Toelichting bestemmingsplan Broekhovenseweg (Zeven Fonteinen - Volmolen) 2022
Tekst van het document
Ontwerpbestemmingsplan Broekhovenseweg (Zeven Fonteinen – Volmolen) 2022 Gemeente Bergeijk
Ontwerpbestemmingsplan Broekhovenseweg (Zeven Fonteinen – Volmolen) 2022
Gemeente Bergeijk
Toelichting Regels Verbeelding
Datum: 26 augustus 2022
Projectgegevens: TOE08-0465175-01C REG08-0465175-01C TEK01-0465175-01A Identificatienummer: NL.IMRO.1724.BPUfzv0094-ONTW
Datum vrijgave
Opsteller(s)
Projectleider
Vrijgave
26-08-2022
MB
CS
MB
Vestiging Oosterhout Beneluxweg 125 4904 SJ Oosterhout T: (0162) 48 75 00 www.anteagroup.nl
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding en doel Het plangebied Geldend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer
1 1 2 2 2
2
Planbeschrijving
3
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Nieuwe verbinding Grenscorridor N69 en Gebiedsimpuls Integraal gebiedsplan Grenscorridor N69 Gebiedsbeschrijving Projectbeschrijving Ruimtelijke inpasbaarheid Vertaling in het bestemmingsplan
3 3 5 5 6 7
3
Beleidskader
9
3.1 3.2 3.3
Nationaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
9 10 16
4
Milieuhygiënische en planologische aspecten
19
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
M.e.r.-beoordeling Bodem Water Natuur Geluid Luchtkwaliteit Bedrijfshinder Externe veiligheid Archeologie en cultuurhistorie Kabels en leidingen
19 19 20 23 25 26 27 27 28 31
5
Het bestemmingsplan
33
5.1 5.2 5.3
Plansystematiek Opzet van de regels De bestemmingen
33 33 34
6
Uitvoerbaarheid
35
6.1 6.2
Financiële uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
35 35
Bijlagen: Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6:
Verkennend bodemonderzoek fietspaden Bergeijk e.o., Antea Group, 3 juni 2019 Quickscan natuurwetgeving voor de aanleg van een fietspad in Bergeijk, Faunaconsult, 17 mei 2019 Akoestisch onderzoek fysieke wijziging Broekhovenseweg, Antea Group, 7 mei 2021 Bureauonderzoek fietspaden Bergeijk, Antea Group Archeologie, 25 februari 2019 Advies Archeologische Monumentenzorg 2018 – 172, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, 29 oktober 2018 Nota vooroverleg
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel Aan de westzijde van Valkenswaard is een nieuwe verbindingsweg aangelegd tussen Valkenswaard-Zuid en de A67 bij Veldhoven. Vanwege de aanleg van deze weg worden in de regio Grenscorridor N69 maatregelen uitgevoerd om de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te verbeteren. Eén van deze maatregelen is de aanleg van een fietsverbinding tussen Westerhoven, Riethoven en de Volmolen. In het Integraal gebiedsplan Grenscorridor N69 is een voorstel opgenomen dat bestaat uit de aanleg van: − een fietspad langs de Heuvel en Dorpsstraat, tussen de N397 en Riethoven; − een fietspad langs de Schoolstraat, tussen Riethoven en de Kapelstraat; − een fietspad langs de Broekhovenseweg, tussen de Wilgerijs en de Volmolen. In 2021 zijn bestemmingsplannen vastgesteld die de aanleg van een fietspad mogelijk maken langs de Heuvel en Dorpsstraat (bestemmingsplan ‘Fietspad Heuvel – Dorpsstraat’, vastgesteld op 22 april 2021) en langs de Broekhovenseweg (bestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’, vastgesteld op 28 januari 2021). Bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’ heeft de raad, mede naar aanleiding van zienswijzen van omwonenden, besloten om de gronden tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen uit het plangebied te laten.
Hier was de aanleg van een fietspad voorzien aan de noordzijde van de rijbaan, terwijl het fietspad op de rest van het tracé aan de zuidzijde van de Broekhovenseweg ligt. De raad heeft een motie aangenomen die het college opdraagt om te onderzoeken of het mogelijk is om het fietspad ook voor het oostelijk deel van de Broekhovenseweg aan de zuidzijde van de rijbaan te situeren, zodat er geen extra fietsoversteek nodig is. De raad heeft daarbij als voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van een minimaal gelijkwaardige veiligheid. Uit een nieuw inrichtingsvoorstel blijkt dat het mogelijk is om het fietspad tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen te realiseren aan de zuidzijde van de rijbaan. Om voldoende ruimte te maken, moet de rijbaan van de Broekhovenseweg naar het noorden worden verlegd. Hiermee is sprake van een (minimaal) gelijkwaardige veiligheid. Voor fietsers is de situatie zelfs veiliger, aangezien geen oversteek hoeft te worden gemaakt ter hoogte van de Zeven Fonteinen. Voorliggend bestemmingsplan ‘Broekhovenseweg (Zeven Fonteinen – Volmolen) 2022’ is opgesteld om de aanleg van een vrijliggend fietspad tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen mogelijk te maken, inclusief de daarvoor noodzakelijke verschuiving van de rijbaan.
De nieuwe ligging van de weg past niet binnen de verkeersbestemming van het geldende bestemmingsplan, maar valt gedeeltelijk binnen de bestemming ‘Bos’. Herziening van het bestemmingsplan is daarom nodig om de gewenste aanpassing van de Broekhovenseweg mogelijk te maken.
1.2
Het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat het deel van de Broekhovenseweg tussen de kruising met de Zeven Fonteinen en de kruising met de Volmolen. Aan de westzijde sluit het plangebied aan op het plangebied van het bestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’, zodat het fietspad aan de zuidzijde van de weg kan worden doorgetrokken. Aan de oostzijde valt de plangrens samen met de gemeentegrens met Veldhoven. De zuidelijke grens van het plangebied valt samen met de grens van de bestemming ‘Verkeer’ uit het geldende bestemmingsplan en met de perceelsgrenzen van de woonpercelen Broekhovenseweg 32-33-34. Aan de noordzijde ligt de plangrens ter hoogte van de watergang die langs de nieuwe rijbaan wordt aangelegd.
1 van 36
1.3
Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’, dat op 7 juli 2011 is vastgesteld door de gemeenteraad. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2011’ is partieel herzien door vaststelling van de bestemmingsplannen ‘Herziening Buitengebied Bergeijk 2014’ (vastgesteld op 1 juli 2014) en ‘2e herziening Buitengebied Bergeijk 2017’ (vastgesteld op 1 juni 2017). De gronden binnen het plangebied hebben deels de bestemming ‘Verkeer’ en deels de bestemming ‘Bos’. Voor de uiterste zuidwestelijke hoek van het plangebied geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden 1’. In dit bestemmingsplan krijgen alle gronden binnen het plangebied de bestemming ‘Verkeer’.
