt het hoogteverschil tussen rijbaan en fietspad beperkt en ontstaat een natuurlijke begrenzing tussen het vrijliggende fietspad en de agrarische gronden daarnaast. Om dit mogelijk te maken worden de bestaande B-watergangen verlegd door ze aan de buitenzijde van het fietspad te realiseren. Voor het tracédeel tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen wordt eenzelfde oplossing gekozen. Hier wordt de B-watergang in het bosgebied in noordelijke richting verschoven.

Principeprofiel oostelijk deel fietspad (tussen viaduct N69 en Zeven Fonteinen): rijbaan – tussenberm – fietspad - watergang

De watergangen langs het oostelijk deel van de Broekhovenseweg staan in verbinding met het oppervlaktewatersysteem. Het water vanuit deze watergangen wordt – voor zover het niet ter plaatse infiltreert – afgevoerd naar De Dommel. De watergangen behouden na verplaatsing hun verbinding met de watergangen in de omgeving, zodat het oppervlaktewatersysteem op dezelfde manier blijft functioneren als in de huidige situatie. De te verschuiven watergangen worden zodanig gedimensioneerd dat ze het regenwater afkomstig van het totale wegprofiel (rijbaan + fietspad) kunnen verwerken. In overleg met het waterschap zal in het uitvoeringstraject worden beoordeeld of maatregelen nodig zijn om een versnelde afvoer van hemelwater te voorkomen.

CroonenBuro5

27

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Gelet op de beperkte toename van het verhard oppervlak, in combinatie met het gegeven dat zowel de Broekhovenseweg als de gronden binnen het plangebied nu ook al oppervlakkig afwateren op de bestaande watergangen, worden geen belemmeringen verwacht. Een beperkte verruiming van de watergangen levert – indien noodzakelijk – al voldoende extra bergingscapaciteit op. Dimensionering (zak)sloten en watergangen De Broekhovenseweg heeft een rijbaanbreedte van 5,2 à 5,4 meter en watert aan twee zijden af. Uitgaande van een breedte van 5,4 meter watert per strekkende meter 2,7 m2 verharding af op de bermen/sloten aan één zijde van de weg. Vanaf het fietspad watert per strekkende meter 4 m2 af op deze bermen/sloten. Uitgaande van een maatgevende bui van 60 mm bedraagt de totale afwatering richting de bermen/sloten na aanleg van het fietspad ((2,7 + 4) x 0,06) = 0,40 m3 regenwater per strekkende meter. Een kleine (zak)sloot met een insteekbreedte van 1,5 meter, een bodembreedte van 0,5 meter en een diepte van 0,5 meter heeft een bergingscapaciteit van 0,50 m 3 en heeft dus al voldoende omvang om al het hemelwater tijdens een maatgevende bui te bergen. Daarbij is nog geen rekening gehouden met infiltratie van regenwater tijdens de bui (vanuit de zaksloot/watergang en/of het omringende maaiveld).

Gelet op de goede werking van het huidige watersysteem kan het water afkomstig van rijbaan en fietspad prima ter plaatse worden geborgen en geïnfiltreerd via de (bestaande en/of nieuwe) zaksloten en watergangen. De nadere uitwerking en dimensionering zal met het waterschap worden afgestemd.

4.4

Natuur

4.4.1

Algemeen De wet- en regelgeving op het gebied van natuur kent twee sporen: een gebiedsgericht en een soortgericht spoor. In de Wet natuurbescherming is zowel de bescherming van soorten als de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Daarnaast zijn gronden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland (in Noord-Brabant bekend onder de naam Natuur Netwerk Brabant) planologisch beschermd via het provinciaal beleid. In paragraaf 3.2.3 van deze toelichting is reeds ingegaan op de ligging van delen van het plangebied in het NNB en de herbegrenzing en compensatie die hiermee samenhangen. Hierna wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan in het licht van de Wet natuurbescherming.

