Bijlage m.e.r. beoordeling Waterberging De Run Bergeijk.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 5
20
Figuur 4: Overstromingscontour (Inzet Waterberging T100Wh (tot 22,00 m+NAP) t.o.v. Referentie T10Wh (m))
Hoofdstuk 5
21
Figuur 5: Maatregelen en effect van de maatregelen. De groen gearceerde agrarische percelen komen buiten het waterbergingsgebied te liggen.
Bij de inzet waterberging wordt er tijdelijk water geborgen op grond die in gebruik kan zijn voor weiland, akkerbouw of natuur. Zolang er geen hoogwater calamiteit is, kunnen grondeigenaren gelegen in het waterbergingsgebied hun land normaal gebruiken. Alleen bij noodsituaties kan het waterschap het waterbergingsgebied vol laten stromen met water. Dit duurt ongeveer 3 dagen waarna het gebied langzaam leegstroomt. Na één a twee weken zal het waterbergingsgebied weer leeg zijn. Bij lagere afvoergolven zal deze periode korter zijn. Omdat de periode relatief kort is, nemen de grondwaterstanden buiten het plangebied nauwelijks toe. De watergangen die tegen de kade buiten het waterbergingsgebied liggen zorgen voor het afvangen en afvoeren van toestromend kwelwater bij extreme situaties. Door deze mitigerende maatregelen is een minimaal na-ijling berekend in het grondwater. Bij inzet van het waterbergingsgebied is de maximale grondwaterstandsstijging buiten het waterbergingsgebied circa 0,20 m. Dit effect treedt op aan de randen van het waterbergingsgebied. Verder van het waterbergingsgebied af is het maximale effect minder groot. De maximale stijging wordt bereikt 10 dagen nadat is gestart met de inzet van de waterberging (tijdstap 10 dagen).
Circa 15 tot 25 dagen na het beëindigen van de inzet van de waterberging is het effect van de waterberging op de grondwaterstand minder dan 0,02 m stijging. De tijdelijke stijging is van minimale aard en heeft geen negatieve effecten op de omgeving en/of bedrijfsvoeringen. De grondwaterstand wordt op diverse locaties gemonitord met peilbuizen.
Hoofdstuk 5
22
5.2.2 Effecten waterkwaliteit bij inzet waterberging Er liggen 45 riool overstorten van het gemengd stelsel bovenstrooms van het plangebied. Deze liggen op 4 tot 12 kilometer afstand van het waterbergingsgebied, waarvan er 2 direct op de Run lozen en 3 via zijwatergangen op de Run. Twee overstorten beschikken over een bergbezinkbassin waardoor de toxische druk/belasting op het watersysteem aanzienlijk afneemt. Tijdens de inzet van het waterbergingsgebied kan zich een situatie voordoen dat er ook een overstort van rioolwater plaatsvindt. Indien die situaties gelijktijdig plaatsvinden (de kans daarop is klein, maar de exacte frequentie van deze gebeurtenis is niet goed te kwantificeren, omdat dit afhankelijk is van de neerslagintensiteit in stedelijk gebied), dan is er sprake van een sterke verdunning van het overstort water. Deze verhoging is tijdelijk en vormt geen directe bedreiging voor de (volks)gezondheid. Fysiekcontact met water wordt wel afgeraden. Benedenstrooms van het waterbergingsgebied neemt de infectiedruk af. Na de inzet van de waterberging zullen de potentiële risico’s afnemen door in- en afspoeling en natuurlijke afsterving van bacteriën en ziektekiemen.
5.2.3 Effecten Flora en fauna aanleg kade en bij inzet waterbergingsgebied De aanleg van de kade en de kunstwerken heeft geen effect op de geformuleerde instandhoudingsdoelen voor het Natura2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Getoetst is of de inzet van de waterberging effect heeft op de instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en op de ontwikkeling van het natuurnetwerk in het gebied zelf. De inzet van de gestuurde waterberging heeft geen negatieve effecten op Drijvende waterweegbree, omdat de waterberging en overstroming voornamelijk buiten de groeiperiode van de Drijvende waterweegbree zal optreden en daarnaast bij overstroming in het groeiseizoen het zomerbed in stand blijft. De boomleeuwerik broedt binnen het plangebied niet binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied. Wel is het mogelijk dat de soort rond de beek en in het waterbergingsgebied broedt. De waterberging zal met name buiten het broedseizoen (eind maart – juli, Vogelbescherming, 2011) plaatsvinden waardoor de soorten geen negatieve effecten zullen ondervinden van de waterberging. Het ontwerp van het waterbergingsgebied is op de maatregelen van het natuurnetwerk afgestemd en heeft geen negatieve gevolgen voor de huidige en potentiële (geambieerde) waarden hierbinnen.