1.4
Bij het plan behorende stukken Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: − een verbeelding, waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn weergegeven; − regels, waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de op de verbeelding weergegeven bestemmingen zijn opgenomen; − een toelichting, waarin het initiatief is beschreven, de gemaakte keuzes zijn gemotiveerd en het plan is getoetst aan het geldende beleid en de relevante milieuaspecten. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend, maar bevat een beschrijving van de keuzes die zijn gemaakt om tot een bestemmingsregeling te komen.
1.5
Leeswijzer Hoofdstuk 2 bevat de planbeschrijving. In dat hoofdstuk wordt ingegaan op de relatie met de gebiedsimpuls Grenscorridor N69, op de bestaande situatie in het plangebied en op de aanleg van het fietspad en de verschuiving van de rijbaan. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het relevante beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofstuk 4 beschrijft de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten en hoofdstuk 5 bevat de juridische toelichting. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.
2 van 36
2
Planbeschrijving
2.1
Nieuwe verbinding Grenscorridor N69 en Gebiedsimpuls De N69 tussen Valkenswaard Zuid en de A2/N2 ten noorden van Aalst is in de afgelopen decennia overbelast geraakt, wat heeft geleid tot leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen in de regio Grenscorridor N69. Om deze problematiek op te lossen is een nieuwe wegverbinding aangelegd, die langs de westzijde van Valkenswaard loopt (oostelijk van Westerhoven en Riethoven) en ter hoogte van Veldhoven-West aansluit op de A67. Het provinciale inpassingsplan ‘Nieuwe verbinding Grenscorridor N69’, dat aanleg van de nieuwe weg mogelijk maakt, is door een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 juni 2018 onherroepelijk geworden. Inmiddels is de nieuwe weg in gebruik genomen. Maatregelen in regio Grenscorridor N69 Onderdeel van de aanleg van de nieuwe verbindingsweg is een pakket aan maatregelen in de regio Grenscorridor N69, bestaande uit: − Nulplusmaatregelen: verkeerskundige maatregelen die tot doel hebben om de doorstroming op lokale wegen te verbeteren en met sluipverkeerwerende maatregelen te bevorderen dat de juiste verkeersstroom sneller op de juiste route komt. Dit pakket bevat tevens maatregelen ter bevordering van het gebruik van de fiets en van (hoogwaardig) openbaar vervoer. − Gebiedsimpuls: maatregelen die tot doel hebben een ruimtelijke kwaliteitsverbetering te realiseren in de regio.
De gebiedsimpuls richt zich niet op verkeerskundige maatregelen, maar op maatregelen op het gebied van landbouw, natuur, landschap, water en recreatie. In de gemeente Bergeijk hebben de nulplusmaatregelen geleid tot maatregelen om sluipverkeer te weren en verkeer de juiste routes te laten volgen. De aanleg van een fietsverbinding tussen Westerhoven, Riethoven en de Volmolen vloeit voort uit de gebiedsimpuls. Gelijktijdig met de aanleg van de fietsverbinding worden nulplusmaatregelen uitgevoerd die grenzen aan het fietspad. De nulplusmaatregelen en de maatregelen die onderdeel zijn van de gebiedsimpuls zijn aanvullend op de mitigerende en compenserende maatregelen die noodzakelijk zijn in verband met de aanleg van de nieuwe verbinding. Omdat de maatregelen geen voorwaarde zijn voor het realiseren van de nieuwe verbindingsweg, maken ze geen deel uit van het provinciaal inpassingsplan ‘Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69’, maar zijn ze buiten het plangebied van dat plan gehouden. Het is aan de afzonderlijke gemeenten om de nulplusmaatregelen en de maatregelen die voortvloeien uit de gebiedsimpuls – voor zover noodzakelijk – juridisch-planologisch mogelijk te maken. Gebiedsimpuls In de gebiedsimpuls gaat het om méér dan alleen verkeer. De bedoeling is dat aan de hele regio Grenscorridor N69 een ruimtelijke kwaliteitsimpuls wordt gegeven.
Hiertoe is een integraal gebiedsplan opgesteld, waarin naast gebiedsimpuls- en landbouwkundige maatregelen ook de realisatie van Natuur Netwerk Brabant en de wateropgaven van Waterschap De Dommel zijn opgenomen. Daarnaast hebben de partners in de regio een aantal innovatieve projecten benoemd en beschreven. Onderdeel van de gebiedsimpuls is de verbetering van de recreatieve routes (het wandel- en fietspadennetwerk) in de regio.
2.2
Integraal gebiedsplan Grenscorridor N69 Het Integraal gebiedsplan Grenscorridor N69 (november 2014) is een plan op planstudieniveau waarin een integraal pakket aan kwaliteitsverbeterende maatregelen in de regio Grenscorridor N69 is opgenomen. Vanaf 2012 zijn voorstellen gedaan en uitgewerkt om in de hele regio maatregelen te treffen.
3 van 36
Op basis van een analyse van de kwaliteiten en kansen van het gebied is een ambitiekaart opgesteld. De cultuurhistorische landschapseenheden (beekdalen, essen, jonge heideontginningen en heide-/boscomplexen) vormen de fysieke basis van de kaart. Vanuit de kenmerken van deze gebieden is aangegeven wat de samenhangende mogelijkheden en kansen zijn voor landbouw, water, natuur, recreatie en landschap. Op een ontwerpkaart is vervolgens een integraal ruimtelijk toekomstbeeld van de deelgebieden weergegeven bij realisatie van de gebiedsimpuls. Op deze kaart zijn onder meer de bestaande en nieuwe landschapselementen, de bestaande en nieuwe natuur en de netwerken aan (recreatieve) fiets- en wandelroutes weergegeven. De routes zijn uitgewerkt in een netwerkkaart. Netwerkkaart De netwerkkaart geeft een overzicht van de (recreatieve) routes in het gebied, waarbij een onderscheid is gemaakt in bestaande routes en nieuwe/aangepaste routes, als onderdeel van de voorstellen in de ontwerpkaart. Het gaat om wandelroutes, fietsroutes, ATB-routes en ruiterroutes. De nieuw aangeduide routes omvatten bestaande paden/wegen die op onderdelen worden aangepast (bijvoorbeeld qua verharding) of aangevuld (missing links). In de netwerkkaart zijn ook twee nieuwe utilitaire fietsroutes opgenomen: de route Stevertsebaan tussen Steensel en Broekhoven en de route Westerhoven-Riethoven-Volmolen.
