Toelichting bestemmingsplan Broekhovenseweg (Zeven Fonteinen - Volmolen) 2022
Tekst van het document
4.3.3
Beleid gemeente Bergeijk Het beleid van de gemeente Bergeijk sluit aan op het landelijke en provinciale beleid en op het beleid van Waterschap De Dommel. Het belangrijkste uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in het deelstroomgebied. Daarnaast is het van belang dat bij inpassing wordt voorkomen dat afwenteling op andere delen van het deelstroomgebied plaatsvindt. Nieuwe rioolstelsels van enige omvang dienen als (verbeterd) gescheiden stelsel te worden uitgevoerd. Verder dient bij nieuwe ontwikkelingen hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, te worden geïnfiltreerd. Hiervoor is een afkoppelkansenkaart bij de gemeente aanwezig.
4.3.4
Toetsing Locatiestudie In de huidige situatie zijn de gronden ten noorden van de rijbaan van de Broekhovenseweg onverhard en in gebruik als bos. Het fietspad wordt gerealiseerd op de plaats van de huidige rijbaan en dus op gronden die in de huidige situatie al verhard zijn.
21 van 36
De rijbaan van de Broekhovenseweg watert in de huidige situatie af naar de bermen, waarin zowel aan de noord- als de zuidzijde een B-watergang aanwezig is. B-watergangen hebben geen beschermingszone en worden onderhouden door de eigenaren van de aanliggende gronden. Blijkens de kaartbank van de provincie Noord-Brabant varieert de GHG in het plangebied tussen de 20 en 60 centimeter onder maaiveld. De bodemopbouw van het plangebied bestaat volgens de provinciale kaarten uit zandgronden. Het plangebied is aangemerkt als kwelgebied. A-watergang B-watergang
Uitsnede legger Waterschap De Dommel
Nieuwe waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied wordt de rijbaan van de Broekhovenseweg over een lengte van circa 200 meter verschoven en wordt over dezelfde afstand een fietspad aangelegd op de plaats van de huidige rijbaan. De rijbaan wordt 5,5 meter breed. De toename van verharding bedraagt daarmee circa 5,5 x 200 = 1.100 m2. De benodigde compensatie kan worden berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 meter) en met een gevoeligheidsfactor voor het betreffende gebied. De gevoeligheidsfactor in het plangebied bedraagt 1. De compensatieopgave per strekkende meter kan dus als volgt worden berekend: 5,5 x 1 x 0,06 = 0,33 m3 per m1. In totaal bedraagt de compensatieopgave circa 200 x 0,33 = 66 m3. Als ook de verharding ter plaatse van het fietspad (de huidige rijbaan) wordt meegenomen, bedraagt de totale wateropgave (5 + 4,5) x 200 x 0,06 = 114 m3. Voor de afwatering is, overeenkomstig het beleid van waterschap en gemeente, gekozen voor infiltratie en berging ter plaatse, waar mogelijk met gebruikmaking van het watersysteem dat langs de bestaande weg ligt. De B-watergang aan de zuidzijde van de huidige rijbaan blijft behouden. De B-watergang aan de noordzijde van de rijbaan wordt verlegd naar de noordzijde van de nieuwe rijbaan van de Broekhovenseweg.
De rijbaan watert gedeeltelijk af op deze nieuwe watergang en gedeeltelijk op de berm tussen rijbaan en fietspad. Om problemen bij hevige regenval in de vorm van afstroming over het fietspad te voorkomen, wordt onderzocht in hoeverre het mogelijk is om de berm hol af te werken. Gelet op de beperkte breedte van de rijbaan (en daarmee de beperkte hoeveelheid op te vangen water) kan hiermee op relatief eenvoudige wijze worden voorzien in een voorziening die voorkomt dat het water bij hevige regenval afstroomt over het fietspad. De bestaande en nieuwe watergangen langs het oostelijk deel van de Broekhovenseweg staan in verbinding met het oppervlaktewatersysteem. Het water vanuit deze watergangen wordt – voor zover het niet ter plaatse infiltreert – afgevoerd naar De Dommel. De watergangen behouden na verplaatsing hun verbinding met de watergangen in de omgeving, zodat het oppervlaktewatersysteem op dezelfde manier blijft functioneren als in de huidige situatie.
