Toelichting Herstelbesluit
Tekst van het document
Daarnaast ziet de provincie kansen om met behulp van brongebieden de natuur te ontwikkelen en droogte te bestrijden.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
20
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels is het plangebied niet gelegen in een specifiek werkingsgebied voor wat betreft het aspect water. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: − Voldoende water voor mens, plan en dier; − Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); − Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; − Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in Afbeelding 8 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor de groenblauwe mantel’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor deze deelfunctie geldt beperkt beschermingsbeleid. Dit houdt in, dat binnen deze gebieden in beginsel waterhuishoudkundige ingrepen mogen plaatsvinden, mits deze zijn gericht op het verbeteren van de condities voor natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities. Het ruimtelijk beleid in de groenblauwe mantel is vooral gericht op ontwikkeling van groenblauwe waarden. Het initiatief betreft de realisatie van een nieuwe pluimveestal. Deze ontwikkeling gaat gepaard met een landschappelijke inpassing waardoor naast een verbetering van de landbouwkundige condities ook de conditie van de natuur wordt verbeterd. Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Gezien vanuit het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing op het plangebied.
Gezien hetgeen hierboven beschreven dat er geen aanduiding opgenomen is op de kaarten 2 en 3 en dat op kaart 1 geen specifiek beschermingsbeleid geldt, past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP.
Afbeelding 8: Uitsnede kaart 'Gezondheid 1' PMWP
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
21
Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren.
Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning en het spoelwater van de melkinstallatie (na de eerste spoelbeurt) worden hierop geloosd. Het mesthoudend afvalwater, afkomstig van het reinigen van de rundveestallen en veewagens wordt direct opgevangen in de drijfmestkelders. Dit mesthoudend afvalwater wordt samen met de drijfmest verspreid over de landbouwgronden in overeenstemming met het Besluit gebruik meststoffen. Uit de pluimveestallen is geen bedrijfsafvalwater afkomstig. Na het legen van de pluimveestallen worden deze geruimd waarbij mest en strooisel direct worden afgevoerd naar mestverwerkingsbedrijven. Tevens vindt er een natte reiniging plaats. Het spoelwater hiervan afkomstig wordt opgevangen in de opvangput, zie milieutekening. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van goodhouse-keeping management.
De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde situatie blijft het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd worden op het gemeentelijk riool. Voor de bouw van de nieuwe pluimveestal zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het (bodem)watersysteem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de (bodem)waterkwaliteit en ecologie.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
22
Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Ten behoeve van de aanleg van de elzensingel nabij de Fortjewaterloop heeft hierover al afstemming plaatsgevonden met het waterschap. Het waterschap geeft aan dat er een vergunning zal kunnen worden afgegeven voor de aanleg van een elzensingel aan de oostzijde van de Fortjewaterloop, omdat deze watergang vanaf de westzijde wordt onderhouden. Aan de oostzijde is namelijk al beplanting aanwezig, waardoor machines en werktuigen hier niet kunnen passeren. Middels de Keur van Waterschap de Dommel kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.000 m2, na de inwerkingtreding van de Keur 2009 (22-12-2009). De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd.
Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) Sinds het in werking treden van de Keur is voor het bedrijf een omgevingsvergunning bouw verleend voor de meest recent gebouwde pluimveestel (nr. 6) met een omvang van 1.642,2 m 2 en de opslag/berging, werkplaats en tussenruimte (nr. 7) met een omvang van 255,5 m 2. De beoogde nieuwe pluimveestal (nr. 8) heeft een omvang van 2.512,5 m 2 en de sleufsilo een omvang van 510 m2. Het hemelwater wat terecht komt op de erfverharding vloeit via afschot direct af naar omliggende gronden. Hier is dus geen sprake van een toename in verhard oppervlak met puntlozing. In totaal dient er derhalve voor 4.920,2 m2 aan compenserende maatregelen getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart welke bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval de Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 11 blijkt is er op het plangebied een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
23
Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 4.920,2 m2 x 1 x 0,06 = 295,2 m3 Als compenserende maatregel zal een retentievoorziening worden aangelegd. Deze voorziening mag niet dieper worden afgegraven dan de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde grondwaterkaart van het beheersgebied van waterschap De Dommel. Zoals uit Afbeelding 9 blijkt varieert de gemiddelde hoogste grondwaterstand rondom het bedrijf tussen 40 en 120 cm beneden maaiveld.