4.4.2

Toetsing In het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de uitvoerbaarheid van het initiatief in relatie tot de natuurwetgeving te beoordelen.3 De onderzoeksrapportage is als bijlage opgenomen. Het onderzoek heeft zich niet alleen gericht op het fietspad langs de Broekhovenseweg, maar ook op de Heuvel/Dorpsstraat en delen van de Schoolstraat. Omdat dit bestemmingsplan uitsluitend betrekking heeft op het fietspad langs de Broekhovenseweg, wordt hierna zoveel mogelijk specifiek op dat deel van het onderzoek ingegaan. Het onderzoeksgebied bestaat uit droge bermen op zandgrond, die in de meeste gevallen zijn begroeid met soorten als biggenkruid, braam, vlasbekje, bijvoet, zandraket, grote brandnetel, veldzuring, Jacobskruiskruid en vogelwikke. Daarnaast zijn er her en der locaties waar laanbomen (meestal ruwe berk) staan en zijn delen ingericht als akker of als voortuin. Op een aantal locaties is bosvegetatie aanwezig. Het gaat om:  Zuidelijk deel Broekhovenseweg: een bos dat in de boomlaag wordt gecodomineerd door grove den en Corsicaanse den. Verder groeien hier zomereik, Amerikaanse vogelkers, lijsterbes en brem.  Noordelijk deel Broekhovenseweg: een bosje waar ruwe berk en zwarte els codomineren in de boomlaag. Hier vormen bramen de ondergroei en is een ijzerrijk beekje met mannagras en liesgras aanwezig. 3

Quickscan natuurwetgeving voor de aanleg van een fietspad in Bergeijk, Faunaconsult, 17 mei 2019

CroonenBuro5

28

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

 Op één plaats doorsnijdt het onderzoeksgebied een houtwal die bestaat uit zomereiken en wat ruwe berken en Amerikaanse vogelkers. Naast de houtwal ligt een greppel die tijdens het veldbezoek zo’n 3 cm water bevatte, maar waarin geen watervegetatie aanwezig is. Deze houtwal ligt in het plangebied van het provinciaal inpassingsplan ‘Nieuwe verbinding Grenscorridor N69’. Natura 2000-gebieden Het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateux’ ligt op circa 330 meter ten noordoosten van het plangebied. Het Natura 2000-gebied Kempenland-West bevindt zich op ruim 9 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand. Het verwijderen van de huidige vegetatie, de aanleg en het gebruik van het fietspad zal leiden tot wat stikstofuitstoot. Er komt namelijk stikstof vrij bij bijvoorbeeld verbrandingsmotoren in gemotoriseerd verkeer. Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateux’ liggen de provinciale weg N397 en de kernen Westerhoven en Riethoven. Tussen het plangebied en ‘Kempenland-West’ liggen de snelweg A67, de provinciale wegen N397 en N284 en de kernen Eersel, Duizel en Hapert. Vanwege de ligging van de wegen en de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied worden geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden verwacht.

Natuur Netwerk Brabant Een deel van het plangebied ligt in Natuurnetwerk Brabant (NNB). Op de beheertypenkaart van de provincie zijn hier ‘Droog bos met productie’ en ‘Vochtig bos met productie’ aangeduid. De aanleg van het fietspad zal leiden tot vernietiging van een deel van het NNB. Om dit verlies te compenseren worden drie compensatiepercelen ingericht als natuur. In paragraaf 3.2.3 van deze toelichting is hier uitgebreid op ingegaan. Beschermde planten en dieren Vogels en zoogdieren In het onderzoeksgebied zijn enkele holle berken (laanbomen) aanwezig. Tijdens het veldbezoek werden deze allemaal met behulp van een boomcamera en lange ladder geïnspecteerd. In één boom bevond zich een nest met 5 jonge spreeuwen. De holten in de overige bomen bleken zeer ondiep of meestal niet omhoog te lopen vanaf de opening (dit is noodzakelijk voor vleermuisverblijven). Slechts één boom heeft een diepe holte die vanaf de opening omhoog loopt, deze holte kon niet volledig worden geïnspecteerd. Omdat het hier een enkele holle boom betreft, kan echter worden aangenomen dat deze geen functie heeft als vleermuizenverblijf (deze bevinden zich doorgaans in groepjes holle bomen, waarbij er gedurende het seizoen door de vleermuizen regelmatig wordt gewisseld van boom). Vleermuisverblijven zijn dus afwezig.