22 van 36
Gelet op de beperkte toename van het verhard oppervlak, in combinatie met het gegeven dat zowel de Broekhovenseweg als de overige gronden binnen het plangebied nu ook al oppervlakkig afwateren op de bestaande watergangen, is geen sprake van een wezenlijke verandering van het waterhuishoudkundig systeem. Om versnelde afvoer van water te voorkomen worden, in overleg met het waterschap, de volgende maatregelen getroffen: − De duikers die in de B-watergangen liggen worden hoger aangelegd dan de bodem van de watergang. Hierdoor ontstaat waterberging in de B-watergangen en kan het afstromende water van rijbaan en fietspad ter plaatse worden geborgen. − De B-watergangen worden verbreed om op die manier een grotere waterbergingscapaciteit te realiseren. Deze maatregelen worden zodanig uitgevoerd dat er voldoende waterberging wordt gecreëerd om het hemelwater van het extra verhard oppervlak te bergen. Voor de verlegging van de B-watergangen is een watervergunning benodigd. Het waterschap beoordeelt in het kader van de vergunningverlening of de maatregelen voldoen aan de gemaakte afspraken. Dimensionering (zak)sloten en watergangen De Broekhovenseweg krijgt een rijbaanbreedte van 5,5 meter en het fietspad een breedte van 4 meter. Uitgaande van een maatgevende bui van 60 mm bedraagt de totale afwatering per strekkende meter (5,5 + 4) x 0,06 = 0,57 m3.
Dit water wordt opgevangen in de bestaande watergangen aan de zuidzijde van de weg, de nieuwe (te verleggen) watergang aan de noordzijde van de weg en in de berm tussen de rijbaan en het fietspad. Binnen het wegprofiel is voldoende ruimte om in waterberging te voorzien. Gelet op de goede werking van het huidige watersysteem en de maatregelen die worden getroffen om water in de B-watergangen te kunnen bergen (verhoogde aanleg duikers en verbreding van de watergangen) kan het water afkomstig van rijbaan en fietspad prima ter plaatse worden geborgen en vertraagd worde afgevoerd via de (bestaande en te verleggen) watergangen. De nadere uitwerking en dimensionering zal met het waterschap worden afgestemd.
4.4
Natuur
4.4.1
Algemeen De wet- en regelgeving op het gebied van natuur kent twee sporen: een gebiedsgericht en een soortgericht spoor. In de Wet natuurbescherming is zowel de bescherming van soorten als de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Daarnaast zijn gronden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland (in Noord-Brabant bekend onder de naam Natuur Netwerk Brabant) planologisch beschermd via het provinciaal beleid. In paragraaf 3.2.3 van deze toelichting is reeds ingegaan op de ligging van het plangebied in relatie tot het NNB. Hierna wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan in het licht van de Wet natuurbescherming.
4.4.2
Toetsing In het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de uitvoerbaarheid van het initiatief in relatie tot de natuurwetgeving te beoordelen.2 De onderzoeksrapportage is als bijlage opgenomen. Het onderzoek heeft zich niet alleen gericht op het fietspad langs de Broekhovenseweg, maar ook op de Heuvel/Dorpsstraat en delen van de Schoolstraat. Omdat dit bestemmingsplan uitsluitend betrekking heeft op het fietspad langs het oostelijk deel van de Broekhovenseweg, wordt hierna zoveel mogelijk specifiek op dat deel van het onderzoek ingegaan. Het onderzoeksgebied langs de Broekhovenseweg bestaat grotendeels uit droge bermen op zandgrond, die in de meeste gevallen zijn begroeid met soorten als biggenkruid, braam, vlasbekje, bijvoet, zandraket, grote brandnetel, veldzuring, Jacobskruiskruid en vogelwikke.
2
Quickscan natuurwetgeving voor de aanleg van een fietspad in Bergeijk, Faunaconsult, 17 mei 2019
23 van 36
Daarnaast zijn er her en der locaties waar laanbomen (meestal ruwe berk) staan en zijn delen ingericht als akker of als voortuin. Op een aantal locaties is bosvegetatie aanwezig. Het gaat onder meer om het deel van de Broekhovenseweg dat binnen het plangebied van dit bestemmingsplan ligt. Hier is aan de noordzijde van de weg een bosje aanwezig waar ruwe berk en zwarte els codomineren in de boomlaag. Bramen vormen de ondergroei en is een ijzerrijk beekje met mannagras en liesgras aanwezig. Natura 2000-gebieden Het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateux’ ligt op circa 330 meter ten noordoosten van het plangebied. Het Natura 2000-gebied Kempenland-West bevindt zich op ruim 9 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand. Het verwijderen van de huidige vegetatie, de verlegging van de rijbaan en de aanleg van de weg zal leiden tot wat stikstofuitstoot. In de gebruiksfase is geen sprake van extra stikstofuitstoot. Ten gevolge van de aanleg van het fietspad (en de verlegging van de rijbaan) neemt het aantal motorvoertuigen op de Broekhovenseweg namelijk niet toe, zodat ook de stikstofemissie niet toeneemt. Er is dus alleen in de aanlegfase sprake van een beperkte (extra) stikstofuitstoot ten gevolge van sloop-, bouw- en aanlegwerkzaamheden.
