CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage m.e.r. beoordeling Waterberging De Run Bergeijk.pdf

Gemeenteraad 25 februari 2021, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan waterberging de Run Bergeijk14.814 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.beoordeling, bestemmingsplan ‘Waterberging De Run’ Gemeente Bergeijk, gemeente Eersel, gemeente Veldhoven

Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.beoordeling, bestemmingsplan ‘Waterberging De Run’ Gemeente Bergeijk, gemeente Eersel, gemeente Veldhoven

Rapportnummer:

211x08964 mer_2

Datum:

24 november 2020

Opdrachtgever:

Waterschap De Dommel

Projectteam BRO:

JR, AD, CV

Trefwoorden:

-

Bron foto kaft:

BRO, Abstract 4

Beknopte inhoud:

-

BRO 5280 AA Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Inleiding 1.2 Toetsing Besluit m.e.r. 1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 1.4 Leeswijzer

2 2 3 6 6

2. EFFECTEN OP HET MILIEU 2.1 Inleiding 2.2 Kenmerken van het project 2.3 Plaats van het project 2.4 Kenmerk van het potentiële effect

4 4 4 5 7

3. VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING

4

BIJLAGEN Bijlage 1: M.e.r.-beoordeling ‘Waterberging en natuurherstel De Run Bijlage 2: M.e.r.-beoordelingsbesluit ‘Waterberging en natuurherstel De Run

Inhoudsopgave

1

1.

INLEIDING 1.1 Inleiding Om ervoor te zorgen dat steden in het beheersgebied van Waterschap De Dommel droge voeten houden in het geval van uitzonderlijke regenval, is het inrichten van waterbergingsgebieden noodzakelijk. De gestuurde waterbergingen zijn onderdeel van de afspraken in het Nationaal Bestuursakkoord Water-Actueel (2008). Voor het waterbergingsgebied bij De Run is een projectplan in het kader van de Waterwet opgesteld. In het projectplan is de onderbouwing, inhoud en verantwoording van het project beschreven. Het Projectplan Run Grootgoor is op 9 juli 2019 vastgesteld door het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel. De omgevingsvergunning voor de aanleg van de kade, aangevraagd op basis van de geldende bestemmingsplannen, is onherroepelijk. Het waterbergingsgebied bij de Run maakt onderdeel uit van een groter geheel om te zorgen voor bescherming tegen hoogwater in de regio Eindhoven. Het waterschap legt samen met de gemeenten Veldhoven, Bergeijk en Eersel bij de natte natuurparel Grootgoor dit waterbergingsgebied aan. Tegelijkertijd krijgt de beek de ruimte om te kronkelen en worden de gronden langs de nieuwe beek ingericht als natuur. Daarnaast neemt het waterschap ook enkele maatregelen om verdroging in Grootgoor tegen te gaan en het recreatief netwerk te vergroten. De doelstellingen van het project zijn als volgt:  Het realiseren van gestuurde waterberging.

 Het verbeteren van de Run in het kader van de Kaderrichtlijn Water (rekening houdend met Natura 2000).  Het tegengaan van verdroging in Natte Natuurparel Grootgoor.  Het inrichten van percelen in het Natuurnetwerk Brabant.  Het realiseren van recreatieve voorzieningen en landschappelijke elementen (Gebiedsimpuls Grenscorridor N69). Het bestemmingsplan biedt het benodigde juridisch-planologisch kader om het gestuurde waterbergingsgebied en het beekherstel te realiseren.

Hoofdstuk 1

2

1.2 Toetsing Besluit m.e.r. In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D). Voor dit plan zijn drie activiteiten relevant uit het Besluit m.e.r. te weten:  de aanleg, wijziging of uitbreiding inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken (categorie D3.2);  een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan (categorie D9);  de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stuwdam of andere installatie voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (categorie D15.3). Tabel 1.1. Categorieën uit het Besluit m.e.r. die van toepassing zijn op het bestemmingsplan

D3.2

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De aanleg, wijziging of

-

De structuurvisie,

De goedkeuring van gedeputeerde

uitbreiding inzake

bedoeld in de artikelen

staten van het projectplan, be-

kanalisering of ter

2.1, 2.2 en 2.3 van de

doeld in artikel 5.7, eerste lid, van

beperking van over-

Wet ruimtelijke orde-

de Waterwet of, bij het ontbreken

stromingen, met inbe-

ning, en de plannen,

daarvan, het projectplan, bedoeld

grip van primaire

bedoeld in de artikelen

in artikel 5.4, eerste lid, van die

waterkeringen en

3.1, eerste lid, 3.6,

wet, of, indien artikel 5.4, zesde

rivierdijken

eerste lid, onderdelen

lid, van die wet van toepassing is,

a en b, van die wet en

de vaststelling van het tracé op

het plan, bedoeld in de

grond van de Tracéwet of de

artikelen 4.1 en 4,4

Spoedwet wegverbreding door de

van de Waterwet.

Minister van Infrastructuur en Milieu of het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

D9

Hoofdstuk 1

Een landinrichtings-

In gevallen waarin

De structuurvisie,

De vaststelling van het inrichtings-

project dan wel een

de activiteit be-

bedoeld in de artikelen

plan, bedoeld in artikel 17 van de

wijziging of uitbreiding

trekking heeft op

2.1, 2.2 en 2.3 van de

Wet inrichting landelijk gebied dan

daarvan.

1°. een functiewij-

Wet ruimtelijke orde-

wel een plan bedoeld in artikel 18

ziging met een

ning, en de plannen,

van de Reconstructiewet concen-

oppervlakte van

bedoeld in de artikelen

tratiegebieden dan wel bij het

125 hectare of

3.1, eerste lid, 3.6,

ontbreken daarvan het plan be-

meer van water,

eerste lid, onderdelen

doeld in artikel 3.6, eerste lid,

natuur, recreatie of

a en b, van die wet, de

onderdelen a en b, van de Wet

3

Kolom 1 Activiteiten

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Gevallen

Plannen

Besluiten

landbouw of

vaststelling van het

ruimtelijke ordening dan wel bij het

2°. vestiging van

inrichtingsplan, be-

ontbreken daarvan van het plan,

een glastuinbouw-

doeld in artikel 17 van

bedoeld in artikel 3.1, eerste lid,

gebied of bloem-

de Wet inrichting

van die wet.

bollenteeltgebied

landelijk gebied, het

van 50 hectare of

plan, bedoeld in artikel

meer.

11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden.

D15.3

De aanleg, wijziging of

In gevallen waarin

De structuurvisie,

Het projectplan, bedoeld in artikel

uitbreiding van een

de activiteit be-

bedoeld in de artikelen

5.4, eerste lid, van de Waterwet of,

stuwdam of andere

trekking heeft op

2.1, 2.2 en 2.3 van de

indien artikel 5.4, zesde lid, van

installatie voor het

een hoeveelheid

Wet ruimtelijke orde-

die wet van toepassing is, de

stuwen of voor de

water van 5 mil-

ning en het plan,

vaststelling van het tracé op grond

lange termijn opslaan

joen m3 of meer.

bedoeld in artikel 3.1,

van de Tracéwet of de Spoedwet

eerste lid, van die wet,

wegverbreding door de Minister

en het plan, bedoeld in

van Infrastructuur en Milieu, dan

de artikelen 4.1 en 4.4

wel bij het ontbreken daarvan de

van de Waterwet.

vaststelling van het plan, bedoeld

van water.

in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Het project valt onder de drempelwaarde van categorie D15.3. Wanneer onder de drempelwaarde wordt gebleven geldt een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor categorie D3.2 zijn geen drempelwaarden opgenomen. Omdat er bij categorie D3.2 geen drempelwaarde is opgenomen is het project op grond van categorie D3.2 m.e.r.-beoordelingsplichtig. Het project valt onder de drempelwaarde van categorie D9, waardoor voor deze categorie een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Projectplan en m.e.r.-beoordeling en m.e.r.-besluit Voor het waterbergingsgebied bij De Run is een projectplan in het kader van de Waterwet opgesteld. In het projectplan is de onderbouwing, inhoud en verantwoording van het project beschreven. Het Projectplan Run Grootgoor is op 9 juli 2019 vastgesteld door het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel.