Het ligt voor de hand dat de laanbomen en plaatsen waar de bestaande weg aan een bosrand grenst fungeren als vaste vliegroute of als foerageergebied van vleermuizen. Omdat er overal aan de overzijde van de weg of in de directe nabijheid van het onderzoeksgebied opgaande beplanting aanwezig is, is er overal echter voldoende alternatieve geleiding en foerageergebied aanwezig. In die zin is er dus geen sprake van een aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Indien er buitenverlichting op de bosranden wordt gericht, kan dit wel een verstoring van vleermuizen opleveren. Behalve het spreeuwennest werden tijdens het veldbezoek geen vogelnesten aangetroffen, maar het is mogelijk dat kleine zangvogelnesten later in het broedseizoen aanwezig zijn. Roofvogelnesten, andere jaarrond beschermde vogelnesten of eekhoornnesten zijn echter nergens aangetroffen. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn in het onderzoeksgebied afwezig. Als de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd.

CroonenBuro5

29

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. Vanwege het gebrek aan voldoende dekking is het zo goed als uitgesloten dat er kleine marterachtigen in het plangebied aanwezig zijn. Dassenburchten, dassenlatrines, dassenwissels en snuitputjes van dassen zijn in het plangebied afwezig. In het plangebied leven mogelijk wel enkele algemene zoogdieren zoals de veldmuis. Planten en overige soorten In het onderzoeksgebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen. In het onderzoeksgebied zijn een waterhoudende greppel en een stroompje aanwezig. De waterhoudende greppel bevat normaliter geen water en is daarom ongeschikt als voortplantingswater voor amfibieën. Het stroompje is tijdens het veldbezoek bemonsterd met een steeknet van 70 cm breed en daarbij werden enkele tiendoornige stekelbaarzen en een bruine kikker gevangen (en weer losgelaten). Wegens de aanwezigheid van vis is het niet te verwachten dat meer bijzondere amfibieënsoorten het stroompje als voortplantingswater zullen gebruiken. Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, zijn niet te verwachten in het plangebied. Conclusies en aanbevelingen  Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën: In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd.

Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). De zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.  Vogels: Vernietiging en verstoring van vogelnesten is te vermijden, door het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren.  Vleermuizen: Bij laanbomen en op de plaatsen waar het fietspad in/naast het bos wordt aangelegd zijn geen aantastingen van een eventuele vaste vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen te verwachten. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst: van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting of amberkleurige UV-vrije led armaturen.

4.5

Geluid

4.5.1

Algemeen Geluidhinder kan ontstaan vanwege verschillende activiteiten, waaronder wegverkeer, railverkeer en bedrijfsactiviteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen voor de geluidbelasting op geluidgevoelige objecten (zoals woningen) en de minimale geluidwering die moet worden toegepast. De Wet geluidhinder bepaalt dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een bestemmingsplan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen de geluidzone van een bestaande geluidbron (een weg, een spoorlijn of een geluidgezoneerd bedrijventerrein) of als het plan een nieuwe geluidsbron vallend onder de werkingssfeer van de Wet geluidhinder mogelijk maakt.

CroonenBuro5

30

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

4.5.2

Gemeente Bergeijk

Toetsing Dit bestemmingsplan ziet niet op de aanleg van nieuwe wegen, maar maakt slechts de aanleg van een vrijliggend fietspad mogelijk. Een fietspad valt niet onder de reikwijdte van de Wet geluidhinder. Omdat de aanleg van het fietspad niet gepaard gaat met verplaatsing of reconstructie van de bestaande weg, is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen wanneer sprake is van één of meer van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk; c. het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate’. Als regel geldt dat projecten die minder dan 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdragen (3% van 40 µg/m3 ofwel 1,2 µg/m3) als ‘niet in betekenende mate’ kunnen worden aangemerkt.

Voor deze projecten kan een toetsing aan de grenswaarden dus achterwege blijven. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Besluit gevoelige bestemmingen In aanvulling op de Wet milieubeheer en het ‘Besluit niet in betekenende mate’ geldt het Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit gevoelige bestemmingen richt zich op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof en stikstofdioxide: met name kinderen en ouderen. Indien een ‘gevoelige bestemming’ (zoals een school, kinderdagverblijf of verzorgingstehuis) wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van een rijksweg (300 meter vanaf de rand van de weg) of een provinciale weg (50 meter vanaf de rand van de weg) is altijd – ook als het initiatief ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt – een toetsing aan de grenswaarden nodig. Als blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden, mogen de ‘gevoelige objecten’ worden gerealiseerd binnen de onderzoekszone.