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking is getreden. Deze wet voorziet in een vrijstelling voor activiteiten van de bouwsector, zoals slopen, bouwen en aanleggen: deze activiteiten mogen worden uitgevoerd zonder Wet natuurbescherming-vergunning. Het verrichten van een onderzoek naar stikstofdepositie of het aanvragen van een Wnb-vergunning is dus niet noodzakelijk. Natuur Netwerk Brabant Een deel van het plangebied lag voorheen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Gedeputeerde Staten hebben op 18 januari 2021 ingestemd met herbegrenzing van het NNB, zodat de gronden vanaf die datum niet langer deel uitmaken van het NNB. Gelet op de beperkte impact van de werkzaamheden (aanleg fietspad en verlegging rijbaan met enkele meters) is geen sprake van negatieve effecten op het resterende deel van het NNB. Uit akoestisch onderzoek (zie paragraaf 4.5.2) is gebleken dat de geluidbelasting in de plansituatie (2031) afneemt ten opzichte van de geluidbelasting in de huidige situatie (2021). Er is dus geen sprake van extra (akoestische) verstoring van NNBgronden. Vogels en zoogdieren In het onderzoeksgebied zijn enkele holle berken (laanbomen) aanwezig. Tijdens het veldbezoek werden deze allemaal met behulp van een boomcamera en lange ladder geïnspecteerd. In één boom bevond zich een nest met 5 jonge spreeuwen.
De holten in de overige bomen bleken zeer ondiep of meestal niet omhoog te lopen vanaf de opening (dit is noodzakelijk voor vleermuisverblijven). Slechts één boom heeft een diepe holte die vanaf de opening omhoog loopt, deze holte kon niet volledig worden geïnspecteerd. Omdat het hier een enkele holle boom betreft, kan echter worden aangenomen dat deze geen functie heeft als vleermuizenverblijf (deze bevinden zich doorgaans in groepjes holle bomen, waarbij er gedurende het seizoen door de vleermuizen regelmatig wordt gewisseld van boom). Vleermuisverblijven zijn dus afwezig. Het ligt voor de hand dat de laanbomen en plaatsen waar de bestaande weg aan een bosrand grenst fungeren als vaste vliegroute of als foerageergebied van vleermuizen. Omdat er overal aan de overzijde van de weg of in de directe nabijheid van het onderzoeksgebied opgaande beplanting aanwezig is, is er overal echter voldoende alternatieve geleiding en foerageergebied aanwezig. In die zin is er dus geen sprake van een aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Indien er buitenverlichting op de bosranden wordt gericht, kan dit wel een verstoring van vleermuizen opleveren.
24 van 36
Behalve het spreeuwennest werden tijdens het veldbezoek geen vogelnesten aangetroffen, maar het is mogelijk dat kleine zangvogelnesten later in het broedseizoen aanwezig zijn. Roofvogelnesten, andere jaarrond beschermde vogelnesten of eekhoornnesten zijn echter nergens aangetroffen. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn in het onderzoeksgebied afwezig. Als de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. Vanwege het gebrek aan voldoende dekking is het zo goed als uitgesloten dat er kleine marterachtigen in het plangebied aanwezig zijn. Dassenburchten, dassenlatrines, dassenwissels en snuitputjes van dassen zijn in het plangebied afwezig. In het plangebied leven mogelijk wel enkele algemene zoogdieren zoals de veldmuis. Planten en overige soorten In het onderzoeksgebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen. In het onderzoeksgebied zijn een waterhoudende greppel en een stroompje aanwezig. De waterhoudende greppel bevat normaliter geen water en is daarom ongeschikt als voortplantingswater voor amfibieën.
Het stroompje is tijdens het veldbezoek bemonsterd met een steeknet van 70 cm breed en daarbij werden enkele tiendoornige stekelbaarzen en een bruine kikker gevangen (en weer losgelaten). Wegens de aanwezigheid van vis is het niet te verwachten dat meer bijzondere amfibieënsoorten het stroompje als voortplantingswater zullen gebruiken. Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, zijn niet te verwachten in het plangebied. Conclusies en aanbevelingen − Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën: In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). De zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
− Vogels: Vernietiging en verstoring van vogelnesten is te vermijden door het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. − Vleermuizen: Bij laanbomen en op de plaatsen waar het fietspad in/naast het bos wordt aangelegd zijn geen aantastingen van een eventuele vaste vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen te verwachten. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst: van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting of amberkleurige UV-vrije led armaturen.
4.5
Geluid
4.5.1
Algemeen Geluidhinder kan ontstaan vanwege verschillende activiteiten, waaronder wegverkeer, railverkeer en bedrijfsactiviteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen voor de geluidbelasting op geluidgevoelige objecten (zoals woningen) en de minimale geluidwering die moet worden toegepast.
25 van 36
De Wet geluidhinder bepaalt dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een bestemmingsplan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen de geluidzone van een bestaande geluidbron (een weg, een spoorlijn of een geluidgezoneerd bedrijventerrein) of als het plan een nieuwe geluidsbron vallend onder de werkingssfeer van de Wet geluidhinder mogelijk maakt.
