CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Herziening Lage Berkt 2

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan “Herziening Lage Berkt 2”13.784 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

onderzoeksresultaten.

Gezondheidsraad

in

2012

De

aanleiding

voorlopige

geweest

om

onderzoeksresultaten

zijn

voor

de

voor

bevolking

een

de

algemene

gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de ruimtelijke ordening wordt dit berekeningsmodel geaccepteerd als richtlijn. De fijnstofemissie van alle omliggende veehouderijen is zodanig minimaal, dat deze verwaarloosbaar is in het kader van endotoxinen. Het aspect endotoxinen vormt geen bezwaar voor de beoogde herontwikkeling.

4.3.3

Spuitzones

Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit rechtspraak volgt dat dit een locatie-specifiek onderzoek moet zijn. De

functie

binnen

het

plangebied

is

reeds

maatgevend

voor

het

gebruik

van

gewasbeschermingsmiddelen. Een groot deel van de activiteiten voor de maatschappelijke vindt inpandig plaats en wordt omgeven door opgaande beplanting. Er is geen sprake van boomteelt in de wijde omgeving van het plan. Wanneer er op de agrarische percelen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, is dit neerwaarts en niet opwaarts. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat dit aspect een bezwaar vormt.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

4.4 Geluidsaspecten 4.4.1

Wegverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van toevoeging van een object dat dient te worden beschermd in het kader van geluidhinder. De dagbesteding is geen voor geluidgevoelige functie. Het aspect geluid is derhalve voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied geen bezwaar. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht.

4.4.2

Industrielawaai

Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluid producerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven waar industrielawaai aan de orde is. Het aspect industrielawaai is dan ook geen bezwaar.

4.5 Wet luchtkwaliteit 4.5.1

Inleiding

Met de Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen dit programma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De opgenomen programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien de beoogde herontwikkeling slecht de toevoeging van maatschappelijke functie mogelijk maakt, waarvoor de vervoersbewegingen relatief beperkt zijn (circa 25 per dag gemiddeld) in samenhang met de staking van de functie statische opslag, kan worden gesteld dat de ontwikkeling valt binnen de norm NIBM en de luchtkwaliteit hoeft niet verder te worden onderzocht.

Tabel 1: Uitsnede NIBM tool 2022

4.5.2

Besluit gevoelige bestemmingen

Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Deze AMvB beperkt de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof en stikstofdioxide. Dit zijn voornamelijk kinderen, ouderen en zieken. Scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen en bijbehorende terreinen betreffen hierbij gevoelige bestemmingen. In de context van dit besluit worden bijvoorbeeld ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. De maatschappelijke functie wordt gezien als gevoelige bestemming. Op navolgende figuren is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied zichtbaar gemaakt.

4.5.3

Blootstelling aan verontreiniging

4.5.3.1

Inleiding

In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. 4.5.3.2

Fijnstof

De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM 10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

Figuur 13: Fijnstof 2020 PM10 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Figuur 14: Fijnstof 2020 PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Voor het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 15-16 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 8-9 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is. 4.5.3.3

Stikstofdioxide

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³.

Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

Figuur 15: Stikstofdioxide 2020 (bron: Atlas leefomgeving) voor het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 9-10 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.

4.6 Bodem Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Ter plaatse is tijdens de vorige bestemmingsplanherziening (Verkennend bodemonderzoek, Lage Berkt 2 en 2a Bergeijk rapport: 1902532 versie 1, 19 december 2019), en gedurende deze herziening een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit de analyseresultaten van het overlegde bodemonderzoekrapport, d.d. 19 december 2019, rapportnummer 1902532 is het volgende gebleken. •

In de grondmengmonsters van de bovengrond zijn analytisch licht verhoogde gehalten met som DDD, minerale olie, cadmium, lood, zink en PAK aangetoond. Deze concentraties overschrijden de AW maar niet de IW.

•

In de grondmengmonsters van de ondergrond zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de AW.

•

In het grondwater zijn analytisch licht verhoogde gehalten aan barium, cadmium en koper aangetoond. Deze overschrijden de streefwaarden maar niet de IW.