Hoofdstuk 1

4

Het projectplan, bedoeld in artikel 5.4, zesde lid van de Waterwet is het besluit waar besluitvorming over de m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden. Alleen bij het ontbreken van een projectplan zou het bestemmingsplan het besluit zijn waar de m.e.r.-beoordelingsplicht aan gekoppeld is. Door het waterschap is een integrale beoordeling gemaakt van de mogelijk nadelige gevolgen die het project, de realisatie en inrichting van het plangebied, kan hebben op het milieu in relatie tot de criteria van Bijlage III van de richtlijn m.e.r. Door het Waterschap De Dommel is op 20 november 2018 besloten dat geen MER behoeft te worden opgesteld, wegens het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die een MER noodzakelijk zouden maken. Categorie D3.2 en D15.3 zijn reeds beoordeeld in het kader van het projectplan. Hiervoor wordt verwezen naar de m.e.r.-beoordeling en het besluit van het Waterschap De Dommel. Volledigheidshalve is de m.e.r.-beoordeling en het besluit van het Waterschap De Dommel als bijlage opgenomen. Categorie D9 landinrichtingsproject De voorgenomen bestemmingsplanwijziging voorziet tevens in de functiewijziging van percelen met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ naar de bestemming ‘Natuur’. Het gaat hierbij om de volgende oppervlakten:  9,35 ha. binnen de gemeente Bergeijk;  2,20 ha. binnen de gemeente Eersel;  5,88 ha.

binnen de gemeente Veldhoven. De voorziene functiewijziging heeft betrekking op circa 17,43 hectare voor de drie gemeenten samen. Een functiewijziging van natuur of landbouw kan onder bepaalde omstandigheden worden aangemerkt als ‘landinrichtingsproject’ als bedoeld in categorie D9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dit zou betekenen dat er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze categorie is echter bedoeld voor grootschalige ontwikkelingen in het buitengebied. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen functiewijziging is vastgesteld dat categorie D9 in het onderhavige geval niet van toepassing is zodat hiervoor geen vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd. Onverminderd het voorgaande is naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zekerheidshalve besloten om in aanvulling op de reeds uitgevoerde m.e.r.-beoordeling in het kader van het projectplan een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren, waarbij concreet wordt beoordeeld of de voorgenomen functiewijziging van agrarisch naar natuur nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Deels wordt hierbij verwezen naar m.e.r.-beoordeling in het kader van het projectplan. Natuur Grootgoor Het natuurgebied Grootgoor als Natte Natuurparel maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). In dit gebied heeft de afgelopen tientallen jaren verdroging en verruiging plaatsgevonden.

Een studie van het IVN in 2010 onderschrijft dit. In deze studie zijn namelijk vier momentopnamen van de vegetatie, van 1969 tot 2000, beschreven. In de jaren ’60 en ’70 was nog sprake van een goed ontwikkeld, levend laagveengebied en beek-begeleidend broekbos. Wel werd de destijds naderende herverkaveling als opkomende bedreiging beschouwd. In de jaren ’90, nadat de ruilverkaveling in de jaren 70 was uitgevoerd, blijkt deze bedreiging werkelijkheid geworden. De, vanuit landbouwperspectief, verbeterde ontwatering heeft geleid tot verdroging in het centrale en oostelijk deel van Grootgoor

Hoofdstuk 1

5

met verruiging tot gevolg. In 2000 blijkt dat ook het westelijk deel is verdroogd. Dit leidt tot versnelde successie: de moerasvegetatie droogt op en bos overgroeit het struweel. Procedure Het college van burgemeester en wethouders moet aan de hand van een aanmeldingsnotitie beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.

1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld.

1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 vormt de aanmeldingsnotitie, hoofdstuk 3 vormt de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of er sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: a. de plaats waar de activiteit plaatsvindt, o.a. in relatie tot gevoelige gebieden ; b. de kenmerken van de activiteit ; c. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. d. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie).

Hoofdstuk 1

6

2.

EFFECTEN OP HET MILIEU 2.1 Inleiding In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het ruimtelijke plan. In de onderstaande tabellen vindt de beoordeling/toets plaats aan de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

2.2 Kenmerken van het project Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

De lengte van de Run binnen het gebied 2 Grootgoor is ongeveer 9,5 km. De voormalige landbouwpercelen die in de beekzone liggen worden met 0 tot 30 cm verlaagd. Er wordt 31.000 m² grond afgegraven t.b.v. beekherstel en t.b.v. Natte Natuurparel Grootgoor. Onderdeel van het beekherstel is om langs de beek beschaduwing in de vorm van beekbegeleidend bos en solitaire bomen te ontwikkelen. De ambitie is om de beek over een

Hoofdstuk 2

4

Kenmerken van het project Criteria

Toets lengte van 50 tot 80% van beschaduwing te voorzien. De voorgenomen bestemmingsplanwijziging voorziet in de functiewijziging van ca. 17,43 hectare percelen met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ naar de bestemming ‘Natuur’

Cumulatie met andere pro-

Ja, met de gebieden Boevenheuvel tot Grootgoor (tracé bovenstrooms) en gebied 3

jecten

Grootgoor tot Dommel (tracé beneden strooms).

Gebruik van natuurlijke hulp-

Niet van toepassing.

bronnen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder

Niet van toepassing. Tijdens de realisatiefase kan sprake zijn van hinder en kunnen de volgende soorten hinder optreden: 

Wateroverlast en/of water te kort

Geluidsoverlast

Verkeershinder en een beperkte bereikbaarheid

Stofhinder

Schade aan ondergrond

De realisatiefase is echter tijdelijk van aard en zal alleen plaatsvinden onder reguliere werktijden. Na realisatie is er geen overlast meer ten opzichte van de huidige situatie. In het projectplan zijn de gevolgen van de maatregelen beschreven:

Risico van ongevallen

De permanente gevolgen van de inrichting van het waterbergingsgebied.

De gevolgen van het inzetten van het waterbergingsgebied.

De gevolgen van het beekherstel en het herstel van Natte Natuurparel Grootgoor.

De gevolgen van de overige maatregelen.

Tijdens realisatiefase zijn er gebruikelijke risico’s. Aannemers werken volgens veiligheidsprotocol om de risico’s te voorkomen.

2.3 Plaats van het project Plaats van het project Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

Landbouw, natuur en recreatie.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het De Run maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & regeneratievermogen van de natuurlijke De Plateaux. hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

De Run maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote

kustgebieden, berg- en bosgebie-

Heide & De Plateaux. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op

den, reservaten en natuurparken,

de geformuleerde instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000-gebied. Het

Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

effect is zelfs positief te noemen.

gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen in-

Hoofdstuk 2

Het plangebied ligt niet in de omgeving van gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden

5

Plaats van het project Criteria

Toets

zake milieukwaliteit reeds worden

overschreden.

overschreden 

Gebieden met een hoge bevolkings-

Het plangebied ligt niet in een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid.

dichtheid 

Landschappen van historisch, cultu-

reel of archeologisch belang.