Afbeelding 9: Uitsnede Bodematlas 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand' Provincie Noord-Brabant Op dit moment is nog niet exact duidelijk waar de retentievoorziening zal worden aangelegd, maar er is binnen en rondom het plangebied voldoende ruimte om voldoende bergingscapaciteit te creëren. Bij de aanleg van de retentievoorziening zal rekening worden gehouden met de grondwaterstand ter plaatse en de minimaal vereiste inhoud. Te zijner tijd zal aandacht worden besteed aan de opvang en afvoer van het afstromend regenwater en de leegloop van de retentievijver, zodat er geen wateroverlast ontstaat op het eigen terrein en/of bij derden. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1
Natuurnetwerk Nederland
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
24
-
Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.
Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016.
De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening (Iov). Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform paragraaf 3.2.3 van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 10. Gezien de afstand tot het gebied is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarnaast zullen door het landschappelijk inpassingsplan de ecologische waarden in de omgeving versterken.
Afbeelding 10: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden' Iov 4.3.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
25
ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden.
Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit kan schadelijk zijn voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Om de stikstofproblemen aan te pakken is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) opgesteld. Op 1 juli 2015 is de PAS in werking getreden. Gedurende de looptijd van de PAS hebben overheden en maatschappelijke partners samengewerkt om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Rijk, provincies en natuurorganisaties hebben maatregelen genomen om de natuur te herstellen, door bijvoorbeeld stikstofrijke grondlagen te verwijderen. Agrarische ondernemers hebben maatregelen genomen in hun bedrijfsvoering, zoals mest aanwenden met weinig stikstofverliezen en het gebruik van aangepast voer. Door deze combinatie van maatregelen ontstond er ontwikkelingsruimte voor nieuwe economische activiteiten. Middels het rekenprogramma AERIUS Calculator kon de stikstofdepositie van een ruimtelijke ontwikkeling op omliggende Natura-2000 gebieden worden berekend.
Voor een initiatief kon op basis van deze berekening een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming worden afgegeven wanneer: - de ontwikkeling een afname of in ieders geval geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg had; - de ontwikkeling een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg had er voor die gebieden ontwikkelingsruimte beschikbaar was. Op 29 mei 2019 is door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming op basis van de PAS. De uitspraak stelde dat de voorgestelde bron- en herstelmaatregelen en het autonoom gebruik van de PAS onvoldoende was onderbouwd. Hierdoor was niet verzekerd dat de maatregelen leidden tot een daling van de depositie en een verbetering van de beschermde gebieden. Ook de AERIUS Calculator is daarbij buiten werking gesteld. De veronderstelde ontwikkelingsruimte kon daardoor niet meer worden uitgegeven.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
26
Eind 2019 en begin 2020 zijn actualisaties van de AERIUS Calculator beschikbaar gesteld. Deze nieuwe versies hebben niet meer de specifieke functionaliteiten van de PAS. Daarnaast zijn in de nieuwe versies onderliggende gegevens, rekenmodellen en emissiefactoren geactualiseerd. Wanneer middels de geactualiseerde AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Het bedrijf is in het bezit van een Natuurbeschermingswetvergunning 1998 d.d. 06-08-2014, zie Bijlage 10. Deze vergunning is van rechtswege per 01-01-2017 is overgaan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Daar dit een vergunning betreft van voor het in werking treden van de PAS is dit ook na de uitspraak van 29 mei 2019 de uitgangssituatie voor de stikstofdepositie. Door het toepassen van emissie arme huisvestingssystemen is er ten opzichte van de uitgangssituatie sprake van een afname in stikstofemissie als gevolg van het houden van dieren, van 5.245,75 kg/j naar 3.577,13 kg/j. Overige stikstofbronnen binnen het plangebied zullen niet resulteren in een toename in stikstofemissie. De bestaande bedrijfswoning blijft in de beoogde situatie gehandhaafd.