4.5.2
Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de aanleg van een vrijliggend fietspad en de verschuiving van de rijbaan van de Broekhovenseweg mogelijk. De Broekhovenseweg is een 60 km/h-weg en valt dus onder het regime van de Wet geluidhinder. Er is een akoestisch onderzoek verricht om te bepalen wat het akoestisch effect is van de verschuiving van de rijbaan van de Broekhovenseweg en van de aanpassingen aan de Volmolen/Volmolenweg op nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen. 3 De onderzoeksrapportage is als bijlage opgenomen. Voor het onderzoek is gebruikgemaakt van verkeersgegevens voor het jaar 2021 en 2031. De verkeersgegevens laten een afname van de verkeersintensiteit op de betrokken wegen zien, wat samenhangt met openstelling van de nieuwe weg Westparallel. Uit de rekenresultaten blijkt dat er géén sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Er is zelfs sprake van een afname van de geluidbelasting. De afname varieert tussen 1 en 5 dB en is te verklaren door de afname van het verkeer. Uit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de beoogde wijzigingen aan de Broekhovenseweg, de Volmolen en de Volmolenweg.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen wanneer sprake is van één of meer van de volgende gevallen: a. er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; b. de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk; c. het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate’. Als regel geldt dat projecten die minder dan 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM10 bijdragen (3% van 40 µg/m3 ofwel 1,2 µg/m3) als ‘niet in betekenende mate’ kunnen worden aangemerkt.
Voor deze projecten kan een toetsing aan de grenswaarden dus achterwege blijven. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Besluit gevoelige bestemmingen In aanvulling op de Wet milieubeheer en het ‘Besluit niet in betekenende mate’ geldt het Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit gevoelige bestemmingen richt zich op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof en stikstofdioxide: 3
Akoestisch onderzoek fysieke wijziging Broekhovenseweg, Antea Group, 7 mei 2021
26 van 36
met name kinderen en ouderen. Indien een ‘gevoelige bestemming’ (zoals een school, kinderdagverblijf of verzorgingstehuis) wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van een rijksweg (300 meter vanaf de rand van de weg) of een provinciale weg (50 meter vanaf de rand van de weg) is altijd – ook als het initiatief ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt – een toetsing aan de grenswaarden nodig. Als blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden, mogen de ‘gevoelige objecten’ worden gerealiseerd binnen de onderzoekszone.
4.6.2
Toetsing Dit bestemmingsplan maakt de aanleg van een vrijliggend fietspad en de verlegging van de rijbaan van de Broekhovenseweg mogelijk. Zoals blijkt uit de verkeersgegevens die zijn gehanteerd in het akoestisch onderzoek, is sprake van een afname van het verkeer op de Broekhovenseweg, wat het gevolg is van openstelling van de Westparallel. De verkeersintensiteit op de Broekhovenseweg neemt af van circa 4.500 mvt/etmaal tot circa 2.800 mvt/etmaal. Er is daarom geen sprake van een toename van fijnstof- of stikstofdioxide-uitstoot en dus ook niet van een verhoging van de concentratie van deze stoffen. Daarmee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid b van de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteitseisen leveren geen belemmeringen op voor dit bestemmingsplan.
4.7
Bedrijfshinder
4.7.1
Algemeen Bedrijven kunnen hinder veroorzaken voor hun omgeving, bijvoorbeeld in de vorm van geluidhinder, geurhinder of stofhinder. Als in een bestemmingsplan nieuwe bedrijfsactiviteiten worden toegestaan of als een nieuw gevoelig object wordt toegelaten in de omgeving van bestaande bedrijven moet worden getoetst of er sprake is van belemmeringen.
4.7.2
Toetsing Een fietspad (en het langzaam verkeer dat van het fietspad gebruik maakt) is niet gevoelig voor de milieuhinder van bedrijven. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Algemeen Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij die activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij geldt dat de omvang van het risico bepaald wordt door de afstand, waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico’s worden weergegeven in PR-risicocontouren. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde.
27 van 36
Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Risicobronnen Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
4.8.2
Toetsing Een fietspad is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object als bedoeld in de externe veiligheidswetgeving. Verkeersdeelnemers (in de auto, op de fiets, te voet of anderszins) worden niet betrokken bij de toetsing van externe veiligheid of in de berekeningen van het groepsrisico. Omdat een fietspad in het kader van externe veiligheid geen bescherming behoeft, is verdere toetsing niet noodzakelijk.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
4.9.1
Algemeen Het grondgebied van Bergeijk kent een rijke historie, waardoor veel cultuurhistorisch en archeologisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Naast een rijk archeologisch bodemarchief zijn onder andere de historische lintstructuren, de opbouw van het landschap en de aanwezigheid van monumentale en beeldbepalende gebouwen van cultuurhistorische betekenis. Gemeenten zijn grotendeels verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed. Om inzicht te krijgen in de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden is door de Kempengemeenten en A2-gemeenten een gezamenlijk erfgoedplan opgesteld. Het erfgoedplan bevat een uitgebreide inventarisatie van de archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waarden binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten en een aanzet voor een integraal cultuurhistorisch beleid. De Erfgoedverordening gemeente Bergeijk 2016 is op 22 december 2016 vastgesteld. Erfgoedkaart De erfgoedkaart behorende bij het erfgoedplan bestaat uit drie delen: een inventarisatiekaart (die op zijn beurt is onderverdeeld in kaarten betreffende het archeologisch, historisch en fysisch landschap en een verstoringenkaart), verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie.