Uitvoeringspakket fietsverbinding Westerhoven-Riethoven-Volmolen Aanleg van de fietsroute Westerhoven-Riethoven-Volmolen is als één van de uitvoeringspakketten (uitvoeringspakket H) opgenomen in het integraal gebiedsplan. In de bijlage bij het integraal gebiedsplan is inzichtelijk gemaakt waar ingrepen nodig zijn om een volwaardige fietsroute te realiseren. Onderdeel van de route zijn de aanleg van een fietspad langs de Heuvel/Dorpsstraat (tussen Riethoven en Westerhoven), langs de Schoolstraat (tussen Riethoven en de Kapelstraat) en langs de Broekhovenseweg (tussen de Wilgerijs en de Volmolen).
Aanleg utilitair fietspad Westerhoven-Riethoven-Volmolen (bron: Uitvoeringspakket H uit het integraal gebiedsplan Grenscorridor N69)
Dit bestemmingsplan ziet op een deel van de fietsverbinding Westerhoven-Riethoven-Volmolen, namelijk op de aanleg van een vrijliggend fietspad langs het oostelijk deel van de Broekhovenseweg. Voor de aanleg van een vrijliggend fietspad langs de Heuvel/Dorpsstraat en langs het westelijke deel van de Broekhovenseweg zijn inmiddels bestemmingsplannen vastgesteld. Voor de Schoolstraat is gekozen voor een andere oplossing, namelijk het verschuiven van de grens van de bebouwde kom en herinrichting van het wegprofiel. Deze maatregelen passen binnen het geldende bestemmingsplan, zodat het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor de Schoolstraat niet nodig is.
4 van 36
2.3
Gebiedsbeschrijving Dit bestemmingsplan maakt de aanleg van een vrijliggend fietspad mogelijk langs het oostelijk deel van de Broekhovensweg, tussen de kruising met de Zeven Fonteinen en de kruising met de Volmolen. Aan de zuidzijde van de weg liggen de woonpercelen Broekhovenseweg 32-33-34 en een bosperceel. Ook aan de noordzijde van de weg ligt een bosperceel. Fietsers maken nu gebruik van fietssuggestiestroken op de rijbaan van de weg. De Broekhovenseweg sluit aan op de Volmolenweg (die in noordwestelijke richting naar Veldhoven en Eindhoven loopt) en de Volmolen (die in zuidoostelijke richting naar Waalre en Valkenswaard loopt). Langs de Volmolenweg en Volmolen liggen aan weerszijden vrijliggende fietspaden.
2.4
Projectbeschrijving Met de aanleg van een vrijliggend tweerichtingen-fietspad langs de Broekhovenseweg wordt voorzien in de realisering van een missende schakel voor utilitair en recreatief fietsverkeer in het buitengebied van Bergeijk. Aanleg van het fietspad vloeit voort uit de Gebiedsimpuls N69 en is een onderdeel van de fietsverbinding Bergeijk - Stedelijk gebied, die in de gemeentelijke fietsambitie is aangewezen als één van de fietsverbindingen waaraan prioriteit wordt gegeven (zie paragraaf 3.3.3). Het fietspad sluit aan op het bestaande vrijliggende fietspad tussen de Kapelstraat en de Wilgerijs en op het vrijliggende fietspad dat onderdeel is van de aanleg van de kruising van de Broekhovenseweg met de nieuwe N69 (verdiepte ligging N69 en viaduct Broekhovenseweg). Hierdoor ontstaat een volledig vrijliggende fietsverbinding tussen de Kapelstraat in het westen en de Volmolen in het oosten.
Overzicht fietsroute Broekhovenseweg tussen Kapelstraat en Volmolen: - in blauw de bestaande delen van de route (vrijliggend fietspad) - in rood de nieuwe delen van de route (doorgetrokken lijn: opgenomen in dit bestemmingsplan, onderbroken lijn: opgenomen in het provinciaal inpassingsplan ‘Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69’ of in het bestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’)
5 van 36
Het vrijliggende fietspad is uitgewerkt in inrichtingstekeningen, waarop de ligging van het fietspad en de aansluiting op de bestaande wegen/fietspaden zijn vormgegeven. In de oorspronkelijke plannen lag het fietspad voor het grootste deel aan de zuidzijde van de rijbaan, maar stak het ter hoogte van de Zeven Fonteinen over naar de noordzijde van de weg. Aan de zuidzijde van de weg is hier op dit moment namelijk onvoldoende ruimte voor de inpassing van een fietspad met (berm)sloten tussen de rijbaan en de woonpercelen Broekhovenseweg 32-33-34. Mede naar aanleiding van zienswijzen van omwonenden tegen het ontwerpbestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’ is deze keuze heroverwogen. Uit een alternatievenstudie is gebleken dat het uitvoerbaar is om de rijbaan van de Broekhovenseweg naar het noorden op te schuiven, zodat aan de zuidzijde ruimte ontstaat voor de inpassing van een 4 meter breed tweerichtingen-fietspad. Het fietspad komt dan ter plaatse van de huidige rijbaan te liggen.
Inrichtingstekening nieuwe situatie Broekhovenseweg met fietspad
De aanpassingen van de rijbaan en de inpassing van het fietspad zijn uitgewerkt in een concrete inrichtingstekening. In de rijbaan van de Broekhovenseweg wordt ter hoogte van de kruising met de Zeven Fonteinen een knik gemaakt, zodat de wegas circa 9 meter naar het noorden verschuift. Om de verschuiving van de rijbaan mogelijk te maken, wordt een smalle strook bos aan de noordzijde van de weg gekapt. De aanwezige watergang wordt verlegd naar de noordzijde van de nieuwe rijbaan. De Zeven Fonteinen wordt ter hoogte van de kruising afgebogen, zodat deze loodrecht op de Broekhovenseweg aansluit. De rijbaan van de Broekhovenseweg krijgt een breedte van 5,5 meter in de rechtstand en 6,5 meter in de knik. Ten zuiden van de rijbaan is een 5 meter brede groene berm voorzien met ten zuiden daarvan het 4 meter brede tweerichtingen-fietspad. Doordat het fietspad op de plek van de huidige rijbaan komt te liggen, kunnen de bomen en watergangen aan de zuidzijde van de weg behouden blijven. De inritten van de woningen Broekhovenseweg 32-33-34 blijven ook op dezelfde plek liggen. In het verlengde van de bestaande inritten worden in de groene tussenberm opstelplaatsen voor auto’s aangelegd. Door de breedte van deze berm (5 meter) is hier voldoende ruimte voor het opstellen van een auto zonder het fietsverkeer te hinderen.