De emissie van stikstof vanuit de stookinstallatie in de bedrijfswoning en de emissie van stikstof als gevolg van de verkeersgeneratie door de bedrijfswoning verandert met het initiatief niet. Aangezien de melkveetak van het bedrijf in omvang gelijk blijft, verandert ook de verkeersgeneratie ten behoeve van deze activiteit niet. Conform de vigerende vergunning in het kader van de Wetnatuurbescherming mogen binnen het plangebied 125.950 vleeskuikens gehouden worden. In de beoogde situatie worden er binnen het plangebied 106.468 vleeskuikens gehouden. Hierdoor zal de verkeersgeneratie ten behoeve van de pluimveetak ook niet resulteren in een toename in stikstofdepositie. Daar de bezetting in de bestaande stallen zal worden verlaagd én de emissiearme huisvestingssystemen zullen worden toegepast op de bestaande stallen alvorens de nieuwe pluimveestal wordt gerealiseerd, zal ook de realisatiefase van die stal niet resulteren in een toename in stikstofemissie ten opzichte van de uitgangssituatie. Gezien er met het initiatief dus een grote afname in stikstofemissie plaatsvindt zal er naar alle waarschijnlijkheid ook een afname in stikstofdepositie plaatsvinden. Om dit aan te tonen is middels de AERIUS Calculator een verschilberekening gemaakt tussen de stikstofemissie als gevolg van het houden van dieren in de uitgangssituatie en in de beoogde situatie.
De gehanteerde invoergegevens voor deze berekening zijn in Bijlage 11 opgenomen. Aangezien de kortste afstand tussen een bron met gebouwinvloed binnen het plangebied (nieuwe pluimveestal) en de dichtstbijzijnde voor stikstof gevoelige habitat (in het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux) 3,1 km bedraagt is de gebouwinvloed niet meegenomen in de AERIUS-berekening. Uit de rekenresultaten van de AERIUS-berekening blijkt dat de ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. De ontwikkeling kan dus doorgang vinden. Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit kan schadelijk zijn voor de natuur. In het kader van deze bestemmingsplanprocedure dient te worden aangetoond dat de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (inclusief eventuele afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden) niet zorgt voor significante negatieve effecten als gevolg van de veranderende bedrijfsvoering. Voor wat betreft de effecten van stikstofdepositie is een separate notitie opgesteld die als bijlage bij het plan is opgenomen (bijlage 10). In deze notitie zijn alle stikstofbronnen in de referentiesituatie en beoogde situatie betrokken en is hiervan de stikstofdepositie berekend.
Omdat er geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden in het plan worden opgenomen is deze beoogde situatie ook de maximale planologische ruimte die het bestemmingsplan biedt. Uit de opgestelde notitie blijkt dat, ten opzichte van de feitelijk, bestaande planologische situatie geen sprake is van significante negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling voor wat betreft stikstofdepositie.
Overige storingsfactoren
Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’, wat is gelegen op een afstand van circa 820 m. Gezien de afstand tot dit gebied zal de beoogde
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
27
ontwikkeling verder niet leiden tot andere voorkomende storende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering in soortensamenstelling op omliggende Natura 2000gebieden.
Conclusie
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er met het initiatief geen sprake is van een negatief effect voor Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van de beoogde situatie zal een nieuwe omgevingsvergunning in het kader van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven:
1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn;
Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).