4.6.2

Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de aanleg van een vrijliggend fietspad mogelijk langs een bestaande weg. De aanleg van het fietspad leidt niet tot een toename van fijnstof- of stikstofdioxide-uitstoot en dus niet tot een verhoging van een concentratie van deze stoffen. Daarmee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid b van de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteitseisen leveren geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.

CroonenBuro5

31

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

4.7

Bedrijfshinder

4.7.1

Algemeen

Gemeente Bergeijk

Bedrijven kunnen hinder veroorzaken voor hun omgeving, bijvoorbeeld in de vorm van geluidhinder, geurhinder of stofhinder. Als in een bestemmingsplan nieuwe bedrijfsactiviteiten worden toegestaan of als een nieuw gevoelig object wordt toegelaten in de omgeving van bestaande bedrijven moet worden getoetst of er sprake is van belemmeringen.

4.7.2

Toetsing Een fietspad (en het langzaam verkeer dat van het fietspad gebruik maakt) is niet gevoelig voor de milieuhinder van bedrijven. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Algemeen Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij die activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij geldt dat de omvang van het risico bepaald wordt door de afstand, waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico’s worden weergegeven in PR-risicocontouren. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde.

Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Risicobronnen Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

4.8.2

Toetsing Een fietspad is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object als bedoeld in de externe veiligheidswetgeving. Verkeersdeelnemers (in de auto, op de fiets, te voet of anderszins) worden niet betrokken bij de toetsing van externe veiligheid of in de berekeningen van het groepsrisico.

CroonenBuro5

32

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Omdat een fietspad in het kader van externe veiligheid geen bescherming behoeft, is verdere toetsing niet noodzakelijk.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1

Algemeen Het grondgebied van Bergeijk kent een rijke historie, waardoor veel cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Naast een rijk archeologisch bodemarchief zijn onder andere de historische lintstructuren, de opbouw van het landschap en de aanwezigheid van monumentale en beeldbepalende gebouwen van cultuurhistorische betekenis. Gemeenten zijn grotendeels verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed. Om inzicht te krijgen in de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden is door de Kempengemeenten en A2-gemeenten een gezamenlijk erfgoedplan opgesteld. Het erfgoedplan bevat een uitgebreide inventarisatie van de archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waarden binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten en een aanzet voor een integraal cultuurhistorisch beleid. De Erfgoedverordening gemeente Bergeijk 2012 is op 19 april 2012 vastgesteld. Erfgoedkaart De erfgoedkaart behorende bij het erfgoedplan bestaat uit drie delen: een inventarisatiekaart (die op zijn beurt is onderverdeeld in kaarten betreffende het archeologisch, historisch en fysisch landschap en een verstoringenkaart), verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie.

Op de beleidskaarten zijn de inventarisatie en waardering van archeologische en cultuurhistorische elementen samengebracht en geconcretiseerd. De beleidskaarten vormen de basis voor het gemeentelijk beleid op het gebied van cultuurhistorie en kunnen worden vertaald in bestemmingsplannen. Archeologische beleidskaart Op de archeologische beleidskaart, die deel uitmaakt van de erfgoedverordening, zijn de archeologische (verwachtings)waarden voor het hele gemeentelijk grondgebied in beeld gebracht. Op basis van een analyse van landschappelijke, bodemkundige en archeologische informatie is een vlakdekkende kaart opgesteld. Binnen het grondgebied van de gemeente Bergeijk is een aantal terreinen met een monumentale status aanwezig en bevinden zich diverse gebieden van archeologische waarde. Daarnaast kunnen vier archeologische verwachtingszones worden onderscheiden. Ook kunnen gebieden worden aangemerkt waarvoor geen archeologische verwachting geldt. Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in 7 categorieën:  categorie 1: archeologisch monument;  categorie 2: gebied van archeologische waarde;  categorie 3: gebied met hoge verwachting (historische kernen en linten);  categorie 4: gebied met hoge verwachting;  categorie 5: gebied met middelhoge verwachting;  categorie 6: gebied met lage verwachting;  categorie 7: gebied zonder archeologische verwachting.