5.2.4 Effecten landschap, cultuurhistorie en archeologie aanleg kade Het ontwerp van het kadetracé is zoveel mogelijk ingepast in de bestaande en nog aan te leggen landschappelijke structuren, zoals de Westparallel N69. Voorafgaand aan het bepalen van het kadetracé is een landschappelijke analyse gemaakt, waarbij onder andere is bekeken hoe het landschap zich door de jaren heen ontwikkeld heeft. Het kadetracé volgt zoveel mogelijk de natuurlijke hoogten in het maaiveld. Naast de keuze voor het tracé is de kade zo veel mogelijk landschappelijk ingepast door enerzijds bestaande lijnelementen (wegen) te volgen en anderzijds flauwe taluds toe te passen en de kade met bloemrijk gras te laten begroeien. Daarbij weegt het waterschap af op onder andere ecologie, grondeigendom, landschap, waterkerende eisen en kosteneffectiviteit. Om de archeolo-
Hoofdstuk 5
23
gische waarden zoveel mogelijk in situ te behouden stelt het waterschap een Programma van Eisen. Het Programma van Eisen schrijft onder andere archeologische begeleiding voor tijdens de (graaf)werkzaamheden, evenals het nalopen en inspecteren (visueel en met metaaldetector) van uitgegraven taluds en vlakken. 5.2.5 Effecten recreatie aanleg kade Bij het ontwerp van het kadetracé is naast de aansluiting op de bestaande landschappelijke structuren rekening gehouden met de wensen van de gemeenten. Zo wordt de kade aan de bovenzijde gedeeltelijk ingericht als wandelpad en de hoogwaterstuw passeerbaar gemaakt. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om een rondje langs de beek en door Grootgoor te lopen. Ook wordt een deel van de kade geschikt gemaakt als fietspad. Dit fietspad maakt in de toekomst deel uit van de omlegging van de Veldhovensedijk / Rietshovensedijk (in het kader van de Westparallel N69). Daarnaast wordt mogelijk ook via de kade een nieuwe fietsverbinding naar Veldhoven en Heers gerealiseerd.
5.3 Effecten beekherstel Het beekherstel wordt uitgevoerd om de beek haar natuurlijke en historische karakter terug te geven en om voldoende vernatting in de natuurparel te realiseren. Vanwege deze relatie zijn de effecten van beide doelen onderstaand gecombineerd beschreven. 5.3.1 Effecten meandering Door de herinrichting van de watergang wordt invulling gegeven aan doelstellingen waaronder de Kaderrichtlijnwater. De herinrichting bestaat uit het versmallen en verondieping van het profiel (meandering) in combinatie met natuurlijk peilbeheer. Het leefgebied voor vissen en macrofauna wordt hiermee op orde gebracht. Met de betreffende profielaanpassing, verlenging van de beek en het natuurlijk peilbeheer wordt binnen dit project, rekening houdend met andere functies zoals landbouw, optimaal invulling gegeven aan verbetering van de uitgangssituatie voor macrofauna en vissen. Zo zal er een gevarieerde beek aanwezig zijn, waarbij: De stroomsnelheden per traject verschillen, doordat het lengteprofiel van de beek varieert; De stroomsnelheden in het profiel verschillen, door het asymmetrische profiel en doordat ruimte geboden wordt voor het proces met eroderende buitenbochten en afzet van sediment in de binnenbochten; Er door variatie in beschaduwing, er variatie is in substraat en stroomsnelheden ontstaat.