2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn;
Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
3. Beschermingsregime andere soorten.
Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de binnen het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Vlieterdijk 34, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren pluimveestal, beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden.
Gezien het huidige intensieve gebruik van de landbouwgronden en de zandweg grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Tevens kan door middel van de Flora- en Faunascan van Arcadis gekeken worden of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormen voor de beschermde soorten. De resultaten van deze scan zijn opgenomen in Afbeelding 11. Het huidige landschapselement waar de toekomstige pluimveestal gerealiseerd wordt kan getypeerd worden als graslandgebied met sloten en graslandgebied met landschapselementen. De ruimtelijke ingreep betreft het bij/aanbouwen van een pluimveestal.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
28
Afbeelding 11: Resultaten uit Arcadis Flora- en faunascan Uit de scan volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van de Flora- en Faunawet onwaarschijnlijk is. Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van soorten. 4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij agrarische bedrijven. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.
4.4.1
Kwetsbare gebieden
De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die zijn gelegen in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.
Afbeelding 12: Uitsnede WAV kaart Noord-Brabant
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
29
Uit Afbeelding 12 blijkt dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied is gelegen. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak.
4.4.2
Besluit emissiearme huisvesting
Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen, welke opgenomen is in het Besluit emissiearme huisvesting. Op 1 Augustus 2015 is het besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Hierin zijn nieuwe regels met betrekking tot emissiearme huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren opgesteld. Deze regels zijn van toepassing op stallen die na 1 april 2008 zijn gebouwd of uitgebreid met meer dan 20 plaatsen. Het wijzigingen van een huisvestingssysteem valt in de categorie; oprichting van een nieuw dierenverblijf. Voor melkrundveehouderijen waarvoor de dierenverblijven voor melk- en kalfkoeien zijn opgericht op uiterlijk 30 juni 2015 en welke worden beweid geldt een maximale emissiewaarde van 13,0 kg NH3 per dierverblijf per jaar. Initiatiefnemer is niet voornemens wijzigingen aan te brengen in de reeds bestaande dierenverblijven voor zijn melk- en kalfkoeien. Voor een traditioneel stalsysteem is een emissiewaarde van 13,0 kg NH3 per melk- of kalfkoe per jaar vastgesteld. Voor huisvesting van vrouwelijk jongvee, overig rundvee en paarden zijn geen maximale emissiewaarden van toepassing. Voor pluimveeverblijven die worden opgericht na 1 juni 2015 bedraagt de maximale emissiewaarde voor vleeskuikens 0,035 kg NH3 per dierplaats per jaar.
Initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe stal te realiseren met het huisvestingssysteem BWL 2010.13.V6 stal met luchtmengsysteem met warmteheaters en ventilatoren. Voor dit stalsysteem is een emissiewaarde van 0,021 kg NH 3 per dierplaats per jaar vastgesteld. Indien de dierenverblijven worden opgericht na 1 januari 2020 geldt een maximale emissiewaarde voor vleeskuikens van 0,024 kg NH 3 per dierplaats per jaar, aangezien het bedrijf een IPPC inrichting betreft (er zijn in totaal meer dan 40.000 stuks pluimvee aanwezig op het bedrijf). Het stalsysteem kan ook aan deze emissiewaarde voldoen. Zodoende wordt voldaan aan het besluit emissiearme huisvesting voor wat betreft het aspect ammoniak.