Er is sprake van een variatie in type ondergrond en het gebruik hiervan in het verleden en het heden hebben geleid tot een afwisselend landschap. In het gebied zijn enkele cultuurhistorische elementen aanwezig, diverse oude groenstructuren aanwezig. Ook zijn in het gebied archeologische monumenten aanwezig. Er wordt, conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen, gewerkt met archeologische begeleiding tijdens de graafwerkzaamheden. Hiermee is de bescherming van het mogelijk aanwezige archeologische erfgoed geborgd.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Ja

Watergebied van internationale beteke- Nee nis Natuurnetwerk Nederland

Een groot deel van het gebied langs de Run maakt onderdeel uit van het Natuur-

(voormalige EHS)

netwerk Brabant (NNB) en Natte Natuurparel Grootgoor.

Het ontwerp van het

waterbergingsgebied is op de maatregelen van het natuurnetwerk afgestemd en heeft geen negatieve gevolgen voor de huidige en potentiële (geambieerde) waarden hierbinnen. Landschappelijk waardevol gebied

Het Natura 2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux behoort tot het landschapstype hogere zandgronden. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de geformuleerde instandhoudingsdoelen voor het Natura 2000gebied. Het effect is zelfs positief te noemen.

Waterwinlocaties.

waterwingebieden, Nee

en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Nee

Belvedere-gebied

Nee

Hoofdstuk 2

6

2.4 Kenmerk van het potentiële effect Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

zone en grootte van de getroffen bevol-

De inrichting van het waterbergingsgebied: zoals opgenomen in het projectplan Run Grootgoor en terug te vinden in de toelichting van het bestemmings-

king)

plan. 

Gestuurde waterberging: de gebieden binnen de waterbergingscontour, zie de toelichting van het bestemmingsplan.

Beekherstel en herstel Natte Natuurparel Grootgoor: gronden rondom de bestaande Run.

Grensoverschrijdende karakter van het Er is geen sprake van een grensoverschrijdend effect. effect Waarschijnlijkheid van het effect

De gestuurde waterberging: zal naar verwachting eens in de 10 tot 25 jaar ingezet worden.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

De inrichting van het waterbergingsgebied: onbepaalde tijd.

van het effect

Inzet waterberging: de waterbergingsgebieden liggen op gronden die in gebruik zijn als weiland, akkerland of natuur. In noodsituaties worden waterbergingsgebieden vol water gezet. Naar verwachting zal dit tussen de 1x per 10 jaar tot 1x per 25 jaar gebeuren. Het land staat dan ongeveer maximaal 8 dagen langer dan normaal onder water.

Hoofdstuk 2

Beekherstel en herstel Natte Natuurparel Grootgoor: onbepaalde tijd.

Overige maatregelen: onbepaalde tijd.

7

3.

VORMVRIJE M.E.R-BEOORDELING

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijke, nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Wij bevelen u aan - na nadere kennisname van deze beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van de bestemmingsplannen ‘Waterberging De Run’ geen milieueffectrapportage wordt vereist.

Hoofdstuk 3

4

BIJLAGEN

Bijlage 1: M.e.r.-beoordeling ‘Waterberging en natuurherstel De Run

M.e.r.-beoordeling ‘Waterberging en natuurherstel De Run’ In de gemeente Bergeijk, gemeente Eersel, gemeente Veldhoven

M.e.r.-beoordeling ‘Waterberging en natuurherstel De Run’ In de gemeente Bergeijk, gemeente Eersel, gemeente Veldhoven

Rapportnummer:

211x08964_7

Datum:

19 november 2018

Contactpersoon opdrachtgever:

Waterschap De Dommel

Projectteam BRO:

Jochem Rietbergen, Corianne Verberne

Trefwoorden:

--

Bron foto kaft:

Abstract 1

Beknopte inhoud:

--

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Inleiding 1.2 M.e.r.-beoordelingsplicht 1.3 Procedure m.e.r.-beoordelingsplicht

3 3 3 6

2. ALGEMEEN 2.1 Naam van de initiatiefnemer 2.2 Adres bevoegd gezag 2.3 Soort activiteit 2.4 Plaats activiteit 2.5 Tijd

7 7 7 7 7 8

3. MOTIVERING ACTIVITEIT 3.1 Doel 3.2 Voorgenomen activiteit

9 9 9

3.2.1 Waterberging 3.2.2 Natuur 3.2.3 Recreatie 3.3 Werkzaamheden

9 12 13 13

4. Bestaande situatie 4.1 Inleiding 4.2 Water 4.3 Natuur 4.4 Landbouw 4.5 Landschap, cultuurhistorie en archeologie 4.6 Recreatie

14 14 14 15 16 16 17

5. EFFECTEN OP HET MILIEU 5.1 Inleiding 5.2 Waterbergingsgebied

19 19 19

5.2.1 Effecten aanleg kade en waterkwaliteit bij inzet waterbergingsgebied 5.2.2 Effecten waterkwaliteit bij inzet waterberging 5.2.3 Effecten Flora en fauna aanleg kade en bij inzet waterbergingsgebied 5.2.4 Effecten landschap, cultuurhistorie en archeologie aanleg kade 5.2.5 Effecten recreatie aanleg kade

Inhoudsopgave

19 23 23 23 24

1

5.3 Effecten beekherstel

24

5.3.1 Effecten meandering 5.3.2 Effecten afgraven percelen natte natuurparel 5.3.3 Effecten flora en fauna en Natura2000 5.3.4 Effecten landschap, cultuurhistorie en archeologie 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Woon- en leefomgeving

24 27 28 28 29 29

5.5.1 Geluid 5.5.2 Luchtkwaliteit 5.5.3 Veiligheid 5.5.4 Verkeer 5.5.5 Stof 5.6 Begrazing na inzet 5.7 Ongedierte

29 29 29 30 30 30 30

6. CUMULATIEVE EFFECTEN 6.1 Inleiding 6.2 Resultaten oppervlaktewatermodel 6.3 Resultaten grondwatermodel 6.4 Conclusie

31 31 31 31 32

7. SAMENVATTING 7.1 Inleiding 7.2 Kenmerken van het project 7.3 Plaats van het project 7.4 Kenmerk van het potentiële effect

34 34 34 35 36

8. M.E.R-BEOORDELING

38

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING

1.1 Inleiding Het klimaat verandert. De komende decennia moet Nederland rekening houden met meer extreem weer en snellere wisselingen tussen droge en natte periodes. Het gaat bij extreme situaties om een zodanig grote hoeveelheid water, dat beken, rivieren en de bodem dit niet in korte tijd kunnen verwerken. In de winter staan sloten, greppels, beken en rivieren vaak al vol met water en staat het grondwater hoger. Extreme hoeveelheden (regen)water kan niet voldoende worden opgenomen in sloten, beken en de bodem. Het water wordt vrijwel direct afgevoerd, waardoor kans op overstroming ontstaat op plekken waar water bij elkaar komt. Daarom treft waterschap De Dommel momenteel voorbereidingen om de verwachte overstromingen, zoveel mogelijk het hoofd te bieden. In het kader van het programma ‘Droge voeten’ uit het Waterbeheerplan worden maatregelen getroffen om steden en dorpen te beschermen tegen wateroverlast. Dit in het geval van uitzonderlijke en langdurige regenval die vooral in de winterperiode voorkomt. Voor de regio Eindhoven is het noodzakelijk een aantal waterbergingsgebieden aan te leggen. Eén van de hiervoor aangewezen locaties is De Run ter hoogte van de natuurparel Grootgoor.