2.5
Ruimtelijke inpasbaarheid Door de verschuiving van de rijbaan van de Broekhovenseweg ontstaat ruimte om het nieuwe fietspad aan de zuidzijde van de rijbaan te leggen. Hierdoor hoeven fietsers vanaf de kruising met de Kapelstraat tot de kruising met de Volmolen de Broekhovenseweg niet over te steken. Daarmee is sprake van een verkeersveilige en comfortabele fietsverbinding, waarbij conflicten tussen gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer zoveel mogelijk worden vermeden. Door de verschuiving van de rijbaan is sprake van ruimtebeslag in het bosperceel ten noorden van de Broekhovenseweg. Het rooien van bomen in een smalle strook gronden (circa 10 meter breed) is onontkoombaar. Gelet op het belang van een verkeersveilige fietsverbinding is deze beperkte aantasting van het landschap verantwoord. Bovendien wordt het verlies aan natuur gecompenseerd door op andere locaties in het buitengebied, nabij de Beekloop, nieuwe natuur te realiseren (zie ook paragraaf 3.2.3).
6 van 36
2.6
Vertaling in het bestemmingsplan Het doel van dit bestemmingsplan is de aanleg van het fietspad en de aanpassing van de Broekhovenseweg mogelijk te maken op de gronden tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen. Om deze ingrepen mogelijk te maken, zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als ‘Verkeer’. Deze bestemming maakt voorzieningen voor verkeer en verblijf mogelijk, zowel voor gemotoriseerd verkeer als voor langzaam verkeer. De groene berm tussen het fietspad en de rijbaan, de (te verplaatsen) watergang aan de noordzijde van de rijbaan en de groene berm met watergangen aan de zuidzijde van het fietspad zijn meegenomen in de verkeersbestemming, zodat nog enige flexibiliteit bestaat bij de verdere uitwerking.
7 van 36
8 van 36
3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De NOVI geeft richting aan de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Nederland tot 2050. De ruimte in Nederland is schaars en het maken van keuzes is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat Nederland over 30 jaar nog steeds een prettig, veilig en gezond land is om in te wonen, te werken en te recreëren. Het Rijk benadrukt dat gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk samen verantwoordelijk zijn voor de fysieke leefomgeving en streeft ernaar om opgaven als één overheid samen met de samenleving op te pakken. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie vanuit het Rijk. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland in de komende jaren flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze opgaven op te pakken met oog voor de omgevingskwaliteit: het samenspel van ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Daarbij wordt telkens uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Sommige belangen overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en worden als nationaal belang gezien.
In het NOVI zijn 21 nationale belangen benoemd. De NOVI richt zich op de ontwikkelingen waar meerdere nationale belangen en opgaven bij elkaar komen en waar keuzes moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Waar de opgaven vragen om een integrale benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om richting te geven aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering worden in het nationale omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes gehanteerd: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn in de NOVI beleidskeuzes gemaakt. Daarbij is ook aangegeven welke beleidskeuzes zullen worden uitgewerkt in programma’s. De NOVI is een visie op nationaal niveau en doet geen concrete uitspraken die van belang zijn voor dit bestemmingsplan.
3.1.2
Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende regeling (Rarro) vormen de juridische vertaling van het rijksbeleid en bevatten regels ter bescherming van de nationale belangen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. Voor het plangebied gelden op grond van het Barro en de Rarro geen bijzondere regelingen waar rekening mee moet worden gehouden.
9 van 36
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is de ladder voor duurzame verstedelijking als motiveringseis opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Doel van de ladder is het stimuleren van zuinig ruimtegebruik, door te komen tot een optimale benutting van de ruimte in het stedelijk gebied en het voorkomen van leegstand. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Per 1 juli 2017 luidt de ladder, zoals opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening, als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is volgens artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
De aanleg van een fietspad en de aanpassing van een weg vallen niet onder dit begrip en zijn dus geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op dit bestemmingsplan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Structuurvisie ruimtelijke ordening In 2010 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie ruimtelijke ordening (Svro) vastgesteld. De Svro is in 2014 partieel herzien, waarbij onder andere het gewijzigde beleid op het gebied van natuur (realisering van het Natuur Netwerk Brabant) en veehouderij (transitie naar een zorgvuldige veehouderij) zijn verwerkt. De Svro bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waarin de kaderstellende elementen uit de Svro zijn vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Algemeen De Svro gaat in op de ruimtelijke kwaliteiten van de provincie Noord-Brabant. Mens, markt en milieu zijn binnen de provincie in evenwicht. Daarom kiest de provincie in haar ruimtelijk beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en voor een kennisinnovatieve economie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant.
Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in de structuurvisie de ‘rode’ draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt. De provincie wil het contrastrijke Brabantse landschap herkenbaar houden en verder versterken. Daarom wordt ingezet op de ontwikkeling van robuuste landschappen, een beleefbaar landschap vanaf het hoofdwegennet en behoud en versterking van aanwezige landschapskwaliteiten. Binnen de stedelijke structuur worden twee ontwikkelingsperspectieven onderscheiden: − Stedelijk concentratiegebied (stedelijke regio’s): in het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen. Enerzijds om de steden voldoende draagvlak te geven voor hun functie als economische en culturele motor, anderzijds om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan.
10 van 36
− Overig stedelijk gebied (landelijke regio’s): het overig stedelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorziet in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte. Ontwikkelingen voor wonen, werken en voorzieningen zijn in dit gebied gericht op de eigen behoefte. De gemeente Bergeijk ligt volgens de Svro niet in het stedelijk concentratiegebied, maar maakt deel uit van een landelijke regio. Infrastructuur De Svro benoemt en beschrijft de ambities voor vier ruimtelijke structuren: de infrastructuur, het landelijk gebied, de groenblauwe mantel en de stedelijke structuur. Op het gebied van infrastructuur zijn de belangrijkste ambities het bevorderen van de (inter)nationale bereikbaarheid en het beter verknopen van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast is bij de aanleg van nieuwe infrastructuur een goede inpassing in het landschap van belang. Investeringen in bereikbaarheid worden daarom gekoppeld aan verbeteringen in het omliggende (landelijke) gebied. Provinciale gebiedsontwikkeling Grenscorridor N69 In de Svro heeft de provincie negen provinciale gebiedsontwikkelingen benoemd waarvoor de provincie de rol van gebiedsregisseur en (mede-)ontwikkelaar op zich neemt en haar ontwikkelingsgerichte instrumenten inzet.
Eén van deze gebiedsontwikkelingen is de Grenscorridor N69, waarvoor inmiddels een onherroepelijk provinciaal inpassingsplan geldt. In samenhang met de aanleg van de nieuwe verbinding tussen Valkenswaard-Zuid en de A67 worden in de regio Grenscorridor N69 diverse kwaliteitsverbeterende maatregelen uitgevoerd, waaronder de aanleg van de fietsverbinding Westerhoven-Riethoven-Volmolen. In paragraaf 2.1 en 2.2 is hier aandacht aan besteed.