•

In het grondmengmonster asbest is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. Deze overschrijdt de detectiegrens maar ligt onder de helft van de IW.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

De aangetoonde verhogingen zijn van een dermate lichte aard dat in het kader van de WBB geen aanvullende procedures noodzakelijk zijn. Obv de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieu hygiënisch oogpunt daarom geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de geplande ontwikkelingen in het plangebied. Omdat in het verkennend bodemonderzoek niet het gehele plangebied is onderzocht heeft initiatiefnemer Lankelma opdracht gegeven voor een aanvullende bodemonderzoek. Door Silt Milieu BV (voorheen Lankelma Geotechniek Zuid) is een aanvullende bodemonderzoek uitgevoerd. Uit de analyseresultaten van de overlegde briefrapportage aanvullend bodemonderzoek, d.d. 19 oktober 2023, referentienummer 2302147 is het volgende gebleken. •

In het grondmengmonster MM02 van de bovengrond zijn analytisch licht verhoogde gehaltes aan cadmium, PAK en zink aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de AW maar niet de IW;

•

In de overige grondmengmonsters MM01 en MM03 eveneens van de bovengrond zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Alle liggen onder de AW.

O.b.v. van de bevindingen uit het aanvullend bodemonderzoek is nader bodemonderzoek vanuit milieu hygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Uit de situatietekeningen met boorlocaties van beide overlegde rapporten is gebleken dat niet het gehele plangebied is onderzocht. Derhalve zijn alleen de perceelsgedeelten welke zijn onderzocht aangeduid ten behoeve van de maatschappelijke bestemming.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1

Inleiding

Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.

4.7.2

Risico’s

Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

4.7.3

Beleidskader

4.7.3.1

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 4.7.3.2

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten. 4.7.3.3

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

4.7.4

Beoordeling van het plangebied

4.7.4.1

Bedrijven

Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van het bedrijf Distri Centre (circa 1,1 km). Ter plaatse kunnen gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen. Voor de verantwoording kan het standaardadvies van de veiligheidsregio worden toegepast. 4.7.4.2

Transport

Op het grondgebied van de gemeente Bergeijk bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing. Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande weg in de omgeving van het plangebied waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden is de autosnelweg A67. Het plan ligt op een zodanige afstand van deze route dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

Binnen de gemeente Bergeijk vindt geen significant transport over water plaats. Dit aspect is dus niet van toepassing. In de omgeving van het plangebied is geen buisleiding gelegen. Beïnvloeding zal normaliter niet plaatsvinden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen. Er kan dus ook geen interactie plaatshebben.

4.7.5

Verantwoording groepsrisico

Als een standaardadvies van toepassing is dan wordt door de Veiligheidsregio geadviseerd onderstaande adviespunten mee te wegen bij de verantwoording van het groepsrisico.

-

Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Voor ruimtelijk ontwikkelingen vlakbij het spoor is voor het risico op een ongeval met het vervoer van gevaarlijke stoffen een risicocommunicatielijn ontwikkeld. Meer hierover vindt u op https://www.ophetjuistespoor.nl/. Op deze site staat onder andere uitgelegd hoe omwonenden van het spoor moeten handelen als zich een dergelijk incident voordoet.

-

Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2018/04/170307beleidsregelsbereikbaarheid-en-bluswatervoorziening-brabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf

-

Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.

4.7.6

Conclusie

De beoogde herontwikkeling is in het kader van externe veiligheid geen bezwaar.

4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied kan getypeerd worden als een ‘gemengd gebied’. Het kan in

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in een ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

4.8.2

Beoordeling van het plangebied

De dagbesteding binnen het plangebied kan worden beschouwd als een gevoelige functie in het kader van bedrijven en milieuzonering. In de omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven gevestigd. Wel is in de omgeving een agrarische functie gevestigd, te weten een melkveebedrijf aan Weebosserweg 43. Voor dit bedrijf geldt in het kader van de factoren stof en geluid een richtafstand van 30 meter, welke in gemengd gebied terug kunnen worden gebracht naar 10 meter. Aan deze richtafstanden kan worden voldaan. De geursituatie is reeds inzichtelijk gemaakt in paragraf 4.2. Binnen het plangebied wordt beoogd een maatschappelijke functie in de vorm van dagbesteding te vestigen. Een dergelijke functie kent een dermate lage milieu-uitstraling dat sprake is van een categorie 1 functie. Hiervoor gelden in gemengd gebied geen richtafstanden. Herbestemming van het plangebied is derhalve in het kader van Bedrijven en Milieuzonering geen bezwaar.