Voor dit gebied zijn opgaven gedefinieerd voor waterberging, beekdalherstel, herstel van de natte natuurparels, het inrichten van percelen binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en het aanleggen van recreatieve voorzieningen. Voordat de voorgenomen activiteiten kunnen worden gerealiseerd, dient onder andere een projectplan te worden vastgesteld. Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden dient ten behoeve van de besluitvorming over dit projectplan rekening te worden gehouden met het Besluit milieueffectrapportage. Vanwege het projectplan heeft de initiatiefnemer en het bevoegd gezag (waterschap De Dommel) een m.e.r.-beoordeling laten opstellen, die u bijgaand aantreft. In deze notitie wordt ingegaan op de te verwachten effecten van het planvoornemen. Vooruitlopend op de geplande wijziging van de Ontgrondingenverordening van de provincie NoordBrabant is er voor de uitvoering geen ontgrondingsvergunning nodig voor ecologische verbindingszones, beek- en herstelprojecten en overige natuurontwikkelingsprojecten. Deze wijziging wordt naar verwachting in oktober 2018 door Provinciale Staten vastgesteld, waarna deze in werking treedt.

1.2 M.e.r.-beoordelingsplicht In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D).

Hoofdstuk 1

3

Voor dit project zijn twee activiteiten relevant uit het Besluit m.e.r. te weten:  de aanleg, wijziging of uitbreiding inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken (categorie D15.3);  de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stuwdam of andere installatie voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (categorie D3.2). Aan de drempelwaarde van categorie D15.3 wordt niet voldaan. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarde geldt een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor categorie D3.2 zijn geen drempelwaarden opgenomen. Omdat er bij categorie D3.2 geen drempelwaarde is opgenomen is het project op grond van categorie D3.2 m.e.r.-beoordelingsplichtig. In deze m.e.r.-beoordeling worden alle activiteiten betrokken. Tabel 1.1. Categorieën uit het Besluit m.e.r. die van toepassing zijn op het projectplan

D3.2

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De aanleg, wijziging of

-

De structuurvisie,

De goedkeuring van gedeputeerde

uitbreiding inzake

bedoeld in de artikelen

staten van het projectplan, be-

kanalisering of ter

2.1, 2.2 en 2.3 van de

doeld in artikel 5.7, eerste lid, van

beperking van over-

Wet ruimtelijke orde-

de Waterwet of, bij het ontbreken

stromingen, met inbe-

ning, en de plannen,

daarvan, het projectplan, bedoeld

grip van primaire

bedoeld in de artikelen

in artikel 5.4, eerste lid, van die

waterkeringen en

3.1, eerste lid, 3.6,

wet, of, indien artikel 5.4, zesde

rivierdijken

eerste lid, onderdelen

lid, van die wet van toepassing is,

a en b, van die wet en

de vaststelling van het tracé op

het plan, bedoeld in de

grond van de Tracéwet of de

artikelen 4.1 en 4,4

Spoedwet wegverbreding door de

van de Waterwet.

Minister van Infrastructuur en Milieu of het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

D15.3

Hoofdstuk 1

De aanleg, wijziging

In gevallen waar-

De structuurvisie,

Het projectplan, bedoeld in

of uitbreiding van een

in de activiteit

bedoeld in de artike-

artikel 5.4, eerste lid, van de

stuwdam of andere

betrekking heeft

len 2.1, 2.2 en 2.3

Waterwet of, indien artikel 5.4,

installatie voor het

op een hoeveel-

van de Wet ruimtelij-

zesde lid, van die wet van toe-

stuwen of voor de

heid water van 5

ke ordening en het

passing is, de vaststelling van

3

lange termijn opslaan

miljoen m of

plan, bedoeld in

het tracé op grond van de Tra-

van water.

meer.

artikel 3.1, eerste lid,

céwet of de Spoedwet wegver-

van die wet, en het

breding door de Minister van

plan, bedoeld in de

Infrastructuur en Milieu, dan wel

4

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

artikelen 4.1 en 4.4

bij het ontbreken daarvan de

van de Waterwet.

vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Uit de m.e.r.-beoordeling volgt of een MER noodzakelijk is. De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit worden de ‘bijzondere omstandigheden’ genoemd. Om te beoordelen of een MER moet worden opgesteld, beoordeeld het bevoegd gezag aan de hand van de wettelijke beoordelingscriteria, met in achtneming van de criteria genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op: a. de kenmerken van de activiteit; b. de plaats waar de activiteit plaatsvindt; c. de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie); d. de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van het projectplan. In dit hoofdstuk vindt een samenvattende beoordeling/toets plaats aan de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Het gaat hierbij om de volgende criteria die zijn opgenomen in onderstaande tabel 1.2.

Tabel 1.2: Criteria die zijn genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling

Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Hoofdstuk 1

5

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

1.3 Procedure m.e.r.-beoordelingsplicht In artikel 7.19 Wet milieubeheer zijn de procedurestappen beschreven die moeten worden doorlopen als het bevoegd gezag tevens de initiatiefnemer is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. In dit geval is waterschap De Dommel zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag. Waterschap De Dommel (als bevoegd gezag) voert die beoordeling uit in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit. Omdat het bevoegd gezag zelf initiatiefnemer is, is voor deze raadpleging geen wettelijke termijn opgenomen. De enige eis is dat het overleg met de betrokken bestuursorganen heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de beslissing over het al dan niet doorlopen van de m.e.r.procedure. Er is geen m.e.r.-plicht, tenzij zodanige milieueffecten te verwachten zijn dat een MER nodig is. De beslissing of in dit geval een MER moet worden gemaakt, moet worden vastgelegd in een m.e.r.beoordelingsbesluit en de beslissing moet bekend gemaakt (7.19, vierde lid, onder c Wet milieubeheer) worden door dit te publiceren in één of meer dag, nieuws- of huis-aan-huis-bladen. Indien uit de beoordeling blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn en er dus geen m.e.r.procedure wordt opgestart moet het bevoegd gezag dit tevens in de Staatscourant melden. Dit besluit is niet zelfstandig vatbaar voor bezwaar en beroep.

Hoofdstuk 1

6

2.

ALGEMEEN

2.1 Naam van de initiatiefnemer Waterschap De Dommel

2.2 Adres bevoegd gezag Waterschap De Dommel Postbus 10.001 5280 DA Boxtel

2.3 Soort activiteit Realiseren van een gestuurde waterbergingsgebied. Daarnaast aanleg van nieuwe natuur op de gronden langs de nieuwe aan te leggen beek. Tevens neemt het waterschap ook enkele maatregelen om de verdroging in Grootgoor tegen te gaan en wandelmogelijkheden te vergroten. Een uitgebreide projectbeschrijving is opgenomen in hoofdstuk 3.