3.2.2
Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet (die naar verwachting in 2023 in werking treedt) en beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De provincie streeft in de omgevingsvisie naar het creëren van meerwaarde. Het handelen van de provincie is daarom gericht op het verknopen en verweven van opgaven en het zoeken naar synergie. Daarbij vindt de provincie het belangrijk om vanuit meerdere richtingen naar een ontwikkeling te kijken: − Een ‘diepe’ manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. − Een ‘ronde’ manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit.
− Een ‘brede’ manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie zijn één basisopgave en vier hoofdopgaven benoemd. De basisopgave is het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven zijn: − werken aan de Brabantse energietransitie; − werken aan een klimaatproof Brabant; − werken aan Brabant als slimme netwerkstad; − werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen.
11 van 36
Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Svro en het provinciale verkeers- en vervoersplan. De provincie is bezig met het afstemmen van het sectorale beleid op de omgevingsvisie. Dit betekent dat aan de hand van de drie manieren van kijken wordt beoordeeld welke waarden moeten worden beschermd en hoe beleid kan worden vormgegeven. Het (sectorale) beleid wordt verder uitgewerkt in programma’s en in de provinciale omgevingsverordening. De aanleg van de fietsverbinding Westerhoven-Riethoven-Volmolen past binnen de Brabantse Omgevingsvisie. Het project is onderdeel van de gebiedsontwikkeling Grenscorridor N69, één van de negen gebiedsontwikkelingen uit de Svro. Aanleg van de fietsverbinding past binnen de ambities en opgaven zoals door de provincie benoemd in de Brabantse Omgevingsvisie. De combinatie van de aanleg van een nieuwe weg met kwaliteitsverbeterende maatregelen in de hele regio Grenscorridor N69 is een voorbeeld van het creëren van meerwaarde bij een ontwikkeling.
3.2.3
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is in werking getreden op 5 november 2019 en bevat regels voor de fysieke leefomgeving. De regels hebben betrekking op ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening heeft de Verordening ruimte Noord-Brabant, de Provinciale milieuverordening, de Verordening natuurbescherming, de Verordening water, de Verordening ontgrondingen en de Verordening wegen vervangen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels uit de voorheen geldende verordeningen zijn gehandhaafd met het daarbij horende beschermingsniveau, en dat er in beginsel geen beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, bijvoorbeeld uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant. Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven In hoofdstuk 2 van de Interim omgevingsverordening staan rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven.
Er gelden onder andere rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden, voor activiteiten rond provinciale wegen, voor ontgrondingen en voor handelingen die te maken hebben met bepaalde beschermde dier- en plantensoorten. Ook voor het kappen van houtopstanden buiten de bebouwde kom en voor veehouderijen gelden rechtstreeks werkende regels. Instructieregels voor gemeenten In hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening zijn instructieregels voor gemeenten opgenomen. De instructieregels zijn overgenomen uit de Verordening ruimte Noord-Brabant en gelden voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken. De regels zijn een doorvertaling van het provinciaal beleid uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Omgevingsvisie Noord-Brabant. Werkingsgebieden binnen het plangebied Alle regels van de Interim omgevingsverordening zijn gekoppeld aan werkingsgebieden die op de kaart van de verordening zijn weergegeven. Voor de toepassing van de regels in hoofdstuk 3 van de verordening is Brabant onderverdeeld in drie werkingsgebieden: het Natuur Netwerk Brabant (NNB), het stedelijk gebied en het landelijk gebied. Binnen het landelijk gebied wordt nader onderscheid gemaakt in de werkingsgebieden gemengd landelijk gebied en groenblauwe mantel.
Daarnaast gelden voor een groot aantal regels specifieke werkingsgebieden, bijvoorbeeld voor de gebieden waar verstedelijking afweegbaar is, voor de ecologische verbindingszones en voor de gebieden waar extra beperkingen gelden voor veehouderijen.
12 van 36
Het plangebied van dit bestemmingsplan valt volledig binnen het landelijk gebied (groenblauwe mantel). De bospercelen aan de noord- en zuidzijde van de Broekhovenseweg zijn onderdeel uit van het NNB. In het kader van het ontwerpbestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’ heeft herbegrenzing van het NNB plaatsgevonden, waardoor de strook bosgronden die binnen het plangebied van dit bestemmingsplan valt, niet langer onderdeel is van het NNB maar van het landelijk gebied. Het plangebied valt binnen het werkingsgebied voor de attentiezone waterhuishouding. In het geldende bestemmingsplan is hier een beschermende regeling aan gekoppeld via de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant’. Deze dubbelbestemming is overgenomen in dit bestemmingsplan. Aanleg fietspad in het landelijk gebied De Interim omgevingsverordening bevat geen specifieke regels voor de aanleg van fietspaden in het landelijk gebied. Wel zijn in artikel 3.46 regels opgenomen die gelden in het geval van de aanleg of wijziging van een gemeentelijke of provinciale weg. Artikel 3.46 verkeersdoeleinden Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op landelijk gebied kan voorzien in de nieuwe aanleg of wijziging van een gemeentelijke of provinciale weg, inclusief de bouw van daartoe behorende kunstwerken. Lid 2 Het bestemmingsplan bevat een onderbouwing: a.
waarom de aanleg van de weg nodig is gelet op het verkeerskundige probleem of de ontwikkelingen die plaatsvinden; De aanleg van een vrijliggend fietspad langs de Broekhovenseweg vloeit voort uit de Gebiedsimpuls Grenscorridor N69. De Gebiedsimpuls voorziet in maatregelen in de hele regio Grenscorridor N69 met als doel een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het totale gebied. Er is op dit moment geen sprake van een comfortabele en verkeersveilige verbinding voor fietsers (zowel utilitair als recreatief) tussen Westerhoven, Riethoven en de Volmolen. Fietser maken op grote delen van de huidige route gebruik van de rijbaan, wat – mede gelet op de beperkte breedte van de wegen – tot verkeersonveilige situaties leidt. Aanleg van (vrijliggende) fietspaden is gewenst om zodoende het fietsverkeer tussen de dorpen in de gemeente Bergeijk en de omliggende kernen (Eindhoven, Veldhoven, Waalre, Valkenswaard) te faciliteren en te stimuleren. Aanleg van een fietspad langs de Broekhovenseweg is hiervan onderdeel. Voor het deel van de Broekhovenseweg tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen is verlegging van de rijbaan nodig om het fietspad door te kunnen trekken langs de zuidzijde van de weg. b. van de keuze van het tracé gelet op de verrichte onderzoeken; De Broekhovenseweg wordt nu ook al gebruikt door (utilitair en recreatief) fietsverkeer.