4.4.3
Richtlijn Industriële Emissies
De ‘Richtlijn Industriële Emissies’ is een Europese richtlijn welke op 6 januari 2011 in werking is getreden en is gericht op het terugdringen van milieuverontreiniging. Deze richtlijn is op 13 oktober 2012 in het implementatiebesluit opgenomen en op 1 januari 2013 in werking getreden. Ook ‘grote’ intensieve veehouderijen (meer dan 750 fokzeugen, 2.000 vleesvarkens >30 kg of 40.000 plaatsen voor pluimvee) vallen onder de werking van de richtlijn (IPPC-bedrijven). Op het bedrijf zijn in de beoogde situatie 141.895 vleeskuikens aanwezig. Het bedrijf betreft derhalve een IPPC inrichting. Door het ministerie is een beleidslijn opgesteld voor de IPPC omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij. In deze beleidslijn worden met name regels gesteld voor de toename van ammoniakemissies van IPPC-bedrijven. Tot een emissie van 5.000 kg NH3 per jaar mag een bedrijf uitbreiden met toepassing van BBT (besluit huisvesting). Bij een toename van de ammoniakemissie boven de 5.000 kg NH3 per jaar dient een extra reductie van de ammoniakemissie te worden bewerkstelligd (BBT+). Indien de ammoniakemissie boven de 10.000 kg NH3 per jaar uitstijgt wordt een nog hogere reductie voorgeschreven (BBT++). Eén van de uitgangspunten van de beleidslijn is, dat vergunde rechten in beginsel niet worden aangetast. Zoals reeds uiteengezet is de vergunning d.d.
15-07-2010 met de gedeeltelijke intrekking van het veebestand d.d. 28-06-2018 vigerend.
Tabel 3: Berekening emissie vergund & BBT in huidige vs. beoogde situatie Uitgangssituatie Vleeskuikens Beoogd Vleeskuikens
Aantal
EF
101.950
Aantal 106.468
BBT 0,031
EF
Emissie vergund 0,045
BBT 0,021
3.160,45
Emissie vergund 0,045
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
2.235,83
Emissie BBT 4.587,75
Emissie BBT 4.791,06
30
In Tabel 3 zijn de vergunde en BBT emissie in de uitgangssituatie en in de beoogde situatie weergegeven. In de beoogde situatie is er een afname in ammoniakemissie ten opzichte van de vergunde rechten. Tevens blijft de emissie op bedrijfsniveau in de beoogde situatie onder de 5.000 kg NH3 per jaar. Hieruit volgt dat de beoogde bedrijfsopzet in overeenstemming is met de Richtlijn Industriële Emissies. 4.5 Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden nauwelijks bodembedreigende activiteiten plaats. Enkel het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij kunnen als bodembedreigende activiteit worden aangemerkt. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In de uiteindelijke omgevingsvergunning zijn voorschriften opgenomen voor toepassing van bodembeschermende maatregelen en het behoud van een duurzame bodemkwaliteit.
Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. 4.6 Landschappelijke inpassing De landschappelijk inpassing is verplicht op basis van het beleid van de provincie, de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast sluit de inpassing aan bij de structuurvisie van de gemeente ‘Bergeijk: Leven en beleven tussen bossen, beken en boerenland’. In paragraaf 3.1.3 en 3.2.1 is dit reeds uitgebreid omschreven. Hierin is geconcludeerd dat met de beoogde landschappelijke inpassing wordt voldaan aan de minimaal vereiste kwaliteitsverbetering van de provincie en gemeente. In Bijlage 3 is het volledige landschappelijke inpassingsplan terug te vinden. Een gedeelte van de landschappelijke inpassing betreft het aanleggen van een Elzensingel langs de Fortjewaterloop. Deze sloot is een A-watergang, waarvoor een beschermingszone van 5 meter geldt. Om hier beplanting aan te leggen dient een waterwetvergunning aangevraagd te worden. Om op voorhand te toetsen of dit haalbaar is, heeft er vooroverleg plaatsgevonden met Waterschap de Dommel. Zij hebben aangegeven dat de betreffende waterloop wordt onderhouden vanaf de westzijde.