Voor elke categorie zijn ondergrenzen vastgesteld. Voor bodemingrepen die groter zijn dan een bepaalde oppervlakte (variërend van 100 tot 25.000 m2) en dieper reiken dan een bepaalde diepte onder maaiveld (0,30, 0,40 of 0,50 meter) is archeologisch onderzoek verplicht. Binnen het plangebied komen categorie 4 (gebied met hoge verwachting), categorie 5 (gebied met middelhoge verwachting) en categorie 6 (gebied met lage verwachting) voor.

CroonenBuro5

33

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

4.9.2

Gemeente Bergeijk

Toetsing archeologie Archeologisch bureauonderzoek en selectieadvies Omdat in het plangebied op grond van het gemeentelijk archeologiebeleid verschillende archeologische verwachtingswaarden voorkomen, is archeologisch bureauonderzoek verricht.4 De onderzoeksrapportage is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Het onderzoek had niet slechts betrekking op de Broekhovenseweg, maar ook op gronden langs de Heuvel/Dorpsstraat en de Schoolstraat. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het plangebied een brede archeologische verwachting geldt, gebaseerd op onderzoeken uit de omgeving en de bekende informatie over de geomorfologie en hoogteligging. Het feit dat het merendeel van het onderzoeksgebied zich bevindt op hooggelegen dekzandwelvingen leidt tot de verwachting dat het een gunstige verblijfsplaats is geweest in het verleden. Dit wordt bevestigd door vondsten in de omgeving uit de periodes laatpaleolithicum tot en met late middeleeuwen/nieuwe tijd. Er kunnen op voorhand geen perioden worden uitgesloten. Er kunnen in het onderzoeksgebied archeologische resten worden aangetroffen uit de steentijd tot en met de middeleeuwen/nieuwe tijd, afhankelijk van de precieze bodemopbouw. De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodemopbouw in het onderzoeksgebied verstoord is geraakt door bebouwing of andere grondwerkzaamheden.

Dit kan niet worden bepaald door een bureauonderzoek alleen. Daarom wordt geadviseerd om in het onderzoeksgebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en de aanwezigheid van archeologisch relevante lagen dan wel niveaus te bepalen. Op die manier kan een onderbouwd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. Dit betreft een selectieadvies. Toetsing archeologisch onderzoek en selectiebesluit De rapportage van het bureauonderzoek is voor advies voorgelegd aan de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB). De ODZOB heeft op 29 oktober 2018 advies uitgebracht, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.5 Omdat met het bureauonderzoek de archeologische verwachtingswaarde nog niet in voldoende mate is aangetoond adviseert de ODZOB – net als het bureauonderzoek – archeologisch vervolgonderzoek. Omdat er geen aanwijzingen zijn voor grootschalige en diepe verstoringen en voor de aanleg van het fietspad vermoedelijk gegraven zal worden tot in het archeologische niveau, zal een verkennend booronderzoek vermoedelijk geen nieuwe gegevens opleveren met betrekking tot de archeologische verwachtingswaarden in het plangebied.

Daarom wordt geadviseerd om in die delen van het plangebied waar bodemingrepen dieper dan 30 cm gepland zijn, de werkzaamheden archeologisch te begeleiden. Het doel van dit onderzoek is om grip te krijgen op mogelijk aanwezige archeologische waarden. Het proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) dient plaats te vinden aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen en uitgevoerd te worden door een archeologisch bedrijf gecertificeerd voor het uitvoeren van archeologische opgravingen. Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd door middel van het volgen van de graafmachine. Er dient op aanwijzing van de archeoloog in de sleuven een leesbaar vlak en vooral ook bodemprofielen te worden aangelegd met als doel eventuele archeologische resten te identificeren, te inventariseren en te documenteren, waarbij voldoende tijd wordt geboden voor het uitvoeren van het archeologisch onderzoek. Omdat het onderzoeksgebied redelijk omvangrijk is, is geadviseerd om in het op te stellen Programma van Eisen gemotiveerde keuzes te maken over delen van het traject die intensief en extensief begeleid worden.