De gekozen ligging van het fietspad is uit ruimtelijk oogpunt logisch. Door het fietspad ook in het plangebied van dit bestemmingsplan aan de zuidzijde van de rijbaan te leggen, ontstaat een verkeersveilige en comfortabele langzaam verkeersverbinding langs het hele traject van de Broekhovenseweg, van de Kapelstraat tot de Volmolen. c. van de maatregelen voor de inpassing van de weg waarbij de ontwikkeling in samenhang wordt bezien met zijn omgeving om een grotere kwaliteitswinst voor meerdere ruimtelijke functies, waaronder natuur en landschap, te bereiken;
13 van 36
Verwezen wordt naar paragraaf 2.4 en 2.5 van deze toelichting. Er is gekozen voor de aanleg van een fietspad parallel aan de Broekhovenseweg, zodat nieuwe doorsnijdingen van het landschap worden voorkomen. De rijbaan van de Broekhovenseweg wordt tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen naar het noorden verlegd om ruimte voor het nieuwe fietspad te maken. Het totale wegprofiel (rijbanen, berm en fietspad) wordt breder dan in de huidige situatie, waardoor er een smalle strook bos moet worden gekapt om de ontwikkeling mogelijk te maken. Het resterende deel van het bosperceel blijft behouden, zodat de landschappelijke context van de weg niet wezenlijk verandert. Aanvullende maatregelen voor inpassing zijn daarom niet noodzakelijk. d. van de noodzaak voor een aan de weg gerelateerde voorziening. Er is geen sprake van een aan de weg gerelateerde voorziening, maar van de aanleg van een bij de weg behorend fietspad en verlegging van de rijbaan.
Lid 3 Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de bouw of aanleg van een parkeervoorziening. Er is geen sprake van de aanleg van een parkeervoorziening. Lid 4 In geval van samenloop met een ander werkingsgebied geldt dat het bestemmingsplan rekening houdt met de opgenomen regels. Het plangebied is aangewezen als ‘attentiezone waterhuishouding’. Binnen dit werkingsgebied gelden de regels van artikel 3.26 van de Interim omgevingsverordening. De regels van artikel 3.26 zijn erop gericht om functies en activiteiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelstellingen van het Natuur Netwerk Brabant uit te sluiten. Zoals aangegeven in paragraaf 4.3 van deze toelichting wordt het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse op hoofdlijnen niet gewijzigd en vindt de wegaanpassing (inclusief aanleg van het fietspad) hydrologisch neutraal plaats, waarbij het hemelwater afkomstig van de weg en het fietspad ter plaatse wordt geborgen in bestaande en te verleggen watergangen. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant’ met de daarin opgenomen beschermende regeling is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Het plangebied ligt binnen het werkingsgebied ‘groenblauwe mantel’.
Op grond van artikel 3.32 van de Interim omgevingsverordening dient een bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt in de groenblauwe mantel te borgen dat de ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied. In dit geval vindt geen wezenlijke aantasting van landschappelijke en natuurlijke waarden plaats. De huidige weg ligt volgens de Iov ook al binnen de ‘groenblauwe mantel’ en er is slechts sprake van een beperkte verschuiving van de rijbaan en de aanleg van een vrijliggend fietspad. Er wordt een smalle strook bos gekapt, maar hiermee worden de waarden niet wezenlijk aangetast, aangezien het bosperceel voor het overgrote deel behouden blijft. Bovendien maakten deze gronden eerder deel uit van het NNB en hebben Gedeputeerde Staten besloten tot herbegrenzing, waarbij het NNB elders (nabij de Beekloop) is gecompenseerd. Er is gelet hierop geen reden om nu extra maatregelen te treffen. Bovendien komt groen terug in het wegprofiel, onder andere in de tussenberm tussen de rijbaan en het fietspad.
14 van 36
Herbegrenzing Natuur Netwerk Brabant Het bosperceel aan de noordzijde van de Broekhovenseweg maakte eerder deel uit van het Natuur Netwerk Brabant. Op grond van het ontwerpbestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’ is aan Gedeputeerde Staten verzocht om herbegrenzing van het NNB. Omdat in dat ontwerpbestemmingsplan ook het tracé tussen de Zeven Fonteinen en de Volmolen was opgenomen (met een fietspad aan de noordzijde van de rijbaan) is ook daar om herbegrenzing van het NNB verzocht. Gedeputeerde Staten hebben op 18 januari 2021 ingestemd met de herbegrenzing, zodat de gronden vanaf die datum niet langer onderdeel zijn van het NNB, maar van het landelijk gebied. Compensatie De op grond van de Interim omgevingsverordening noodzakelijke fysieke compensatie vindt plaats op drie percelen in de nabijheid van de Beekloop, kadastraal bekend als D663 (gedeeltelijk), D713 en D714. Deze percelen tezamen hebben een omvang van circa 1,3 hectare. Hiermee is sprake van een forse overcompensatie voor het verlies aan NNB. De berekende compensatieopgave voor het volledige fietspad langs de Broekhovenseweg was namelijk 7.546 m². De compensatie-percelen zijn in het bestemmingsplan ‘Fietspad Broekhovenseweg 2020’ al bestemd als ‘Natuur’ en hoeven daarom niet te worden opgenomen in het plangebied van dit bestemmingsplan.
De hoofdlijnen voor de herinrichting van het gebied rond de Beekloop zijn vastgelegd in het Projectplan herinrichting Beekloop. De uitgangspunten uit het projectplan zijn voor de drie compensatiepercelen geconcretiseerd in natuurdoeltypen. Op de percelen D713 en D714 wordt, in aansluiting op de naastgelegen gronden, het natuurdoeltype glanshaverhooiland (N12.03) gerealiseerd, in combinatie met twee houtwallen (L01.02). Op het perceel D663 wordt beekbegeleidend bos (N14.01) gerealiseerd. Om de compensatie te borgen is in de regels van de bestemming ‘Verkeer’ een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De voorwaardelijke verplichting bepaalt dat gebruik van de gronden voor verkeersdoeleinden slechts is toegestaan indien de compensatiepercelen die zijn aangewezen in de Memo ‘onderbouwing natuurdoeltypen compensatiepercelen’, uiterlijk drie jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan zijn ingericht als natuur overeenkomstig deze memo. De memo met de onderbouwing van de natuurdoeltypen is als bijlage aan de planregels toegevoegd.
3.2.4
Bescherming van houtopstanden Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming heeft de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet vervangen. De provincie Noord-Brabant, die bevoegd gezag is voor veel onderdelen van de Wet natuurbescherming, heeft in de Interim omgevingsverordening regels opgenomen voor natuurbescherming. De Interim omgevingsverordening bevat regels voor soortbescherming, voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en voor de bescherming van bossen of andere houtopstanden. De gevolgen van dit bestemmingsplan voor beschermde soorten en Natura 2000-gebieden zijn onderzocht door middel van flora- en faunaonderzoek (zie paragraaf 4.4). Hierna wordt ingegaan op de bescherming van bossen en andere houtopstanden. Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming bevat regels voor houtopstanden, hout en houtproducten. Artikel 4.2 bepaalt dat het niet is toegestaan om houtopstanden buiten de bebouwde kom groter dan 10 are (1.000 m2) of bestaande uit rijbeplanting van minimaal 20 bomen te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten. Indien houtopstanden worden geveld, moeten de gronden binnen drie jaar na het vellen worden herbeplant of dient - na ontheffing van Gedeputeerde Staten - op een andere locatie herbeplanting plaats te vinden.