Dit omdat aan de oostzijde al beplanting aanwezig is en omdat men er daarom dus niet met de machines omheen gereden kan worden. Het is dus geen probleem om een elzensingel aan te leggen aan de oostzijde. 4.7 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.7.1
Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied, zie Afbeelding 13. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
31
Afbeelding 13: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov 4.7.2
Archeologie
Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘2e Herziening Buitengebied Bergeijk 2017’ is de locatie van de beoogde bebouwing o.a. aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5.2’ en ‘Waarde – Archeologie 6’, zoals reeds in de inleiding is toegelicht. Derhalve zijn artikelen 29.2 en 30.2 van dit bestemmingsplan van toepassing op de locatie.
Conform artikel 29.2 dient voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een diepte van meer dan 0,5 meter onder maaiveld, een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Conform artikel 30.2 geldt dit voor gebouwen met een oppervlakte groter dan 25.000 m 2 en 0,4 m onder maaiveld. De totale oppervlakte van de beoogde uitbreiding betreft 2.500 m2. De diepte van de bebouwing betreft slechts de funderingsdiepte welke niet dieper dan 0,5 m onder maaiveld gaat. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in beide artikelen. Derhalve is een archeologisch onderzoek binnen het plangebied niet noodzakelijk. 4.8 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
32
geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. In Bijlage 6 is een onderzoek naar de geurbelasting, zowel voor- als achtergrond, in de uitgangssituatie en de beoogde situatie toegevoegd. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling kan voldoen aan de gestelde normen in de Wgv en geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Ten aanzien van het aspect geur kan derhalve worden gesteld dat de beoogde ontwikkeling doorgang kan vinden. 4.9 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. De geluidsproductie van een agrarisch bedrijf is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, ventilatie en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen.
In voorliggende situatie is geen sprake van een nieuwe geluid belastende bestemming, het betreft namelijk de bouw van een nieuwe stal. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats welke een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Bovendien is de afstand tot de geluidgevoelige objecten dermate groot dat de activiteiten geen overlast zullen veroorzaken. In de VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn richtafstanden opgenomen voor o.a. het aspect geluid, om milieubelastende activiteiten en gevoelige locaties op een gepaste afstand van elkaar te situeren. Voor een bedrijf gericht op het fokken en houden van mestkuikens, gelegen in gemengd landelijk gebied, wordt een richtafstand van 30m voorgeschreven voor het aspect geluid. Als gemeten wordt vanaf de nieuwe pluimveestal ten opzichte van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige object, gelegen aan de Vlieterdijk 38, dan is de afstand circa 60 meter. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand wat betreft het aspect geluid. 4.10 Parkeren en verkeer Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.
Het initiatief heeft tot gevolg dat er slechts een geringe toename van het aantal transportbewegingen is na de realisatie van de nieuwe stal. De toename zal beperkt zijn, aangezien voer in bulk wordt aangeleverd, vleeskuikens op bepaalde momenten in het jaar worden aan- en afgevoerd en melk op bepaalde momenten van de week wordt opgehaald, wat de voornaamste aan- en afvoerbewegingen zijn. De locatie wordt ontsloten door de Vlieterdijk, welke voornamelijk in gebruik is door bestemmingsverkeer. Deze weg heeft voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen. Op het perceel is/wordt voldoende erfverharding aangelegd om parkeer- en manoeuvreerruimte te creëren. Het plangebied wordt ontsloten door drie inritten, die allen met elkaar in verbinding staan. Het is daardoor voor alle voertuigen die van en naar de inrichting bewegen mogelijk om vooruit het erf te betreden en vooruit het erf te verlaten. Zo kunnen voertuigen t.b.v. van stal 1 t/m 4 bij aankomst gebruik maken van de inrit langs de bedrijfswoning en wegrijden over de middelste inrit. Voertuigen t.b.v. stal 6 en 8 kunnen bij aankomst gebruik maken van de middelste inrit en wegrijden over de inrit tegenover gebouw 6 of vice versa. Op deze rijroutes is voldoende erfverharding aanwezig om voertuigen op eigen terrein te kunnen parkeren tijdens het laden en lossen.