2.4 Plaats activiteit Het plangebied ligt in de gemeenten Bergeijk, Eersel en Veldhoven. Het programma De Run betreft het traject van de Run vanaf stuw Boevenheuvel tot aan de Dommel. Het beekdal de Run is op basis van beschikbare percelen, kennis en kansen in het gebied onderverdeeld in 3 gebieden, die los van elkaar (ook in tijd) tot een projectplan Waterwet en tot uitvoer worden gebracht: 1. Boevenheuvel tot Grootgoor (tracé bovenstrooms); 2. Grootgoor; 3. Grootgoor tot Dommel (tracé benedenstroom). Deze m.e.r.-beoordeling heeft alleen betrekking op de aanleg van voorzieningen ten behoeve van gestuurde waterberging en het beekherstel dat op korte termijn (2019) gerealiseerd zal worden en beperkt zich tot het gebied nabij natuurgebied Grootgoor (gebied 2, rood omkaderd in figuur 1). Het gebied Grootgoor heeft op zichzelf staande hydrologische effecten en wordt zelfstandig wordt.

Hoofdstuk 2

7

Figuur 1: Plangebied Grootgoor de Run (rood omkaderd)

2.5 Tijd Met de realisatie kan worden gestart nadat de vergunningen zijn verkregen. De aanlegperiode bedraagt circa 1 jaar. De gebruiksperiode is onbepaald.

Hoofdstuk 2

8

3.

MOTIVERING ACTIVITEIT

3.1 Doel Waterschap De Dommel wil waterbergingsgebieden inrichten. Deze waterbergingsgebieden dienen ervoor te zorgen dat in het geval van uitzonderlijke hevige of langdurige regenval er geen wateroverlast in steden ontstaat als gevolg van de waterstand in beken. In het gebied Grootgoor waar de gestuurde waterberging wordt gerealiseerd neemt het waterschap andere maatregelen voor bijvoorbeeld beekherstel, herstel verdroogde natuurgebieden en andere maatregelen die voortvloeien uit het gebiedsproces. Bij de beek de Run, die ligt in de gemeenten Bergeijk, Eersel en Veldhoven, is het waterschap De Dommel voornemens een gestuurde waterberging te realiseren. Het doel van de aanleg van de waterberging is het verminderen van wateroverlast in stroomafwaarts gelegen gebieden o.a. binnen de bebouwde kom van Eindhoven. Naar verwachting zal deze waterberging vanaf eens per 10 tot 25 jaar ingezet moeten worden. Dit om de schade die als gevolg van hoogwatergebeurtenissen tot een kans van eens in de 100 jaar optreden (T100W+) te voorkomen. De uiteindelijke frequentie van de inzet is afhankelijk van weersomstandigheden en de effecten van klimaatsverandering. De doelstellingen van het project zijn als volgt:  Het realiseren van gestuurde waterberging (met als basis bestuursvoorstel d.d.

17-06-2014);  Het verbeteren van de Run in het kader van de Kaderrichtlijn Water (rekening houdend met Natura2000);  Het tegengaan van verdroging binnen Natte Natuurparel Grootgoor;  Het inrichten van percelen binnen het Natuurnetwerk Brabant;  Het aanleggen van recreatieve voorzieningen. Voor het project is een projectplan in het kader van de Waterwet opgesteld1. In het projectplan is de onderbouwing, inhoud en verantwoording van het project beschreven.

3.2 Voorgenomen activiteit 3.2.1 Waterberging In het kader van de waterberging worden de volgende maatregelen gerealiseerd:  Aanleggen kade rond waterbergingsgebied;  Realiseren hoogwaterstuw, inclusief debietmeetpunt en onderhoudsplateau;  Aanpassen detailafwatering langs kade.

Hoofdstuk 3

9

Kade Uit een analyse blijkt dat tot een waterhoogte van maximaal 22,00 m +NAP er een aanzienlijke hoeveelheid berging gerealiseerd kan worden. Om het water tot deze waterstand op te kunnen stuwen dient er een kade aangelegd te worden. De ligging van de kade sluit zoveel mogelijk aan bij bestaande landschappelijke structuren in het landschap. In het noorden wordt de kade parallel aan de Gagelgoorsedijk/Turfweg gelegd. Ter hoogte van de meest noordelijke punt van Grootgoor, buigt de kade van de Turfweg af richting de hoogwaterstuw. Hier doorsnijdt de kade een landbouwperceel dat in een toekomst als natuur wordt ingericht. Op de westoever ten opzichte van de hoogwaterstuw, is de kade het hoogst met een maximum van 2 meter. Op de zuidelijke oever ligt de kade parallel langs de beek en volgt dan een deel van het zandpad naar de Veldhovensedijk/Riethovensedijk. Daarna buigt de kade in zuidwestelijke richting af, parallel aan de Veldhovensedijk en de beekzone en sluit bovenstrooms op maaiveldhoogte aan. Hier loopt de kade vanaf maaiveld in het zuidelijke deel langzaam op naar 2 meter hoogte in het noordelijke deel. De omlegging van de Gagelgoorsedijk/Turfweg en Veldhovensedijk/Riethovensedijk is in het kader van de aanleg van de Westparallel N69 als uitgangspunt meegenomen in de uitwerking van de kade.

Daarnaast is rekening gehouden met de PPS-leiding van SABIC door de kade minimaal 5 meter buiten de ligging van deze leiding te realiseren. Tabel 3.1 maatvoering kade Hoogte van de kade

22,30 en 22,45 m +NAP

Kruin van de kade

5m

Helling van het talud

1:4 aan waterbergingzijde en 1:5 aan de binnenzijde. Door met flauwe taluds te werken kan de kade gemaakt worden van gebiedseigen materiaal (zand).

Afwerking kade

Afwerking met een leeflaag en ingezaaid met een (bloemrijk) grasmengsel

Hoogwaterstuw De hoogwaterstuw (of het regelwerk) wordt direct benedenstrooms van Grootgoor gerealiseerd. De bestaande stuw wordt verwijderd. De hoogwaterstuw is normaal gestreken (staat open), behalve tijdens de inzet van de gestuurde waterberging. De stuw wordt in dat geval opgetrokken, waardoor het water vastgehouden wordt en de waterstand bij knelpunten in Eindhoven wordt verlaagd. Het moment dat de hoogwaterstuw wordt ingezet is vanaf een debiet van 3.1 m 3/sec. In de berekeningen is ervan uit gegaan dat het water direct na het passeren van de hoogwatergolf weer geleidelijk wordt doorgelaten. Op deze wijze wordt de hinder als gevolg van de waterberging voor de omgeving beperkt. In de situatie met een afvoergolf die met een kans van eens per 100 jaar optreedt, duurt het ongeveer 3 dagen om het gebied vol te laten lopen.

Hoofdstuk 3

10

Tabel 3.2 kenmerken hoogwaterstuw De hoogwaterstuw is een geautomatiseerde stuw met een breedte van 4 meter. De constructie waar de stuw in gemonteerd wordt vormt tevens de grondkering van de kade waar deze op aansluit. In de constructie wordt ook een debietmeetpunt aangebracht. Dit om de afvoer bij zowel normale omstandigheden als bij inzet van het waterbergingsgebied te kunnen meten en de hoogwaterstuw aan te kunnen sturen. Daarnaast wordt de constructie voorzien van schotbalksponningen, zodat de stuw en het debietmeetpunt voor onderhoud tijdelijk drooggezet kunnen worden. De constructie wordt voorzien van een voorziening ter voorkoming van achter- en onderloopsheid (kwelstromen). Hiermee wordt voorkomen dat bij inzet van de waterberging de constructie wordt ondermijnd als gevolg van het verschil in waterdruk boven- en benedenstrooms van de stuw. Een dergelijke voorziening zal niet zichtbaar zijn. Benedenstrooms zal het beekprofiel over een lengte van 20 meter beschermd worden door steenbestorting. Dit om te voorkomen dat turbulente stroming ervoor gaat zorgen dat het beekprofiel wegspoelt en hier eventueel voor ondermijning van de kade en hoogwaterstuw zorgt. De stuw wordt zo ingericht dat de waterstand maximaal 22,00m + NAP bedraagt. Als het waterbergingsgebied gevuld is wordt het overtollige water via de stuw doorgelaten.