Naast beekherstel wordt de zone langs de beek ingericht en struweel aangeplant wat ten goede komt aan het leefgebied voor dieren. Door de herinrichtingsmaatregelen wijzigen de peilen in het watersysteem en de grondwaterstanden in de directe omgeving. De effecten hiervan zijn doorgerekend met behulp van een oppervlaktewater- en een grondwatermodel. Overwegend is het effect op de grondwaterstand-verhoging beperkt tot een stijging tussen 0 en 10 cm. Plaatselijk langs de beek treedt een grondwaterstandverhoging van 10 tot 35 cm op. Aan de benedenstroomse zijde van Grootgoor zal de
Hoofdstuk 5
24
grondwaterstand plaatselijk 10 tot 35 cm dalen. Dit komt doordat de stuw hier verwijderd wordt. Door de profiel verkleining zal bij hogere afvoeren de beek eerder buiten haar oevers treden en voor extra overstroming ten opzichte van de huidige situatie zorgen. Waar nu bij een afvoergolf T10, die gemiddeld eens in de 10 jaar voorkomt, een klein deel van het gebied onder water staat, zal dit na beekherstel een groter gebied betreffen. Figuur 5, 6 en 7 geven de overstroming weer die in de huidige en toekomstige situatie plaatsvinden. Dit bij een afvoergolf T10. De overstroming wordt begrensd door de kade. De kade zorgt voor een fysieke scheiding tussen het natuurlijk overstromingsgebied en de landbouw. Dat betekent dat de landbouw geen nadelige effecten heeft bij een situatie waarbij de beek buiten haar oevers treedt.
Figuur 6: Effecten grondwater, gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)
Hoofdstuk 5
25
Figuur 7: Effecten grondwater, gemiddelde voorjaars grondwaterstand (GVG)
Hoofdstuk 5
26
Figuur 8: Effecten grondwater, gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG)
5.3.2 Effecten afgraven percelen natte natuurparel Met de vernatting wordt een hoger grondwaterpeil in de natte natuurparel Grootgoor bereikt. Binnen de natte natuurparel worden diverse percelen tussen de 0,1 tot 40 cm-mv afgegraven. Hierdoor komt het maaiveld dichter bij de grondwaterstand te liggen waarmee plaatselijk extra vernatting plaatsvindt. Tevens wordt door afgraving van de voedselrijke toplaag verschraling van de bodem gerealiseerd. De vernatting en verschraling is een wenselijk effecten voor het ontwikkelen en behalen van de gestelde natuurdoeltypen conform de ambitiekaart van de provincie Noord-Brabant (zie ook paragraaf 4.4 van het projectplan Run Gootgoor, november 2018). Bovendien kan de vrijkomende grond gebruikt worden om de huidige beek te dempen en om de waterbergingskade aan te leggen. Dit beperkt het transportverkeer, koolstofdioxide- en stikstof uitstoot.
Hoofdstuk 5
27
5.3.3 Effecten flora en fauna en Natura2000 Binnen het gebied zijn beschermde flora en fauna aanwezig. Bij de uitvoering van het plan wordt hier rekening mee gehouden. Het habitattype H3260A, beken en rivieren met waterplanten (waterranonkel), komt voor in verschillende beken van het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. In de Run komt het type momenteel niet voor, maar deze beek is wel aangewezen als mogelijke uitbreidingslocatie voor dit type. De huidige kanalisatie en vermindering van de stroomsnelheid door aanleg van stuwen hebben een negatieve invloed op de ontwikkeling van dit habitattype. Beekherstel zal dan ook een gunstig effect hebben op de omstandigheden voor dit habitattype. De Run is nu al belangrijk voor habitatsoort de ‘Drijvende waterweegbree´. Na uitvoering van het beekherstel, worden de omstandigheden voor Drijvende waterweegbree, evenals voor beekprik en bittervoorn, verbetert. Naast strenger beschermde soorten zullen ook tal van beekgebonden Rode Lijstsoorten hiervan profiteren, denk aan bosbeekjuffer, watervleermuis en ijsvogel. Voor aanleg van de kade dienen enkele bomen gekapt te worden. Zoals bij alle werken heeft de kap van bomen, mits buiten het broedseizoen uitgevoerd, geen effect op de beschermde broedvogels. Bij het kappen van bomen wordt het nog op te stellen ecologische werkprotocol toegepast.