Op de beleidskaarten zijn de inventarisatie en waardering van archeologische en cultuurhistorische elementen samengebracht en geconcretiseerd. De beleidskaarten vormen de basis voor het gemeentelijk beleid op het gebied van cultuurhistorie en kunnen worden vertaald in bestemmingsplannen. Archeologische beleidskaart Op de archeologische beleidskaart, die deel uitmaakt van de erfgoedverordening, zijn de archeologische (verwachtings)waarden voor het hele gemeentelijk grondgebied in beeld gebracht. Op basis van een analyse van landschappelijke, bodemkundige en archeologische informatie is een vlakdekkende kaart opgesteld. Binnen het grondgebied van de gemeente Bergeijk is een aantal terreinen met een monumentale status aanwezig en bevinden zich diverse gebieden van archeologische waarde.
28 van 36
Daarnaast kunnen vier archeologische verwachtingszones worden onderscheiden. Ook kunnen gebieden worden aangemerkt waarvoor geen archeologische verwachting geldt. Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in 7 categorieën: − categorie 1: archeologisch monument; − categorie 2: gebied van archeologische waarde; − categorie 3: gebied met hoge verwachting (historische kernen en linten); − categorie 4: gebied met hoge verwachting; − categorie 5: gebied met middelhoge verwachting; − categorie 6: gebied met lage verwachting; − categorie 7: gebied zonder archeologische verwachting. Voor elke categorie zijn ondergrenzen vastgesteld. Voor bodemingrepen die groter zijn dan een bepaalde oppervlakte (variërend van 100 tot 25.000 m2) en dieper reiken dan een bepaalde diepte onder maaiveld (0,30, 0,40 of 0,50 meter) is archeologisch onderzoek verplicht. Binnen het plangebied komen categorie 4 (gebied met hoge verwachting), categorie 6 (gebied met lage verwachting) en categorie 7 (gebied zonder archeologische verwachting) voor.
4.9.2
Toetsing archeologie Archeologisch bureauonderzoek en selectieadvies Omdat in het plangebied op grond van het gemeentelijk archeologiebeleid verschillende archeologische verwachtingswaarden voorkomen, is archeologisch bureauonderzoek verricht.4 De onderzoeksrapportage is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Het onderzoek had niet slechts betrekking op de Broekhovenseweg, maar ook op gronden langs de Heuvel/Dorpsstraat en de Schoolstraat. Uit het bureauonderzoek blijkt dat voor het plangebied een brede archeologische verwachting geldt, gebaseerd op onderzoeken uit de omgeving en de bekende informatie over de geomorfologie en hoogteligging. Het feit dat het merendeel van het onderzoeksgebied zich bevindt op hooggelegen dekzandwelvingen leidt tot de verwachting dat het een gunstige verblijfsplaats is geweest in het verleden. Dit wordt bevestigd door vondsten in de omgeving uit de periodes laatpaleolithicum tot en met late middeleeuwen/nieuwe tijd. Er kunnen op voorhand geen perioden worden uitgesloten. Er kunnen in het onderzoeksgebied archeologische resten worden aangetroffen uit de steentijd tot en met de middeleeuwen/nieuwe tijd, afhankelijk van de precieze bodemopbouw. De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodemopbouw in het onderzoeksgebied verstoord is geraakt door bebouwing of andere grondwerkzaamheden.
Dit kan niet worden bepaald door een bureauonderzoek alleen. Daarom wordt geadviseerd om in het onderzoeksgebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en de aanwezigheid van archeologisch relevante lagen dan wel niveaus te bepalen. Op die manier kan een onderbouwd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. Dit betreft een selectieadvies. Toetsing archeologisch onderzoek en selectiebesluit De rapportage van het bureauonderzoek is voor advies voorgelegd aan de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB). De ODZOB heeft op 29 oktober 2018 advies uitgebracht, dat als bijlage bij deze toelichting is opgenomen.5 Omdat met het bureauonderzoek de archeologische verwachtingswaarde nog niet in voldoende mate is aangetoond adviseert de ODZOB – net als het bureauonderzoek – archeologisch vervolgonderzoek.