Voor het onderhoud en de toegankelijkheid van de klepstuw wordt een brug op het regelwerk aangebracht. De breedte van de brug wordt 4 meter breed. Deze wordt tevens geschikt gemaakt als oversteek voor fietsers en voetgangers.

Onderhoudsplateau Op de noordelijke oever wordt een halfverhard onderhoudsplateau van circa 20x20 meter aangelegd. Vanuit dit plateau kan onderhoud aan het regelwerk gepleegd worden. Afwatering landbouwpercelen Aan de zuidzijde van het bergingsgebied doorsnijdt de kade het watersysteem van de aanliggende agrarische percelen. Om te voorkomen dat water hier achter de kade stagneert, wordt een watergang aan de landbouwzijde van de kade gerealiseerd. Het terrein loopt in noordoostelijke richting aanzienlijk af. Om ervoor te zorgen dat de watergang niet leegloopt, en voor verdroging van de aanliggende landbouwpercelen zorgt, worden in deze watergang 2 schotbalkstuwen aangebracht. Tabel 3.3 maatvoering watergang en schotbalkstuwen Bodemdiepte

1 meter diep (tussen 0,7 en 1,4 meter)

Bodembreedte

0,5 meter

Taluds

1:1,5

Schotbalkstuwen

Inspectieput aan de bovenzijde voorzien van rooster en schotbalken met een overstortbreedte 0,5 meter. Daarnaast wordt aan de benedenstroomse zijde een duiker rond 500 mm, 7,2 meter lang met hierop grond aangebracht. Dit als voorziening ter voorkoming van achter- en onderloopsheid, waarbij tevens overgangen over de watergang worden gerealiseerd.

De watergang langs de kade fungeert daarnaast ook als afvang van kwelwater dat tijdens de inzet van de watergang door de kade beweegt. Om deze reden wordt er ook langs de noordelijk gelegen kade een watergang (greppel) langs de kade aangelegd. De bodem van de greppel komt boven de grondwaterstand te liggen, zodat voorkomen wordt dat deze grondwater af gaat voeren en de grondwaterstand in en rondom Grootgoor beïnvloedt.

Hoofdstuk 3

11

Tabel 3.4 maatvoering greppel Bodemdiepte

Circa 0,5 meter diep

Bodembreedte

0,5 meter

Taluds

1:1,5

3.2.2 Natuur Vertaling van de natuuropgave naar een gewenst beeld voor de Run geeft de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden:  de gemiddelde stroomsnelheid in de beek in de zomer ligt hoger dan 0,15 m/s;  in de beek is ruimte voor erosie en sedimentatieprocessen;  daarnaast is variatie in substraat en beschaduwing aanwezig;  kunnen vissen vrij migreren van beneden- naar bovenstrooms, waarbij overwegend een minimale waterdiepte van 20 cm beschikbaar is en;  de waterkwaliteit in de beek is als ‘goed’ te kwalificeren. Concreet ziet het beekherstel bij Grootgoor er als volgt uit:  Verwijderen van 2 stuwen.  Beek hermeanderen, waarbij de lengte met een factor van circa 1,3 toeneemt.  Profiel, bodem 1 meter breed en taluds van gemiddeld 1:2. Taluds 1:0 a 1:1 in buitenbochten en 1:3 a 1:4 in binnenbochten.  De bodem omhoog brengen, zodat dit een impuls geeft aan de natuur in Grootgoor.  Langs de beek beschaduwing in de vorm van beekbegeleidend bos ontwikkelen (bij voorkeur de beek over een lengte van 50 tot 80% van beschaduwing voorzien).  Langs de beek een obstakelvrije zone van 5 meter breed aanleggen voor beheer en onderhoud aan de beek. De precieze ligging van de beek wordt bij uitvoering nog afgestemd op de bodemopbouw en historische ligging (zover mogelijk).

Hierbij zal de meander aangelegd worden in de beekzone tussen het huidige bos in Grootgoor en de waterbergingskade. De meander zoals deze nu is ingetekend op de overzichtskaart is bedoeld ter indicatie. Daarnaast is er in verband met ruimtegebrek voor gekozen om de beek in het traject vlak bovenstrooms de hoogwaterstuw te laten slingeren binnen het huidige profiel. Hier zal de beekbodem omhoog worden gebracht en zal de slingering met behulp van grond en/of ‘dood’ hout gerealiseerd worden. Aanleg poel De poel krijgt een afmeting van circa 20 bij 25 meter, de bodem wordt 75 cm diep en rondom de poel wordt de bouwvoor ontgraven. De taluds zullen variëren van 1:3 aan de zuidzijde tot 1:10 aan de noordzijde.

Hoofdstuk 3

12

Aanpassen detailontwatering Om te voorkomen dat bestaande sloten een drainerend effect krijgen worden bestaande sloten in de beekzone gedempt. Aangezien sommige afwateringssloten vanuit de landbouwpercelen dan niet meer direct kunnen afwateren op de beek dienen deze te worden omgeleid. Dit kan gebeuren via de nieuw te ontgraven sloten aan de binnenkant van de kade. Afgraven percelen De voormalig landbouwpercelen die straks in de beekzone liggen, worden gedeeltelijk tot 30 cm verlaagd. 3.2.3 Recreatie De gemeenten Bergeijk, Eersel en Veldhoven hebben de ambitie om het recreatief netwerk rondom de Run uit te breiden. In het plan wordt hier invulling aan gegeven door de kade en een deel van de onderhoudspaden vrij te stellen voor wandelaars. Aan de bovenstroomse zijde kunnen wandelaars de beek kruisen via de brug over de bestaande stuw. Benedenstrooms kan gekruist worden bij de brug over het regelwerk. Een andere maatregel betreft het realiseren van een fietsverbinding tussen de Broekhovensedijk en de Gagelgoorsedijk. Deze verbinding komt gedeeltelijk op de kade te liggen. Om de fietsoversteek veilig uit te kunnen voeren en om voldoende afstand te kunnen houden tot de PPS-leiding wordt het fietspad halverwege van de kade afgeleid. Verder heeft de gemeente Eersel (n.a.v.

inbreng van de dorpsraad van Steensel) nog de ambitie om een uitkijkpunt/observatiepost bij Grootgoor te realiseren. Deze maatregelen maken geen onderdeel uit van het projectplan, maar worden eventueel wel meegenomen in de uitvoering van het project en mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan voor dit gebied. Separaat worden hiervoor de benodigde vergunningen aangevraagd.

3.3 Werkzaamheden Met de aanleg van de kades, nieuwe watergangen en het opwaarderen van bestaande watergangen, omvat de uitvoering met name grondwerk dat zich kenmerkt door graafwerkzaamheden en grondtransport. Nadelige gevolgen voor de omgeving zullen vooral het gevolg zijn van de graafwerkzaamheden en grondtransport. Daarnaast zijn er de bouwwerkzaamheden van het regelwerk.