De kap van de bomen zal daarnaast gecompenseerd worden door heraanplant van bomen langs de beek. De kade wordt landschappelijk ingepast door de toepassing van flauwe taluds, voorzien van een bloemenweide en gevarieerde vegetatie waardoor het een toevoeging is aan het huidige leef- en foerageergebied van de aanwezige en toekomstige faunasoorten. Zowel de effecten van het project voor (het) Natura-2000 gebied(en) als de effecten voor de soorten zijn beoordeeld. De vereiste vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor het hermeanderen van de Run, gelegen in het Natura 2000gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux is op 15 mei 2017 verleend. Hiernaast is ook een beoordeling gedaan op grond van artikel 3.5, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming. Deze beoordeling is gedaan naar aanleiding van een aanvraag om ontheffing die is gedaan alvorens de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 (op grond van de toen geldende Floraen Faunawet). Uit deze beoordeling blijkt dat niet tevens een ontheffing nodig is. Het project leidt niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en kan daarnaast geen significant verstorend effect hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Het waterschap werkt tijdens de uitvoering op basis van de randvoorwaarden die mee zijn gegeven vanuit de vergunning. Onder andere is dat het werken volgens een ecologisch werkprotocol waarin staat beschreven hoe er tijdens de uitvoering om wordt gegaan met bijvoorbeeld vleermuizen, vissen e.d. conform de eisen uit de vergunning.
5.3.4 Effecten landschap, cultuurhistorie en archeologie Bij de nieuw te graven beek wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de ligging van de beek in het verleden. Daarnaast is gekeken naar huidige laagtes en natte delen in het veld. De graafwerkzaamheden worden archeologisch begeleidt. Afhankelijk van de archeologische waarde zal de intensiteit van de begeleiding bepaald worden. Met betrekking tot de archeologie zijn de effecten licht negatief voor de aanlegfase. De nieuwe beek, nieuwe watergangen / sloten, poel en de percelen die afge-
Hoofdstuk 5
28
graven worden liggen wat betreft archeologie in de zone met een middelhoge trefkans voor bijzondere archeologische vondsten gerelateerd aan menselijke activiteiten in en rond de beek. De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd onder archeologische begeleiding, op basis van een programma van eisen, dat goedgekeurd is door bevoegd gezag. Hiermee is het optredende effect ingekaderd en beheersbaar.
5.4 Kabels en leidingen De locatie van kabels en leidingen is bekend via de indicatieve KLIC-melding. Hieruit is gebleken dat er in het gebied een PPS-leiding ligt benedenstrooms van de hoogwaterstuw. Het ontwerp is afgestemd op de eisen van SABIC, de beheerder van de leiding en zal nog nader met SABIC afgestemd worden. Daarnaast heeft er afstemming plaatsgevonden met de eigenaar van de hoogspanningsleiding (TenneT). Vastgesteld is dat er geen belemmeringen zijn vanwege de afstand van de werkzaamheden tot de hoogspanningsleiding.
5.5 Woon- en leefomgeving 5.5.1 Geluid Tijdens de realisatiefase zal sprake zijn van tijdelijke geluidsproductie ten gevolge van graafwerkzaamheden en grondverzet. In de omgeving bevinden zich geen geluidsgevoelig objecten. De geluidproductie is van tijdelijke aard en zal alleen plaatsvinden onder reguliere werktijden. Na realisatie is er geen additionele geluidsproductie ten opzichte van de huidige situatie. 5.5.2 Luchtkwaliteit Effecten ten aanzien van luchtkwaliteit zijn in de aanlegfase tijdelijk beperkt aanwezig als gevolg van de inzet van machines. Gezien de aard van de werkzaamheden en de beperkte duur ervan, worden als gevolg hiervan geen overschrijdingen van de wettelijke normen verwacht. In de eindsituatie zijn er geen effecten op de luchtkwaliteit. 5.5.3 Veiligheid In de huidige situatie bestaat bij extreme regenval een risico op overstroming als gevolg van hoogwater. Bij hoge grondwaterstanden kan er wateroverlast optreden bij gebouwen. Door het creëren van extra waterbergend vermogen neemt het risico op overstroming af. De veiligheidssituatie wordt hierdoor verbeterd. Bij de aanleg van de kade worden veiligheidsaspecten en (voorzorgs)maatregelen getroffen om eventuele risico’s op ongelukken te beperken/voorkomen. De constructie van de kade is berekend op basis van de geldende normen.
Hoofdstuk 5
29
5.5.4 Verkeer De uitvoering van dit werk zal een tijdelijke toename van het aantal lokale verkeersbewegingen tot gevolg hebben. De verkeersbewegingen zullen overdag, in de reguliere werktijden plaatsvinden. In de uitvoeringsfase zal dit zo effectief mogelijk worden ingestoken. In de eindsituatie zijn er geen effecten met betrekking tot verkeer. 5.5.5 Stof Bij grondverzetprojecten is er in droge periodes een aanzienlijke kans op stofhinder. Grond die van de banden op rijplaten terechtkomt, droogt op en kan vervolgens gaan stuiven. Dit hinderaspect is eenvoudig beheersbaar door transportroutes voldoende nat en schoon te houden. Het waterschap ziet er daarom bij de contractvorming op toe dat de aannemer de nodige maatregelen zal treffen.