Het doel hiervan is het areaal bos en houtopstanden te beschermen. Provinciale Staten kunnen bij verordening geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de herplantplicht. In de Interim omgevingsverordening zijn in paragraaf 2.6.3 regels opgenomen voor de bescherming van houtopstanden.
15 van 36
In artikel 2.62 van de verordening is bepaald dat het verbod om houtopstanden te vellen en de herplantplicht niet gelden voor ‘houtopstanden in verband met het realiseren van een werk overeenkomstig een onherroepelijk bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan waarvoor reeds een planologische compensatie is vereist’. Het doel van deze regeling is dubbele compensatie te voorkomen, doordat zowel voor het verlies van NNB als voor het verlies van bosareaal moet worden gecompenseerd. In dit geval is ten behoeve van de herbegrenzing van het NNB al voorzien in planologische compensatie (zie paragraaf 3.2.3). Op grond van de Interim omgevingsverordening is (extra) compensatie voor het verlies aan bosareaal daarom niet aan de orde.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Bergeijk De gemeenteraad heeft op 24 februari 2022 de Omgevingsvisie Bergeijk vastgesteld. In de omgevingsvisie is aangegeven wat de gemeente belangrijk vindt in de fysieke leefomgeving en wordt richting gegeven aan de toekomstige ontwikkeling van de gemeente. De omgevingsvisie gaat in op de ambities, doelen en de samenhang tussen de onderdelen van de leefomgeving. In de omgevingsvisie zijn de kernkwaliteiten van de gemeente beschreven. De gemeente Bergeijk is een groene plattelandsgemeente in de oostelijke Kempen en hoort tot de Brainportregio. De kernkwaliteiten die dit met zich meebrengt zijn verder uitgewerkt in het groene karakter (‘tussen bossen, beken en boerenland’), het sociale karakter (‘een sterke verbondenheid’) en het economische karakter (‘Kempische maakindustrie’). Voor de komende jaren zijn in de omgevingsvisie drie centrale opgaven onderscheiden. Per opgave is een koers bepaald. De centrale opgaven zijn leefbare dorpen, vitaal buitengebied en een sterke economische structuur. Onderdeel van de koers voor de sterke economische structuur is het behoud van de bereikbaarheid en de verbetering van de fietsbereikbaarheid. Voor de fietsbereikbaarheid is het voornemen om veilige, snelle verbindingen te creëren.
De ambitie is om ‘missing links’ aan te vullen en bestaande fietsverbindingen die onderdeel uitmaken van de fietsambitie op te waarderen (zie ook paragraaf 3.3.2). Eén van die verbindingen is de verbinding Bergeijk – Stedelijk gebied, waar het fietspad langs de Broekhovenseweg deel van uitmaakt. Relevantie voor het bestemmingsplan Aanleg van een fietspad langs de Broekhovenseweg past in de Omgevingsvisie Bergeijk. De visie benoemt de fietsverbinding Bergeijk – Stedelijk gebied, waar het fietspad langs de Broekhovenseweg deel van uitmaakt, expliciet als een te realiseren fietsverbinding.
3.3.2
Gemeentelijke Visie Mobiliteit en Fietsambitie De Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2015-2018 is op 24 september 2015 vastgesteld door de gemeenteraad en is de opvolger van het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan 2009-2015. In de raadsvergadering van 22 november 2018 heeft de gemeenteraad ingestemd met de actualisatie van de Gemeentelijke Visie Mobiliteit, waarmee de Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2019–2022 is vastgesteld. In de Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2019–2022 is hoog ingezet op het thema fiets. Er wordt gestreefd naar het verbreden van de huidige fietsverbindingen, het verbeteren van het fietscomfort en het realiseren van nieuwe fietsverbindingen. Fietsambitie Naast de voorgenomen realisatie van de fietspaden uit de Gebiedsimpuls van de N69 heeft de gemeenteraad ingestemd met de Fietsambitie. Hiermee wordt de komende jaren ingezet op het realiseren van verschillende fietspaden/fietsverbindingen in de gemeente Bergeijk. Behalve een belangrijk vervoersmiddel voor de schoolgaande jeugd is de fiets ook een steeds beter alternatief voor het woon-werkverkeer. Met goede fietsverbindingen van kern tot kern en van Bergeijk naar het stedelijk gebied wil de gemeente de bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid van Bergeijk vergroten. Daarnaast is fietsen duurzaam en goed voor de gezondheid.
16 van 36
De gemeente Bergeijk heeft de afgelopen jaren, maar zal ook de komende tijd, flink investeren in de realisatie van de fietsambitie. De gemeenteraad heeft in 2019 zes fietsverbindingen prioriteit gegeven: − fietsverbinding Bergeijk – Stedelijk gebied − fietsverbinding Eersel – Bergeijk − fietsverbinding Luyksgestel – Weebosch − fietsverbinding Walik – Steensel − fietsverbinding Kempervennen – Westerhoven − fietsverbinding Witrijt – Eersel Fietsverbinding Bergeijk – Stedelijk gebied Het fietspad langs de Broekhovenseweg is onderdeel van de fietsverbinding Bergeijk – Stedelijk gebied. In 2021 hebben de Kempengemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel- de Mierden gezamenlijk met de gemeente Veldhoven een voorlopig ontwerp uitgewerkt voor de fietsverbindingen Reusel – Stedelijk gebied en Bergeijk – Stedelijk gebied. Voor gemeente Bergeijk betreft dit een vrijliggend fietspad aan de westzijde van de Eikenstraat, een fietsstraat ter hoogte van de Hobbel en Broekhovenseweg (binnen de bebouwde kom) en een vrijliggend fietspad aan de zuidzijde van de Broekhovenseweg. In de komende jaren worden deze voorlopige ontwerpen in samenspraak met aanwonenden, grondeigenaren en overige belanghebbenden verder uitgewerkt naar een definitief ontwerp.
Enkele onderdelen ten behoeve van de fietsverbinding Bergeijk – Stedelijk gebied zijn al verder in het proces, waaronder het vrijliggende fietspad langs de Broekhovenseweg. Relevantie voor het bestemmingsplan Aanleg van een fietspad langs de Broekhovenseweg past naadloos in het beleid zoals opgenomen in de Gemeentelijke Visie Mobiliteit 2019-2022. Het fietspad is onderdeel van de fietsverbinding Bergeijk – Stedelijk gebied: één van fietsverbindingen waaraan de gemeenteraad prioriteit heeft gegeven. Door aanleg van het fietspad is sprake van een verbetering van de verkeersveiligheid, het fietscomfort en de bereikbaarheid en wordt fietsverkeer gestimuleerd.