4 5
Bureauonderzoek fietspaden Bergeijk, Antea Group Archeologie, 25 februari 2019 Advies Archeologische Monumentenzorg 2018 – 172, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, 29 oktober 2018
29 van 36
Omdat er geen aanwijzingen zijn voor grootschalige en diepe verstoringen en voor de aanleg van het fietspad vermoedelijk gegraven zal worden tot in het archeologische niveau, zal een verkennend booronderzoek naar oordeel van de ODZOB vermoedelijk geen nieuwe gegevens opleveren met betrekking tot de archeologische verwachtingswaarden in het plangebied. Daarom wordt geadviseerd om in die delen van het plangebied waar bodemingrepen dieper dan 30 cm gepland zijn, de werkzaamheden archeologisch te begeleiden. Het doel van dit onderzoek is om grip te krijgen op mogelijk aanwezige archeologische waarden. Het proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) dient plaats te vinden aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen en uitgevoerd te worden door een archeologisch bedrijf gecertificeerd voor het uitvoeren van archeologische opgravingen. Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd door middel van het volgen van de graafmachine. Er dient op aanwijzing van de archeoloog in de sleuven een leesbaar vlak en vooral ook bodemprofielen te worden aangelegd met als doel eventuele archeologische resten te identificeren, te inventariseren en te documenteren, waarbij voldoende tijd wordt geboden voor het uitvoeren van het archeologisch onderzoek.
Omdat het onderzoeksgebied redelijk omvangrijk is, is geadviseerd om in het op te stellen Programma van Eisen gemotiveerde keuzes te maken over delen van het traject die intensief en extensief begeleid worden. Bescherming via dubbelbestemming Op dit moment is niet duidelijk hoe het fietspad exact wordt aangelegd en hoe diep de bodemverstoring zal zijn. Dit is mede afhankelijk van de gekozen funderingswijze en van de mogelijkheden om gebruik te maken van de huidige rijbaan van de Broekhovenseweg. Daarom zijn in dit bestemmingsplan dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. De dubbelbestemmingen zijn gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Ter bescherming van de archeologische waarden is in de dubbelbestemmingen een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. De dubbelbestemmingen maken het onder meer mogelijk om - als blijkt dat de ondergrens voor grondroerende werkzaamheden op (delen van) het traject wordt overschreden - archeologische begeleiding als voorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden. In het plangebied komen de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4.1’ (hoge verwachtingswaarde) en ‘Waarde – Archeologie 6’ (lage verwachtingswaarde) voor.
Het grootste deel van het plangebied – waaronder de huidige rijbaan van de Broekhovenseweg en de gronden ten noorden daarvan – vallen volgens de beleidskaart in een gebied zonder archeologische verwachting (categorie 7) en hebben dus geen dubbelbestemming.
4.9.3
Toetsing cultuurhistorie Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de Broekhovenseweg aangeduid als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Het tracé van deze weg is op topografische kaarten van rond 1900 al duidelijk herkenbaar. Wel is het landschap sinds die periode ingrijpend gewijzigd. De Broekhovenseweg liep rond 1900 nog door een grootschalig heidegebied en loopt nu door een afwisseling van bossen en agrarische gronden. Verder zijn op de cultuurhistorische waardenkaart geen waardevolle elementen aangeduid in het plangebied. De gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart geeft een vergelijkbaar beeld. De Broekhovenseweg is op deze kaart aangemerkt als lijn van redelijk hoge waarde. Aan de uiterste oostzijde ligt de weg in het ensemble van de Dommel en de Keersop. De aanleg van een vrijliggend fietspad parallel aan de weg leidt niet tot een aantasting van cultuurhistorische waarden. Ook de (beperkte) verschuiving van de rijbaan is uit cultuurhistorisch oogpunt niet bezwaarlijk. Hoewel een deel van tracé iets verschuift, blijft de ligging van de weg in hoofdlijnen hetzelfde. Er is bovendien geen sprake van een aantasting van het cultuurhistorische ensemble rond de Dommel en de Keersop. Er zijn uit oogpunt van cultuurhistorie daarom geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
30 van 36
4.10
Kabels en leidingen
4.10.1 Algemeen In de ondergrond ligt een groot aantal kabels en leidingen. Een deel van deze leidingen is planologisch relevant, gelet op de externe veiligheidsrisico’s (bijvoorbeeld bij gasleidingen en brandstofleidingen, gereguleerd via het Besluit externe veiligheid buisleidingen) of het belang van de leidingen voor de aan- en afvoer van drinkwater of rioolwater (grotere waterleidingen en rioolpersleidingen). Ook hoogspanningslijnen vergen planologische bescherming.
4.10.2 Toetsing In het plangebied van dit bestemmingsplan liggen geen kabels en leidingen die planologische bescherming behoeven.