4.9 Milieueffectrapportage Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied komt niet voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en zal dan ook niet worden beoordeeld in het kader van het Besluit m.e.r. Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

hebben voor het milieu. De beoogde herontwikkeling binnen het plangebied komt ook niet voor op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en is derhalve ook niet m.e.r.-plichtig.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

5.

NATUUR, ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

5.1 Flora en Fauna 5.1.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

5.1.2

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Het meest dicht bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft het ‘Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux’, op een afstand van circa 2,3 kilometer ten oosten van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn wel een aantal bosschages en waterwegen aangewezen als Natuur Netwerk Brabant. Het meest dichtbijgelegen netwerk bevindt zich op ruim 300 meter ten noorden van het plangebied. De beoogde herontwikkeling ziet op herbestemming van de bestaande bedrijfslocatie.

Ter plaatste wordt beoogd een dagbestedingsfunctie te bestemmen, ten faveure van de functie statische opslag die komt te vervallen. Gelet op de aard, de omvang en het effectbereik van de activiteiten en de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten uit te sluiten. Het onderdeel houtopstanden is niet van toepassing, er worden geen bomen gekapt.

5.1.3

Stikstof

In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Met Aerius Calculator kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling worden berekend. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling wordt een maatschappelijke functie toegevoegd. Daarvoor vindt een toename plaats van vervoersbewegingen. De stikstofdepositie hiervan is met de Aerius calculator inzichtelijk gemaakt. Anderzijds komen de vervoersbewegingen voor de opslagfunctie te vervallen. Uit de berekening blijkt dat de beoogde herontwikkeling niet bijdraagt aan een depositie hoger dan 0,00 mol/ha op Natura 2000-gebieden. De uitvoer van de berekening is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.1.4

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Verwacht wordt dat enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten zoals de mol, konijnen, egel en een aantal algemene muissoorten voor kunnen komen binnen het plangebied. Met de beoogde herontwikkeling zullen geen landschapselementen worden verwijderd en er worden geen bedrijfsgebouwen gesloopt.

Wel wordt de bestaande loods verbouwd om de zorgboerderij mogelijk te kunnen maken. De loods heeft thans geen zijwanden en is derhalve zodanig tochtig, dat niet aannemelijk wordt geacht dat de gebouwen geschikt zijn voor verblijfplaatsen voor vleermuizen of andere beschermde soorten. Vanuit de algemene zorgplicht dient evenwel tijdens de werkzaamheden continu gelet te worden op aanwezigheid van al dan niet beschermde planten en dieren. Bij aantreffen van planten en dieren moet worden voorkomen dat deze worden verstoord.

5.1.5

Natuurinclusief bouwen

De overheid wil het Natuurinclusief realiseren van nieuwe gebouwen stimuleren. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen en andere gebouwen.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

De ‘Toolbox Natuurinclusief bouwen’ biedt een digitale set aan praktische handvatten voor meer biodiversiteit

in

de

bebouwde

omgeving:

https://www.bouwnatuurinclusief.nl

http://www.stedebouwarchitectuur.nl/artikel/270120/vogels-en-vleermuizen-in-de-spouw.

en

Navolgende

figuur geeft een aantal voorbeelden weer van Natuurinclusief bouwmethodes. Toepassen van deze methodes is niet verplicht, maar wordt ten zeerste aanbevolen.

Figuur 16: Voorbeelden Natuurinclusief bouwen

5.2 Archeologie 5.2.1

Erfgoedwet

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet betreft één integrale wet die betrekking heeft op archeologie (op het land en onder water), museale objecten, musea en monumenten. Het uitgangspunt van de Erfgoedwet is een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie staat hierin het verdrag van Malta (Valetta) en de uitwerking hiervan in de voormalige Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) centraal. Met de invoering van de Wamz in 2007 hebben gemeenten veel meer bevoegdheden gekregen inzake beheer en behoud van archeologische (rijks)monumenten en overige archeologische (verwachtings)waarden, deze bevoegdheden zijn in de Erfgoedwet behouden. Om een goede uitvoering te geven aan deze bevoegdheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden hebben de meeste gemeenten archeologiebeleid ontwikkeld.