5.6 Begrazing na inzet Indien na afloop van een hoogwatersituatie herkauwers op de drassige weilanden die onder water hebben gestaan geweid worden, hebben zij een risico op leverbot. Het waterbergingsgebied bestaat voor het grootste deel uit natuurgebied met (broek)bos en enkele vochtige hooilandjes. Alleen op de flanken zullen enkele percelen die in agrarisch gebruik zijn bij inzet van de waterberging onder water lopen. Hier, en bij eventueel agrarisch natuurbeheer van de vochtige hooilandjes, dient rekening gehouden te worden met leverbot.
5.7 Ongedierte Ook is het denkbaar dat ongedierte op zoek gaat naar hooggelegen schuilplaatsen. Een toename aan overlast van ongedierte is niet waarschijnlijk. In een advies van Wageningen UR (Meerburg, B.G, 2012) is beschreven dat er geen aanwijzingen zijn dat indien het gedimensioneerde gebruik van de waterberging (inundatie van +/- 1 keer in de 10 jaar) plaatsvindt er extra uitstraling van ratten en/of muizen in de richting van nabijgelegen woningen en bedrijfsgebouwen zal zijn. Reden hiervoor is onder meer dat in de periode waarin inundatie zou kunnen optreden (winter), de ratten toch al in of nabij de agrarische bedrijven/woningen te vinden zijn. (Kijlstra et al., 2004).
Hoofdstuk 5
30
6.1 Inleiding Het waterschap heeft gekozen op basis van beschikbare percelen, kennis en kansen in het gebied om het beekdal van de Run te onderverdelen in 3 gebieden, die los van elkaar (ook in tijd) en zelfstandig tot een projectplan Waterwet tot uitvoering worden gebracht: 1. Boevenheuvel tot Grootgoor (tracé bovenstrooms); 2. Grootgoor; 3. Grootgoor tot Dommel (tracé benedenstroom). Voor het bepalen van de cumulatieve effecten van de uitvoering van de 3 gebieden is gebruik gemaakt van de Notitie Visie KRW 2-scenario De Run (27 juni 2016 RoyalHaskoningDHV). De notitie is opgenomen in de bijlage. In de notie is opgenomen dat de herinrichting van de Run bestaat uit minimaal 3 gebieden, die los van elkaar (en gefaseerd in tijd) tot uitvoering worden gebracht. Per gebied wordt een projectplan Waterwet opgesteld. De cumulatieve (water)effecten van de projectplannen tezamen zijn doorgerekend met een visiemodel. Dit is een globale benadering van de watereffecten (grond- en oppervlaktewater).
6.2 Resultaten oppervlaktewatermodel Uit de berekeningen blijkt dat de stroomsnelheid in de zomer van het scenario tussen 15 a 20 cm/s ligt, waarbij de waterdiepte op 30 a 40 cm bedraagt. In de wintersituatie nemen de stroomsnelheden toe tot gemiddeld 30 cm/s. De waterdiepte ligt hierbij op 60 a 80 cm (lengteprofiel zomer en wintersituatie zie figuur 12 en 13 van de KRW-notitie). De waterstanden liggen plaatselijk hoger dan in de huidige situatie. Hierdoor treedt vernatting op welke gewenst is voor de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Brabant. Hierbij zullen laaggelegen percelen en plekken direct langs de beek bij piekafvoeren onder water lopen (zie figuur 14 van de KRW-notitie).