17 van 36
18 van 36
4
Milieuhygiënische en planologische aspecten
4.1
M.e.r.-beoordeling
4.1.1
Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht: − in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan een m.e.r. verplicht is; − in onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling).
De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.beoordeling. Voor deze toets wordt veelal de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd.
4.1.2
Toetsing De aanleg van een fietspad komt niet voor op de C- of D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De lijsten kennen wel een categorie voor de uitbreiding van wegen (categorie C1.3 en categorie D1.2), maar die categorie ziet uitsluitend op de wijziging of uitbreiding van wegen bestaande uit vier of meer rijstroken, of op de verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken. Dit bestemmingsplan ziet op de aanleg van een fietspad en de verlegging van (een klein deel van) een weg met twee rijstroken. Deze activiteiten vallen niet onder een categorie die is opgenomen in de C- of D-lijst, zodat het opstellen van een m.e.r. of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen Voor iedere functie- of bestemmingswijziging, al dan niet naar een gevoelige functie, dient onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem moet geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. De gemeente Bergeijk heeft in juli 2014 een bodemkwaliteitskaart (inclusief onderbouwing/toelichting) en een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart wordt onder meer gehanteerd als bewijsmiddel bij ruimtelijke ontwikkelingen (bestemmingsplanherzieningen en omgevingsvergunningen). Hierbij geldt dat de locatie waar een ruimtelijke ontwikkeling is gepland, niet verdacht mag zijn en/of niet negatief mag zijn beïnvloed door een puntbron. Dit moet worden vastgesteld door minimaal het uitvoeren van een (historisch) vooronderzoek.
19 van 36
4.2.2
Toetsing In het plangebied is een verkennend bodemonderzoek verricht om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen.1 De onderzoeksrapportage is als bijlage opgenomen. Het onderzoek is verricht voor gronden langs de Heuvel/Dorpsstraat (traject A in het onderzoek), voor gronden langs de Schoolstraat (traject B), voor gronden nabij de kruising Broekhovenseweg/Kapelstraat (traject C) en voor gronden langs de Broekhovenseweg (traject D). Tijdens het vooronderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van (voormalige) bodembedreigende activiteiten in het onderzoeksgebied. Ook wordt niet verwacht dat de activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit negatief hebben beïnvloed. Op basis van het vooronderzoek is daarom uitgegaan van een onverdachte lijnvormige locatie. Omdat de trajecten A, B en C geen deel uitmaken van dit bestemmingsplan wordt hierna specifiek ingegaan op de resultaten voor traject D, en dan met name op de resultaten ter plaatse van de boringen D32, D33, D34 en D35, die in het plangebied van dit bestemmingsplan zijn gezet. Op traject D zijn 35 boringen geplaatst. Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem tot de maximaal geboorde diepte van 1 m-mv hoofdzakelijk uit zand bestaat. Lokaal wordt in de ondergrond leem aangetroffen.
Bij het uitvoeren van het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op bodemverontreiniging. Zintuiglijk zijn er geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Analytisch zijn er maximaal licht verhoogde gehalten aan PAK en/of minerale olie aangetoond. Deze verhogingen zijn echter niet aangetroffen in het mengmonster waarvan de boringen D32, D33, D34 en D35 deel uitmaken. Er is daarom geen aanleiding voor het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat er geen milieuhygiënische belemmering is voor werkzaamheden in het onderzochte gebied. Het verkennend bodemonderzoek heeft zich niet gericht op de huidige rijbaan van de Broekhovenseweg, maar uitsluitend op de gronden ten noorden daarvan. De gronden ter plaatse van de huidige weg hebben nu al een verkeersbestemming en die bestemming wijzigt niet door de vaststelling van dit nieuwe bestemmingsplan. Voor dit bestemmingsplan is bodemonderzoek op deze gronden daarom niet noodzakelijk. Indien werkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de huidige rijbaan, dient in het kader van de uitvoering van die werkzaamheden te worden onderzocht wat de kwaliteit van de bodem ter plaatse is.
4.3
Water
4.3.1
Algemeen Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om een waterparagraaf op te stellen, waarin de resultaten van de watertoets worden opgenomen. In de waterparagraaf wordt verwoord hoe er in het plan rekening is gehouden met het aspect water, in relatie tot het waterbeleid en de waterhuishouding.
4.3.2
Beleid en regelgeving Waterschap De Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Het beleid van het waterschap is gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van gebiedseigen water, gecombineerd met het zoveel mogelijk scheiden van schoon en verontreinigd water. Het beleid is opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol Water’. Het waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van het waterschap binnen de planperiode. Omdat de wateropgaven feitelijk niet veranderd zijn, zijn de thema’s in het waterbeheerplan hetzelfde als de thema’s in het waterbeheerplan 2010-2015. De vijf waterthema’s zijn: − Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied, onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen. 1
Verkennend bodemonderzoek Fietspaden Bergeijk e.o., Antea Group, 3 juni 2019
20 van 36
− Voldoende water: voor zowel de natuur als de landbouw is het van belang dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarom reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater. − Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren. − Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen. − Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Bij nieuwe ontwikkelingen is het uitvoeren van een watertoets verplicht. Het Waterschap heeft de Handreiking Watertoets 2015 opgesteld, waarin is aangegeven welke onderdelen deel kunnen uitmaken van de waterparagraaf. Voor de verwerking van hemelwater hanteert het waterschap een voorkeursvolgorde: hergebruik - vasthouden/infiltreren - bergen en afvoeren - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar de riolering. De regels omtrent de waterhuishuishouding zijn opgenomen in de Keur 2015. Samen met de legger vormt de Keur het juridisch instrumentarium van het Waterschap. In de Keur zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot compensatiemaatregelen in het geval van een toename van het verhard oppervlak.
Daarnaast zijn in de Keur gebods- en verbodsregelingen opgenomen die betrekking hebben op handelingen in en rond watergangen en waterkeringen die zijn opgenomen op de legger. Regels voor toename van verhard oppervlak In het geval van een toename van het verhard oppervlak dient te worden voldaan aan de regels die het waterschap hieraan stelt. Op grond van artikel 3.6 van de Keur van het waterschap is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppeling van bestaand verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. In de ‘Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015’ is in artikel 15 een vrijstelling van dit verbod opgenomen: er is geen vergunning nodig als de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 bedraagt, als minder dan 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld of als de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 en 10.000 m2 bedraagt en compenserende maatregelen zijn getroffen in de vorm van een bergings-/infiltratievoorziening. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een vergunning benodigd en geldt de ‘Beleidsregel afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’ (artikel 13 van de ‘Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Keur waterschap De Dommel 2015’).