Hoofdstuk 3

13

4.

Bestaande situatie

4.1 Inleiding In dit hoofdstuk vindt een beschrijving van de bestaande situatie plaats.

4.2 Water De Run ontspringt bij Weebosch vlakbij de Belgische grens. De beek stroomt via de kernen Boksheide, Stokkelen, Schadewijk, Broekhoven en Heers, door het natuur- /bosgebied Grootgoor en voegt zich nabij Veldhoven bij de Dommel. De Run is onderdeel van een netwerk van beken die het Kempens Plateau afwatert. Het water stroomt via de Dommel en het Wilhelminakanaal richting de Maas. Verval De totale lengte van de beek bedraagt ongeveer 30 km. Het hoogteverschil van de beek van de bron (ca. 36,5 m + NAP) tot monding (circa 17,5 m + NAP) is ongeveer 20 meter. De Run heeft binnen het plangebied een lengte van ongeveer 9,5 km. Het gemiddelde verval bedraagt hier circa 0,9 m/km. Wat hierbij opvalt is dat het maaiveld nabij Grootgoor en de Volmolenweg sprongen maakt. Hier kruist de Run de feldbiss-breuk. Aan de benedenstroomse zijde van Grootgoor maakt het maaiveld hierbij een sprong van ongeveer 1 meter. Verder laat de hoogtekaart zien dat de beek in het bovenstroomse en benedenstroomse deel gecentreerd gelegen is in het beekdal. Hier tussenin waaiert het beekdal uit. Hier is de beek gelegen aan de zuidzijde van de laagte wat het gebied Grootgoor vormt. Aan de noordzijde wordt deze laagte begrensd door de watergang, de Pinkgieter. Afvoer De afvoer in de Run varieert tussen ordegrootte 140 l/s in de zomer en 450 l/s in de winter.

De piekafvoer van een afvoersituatie die met een kans van eens in de 10 jaar voorkomt (T10) ligt op circa 3 m3/s. Verder blijkt uit meetgegevens dat de afvoer in de zomer bij langdurige droogte weg kan zakken tot afvoeren beneden 50 l/s. In enkele gevallen is zelfs gedurende enkele dagen geheel geen afvoer gemeten. Profiel Vanaf ca. 1900 is het beekdal van de Run aangepast voor landbouwkundig gebruik en is de Run rechtgetrokken, verruimd en verdiept. Daarnaast zijn er diverse stuwen in de beek aangebracht.

Hoofdstuk 4

14

Landbodem- en wateronderzoek Voor de Run is een historisch landbodem- en waterbodemonderzoek uitgevoerd (Feitenanalyse, Grontmij, 2011). Uit het historisch landbodemonderzoek blijkt dat er in de directe omgeving van de Run geen bodemverontreiniging te verwachten is. Aandachtspunten zijn bebouwde percelen en wegen (vanwege Zinkassen). Daarnaast is door middel van het waterbodemonderzoek inzicht verkregen in de kwaliteit van de waterbodem (slib) van de Run. Het slib is matig tot sterk verontreinigd, waarbij circa een kwart van het aantal onderzochte monsters wordt ingedeeld in klasse B en de rest in klasse NT. Het materiaal is hiermee grotendeels niet toepasbaar in oppervlaktewater of in landbodems. Dit komt door verhoogde waarden Nikkel, Kobalt, Arseen. Cadmium en zink zijn ook aangetroffen, maar de gehalten hiervan zijn vaak een klasse lager dan de hierboven genoemde klassenbepalende stoffen (namelijk klasse A / B). In het waterbodemonderzoek is het volgende ten aanzien van de aangetroffen verontreinigingen opgemerkt:

4.3 Natuur In de huidige situatie is de Run genormaliseerd, diep ingesneden en gestuwd. Door de normalisatie in de jaren ‘70 van de vorige eeuw is vanuit ecologisch perspectief gezien een achteruitgang ingezet. Zo is de stroomsnelheid afgenomen, meandert de beek niet meer vrij door het landschap, is deze niet meer vrij vispasseerbaar en is de soortenrijkdom in en direct rond de beek sterk afgenomen. Daarnaast is de overgang tussen de beek en aangrenzende gronden nu abrupt. In de Run zijn wel diverse beschermde soorten, zoals Drijvende waterweegbree, Kleine modderkruiper en beekoeverlibel aangetroffen. De aanwezigheid van Drijvende waterweegbree is te danken aan een relatief goede waterkwaliteit vanwege het ijzerhoudende kwel dat bij Grootgoor naar boven komt en de beek instroomt. De Run maakt deel uit van het Natura 2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Voor de beekdalen in het gebied is de aanwijzing voor de volgende habitattypen van belang:  H3260A: Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels);  H1831: Drijvende waterweegbree. Daarnaast is het gehele gebied vanuit Natura2000 aangewezen voor een vijftal soorten:  Drijvende waterweegbree;  Bittervoorn;  Beekprik;  Kamsalamander;  Gevlekte witsnuitlibel. Een groot deel van het gebied langs de Run maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant (NNB).

De provincie en Staatsbosbeheer, als de beoogde beheerder van het gebied, hebben vanuit het Natuurbeheerplan de opgave om voor de realisatie van het natuurnetwerk (netwerk van leefgebieden voor planten en dieren) gronden te verwerven en deze in te richten als natuurgebied om de ge-

Hoofdstuk 4

15

ambieerde (natte) natuurbeheertypen te kunnen realiseren de grondwaterstand hierop aangepast te worden voor diverse (beekdalgebonden) plant- en diersoorten. Een groot deel van het natuurnetwerk maakt onderdeel uit van Natte natuurparel Grootgoor. De provincie heeft het waterschap de opdracht gegeven om het hydrologisch systeem binnen de natte natuurparels, waaronder dit gebied, te herstellen. Randvoorwaarde is dat de maatregelen voor herstel van de natte natuurparel worden uitgevoerd op de gronden in eigendom van Staatsbosbeheer (of andere overheden en/of particuliere natuurbeheerders) en er geen uitstraling plaatsvindt naar particuliere gronden zonder dat hier overeenstemming over is bereikt. Naast de KRW-opgave staat het waterschap dus ook aan de lat voor het hydrologisch herstel van de percelen langs de beek nabij en bovenstrooms Grootgoor.

4.4 Landbouw Een groot deel van de gronden in het beekdal en de hogere gronden waar in het verleden geen bos is aangeplant wordt gebruikt als landbouwgrond. Vanaf de jaren ‘70 van de vorige eeuw heeft het waterschap inspanningen geleverd om de hydrologische situatie in het beekdal en daarbuiten voor de landbouw te verbeteren. Dit onder meer door sloten en stuwen aan te leggen en door het watersysteem te beheren. Het gebruik van de landbouwgronden is met name afgestemd op de grondwaterstanden. In de beekdalen, waar de grondwaterstand relatief ondiep is, bevinden zich daarom overwegend melkveehouderijen. Verder van de beek af ligt het grondwater dieper. Hier bevindt zich voornamelijk akkerbouw. In het verleden zijn door Staatsbosbeheer en de gemeenten landbouwgronden voor de realisatie van het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) aangekocht. Deze gronden worden momenteel, in afwachting op het realiseren van het natuurnetwerk, verpacht aan agrariërs die deze percelen in agrarisch gebruik hebben.