4 5

Bureauonderzoek fietspaden Bergeijk, Antea Group Archeologie, 25 februari 2019 Advies Archeologische Monumentenzorg 2018 – 172, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, 29 oktober 2018

CroonenBuro5

34

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

Bescherming via dubbelbestemming Op dit moment is niet duidelijk hoe het fietspad exact wordt aangelegd en hoe diep de bodemverstoring zal zijn. Dit is mede afhankelijk van de gekozen funderingswijze. Daarom zijn in dit bestemmingsplan dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. De dubbelbestemmingen zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart en zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Ter bescherming van de archeologische waarden is in de dubbelbestemmingen een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. De dubbelbestemmingen maken het mogelijk om - als blijkt dat de ondergrens voor grondroerende werkzaamheden op (delen van) het traject wordt overschreden - archeologische begeleiding als voorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden.

4.9.3

Toetsing cultuurhistorie Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de Broekhovenseweg aangeduid als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Het tracé van deze weg is op topografische kaarten van rond 1900 al duidelijk herkenbaar. Wel is het landschap sinds die periode ingrijpend gewijzigd. De Broekhovenseweg liep rond 1900 nog door een grootschalig heidegebied en loopt nu door een afwisseling van bossen en agrarische gronden. Verder zijn op de cultuurhistorische waardenkaart geen waardevolle elementen aangeduid in het plangebied. De gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart geeft een vergelijkbaar beeld. De Broekhovenseweg is op deze kaart aangemerkt als lijn van redelijk hoge waarde. Aan de uiterste oostzijde ligt de weg in het ensemble van de Dommel en de Keersop. De aanleg van een vrijliggend fietspad parallel aan de bestaande weg leidt niet tot een aantasting van cultuurhistorische waarden. Het (historische) tracé van de weg wordt niet aangetast en er is geen sprake van een aantasting van het cultuurhistorische ensemble rond de Dommel en de Keersop. Er zijn uit oogpunt van cultuurhistorie daarom geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.10

Kabels en leidingen

4.10.1 Algemeen In de ondergrond ligt een groot aantal kabels en leidingen. Een deel van deze leidingen is planologisch relevant, gelet op de externe veiligheidsrisico’s (bijvoorbeeld bij gasleidingen en brandstofleidingen, gereguleerd via het Besluit externe veiligheid buisleidingen) of het belang van de leidingen voor de aan- en afvoer van drinkwater of rioolwater (grotere waterleidingen en rioolpersleidingen). Ook hoogspanningslijnen vergen planologische bescherming.

4.10.2 Toetsing De Broekhovenseweg kruist oostelijk van het woonperceel Wilgerijs 6 een rioolwatertransportleiding die in beheer is van Waterschap De Dommel. De leiding is, inclusief een beschermingszone van 5 meter aan weerzijden van de leiding, bestemd als ‘Leiding - Riool’. Voor de aanleg van het fietspad is in de uitvoeringsfase overleg nodig met de leidingbeheerder. De dubbelbestemming bepaalt daarom dat voor diverse werkzaamheden, waaronder de aanleg van (fiets)paden, een omgevingsvergunning benodigd is. Die vergunning kan uitsluitend worden verleend als het behoud van een veilige ligging van de leiding gewaarborgd is en nadat overleg heeft plaatsgevonden met de leidingbeheerder.

CroonenBuro5

35

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

CroonenBuro5

36

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

5

Het bestemmingsplan

5.1

Plansystematiek Dit bestemmingsplan heeft tot doel om de aanleg van een vrijliggend fietspad mogelijk te maken langs de Broekhovenseweg, in het buitengebied van Bergeijk. Voor de systematiek en inhoud van het bestemmingsplan is aangesloten bij het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’, inclusief de partiële herzieningen van 2014 en 2017. Dit betekent dat het fietspad, met inbegrip van de groene berm tussen fietspad en rijstrook, is bestemd als ‘Verkeer’. Het bosgebied ter hoogte van het Huisven is bestemd als ‘Bos’. Relevante dubbelbestemmingen (zoals de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ en de dubbelbestemmingen voor archeologie) zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. De percelen waarop natuurcompensatie plaatsvindt zijn bestemd als ‘Natuur’. Ook voor deze percelen zijn de relevante dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen uit het geldende bestemmingsplan overgenomen.