31 van 36
32 van 36
5
Het bestemmingsplan
5.1
Plansystematiek Dit bestemmingsplan heeft tot doel om de aanleg van een vrijliggend fietspad mogelijk te maken langs het oostelijk deel van de Broekhovenseweg, in het buitengebied van Bergeijk. Om aanleg van een fietspad aan de zuidzijde van de weg mogelijk te maken, wordt de rijbaan met circa 9 meter in noordelijke richting verschoven. Voor de systematiek en inhoud van het bestemmingsplan is aangesloten bij het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’, inclusief de partiële herzieningen van 2014 en 2017. Dit betekent dat het nieuwe wegprofiel, met inbegrip van de watergangen aan weerszijden van de weg en met inbegrip van de groene berm tussen fietspad en rijstrook, is bestemd als ‘Verkeer’. Relevante dubbelbestemmingen (zoals de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant’ en de dubbelbestemmingen voor archeologie) zijn overgenomen uit het huidige bestemmingsplan.
5.2
Opzet van de regels Overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) zijn de regels van dit bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op de bestemmingen die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de planregels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de regels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de in het plangebied voorkomende bestemmingen. Per bestemming is het toegestane gebruik van de gronden geregeld in de bestemmingsomschrijving en, indien nodig, in de specifieke gebruiksregels. Daarnaast zijn per bestemming bouwregels gegeven voor de bebouwing die mag worden opgericht.
Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels: − Een anti-dubbeltelregel: hierin is bepaald dat grond die is meegerekend bij het toestaan van een bouwplan, niet nogmaals kan worden meegerekend bij de beoordeling van een volgend bouwplan. − Algemene bouwregels: hierin is een regel opgenomen die bepaalt dat, indien de maatvoering van bestaande, legaal opgerichte, bouwwerken afwijkt van wat in het bestemmingsplan is toegestaan, de afwijkende maatvoering mag worden gehandhaafd. − Algemene gebruiksregels: hierin is aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig gebruik wordt aangemerkt. − Algemene afwijkingsregels: in de algemene afwijkingsregels is bepaald in welke gevallen het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het afwijken kan verlenen. − Overige regels: in de overige regels is geregeld dat waar in de planregels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, geduid wordt op de regelingen zoals die luiden op het tijdstip van het terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast is in de overige regels een parkeerregeling opgenomen.
33 van 36
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel, waarin is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
5.3
De bestemmingen In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Verkeer De Broekhovenseweg is – inclusief het vrijliggende fietspad, de watergangen aan weerszijden van de weg en de groene berm tussen fietspad en rijbaan – bestemd als ‘Verkeer’. De gronden met de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen, bermen en paden. Daarnaast zijn groenvoorzieningen (waaronder wegbeplanting), water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ mogen geen gebouwen worden gebouwd. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 4 meter. Daarnaast zijn vergunningvrije bouwwerken toegestaan, waaronder bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verkeersregeling en verlichting. Omdat dergelijke bouwwerken vergunningvrij zijn, hoeft er in het bestemmingsplan geen regeling voor te worden opgenomen. Waarde – Archeologie (dubbelbestemmingen) Overeenkomstig het gemeentelijk erfgoedplan zijn verschillende dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden. Dit bestemmingsplan kent twee dubbelbestemmingen: ‘Waarde - Archeologie 4.1’ en ‘Waarde - Archeologie 6’. De systematiek van elke dubbelbestemming is hetzelfde, alleen de ondergrenzen zijn verschillend.
Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeesters en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit kan in de vorm van het treffen van technische maatregelen, het doen van een opgraving of archeologische begeleiding van werkzaamheden. Daarnaast is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Per dubbelbestemming gelden ondergrenzen voor wat betreft de oppervlakte en diepte van de verstoring. Voor verstoringen met een beperkt oppervlak of een beperkte verstoringsdiepte is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De ondergrenzen variëren, overeenkomstig het erfgoedplan, per dubbelbestemming. Waterstaat – Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant (dubbelbestemming) De gronden die in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn aangeduid als attentiezone waterhuishouding zijn in dit bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant’. De gronden met deze dubbelbestemming zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de hydrologische waarden van de gronden. Ter bescherming van deze waarden is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen.
34 van 36
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
6.1.1
Kostenverhaal Als in een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk als het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door het sluiten van een anterieure overeenkomst met grondeigenaren of ontwikkelende partijen. Het aanleggen van een fietspad en het verleggen van de rijbaan van een weg zijn geen bouwplannen zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Het opstellen van een exploitatieplan of het sluiten van anterieure overeenkomsten is daarom niet aan de orde.