4.5 Landschap, cultuurhistorie en archeologie De ondergrond van het beekdal is gevarieerd. Zo bevindt zich in het beekdal overwegend een lemig fijn zandige bodem en liggen er op de flanken van het beekdal leemarme fijn- en grofzandige gronden. Daarnaast bevindt zich bij Grootgoor een venige bodem. De variatie in type ondergrond en het gebruik hiervan in het verleden en het heden hebben geleid tot een afwisselend landschap. Zo is de Run tussen de Schaikse Dijk en de Stevertsebaan relatief diep ingesneden in de hoger liggende gronden en vormt deze een relatief rechte loop met steile oevers. Het beekdal is hier smal en wordt veelal begrensd door opgaande begroeiing. Ter hoogte van Grootgoor kenmerkt het beekdal zich door de laagste en natste gronden in het gebied. Hier is het beekdal het breedst en is de gradiënt van hoog naar laag relatief flauw. De Run heeft in dit gebied veel ruimte waardoor het, ondanks de kanalisatie in de jaren ‘70 van de vorige eeuw, nog een loop heeft met flauwe bochten. Het zeer besloten broekbosgebied Grootgoor heeft grote natuurwaarden en wordt tevens aangemerkt als historisch groen. Tussen Grootgoor en de Volmolenweg is het

Hoofdstuk 4

16

landschap open en het beekdal breed. De beek heeft hier nog een enigszins bochtige loop en het gebied heeft hier een karakteristieke opbouw: de laagste delen van het beekdal bestaan uit weiland en zijn voornamelijk open, de flanken van het beekdal liggen hoger waardoor de grond geschikt is voor akkerbouw. Het historisch patroon van beemden haaks op de loop van de beek is hier nog min of meer terug te herkennen aan de kavels en tussenliggende sloten. Ten noorden van de Volmolenweg kan het beekdal gezien worden als een uitloopgebied op de scheidslijn tussen stad en land. Ruimtelijk gezien is het landschap hier, evenals 150 jaar geleden, half besloten door de aanwezigheid van relatief grote bosschages zoals bij ’t Witven en de Kempische Plassen. In het gebied zijn enkele cultuurhistorische elementen aanwezig. De oudste en belangrijkste is de Stevertse watermolen gelegen aan de Stevertsebaan welke dateert uit de 14e eeuw. De watermolen is momenteel niet in gebruik. In de nabijheid van deze watermolen zijn enkele boerderijen en een wasserij uit de 19e eeuw aanwezig. Daarnaast vormt de buurtgemeenschap Schadewijk een oude concentratie van bebouwing. Verder zijn in het gebied diverse oude groenstructuren aanwezig. Het Grootgoor heeft hier een groot aandeel in. Ook zijn in het gebied archeologische monumenten aanwezig.

Dit zijn voornamelijk grafvelden uit de brons- en ijzertijd en losse vondsten, daterend tot het Midden-Paleolithicum. Deze monumenten komen voor op de hogere zijden van het beekdal en de dekzandruggen in het gebied.

4.6 Recreatie Het landschap van de Run vormt een contrast met het stedelijk gebied van Eindhoven. Zodra men de A67 in zuidelijke richting kruist, bevindt men zich in het buitengebied waar rust, ruimte en natuur is te ervaren. De ligging vlakbij Eindhoven maakt van het beekdal een stedelijk uitloopgebied. Dit is terug te zien in de aanwezige recreatieve mogelijkheden. Door het gebied lopen twee fietsroutes van het fietsroutenetwerk Zuidoost-Brabant en er liggen twee lange afstandspaden van het wandelroutenetwerk Bergeijk. Daarnaast is op de oostgrens van het gebied, aan de Broekhovenseweg, een parkeerplaats gelegen die wordt gebruikt voor de wandelroute door Grootgoor. Verder zijn er in en rond het gebied diverse recreatieve voorzieningen, waaronder een drietal maneges / paardenhouderijen, avonturenaccommodatie (Klimrijk), een hotel en conferentieoord (Koningshof), campings (waaronder ’t Witven) en visvijvers (Philips Hengelsportvereniging) aanwezig. Verder wordt vanuit Veldhoven het gebied bij de Runstraat veelal gebruikt door wandelaars die tijdens pauze vanuit de hier aanwezige bedrijvigheid een rondje maken. Op de recreatiekaart (figuur 2) zijn deze routes en voorzieningen weergegeven.

Hoofdstuk 4

17

Figuur 2: Recreatieve voorzieningen (Bron: projectplan Run Gootgoor, november 2018)

Hoofdstuk 4

18

5.

EFFECTEN OP HET MILIEU

5.1 Inleiding De effectbeoordeling is een objectieve manier om de effecten en/of ruimtelijke gevolgen van een nieuwe ontwikkeling te kunnen beoordelen. Voor zover relevant wordt daarbij onderscheid gemaakt in de aanlegfase en de gebruiksfase. Voor de effectbeschrijving is gebruik gemaakt van diverse op dit moment beschikbare documenten die informatie bevatten over het plangebied en de omgeving ervan. Naast negatieve effecten wordt ook ingegaan op positieve effecten.

5.2 Waterbergingsgebied 5.2.1 Effecten aanleg kade en waterkwaliteit bij inzet waterbergingsgebied De kade grenst aan enkele landbouwpercelen aan de zuidzijde van het gebied. Om de afvoer van water van de landbouwpercelen te garanderen wordt langs de kade een watergang aangelegd. Hierin worden schotbalkstuwen geplaatst, zodat de drooglegging van de aanliggende landbouwpercelen gewaarborgd is. De schotbalkstuwen voorkomen ook dat de grondwaterstand in de ´Natte natuurparel Grootgoor’ niet verlaagd. De klep van de hoogwaterstuw staat doorgaans gestreken en heeft daardoor geen invloed op het optredende waterpeilen. Bij het bereiken van een kritische afvoer wordt de hoogwaterstuw opgetrokken. Dit tot een niveau, waarbij er bij T100Wh situatie nog maximaal een afvoer 3,1 m3/s door de Run stroomt (figuur 3). Door het optrekken van de stuw en de aanleg van de kade wordt een bergingsvolume gecreëerd van circa 460.000 m 3, bovenop de al van nature voorkomende hoeveelheid water die in het gebied geborgen wordt mede als gevolg van beekhersel. Na de hoogwaterpiek of het bereiken van de maximale waterpeil (22,0m + NAP) in het waterbergingsgebied gaat de klep bij de hoogwaterstuw langzaam omlaag, zodat het water uit het gebied stroomt. Naar verwachting zal deze waterberging eens in de 10 tot 25 jaar ingezet moeten worden.

Hoofdstuk 5

19

Figuur 3: Waterstanden T100 Wh

De omvang van de gestuurde overstroming verschilt per hoogwatersituatie. Het effect van (alleen) de inzet waterberging is berekend voor de hoogwatersituaties die met een kans van eens in de 100 jaar (T100Wh) voorkomen. In figuur 4 is de overstromingscontour opgenomen. Bij de modellering zijn de maatregelen die worden getroffen om 3 agrarische percelen buiten het waterbergingsgebied te houden niet meegenomen. Na realisatie van de maatregelen blijkt dat de percelen niet meer inunderen bij inzet van de waterberging (figuur 5). Een uitgebreide effectenomschrijving staat in het projectplan Run Gootgoor, november 2018.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=e28d2c7e-e65c-4c10-b96e-65c839a551d7