6.3 Resultaten grondwatermodel De resultaten uit het oppervlaktewatermodel zijn doorgerekend in het grondwatermodel. Figuur 15 t/m 17 van de KRW-notitie geven de verandering van de grondwaterstand in de zomer (GLG), het voorjaar (GVG) en de winter (GHG) weer. Overwegend zijn de effecten beperkt tussen 0 en 10 cm (stijging of daling). Vlak langs de beek zijn de effecten plaatselijk groter (tussen 10 en 30 cm). Het oordeel over de resultaten is dat de berekende stroomsnelheden en waterdieptes in het scenario invulling geven aan de doelen vanuit de KRW. Wat betreft vernatting zijn de meeste effecten te verwachten in het gebied bovenstrooms Grootgoor. Hier neemt het areaal met een grondwaterstand van
Hoofdstuk 6
31
30 cm en ondieper aanzienlijk toe. Het aanpassen van de Run, zoals beschreven bij paragraaf 4.2 van de KRW-Notitie, draagt hier dus bij aan het realiseren van nattere condities voor de geambieerde natuurbeheertypen, welke onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant. De overstromingen, die als gevolg van piekafvoeren in de beek zullen plaatsvinden, zullen grotendeels ook hier optreden. Op het moment van opstellen van de visie speelden er echter nog een aantal aandachtspunten die van invloed kunnen zijn op het uiteindelijke ontwerp. Zo was het nog de vraag of de getoonde effecten, bijvoorbeeld ten aanzien van de verandering van de grondwaterstanden, acceptabel zijn en optimaal invulling gegeven wordt aan de gewenste vernatting voor de ambitie natuurbeheertypen (Natuurnetwerk Brabant). Zo kan bijstelling van het beekontwerp en/of het treffen van additionele maatregelen, zoals dempen van detailontwatering, nodig zijn. Dit is maatwerk en wordt in een vervolgtraject nader uitgewerkt. Ten aanzien van de berekeningsresultaten wordt opgemerkt dat wat betreft de oppervlaktewaterberekeningen gewerkt is met een visiemodel. Daarnaast kunnen ook in het grondwatermodel nog verbeteringen doorgevoerd worden. Bij de uitwerking en doorrekening van de maatregelen in projectplannen vindt nog een verbeterslag plaats om de effecten meer specifiek in beeld te brengen.
De in de KRWNotitie gepresenteerde resultaten geven dus de richting van wat circa aan effecten verwacht kan worden weer. Afhankelijk van de locatie kunnen deze over- of onderschat zijn.
6.4 Conclusie Waterschap De Dommel heeft als voornemen het beekdal van de Run te herstellen naar een meer dynamisch, natuurlijk en gevarieerd beekdallandschap. Hiermee wordt onder andere invulling gegeven aan de KRW-opgave waar het waterlichaam van de Run tussen de stuw bovenstrooms van de N397 en de samenkomst met de Dommel onderdeel van uitmaakt. Daarnaast wordt het watersysteem hydrologisch hersteld (is tevens een opgave voor het waterschap), wat van belang is voor realisatie van het Natuurnetwerk Brabant. Door beekherstel uit te voeren, waarbij de stuwen verwijderd worden, de beekbodem en het beekprofiel verondiept en versmald worden, de slingering van de beek teruggebracht wordt en gezorgd wordt voor beekbegeleidende beplanting krijgt de beek weer stroming, kunnen vissen weer naar boven migreren en verbeterd de waterkwaliteit. Door bij het beekontwerp rekening te houden met de ambities vanuit het Natuurnetwerk Brabant (ambitiekaart natuurbeheertypen) kan tevens een impuls gegeven aan het hydrologisch herstel van het watersysteem. Dit rekening houdend met de belangen van derden in het gebied en randvoorwaarden die vanuit de Natura2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en van toepassing zijn.
Hoofdstuk 6
32
Een scenario dat een eerste invulling geeft aan de opgaven is doorgerekend in een oppervlakte- en grondwatermodel. Hiermee is aangetoond dat voldaan wordt aan de gewenste waterdiepte en stroomsnelheden. Ook zijn de effecten van het scenario op de grondwaterstanden en overstromingen bij piekafvoeren inzichtelijk gemaakt. Per projectplan wordt bepaald of dit acceptabel is en of hiermee optimaal invulling gegeven wordt aan het hydrologisch herstel van het watersysteem of dat het ontwerp bijsturing behoeft.
Hoofdstuk 6
33
7.
SAMENVATTING
7.1 Inleiding De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het projectplan. In dit hoofdstuk vindt een samenvattende beoordeling/toets plaats aan de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 4. de kenmerken van het project; 5. de plaats van het project; 6. de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
7.2 Kenmerken van het project Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
De lengte van de Run binnen het gebied 2 Grootgoor is ongeveer 9,5 km. Er wordt 31.000 m2 grond afgegraven t.b.v. beekherstel en t.b.v. Natte Natuurparel Grootgoor
Cumulatie met andere pro-
Hoofdstuk 7
Ja, met de gebieden Boevenheuvel tot Grootgoor (tracé bovenstrooms) en gebied 3
34
Kenmerken van het project Criteria
Toets
jecten
Grootgoor tot Dommel (tracé beneden strooms).