6.1.2
Financiële haalbaarheid Het fietspad wordt aangelegd in opdracht van de gemeente Bergeijk. In de gemeentelijke begroting is rekening gehouden met de aanleg van het fietspad en met de verschuiving van de rijbaan. Het bestemmingsplan is financieel uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Voorgeschiedenis Het bestemmingsplan ‘Broekhovenseweg (Zeven Fonteinen – Volmolen) 2022’ is niet het eerste bestemmingsplan waarin het deel van de Broekhovenseweg tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen is opgenomen. Eerder was dit deel van het vrijliggende fietspad al opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan ‘Fietspaden Westerhoven – Riethoven 2019’ en in het ontwerpbestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’. De keuze om de rijbaan van de Broekhovenseweg naar het noorden te verschuiven, zodat aan de zuidzijde ruimte komt voor een vrijliggend fietspad, is mede het gevolg van inspraakreacties en zienswijzen die tegen deze eerdere bestemmingsplannen zijn ingediend. Hierna wordt daarom kort ingegaan op deze bestemmingsplannen. Voorontwerpbestemmingsplan ‘Fietspaden Westerhoven – Riethoven 2019’ Het voorontwerpbestemmingsplan ‘Fietspaden Westerhoven – Riethoven 2019’ heeft met ingang van 11 april 2019 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. In het voorontwerpbestemmingsplan was niet alleen de aanleg van een fietspad langs de Broekhovenseweg mogelijk gemaakt, maar ook de aanleg van een fietspad langs de Heuvel/Dorpsstraat (tussen de N397 en Riethoven) en langs de Schoolstraat (tussen Riethoven en de Kapelstraat).
De inspraakreacties die tegen het voorontwerpbestemmingsplan zijn ingediend, hebben aanleiding gegeven tot een splitsing van het voorontwerpbestemmingsplan in twee ontwerpbestemmingsplannen. Het fietspad langs de Heuvel/Dorpsstraat is opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan ‘Fietspad Heuvel – Dorpsstraat’, dat is vastgesteld op 22 april 2021. Voor de aanleg van een fietsverbinding tussen Riethoven en de Volmolen heeft naar aanleiding van de ingediende inspraakreacties eerst een alternatievenonderzoek plaatsgevonden. Het fietspad langs de Broekhovenseweg is vervolgens opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’. Ontwerpbestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’ In het ontwerpbestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’ was het hele tracé van het nieuwe fietspad langs de Broekhovenseweg opgenomen, van de Wilgerijs in het westen tot de Volmolen in het oosten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang van 1 oktober 2020 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen.
35 van 36
Tijdens de periode van terinzagelegging zijn drie zienswijzen ontvangen. De zienswijzen richtten zich onder andere tegen het deel van het fietspad tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen. In het ontwerpbestemmingsplan was hier de aanleg van een fietspad aan de noordzijde van de rijbaan voorzien, waardoor fietsers ter hoogte van de Zeven Fonteinen de Broekhovenseweg moesten oversteken. In hun zienswijzen hebben een aantal omwonenden ervoor gepleit om het fietspad ook op dit deel van de Broekhovenseweg aan de zuidzijde van de rijbaan te situeren. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’ op 28 januari 2021 besloten om dit deel van het fietspad buiten het plangebied te laten en heeft een motie aangenomen waarin het college is opgedragen om voor het tracédeel tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen verder te onderzoeken of situering van een fietspad aan de zuidzijde mogelijk is. Nader onderzoek fietspad zuidzijde rijbaan en voorkeur voor fietspad aan de zuidzijde Naar aanleiding van de motie van de gemeenteraad is een nadere studie gedaan naar de mogelijkheden om de rijbaan van de Broekhovenseweg naar de noordzijde te verschuiven, zodat aan de zuidzijde ruimte ontstaat voor het doortrekken van het fietspad.
Uit een nieuw inrichtingsvoorstel is gebleken dat het mogelijk is om de rijbaan te verschuiven en het fietspad aan de zuidzijde van de rijbaan te realiseren. Ten aanzien van verkeersveiligheid liggen de varianten met een fietspad aan de noordzijde en een fietspad aan de zuidzijde dicht bij elkaar. Omdat een fietsoversteek verdwijnt, is de variant met een fietspad aan de zuidzijde voor de fietser zelfs verkeersveiliger. De gemeenteraad is op 18 mei 2021 geïnformeerd over dit alternatief, waarbij een voorkeur is uitgesproken voor een fietspad aan de zuidzijde van de rijbaan. In dit bestemmingsplan is deze variant daarom mogelijk gemaakt.
6.2.2
Procedure bestemmingsplan Vooroverleg Het concept ontwerpbestemmingsplan ‘Broekhovenseweg (Zeven Fonteinen – Volmolen) 2022’ is overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gestuurd naar de betrokken instanties. Er zijn vooroverlegreacties ontvangen van de provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel. De vooroverlegreacties zijn samengevat en beantwoord in een nota vooroverleg, die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. In de nota is per vooroverlegreactie aangegeven welke aanpassingen in het plan zijn gedaan naar aanleiding van de reactie.
6.2.3
Verdere procedure Het ontwerpbestemmingsplan ‘Broekhovenseweg (Zeven Fonteinen – Volmolen) 2022’ doorloopt de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in het kader van die procedure gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd, waarbij de mogelijkheid wordt geboden tot het indienen van een zienswijze. Na afloop van de periode van terinzagelegging worden de zienswijzen beoordeeld en wordt het plan ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
36 van 36