Vulpunten van voersilo’s, in- en uitlaatpunten van de stallen en het afnamepunt van de melktank vinden zich allen aan de voorzijde van het erf, waardoor het voor bezoekers niet noodzakelijk is om
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
33
achter op het erf te komen. Tussen de rundveestallen en de pluimveestallen is een doorgang naar het achtererf gesitueerd, die uitsluitend wordt gebruikt voor bedrijfseigen vervoerbewegingen (bijv. voor het voeren en verplaatsen van het rundvee). In onderstaande afbeelding zijn de verschillende rijroutes aangegeven.
Afbeelding 14: Rijroutes Uit bovenstaande blijkt dat er met het initiatief geen belemmeringen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 4.11 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. In Bijlage 7 is een luchtkwaliteitsonderzoek toegevoegd waarin getoetst wordt aan deze grenswaarden. Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van luchtkwaliteit geen bezwaren zijn ten aanzien van de gewenste ontwikkeling. Besluit emissiearme huisvesting Naast de regels met betrekking tot ammoniak zijn in het besluit emissiearme huisvesting voor pluimvee ook maximale emissiewaarden opgenomen voor fijnstof. Voor nieuwe stallen die worden opgericht na 1 juni 2015 bedraagt de maximale emissiewaarde voor vleeskuikens 16 gram fijnstof PM10 per dierplaats per jaar. Initiatiefnemer is voornemens om de nieuwe stal in te richten met het huisvestingssysteem BWL 2010.13.V6, stal met luchtmengsysteem met warmteheaters en ventilatoren in combinatie met het nieuwe type warmtewisselaar BWL 2018.05, die 50% in fijnstofemissie reduceert. Dit brengt de emissiewaarde op 11,0 gram fijnstof PM10 per dierplaats per jaar.
Zodoende wordt voldaan aan het besluit emissiearme huisvesting voor wat betreft het aspect fijnstof.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
34
4.12 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
4.12.1 Achtergrond
De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.
De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers.
Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij een plannen, waarvan de locatie is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
35
Het invloedsgebied betreft het gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.12.2 Toetsing
In deze paragraaf wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ter plaatse van het plangebied. Inrichtingen Uit de risicokaart, Afbeelding 15, blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. Transport In de gemeenten Bergeijk is van niet-leiding gebonden transport van gevaarlijke stoffen geen sprake. Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over weg, spoor of over water. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied.
Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart Noord-Brabant Groepsrisicoverantwoording Bij het verlenen van een omgevingsvergunning dient het groepsrisico, conform artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden. Dat houdt in, dat de hoogte van het groepsrisico bekend moet zijn en tevens de bijdrage van de ruimtelijke ontwikkling aan het groepsrisico (verhoging/verlaging). Er moet inzicht gegeven worden in de te verwachten dichtheid van personen in de invloedsgebieden van risicobronnen binnen èn buiten het plangebied. Tevens dienen de maatregelen ter beperking van het groepsrisico te worden meegenomen. Verder dient volgens deze artikelen/regelingen advies te worden gevraagd aan de
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
36
Veiligheidsregio. Het plangebied ligt echter niet binnen een invloedsgebied. Een verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde. Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. 4.13 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 16). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. 4.14 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwekker een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn reeds diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. Om te kunnen toetsen aan de diverse bevindingen uit deze onderzoeken is een aparte toelichting voor volksgezondheid geschreven. Deze is opgenomen in Bijlage 11.