5.2.2

Gemeentelijk archeologiebeleid

De gemeente Bergeijk heeft op 23-12-2016 de ‘Erfgoedverordening gemeente Bergeijk’ vastgesteld ter bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden. In deze visie is omschreven hoe de gemeente Bergeijk streeft naar behoud van deze waarden. Hierin is onder andere bepaald op welke wijze men omgaat met cultuurhistorisch waardevol erfgoed en archeologische bodem. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft de archeologische verwachtingswaarden binnen dit grondgebied geïnventariseerd en weergegeven op de archeologische verwachtingskaart. Navolgend is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart weergegeven, met daarop het plangebied aangegeven met de zwarte cirkel.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

Figuur 17: Uitsnede archeologische beleidskaart (bron: atlas.odzob.nl/erfgoed) voor de omgeving van het plangebied

Het voorste gedeelte van het plangebied is aangemerkt als ‘Categorie 4: Gebied met hoge verwachting. Ter plaatse geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld of 0,5 meter onder maaiveld. Het achterste gedeelte is aangemerkt als ‘Categorie 6: Gebied met lage verwachting. Ter plaatse geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2.500 m² en dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld of 0,5 meter onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden. De voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing. De ondergrenzen worden niet overschreden. Een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Niettemin blijven de vigerende dubbelbestemmingen behouden, waarmee ook eventuele waarden in de toekomst gewaarborgd blijven.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

5.3 Cultuurhistorie De provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart geeft informatie over de belangrijke cultuurhistorische objecten en structuren binnen de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is gelegen in de regio ‘Kempen’. Ten aanzien van deze regio is aangegeven dat de bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied in hoge mate zijn bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Ter plaatse van het plangebied of in de directe omgeving bevinden zich geen monumentale panden of landschapselementen. Met de beoogde herontwikkeling gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

6.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

6.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2 Algemene toelichting verbeelding De verbeelding van dit bestemmingsplan bestaat uit een kaartblad. De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken en functie-aanduidingen opgenomen.

6.3 Algemene toelichting voorschriften De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels);

-

De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);

-

Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels);

-

Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving;

-

Bouwregels;

-

Afwijken van de bouwregels;

-

Specifieke gebruiksregels;

-

Afwijken van de gebruiksregels;

-

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

-

Wijzigingsbevoegdheden.

De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

7.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening, de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Bergeijk verhaalt alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de verplichtingen van initiatiefnemer met betrekking tot de aanleg en instandhouding van landschappelijke inpassing, afspraken over de procedurekosten en een artikel betreffende planschadeverhaal opgenomen.

7.2 Economische gevolgen bestemmingsplan De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer komen. Dit betreft onder meer de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade die door uitvoering van het bestemmingsplan optreedt.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Herziening Lage Berkt 2 Bergeijk’ – Toelichting

8.

OVERLEG EN INSPRAAK

8.1 Inspraakprocedure In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraak verordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. De gemeente Bergeijk bepaalt in de gemeentelijke inspraakverordening dat inspraak altijd wordt verleend indien de wet daartoe verplicht. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend. Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel zijn zijn het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Er zijn geen opmerkingen geuit.

8.3

Omgevingsdialoog

Door de initiatiefnemer is een omgevingsdialoog gevoerd. De plannen zijn toegelicht aan vier adressen, te weten Lage Berkt 9, 11, en 13 en Weebosserweg 43. De gevoerde dialoog heeft niet geleid tot aanpassingen van onderhavig plan. Er zijn eveneens geen bezwaren kenbaar gemaakt.

8.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'Herziening Lage Berkt 2, Bergeijk' heeft met ingang van donderdag 14 september 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

VAST TE STELLEN Crijns Rentmeesters bv

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=69cc9add-1546-4b4c-a25e-85ab194eee34