Gebruik van natuurlijke hulp-
Niet van toepassing
bronnen Productie van afvalstoffen
Niet van toepassing
Verontreiniging en hinder
Tijdens de realisatiefase kan sprake zijn van hinder en kunnen de volgende soorten hinder optreden:
Wateroverlast en/of water te kort
Geluidsoverlast
Verkeershinder en een beperkte bereikbaarheid
Stofhinder
Schade aan ondergrond
De realisatiefase is echter tijdelijk van aard en zal alleen plaatsvinden onder reguliere werktijden. Na realisatie is er geen overlast meer ten opzichte van de huidige situatie. Risico van ongevallen
Tijdens realisatiefase zijn er gebruikelijke risico. Aannemers werken volgens veiligheidsprotocol om de risico’s te voorkomen.
7.3 Plaats van het project Plaats van het project Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
Landbouw, natuur en recreatie
Relatieve rijkdom aan kwaliteit De Run maakt deel uit van het Natura 2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plaen
het
regeneratievermogen teaux.
van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wet-
De Run maakt deel uit van het Natura 2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Pla-
lands, kustgebieden, berg-
teaux. Voor de realisatie van de Natura2000 doelen is stikstof één van de grootste proble-
en bosgebieden, reserva-
men.
ten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Hoofdstuk 7
35
Plaats van het project Criteria
Toets
Er is sprake van een gebied met een lage bevolkingsdichtheid.
gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
landschappen van histo-
Er is sprake van een variatie in type ondergrond en het gebruik hiervan in het verleden en
risch, cultureel of archeo-
het heden hebben geleid tot een afwisselend landschap. In het gebied zijn enkele cultuur-
logisch belang
historische elementen aanwezig, diverse oude groenstructuren aanwezig. Ook zijn in het gebied archeologische monumenten aanwezig. Zie paragraaf 4.5.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Ja
Watergebied van internationale beteke- Nee nis Natuurnetwerk Nederland
Een groot deel van het gebied langs de Run maakt onderdeel uit van het Natuur-
(voormalige EHS)
netwerk Brabant (NNB) en Natte Natuurparel Grootgoor.
Landschappelijk waardevol gebied
Het Natura 2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux behoort tot het landschapstype hogere zandgronden.
Waterwinlocaties.
waterwingebieden, Nee
en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Nee
Belvedere-gebied
Nee
7.4 Kenmerk van het potentiële effect Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
De inrichting van het waterbergingsgebied: zoals opgenomen in het project-
zone en grootte van de getroffen bevol-
plan Run Grootgoor en terug te vinden op figuur 1.
king)
Gestuurde waterberging:: de gebieden binnen de waterbergingscontour, zie paragraaf 5.2.2.
Beekherstel en herstel Natte Natuurparel Grootgoor: gronden rondom de bestaande Run.
Grensoverschrijdende karakter van het Niet van toepassing effect
Hoofdstuk 7
36
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Waarschijnlijkheid van het effect
De gestuurde waterberging: zal naar verwachting eens in de 10 tot 25 jaar ingezet worden.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
De inrichting van het waterbergingsgebied: onbepaalde tijd Inzet waterberging: de waterbergingsgebieden liggen op gronden die in gebruik zijn als weiland, akkerland of natuur. In noodsituaties worden waterbergingsgebieden vol water gezet. Naar verwachting zal dit tussen de 1x per 10 jaar tot 1x per 25 jaar gebeuren. Het land staat dan ongeveer maximaal 8 dagen langer dan normaal onder water.
Hoofdstuk 7
Beekherstel en herstel Natte Natuurparel Grootgoor: onbepaalde tijd
•
Overige maatregelen: onbepaalde tijd
37
8.
M.E.R-BEOORDELING
De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit worden de ‘bijzondere omstandigheden’ genoemd. Om te beoordelen of een MER moet worden opgesteld, bekijkt het bevoegd gezag of er sprake is van bijzondere omstandigheden, conform artikel 7.17, lid 3, van de Wet milieubeheer en de in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG (de m.e.r.-richtlijn). De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: a. de kenmerken van de activiteit; b. de plaats waar de activiteit plaatsvindt; c. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie); d. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. Op grond van de informatie in de hoofdstukken 2, 3, 4, 5 en 6 kunnen de volgende conclusies worden getrokken: In de aanlegfase kunnen op enkele onderdelen tijdelijk negatieve effecten ontstaan, maar deze zijn eenvoudig te mitigeren. De wijziging van het watersysteem veroorzaakt op zichzelf geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op de omgeving die middels een MER moeten worden uitgewerkt. Er zijn in de omgeving geen waarden gelegen, waarop het project invloed heeft.