5.2

Opzet van de regels Overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) zijn de regels van dit bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op de bestemmingen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de planregels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de regels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de in het plangebied voorkomende bestemmingen. Per bestemming is het toegestane gebruik van de gronden geregeld in de bestemmingsomschrijving en, indien nodig, in de specifieke gebruiksregels. Daarnaast zijn per bestemming bouwregels gegeven voor de bebouwing die mag worden opgericht.

Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels:  Een anti-dubbeltelregel: hierin is bepaald dat grond die is meegerekend bij het toestaan van een bouwplan, niet nogmaals kan worden meegerekend bij de beoordeling van een volgend bouwplan.  Algemene bouwregels: hierin is een regel opgenomen die bepaalt dat, indien de maatvoering van bestaande, legaal opgerichte, bouwwerken afwijkt van wat in het bestemmingsplan is toegestaan, de afwijkende maatvoering mag worden gehandhaafd.  Algemene gebruiksregels: hierin is aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig gebruik wordt aangemerkt.  Algemene aanduidingsregels: hierin zijn regels opgenomen voor de gebiedsaanduiding ‘overige zone – zoekgebied voor behoud en herstel van waterystemen’ en voor de gebiedsaanduidingen die samenhangen met de herbegrenzing van de werkingsgebieden voor het Natuur Netwerk Brabant en het landelijk gebied in de Interim omgevingsverordening van de provincie NoordBrabant.  Algemene afwijkingsregels: in de algemene afwijkingsregels is bepaald in welke gevallen het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het afwijken kan verlenen.

CroonenBuro5

37

Ontwerpbestemmingsplan Fietspad Broekhovenseweg 2020

Gemeente Bergeijk

 Overige regels: in de overige regels is geregeld dat waar in de planregels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, geduid wordt op de regelingen zoals die luiden op het tijdstip van het terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast is in de overige regels een parkeerregeling opgenomen. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel, waarin is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.

5.3

De bestemmingen In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Bos De bestemming ‘Bos’ is opgenomen voor de bosstrook langs de Broekhovenseweg, ter hoogte van het Huisven. Hier blijft tussen het fietspad en de rijbaan een strook bos behouden. De gronden met de bestemming ‘Bos’ zijn bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van bos en voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke, ecologische en natuurwaarden van de gronden. Binnen de bestemming zijn daarnaast onverharde paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik toegestaan. Binnen de bestemming ‘Bos’ mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor extensief recreatief medegebruik (zoals picknickplekken, banken en afvalbakken) worden gebouwd. Ter bescherming van de waarden van de gronden is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Er is onder meer een omgevingsvergunning benodigd om opgaand houtgewas te rooien. Natuur De bestemming ‘Natuur’ is opgenomen voor de percelen waar natuurcompensatie plaatsvindt. De gronden met de bestemming ‘Natuur’ zijn bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden en ecologische waarden van de gronden en voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden.

Binnen de bestemming zijn daarnaast onverharde paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik toegestaan. Binnen de bestemming ‘Natuur’ mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor extensief recreatief medegebruik (zoals picknickplekken, banken en afvalbakken) worden gebouwd. Ter bescherming van de waarden van de gronden is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen, dat tot doel heeft om de (toekomstige) natuur- en landschapswaarden te beschermen. De gronden met de bestemming ‘Natuur’ zijn op dit moment in agrarisch gebruik en hebben nog geen bijzondere natuur- of landschappelijke waarden. De gronden worden als compensatie voor de NNB-aantasting ingericht als natuur overeenkomstig het Projectplan herinrichting Beekloop. De werkzaamheden die samenhangen met de eerste aanleg van natuur zijn uitgezonderd van de vergunningplicht, mits die werkzaamheden in overeenstemming zijn met het projectplan, dat als bijlage bij de regels is opgenomen. Verkeer Het fietspad is, inclusief de groene bermen, bestemd als ‘Verkeer’. De gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf in de vorm van een fietspad. Daarnaast zijn groenvoorzieningen (waaronder wegbeplanting), water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=6e8cab03-5cea-436c-89d4-f8a5cfde89d8