Vast beleid van de gemeente is dat er voor een uitbreiding van een hokdierhouderij advies wordt gevraagd aan de GGD ten aanzien van het effect van het beoogde initiatief op de volksgezondheid. De GGD heeft op 4 maart 2019 een gezondheidskundige beoordeling van het initiatief gegeven. Dit advies is als Bijlage 12 aan deze toelichting toegevoegd. In deze beoordeling heeft de GGD alle gezondheidsaspecten afzonderlijk beoordeeld. Op veel aspecten is de GGD positief. Op enkele punten worden adviezen meegegeven aan de gemeente en initiatiefnemer. De GGD geeft echter geen eindoordeel over de ontwikkeling. Dit is volgens de GGD niet haar taak. Door gebruik te maken van het gegeven advies kan de gemeente het aspect gezondheid meewegen in de besluitvorming. Hoe de gemeente de gezondheidskundige beoordeling heeft afgewogen kan worden teruggevonden in Bijlage 13. De adviezen van de GGD ten aanzien van het initiatief zijn ter harte genomen. Met betrekking tot het aspect zoönosen is vooral bewustwording bij het initiatiefnemer van belang. Het GGD advies is derhalve met initiatiefnemer gedeeld zodat bewustwording wordt gecreëerd. Het aspect volksgezondheid is hiermee voldoende afgewogen in het besluitsvormingsproces.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
37
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals voorliggend plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden 1’; - Enkelbestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’; - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4.2’; - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5.2’; - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’; - Aanduiding ‘Bouwvlak’; - Functieaanduiding ‘bedrijfswoning’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden - veehouderij’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – hokdierhouderij’; - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – beperking veehouderij’. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij voorliggend bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
38
Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij de moederplannen ‘Buitengebied Bergeijk’, ‘Herziening Buitengebied Bergeijk 2014’ en ‘2e Herziening Buitengebied Bergeijk 2014’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. Als gevolg van de tussenuitspraak zijn enkele regels gewijzigd of voorwaarden toegevoegd. Dit heeft met name betrekking op de maximale toegestane ammoniakemissie uit dierenverblijven en de regels omtrent stalderen. In 5.4 zijn de wijzigingen nader beschreven. 5.4 Wijzigingen in het kader van het herstelbesluit Als gevolg van de tussenuitspraak is deze toelichting gewijzigd. De tussenuitspraak en wijzigingen die hebben plaatsgevonden in deze toelichting hebben geleid tot wijzigingen in de regels. De volgende wijzigingen zijn doorgevoerd in de regels van dit plan: - Maximale toegestane ammoniakemissie gewijzigd als gevolg van gewijzigde referentiesituatie. Sinds het opstellen van het oorspronkelijke plan is uit jurisprudentie gebleken dat bij plannen moet worden gekeken naar de feitelijk, planologisch legale situatie. In de gewijzigde toelichting en bijlagen is dan ook een gewijzigde referentiesituatie gehanteerd die aan deze criteria voldoet. Een onderbouwing hierop is opgenomen in de onderbouwing stikstofdepositie in bijlage 10 van de toelichting.
Omdat bij de ammoniakemissie zoals opgenomen in het oorspronkelijke besluit, met toepassing van de nieuwe referentiesituatie negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, is gekozen om de beoogde bedrijfssituatie te wijzigen (door het houden van minder rundvee). Met deze wijziging komt de maximale toegestane ammoniakemissie zoals opgenomen in het herstelbesluit overeen met hetgeen is vermeld in de toelichting (en bijlagen) en is er geen sprake van een significant negatief effect op de Natura 2000-gebieden; - Verwijzing naar provinciaal beleid geactualiseerd (van ‘Verordening ruimte’ naar ‘Interim omgevingsverordening’); - Regels over maximale concentratie fijnstof verwijderd als gevolg van uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak ECLI:NL:RVS:2020:452); - Regels met betrekking tot stalderen gewijzigd als gevolg van rechtsoverweging 8.2 van de tussenuitspraak; - Afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden verwijderd zodat maximale planologische ruimte wordt beperkt. De wijzigingen hebben niet geleidt tot aanpassing van de verbeelding.
Toelichting bestemmingsplan – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel
39
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Vlieterdijk 34 betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader wordt de gelegenheid tot inspraak geboden.