Er vinden in de omgeving geen andere activiteiten plaats die kunnen zorgen voor een cumulatie van milieueffecten. Op grond van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage zijn de voorgenomen activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig. Dit houdt in dat beoordeeld moet worden of voor de voorgenomen activiteit een MER moet worden opgesteld. Hiertoe heeft waterschap De Dommel een m.e.r.beoordeling laten opstellen. Uit deze beoordeling conform artikel 7.17, lid 3, van de Wet milieubeheer en de in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG (de m.e.r.-richtlijn) aangegeven criteria (kenmerken, plaats en effect van activiteit) blijkt dat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Na toetsing van deze m.e.r.-beoordeling heeft het dagelijks bestuur van waterschap De Dommel besloten dat geen MER behoeft te worden opgesteld, wegens het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die een MER noodzakelijk zouden maken.
Hoofdstuk 8
38
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Tegelen www.bro.nl
Hoofdstuk 0
2
Bijlage 2: M.e.r.-beoordelingsbesluit ‘Waterberging en natuurherstel De Run
m.e.r.-beoordelingsbesluit Het dagelijks Bestuur van Waterschap De Dommel in Boxtel, gelet op voorstel zaaknummer Z55496 / B782 d.d. 20 november 2018 gelet op artikel 7.17 van de Wet milieubeheer, het Besluit milieueffectenrapportage en bijlage III van richtlijn 851337/EEG (de mer-richtijn), mede gelet op de delegatie van de bevoegdheid tot het vaststellen van een projectplan van het Algemeen Bestuur aan het Dagelijks Bestuur in artikel 2, sub p van de Bestuurlijke bevoegdhedenregeling 2010; heeft het volgende besloten: dat voor het nog op te stellen projectplan Run Grootgoor geen milieueffectenrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld. Het projectplan Run Grootgoor bevat de aanleg/wijziging van waterstaatswerken t.b.v. herinrichting van het beekdal de Run Grootgoor en aanleg van een gestuurd waterbergingsgebied. Voor dit project zijn twee activiteiten relevant uit het Besluit m.e.r. te weten: • De aanleg, wijziging of uitbreiding inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stuwdam of andere installatie voor het • stuwen of voor de lange termijn opslaan van water. Voornoemde activiteiten zijn op grond van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectenrapportage m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Hiertoe is een m.e.r.beoordelingsnotitie opgesteld conform artikel 7.17, derde lid, van de Wet milieubeheer en de in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG (de ~~richtlijn) aangegeven criteria (kenmerken, plaats en effect van activiteit). Uit de m.e.r.-beoordeling `Waterberging en natuurherstel De Run' met kenmerk 211x08964_6 d.d. 13 november 2018 blijkt dat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In de m.e.r.-beoordelingsnotitie is daarover het volgende vastgesteld: • •
• •
In de aanlegfase kunnen op enkele milieu onderdelen tijdelijk negatieve effecten ontstaan, maar deze zijn eenvoudig te mitigeren. De wijziging van het waterstaatswerk veroorzaakt op zichzelf geen belangrijke nadelige gevolge voor het milieu op de omgeving die middel een MER moet worden uitgewerkt. Er zijn in de omgeving geen waarden gelegen waarop het project invloed heeft. Er vinden in de omgeving geen andere activiteiten plaats die kunnen zorgen voor een cumulatie van milieueffecten.
Conclusie van de m.e.r.-beoordeling is de volgende: De realisatie, het gebruik en de potentiele negatieve effecten van de voorgenomen werken hebben geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het Dagelijks Bestuur acht de m.e.r.-beoordeling zorgvuldig en besluit conform de notitie dat geen MER nodig is. Een en ander is zoals vastgelegd in de `m.e.r.-beoordelingsnotitie `Waterberging en natuurherstel De Run' met kenmerk 211x08964 6 d.d. 13 november 2018 Aldus vastgesteld op 20 november 2018, Het dagelijks bestuur,
mr. drs. P.C.G. Glas
drs. A.G. Dekker
watergraaf
secretaris
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl