CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 onderbouwing ETFAL Voortoets Natura 2000

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente BergeijkBij agendapunt: BOPA Kinderboerderij Lijnt11.457 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

• Volgens de prognose is meer dan de helft van het areaal niet-overbelast (54%), 14% van het areaal is naderend overbelast. Ongeveer een kwart van het areaal is matig overbelast (22%) en 10% is licht overbelast. Huidige kwaliteit Instandhoudingsdoelen worden gerealiseerd door onder meer volgen van de successen van herstelmaatregelen (toedienen van o.a. steenmeel) en aan elkaar koppelen van gebieden. Bij voortzetting van het huidige beheer zal de omvang en kwaliteit van droge heide in stand worden gehouden. Zonder deze beheerinspanningen gaat de heideoppervlakte door vergrassing en bosontwikkeling achteruit. Reden is de eutrofiërende werking van stikstofdepositie. Voor uitbreiding van areaal en kwaliteit is ook het deels versnipperde voorkomen een beperking. Hierdoor kunnen karakteristieke soorten zich moeilijker in geïsoleerde heiderestanten vestigen. Zonder aanvullende maatregelen is het perspectief ongunstig. Voor het bereiken van de doelen is bestrijding van eutrofiëring en streven naar vergroting van de oppervlakte en vermindering van isolatie noodzakelijk. Omvang depositietoename en effectbeoordeling De extra depositiebijdrage is op dit habitattype maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Deze vindt plaats op een oppervlakte van 0,74 hectare en dat is minder dan 0,2% van de totale oppervlakte van het habitattype in dit Natura 2000-gebied.

17

De extra depositiebijdrage is gering, vindt plaats op een zeer klein deel van het habitattype en is niet afzonderlijk meetbaar of herkenbaar in de kwaliteit van het habitat. De bijdrage kan daardoor niet leiden tot enig zichtbaar effect op de omvang of de kwaliteit van het habitattype en leidt evenmin tot een verzwaring van de beheeropgave. De kwaliteit van het habitat staat onder druk door de te hoge achtergronddepositie. De extra depositiebijdrage leidt niet tot een wezenlijke verzwaring van de maatregelen die nodig zijn hierin verandering te brengen. De extra depositiebijdrage beperkt de mogelijkheden de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) te behalen daarom niet. 4.8 H2310-Stuifzandheiden met struikhei Beschrijving van het habitattype Het habitattype stuifzandheiden met struikheide komt voor in de deelgebieden: Leenderbos en Groote Heide (noord en zuid), Valkenhorst en De Malpie. Hoger op de oevers van het Greveschutven komt het habitattype ook voor. Het grootste areaal bevindt zich op Groote Heide Zuid. De oppervlakte van het habitattype bedraagt 108,9 ha. Stuifzandheiden met struikhei omvat begroeiingen met dwergstruiken op droge zandgrond in binnenlandse stuifzandgebieden. Deze stuifzanden zijn gevormd door herverstuiving van dekzanden, met name na de late Middeleeuwen. De bodems zijn droog, zuur en zeer voedsel- en kalkarm.

Ze behoren tot de zogenoemde duinvaaggronden en vlakvaaggronden. Er hebben zich nog nauwelijks of geen podzolprofielen ontwikkeld en de bodem is nog niet of slechts oppervlakkig ontijzerd. In de stuifzandheiden overheerst doorgaans struikhei. Andere dwergstruiken kunnen ook een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld blauwe bosbes of, op noordhellingen, rode bosbes. Door grassen of struwelen gedomineerde begroeiingen kunnen afwisselen met de dwergstruikbegroeiingen en daarmee kleinschalige mozaïeken vormen. Het instandhoudingsdoel: Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit De KDW van het habitattype H2310 van 714 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden. • In het referentiejaar is het habitattype overwegend matig overbelast (65%). • Volgens de prognose van 2030 is het habitattype overwegend niet-overbelast (48% van het areaal). 36% van het habitattype is matig overbelast. Verder is 9% van het habitattype naderend overbelast en 7% licht overbelast. Huidige kwaliteit Bij voortzetting van het huidige beheer bestaande uit begrazing met schapen en kleinschalig plaggen van vergraste heidedelen mag echter verwacht worden dat de kwaliteit en omvang van het habitattype in stand gehouden worden en dat de kwaliteit zelfs verder verbetert.

De instandhouding van het habitattype onder de huidige condities vergt een aanzienlijke en blijvende beheerinspanning. Op veel plaatsen in het Natura 2000 gebied vindt heide- en stuifzandherstel plaats of is dit gepland, waar stuifzandheide van zou kunnen profiteren. Actuele informatie over het habitattype leidt niet tot een ander perspectief voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen, al blijft uitbreiding van oppervlakte een probleem. Wel moet worden benadrukt dat het streven is dat op termijn de dynamische processen van verstuiven, overstuiven en begroeien moeten leiden tot een zichzelf in stand houdend systeem. Omvang depositietoename en effectbeoordeling De extra depositiebijdrage is op dit habitattype maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Deze vindt plaats op een oppervlakte van 0,16 hectare en dat is minder dan 0,1% van de totale oppervlakte van het habitattype in dit Natura 2000-gebied. De extra depositiebijdrage is gering, vindt plaats op een zeer klein deel van het habitattype en is niet afzonderlijk meetbaar of herkenbaar in de kwaliteit van het habitat. De bijdrage kan daardoor niet leiden tot enig zichtbaar effect op de omvang of de kwaliteit van het habitattype en leidt evenmin tot een verzwaring van de beheeropgave. De kwaliteit van het habitat staat onder druk door de te hoge achtergronddepositie.

De extra depositiebijdrage leidt niet tot een wezenlijke verzwaring van de maatregelen die nodig zijn hierin verandering te brengen. De extra depositiebijdrage beperkt de

18

mogelijkheden de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) te behalen daarom niet 4.9 Conclusie Natura 2000-Leenderheide, Groote Heide en De Plateaux In de voorgaande paragrafen is geconcludeerd dat de extra depositiebijdrage die ontstaat als gevolg van volledige benutting van de maximale mogelijkheden van het projectplan geen gevolgen heeft voor de kwaliteit van de habitattypen in het Natura 2000- Leenderheide, Groote Heide en De Plateaux en evenmin gevolgen heeft voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen. De algemene beschrijving van de effecten van een kleine hoeveelheid stikstof is daarmee van toepassing op de habitats van het Natura 2000-gebied Leenderheide, Groote Heide en De Plateaux. De extra depositiebijdrage is geen bedreiging voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling. Dit betekent dat significante gevolgen door de extra depositiebijdrage van het plan zijn uitgesloten.

5.

Habitatrichtlijnsoorten

5.1 H1042 Gevlekte witsnuitlibel De gevlekte witsnuitlibel komt in het gebied voor in beperkt aantal in het Greveschutven en is ook bij verschillende vennen ten oosten van de A2, bij de Malpievennen en bij het Klein Hasselsven waargenomen. De trend van de soort is onbekend, bij gebrek aan goede monitoringsgegevens. In de strategie voor Zwakgebufferde vennen zijn maatregelen opgenomen om het leefgebied van deze soort binnen het Greveschutven te behouden. Voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de gevlekte witsnuitlibel geldt verdroging als knelpunt. Conclusie. In paragraaf 4.3. is gemotiveerd dat met de berekende toename van stikstofdepositie voortkomend uit het project geen sprake is van significante gevolgen voor de habitat H3130 Zwakgebufferde vennen. Knelpunt voor deze soort is vooral verdroging. 5.2 H1096 Beekprik De beekprik komt voor in de Keersop, omdat deze een redelijke waterkwaliteit heeft en een geschikt schoon bodemsubstraat (zandig-grindig). Daarnaast is de beekprik recent ook verder stroomafwaarts in de Dommel aangetroffen. Voor de beekprik is stromend, zuurstofrijk water van goede kwaliteit nodig. Een bodem van zand en fijn grind als paaiplaats en een enigszins slibrijke bodem voor de larven is noodzakelijk. De trend van de beekprik is onbekend, bij gebrek aan goede monitoringsgegevens.

Het belangrijkste leefgebied binnen het Natura-gebied wordt gevormd door de Keersop. Het leefgebied in deze snelstromende beek is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Conclusie. Het leefgebied De Keersop is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Het project heeft dus geen invloed op deze soort. 5.3 H1134 Bittervoorn Bij de bemonstering van Beekloop, Keersop en de Boven-Dommel in 2008 is geen bittervoorn waargenomen. Ook bij de bemonstering in 2009 van de Run en de Tongelreep werd geen bittervoorn waargenomen. Voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de bittervoorn (H1134) is een knelpunt dat het onduidelijk of de soort voorkomt in het gebied. De bittervoorn heeft stikstofgevoelig leefgebied in de vorm van Lg03 Zwakgebufferde sloot. Het projectplan genereert geen stikstof op dit leefgebied. Conclusie. Het project heeft geen invloed op het leefgebied van de beschermde soort H1134 Bittervoorn. 5.4 H1149* Kleine modderkruiper Tijdens recenter onderzoek (RAVON, 2021) is de kleine modderkruiper aangetroffen in zes van de zeven gemonitorde kilometerhokken: binnen de Keersop ging het om alle onderzochte kilometerhokken, daarnaast werd de soort ook in vier van de voor de beekprik onderzochte kilometerhokken aangetroffen. In de Tongelreep werd de soort in twee van de drie onderzochte kilometerhokken aangetroffen.

De soort komt in relatief lage dichtheden in verschillende lengteklassen voor in de oeverzones van beide beken. De habitatsoort H1149 Kleine modderkruiper is niet gevoelig voor stikstofdepositie.

19

Conclusie. Het project heeft geen invloed op de habitatsoort H1149* Kleine modderkruiper. 5.5 H1166 Kamsalamander Het leefgebied wordt gevormd door verschillende zwakgebufferde vennen verspreid over het gebied. Volgens het beheerplan bevindt de belangrijkste populatie zich op De Plateaux (waaronder in het Klotven en een vijver in de ZW-hoek) en het aangrenzende Hageven. De voortplantingsbiotopen zijn vrij grote, geïsoleerde, stilstaande, onbeschaduwde of licht beschaduwde, voedselrijke wateren zoals poelen, vennen, sloten en overstromingsvlaktes langs oevers met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. De kamsalamander heeft stikstofgevoelig leefgebied in de vorm van H3130 zwakgebufferde vennen. Het habitattype H3130 is in het referentiejaar matig tot sterk overbelast en volgens de prognose van 2030 overwegend matig- en deels sterk overbelast. Droogval van voortplantingswateren en de aanwezigheid van troebel water als gevolg van aanwezigheid van vis zijn knelpunten. Conclusie. In paragraaf 4.3 is gemotiveerd dat met de berekende toename van stikstofdepositie voortkomend uit het project geen sprake is van significante gevolgen voor de habitat H3130 Zwakgebufferde vennen. Knelpunt voor deze soort is vooral verdroging en de aanwezigheid van vis wat troebel water veroorzaakt.

5.6 H1831 Drijvende waterweegbree Het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux staat op de tweede plaats in de top 5 van populatieomvang van drijvende waterweegbree in Nederlandse Natura 2000-gebieden. De drijvende waterweegbree komt voor in het riviertje de Run en in de plasjes met een zwakgebufferd karakter aan de zuidwestzijde van het Soerendonkse Goor. Drijvende waterweegbree groeit in uiteenlopende stilstaande of zwak stromende wateren. Het best gedijt deze waterplant in water dat helder, voedselarm of hooguit matig voedselrijk, fosfaatarm en kalkarm is. In de Run is momenteel, gezien het talrijke voorkomen van de soort, een goede kwaliteit van het leefgebied aanwezig. Door de hoge ijzeraanvoer via het grondwater blijft het systeem voedselarm, waardoor de soort niet snel door andere planten weggeconcurreerd wordt. De drijvende waterweegbree heeft stikstofgevoelig leefgebied in de vorm van H3130 zwakgebufferde vennen. Voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor de drijvende waterweegbree (H1831) geldt het droogvallen van beken als knelpunt Conclusie. In paragraaf 4.3 is gemotiveerd dat met de berekende toename van stikstofdepositie voortkomend uit het project geen sprake is van significante gevolgen voor de habitat H3130 Zwakgebufferde vennen. Het droogvallen van het leefgebied vormt het knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelen.

6.

Vogelrichtlijnsoorten

6.1 A224 Nachtzwaluw De nachtzwaluw komt in alle deelgebieden voor met het zwaartepunt op in Leenderbos en Groote Heide (zuid). De nachtzwaluw is gebonden aan droge zandgebieden zoals randen van zandverstuivingen, zandige heidevelden, open plekken in het bos ontstaan door houtkap, storm of brand en open bossen (incl. dichtgegroeide zandverstuivingen en brandgangen door oud dennenbos). Door de afwisseling van heiden, stuifzanden en naaldbossen en de grote oppervlakte is de kwaliteit van het leefgebied in het Natura 2000 gebied goed. Gezien de recente aantalstoename weet de soort voldoende rustige plekken te vinden om te broeden. De nachtzwaluw heeft stikstofgevoelig leefgebied in de vorm van H2310, H2320, H2330, H4010A, H4030, H9190 en Lg13 (Smits & Bal, 2012; Provincie Noord-Brabant, 2017). Het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux is niet aangewezen voor H2320.

20

Conclusie. Het project leidt tot extra stikstofdepositie op het leefgebied van de nachtzwaluw voorzover deze zijn gelegen binnen habitattypen H4010A, 4030 en H2310. In de paragrafen 4.5, 4.7 respectievelijk 4.8 is gemotiveerd dat de met het project samenhangende extra stikstofdepositie geen significant effect op de instandhoudingsdoelen van deze habitattypen heeft. 6.2 A246 Boomleeuwerik De boomleeuwerik komt in alle deelgebieden van het Natura 2000-gebied voor. Voor delen van het Leenderbos, de Malpie, de Malpiebeemden en De Plateaux zijn tellingen beschikbaar. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in het Leenderbos en Groote Heide. De broedbiotoop van de boomleeuwerik bestaat uit halfopen heidelandschappen, randen van zandverstuivingen, kapvlakten, naaldbosaanplant tot 4-5 jaar oud en zandige duinheiden. Soms nestelt hij ook op bouwland zoals kale maïsakkers of aspergevelden met wat bosjes en zandpaden met schrale bermen. De boomleeuwerik heeft stikstofgevoelig leefgebied in de vorm van H2310, H2320, H2330, H4030 en Lg09 Droog struisgrasland, waarbij Lg09 minder van belang lijkt. Vergrassing en versnelde successie leidt tot afname van het leefgebied. Conclusie. Het project leidt tot extra stikstofdepositie op het leefgebied van de Boomleeuwerik voorzover deze zijn gelegen binnen habitattypen 4030 en H2310.

In de paragrafen 4.7 respectievelijk 4.8 is gemotiveerd dat de met het project samenhangende extra stikstofdepositie geen significant effect op de instandhoudingsdoelen van deze habitattypen heeft. 6.3 A276 Roodborsttapuit De roodborsttapuit komt in alle deelgebieden van het Natura 2000-gebied verspreid voor. De roodborsttapuit neemt de afgelopen periode in aantal toe. Het leefgebied van de soort in het Naturagebied bestaat uit natte en droge heiden. Een belangrijk leefgebied betreft de heidecorridor Groote heide Zuid - Valkenhorst - Groote Heide Noord. De broedbiotoop van de roodborsttapuit omvat heide-, hoogveengebieden en duinen. Verder is de soort in het zuiden en in mindere mate in het oosten van het land te vinden in kleinschalige extensief beheerde agrarische cultuurlandschappen. Deze landschappen bevatten dan een groot aandeel aan grasland, enig reliëf met bijv. greppels en paaltjes en struiken als uitkijkpost. De kwaliteit van het leefgebied van het leefgebied in het Natura 2000 gebied is goed. Door de begrazing en recente ingrepen in de overgangen tussen bos, hei en stuifzand neemt het potentieel leefgebied en de leefgebiedkwaliteit alleen maar toe. Het leefgebied van de soort in het Natura 2000-gebied bestaat uit natte en droge heiden en is gevoelig voor stikstofdepositie. Conclusie.

Het project leidt tot extra stikstofdepositie op het leefgebied van de Roodborsttapuit voorzover deze zijn gelegen binnen habitattypen H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden en H2310 Stuifzandheiden met struikhei. In de paragrafen 4.5, 4.7 respectievelijk 4.8 is gemotiveerd dat de met het project samenhangende extra stikstofdepositie geen significant effect op de instandhoudingsdoelen van deze habitattypen heeft.

7.

Cumulatie

Ingevolge artikel 16.53c, eerste lid, van de Ow gelezen in samenhang artikel 6, derde lid, van die richtlijn is het noodzakelijk ook te onderzoeken of het projectvoornemen in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dit betekent dat ingeval een plan op zichzelf niet leidt tot significante gevolgen, ook beoordeeld moet worden of het plan in cumulatie alsnog hier toe kan leiden. Het gaat daarbij om plannen of projecten waarvoor een natuurtoestemming is verleend maar die nog geen onderdeel uitmaken van de achtergronddepositie omdat zij nog niet gerealiseerd zijn. Het betrekken van deze plannen of projecten in de ecologische beoordeling wordt in de praktijk ook wel de cumulatietoets genoemd. In de voorgaande paragraaf is bij een aantal habitattypen in het Natura 2000- Leenderheide, Groote Heide en De Plateaux geconcludeerd dat de planbijdrage met zekerheid niet tot significante gevolgen leidt, ondanks een overschrijding van de kritische depositiewaarde. Voor de beoordeling van de

21

effecten van de door het projectplan maximaal te veroorzaken extra depositiebijdrage worden de ecologische conclusies niet anders wanneer de projectbijdrage wordt beoordeeld in cumulatie met andere plannen of projecten die zijn vergund, maar nog niet zijn uitgevoerd op het moment dat deze voortoets werd opgesteld. Wanneer deze projecten worden uitgevoerd, leidt dat op bepaalde locaties tot een tijdelijke en/of blijvende bijdrage aan de achtergronddepositie en dus tot een grotere overschrijding van de KDW. De mate van overschrijding van de KDW als gevolg van de achtergronddepositie is echter niet bepalend in de conclusie dat significante gevolgen uitgesloten zijn; ook bij een grotere overschrijding van de KDW kunnen significante gevolgen op basis van dezelfde locatie specifieke ecologische gronden worden uitgesloten. Voor de habitattypen en soorten waar geen sprake is van significante gevolgen als gevolg van het projectplan geldt dat ook ingeval van cumulatie met reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde plannen/projecten geen sprake is van significante gevolgen.

8.

Conclusie

8.1 Inleiding Het projectplan leidt bij maximale benutting van de mogelijkheden tot een extra depositiebijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha op een klein deel van het Natura 2000-gebied Leenderheide, Groote Heide en De Plateaux. De habitats waarop de extra depositiebijdrage plaatsvindt zijn, voor zover ze (naderend) overbelast zijn, weergegeven in Tabel 1. De ruimtelijke verdeling van de depositie is te zien in Afbeelding 3. 8.2 Conclusie Uit de beoordeling van de effecten van de berekende extra stikstofdepositiebijdrage op de kwaliteit van de habitattypen blijkt dat de beperkte extra stikstofdepositiebijdrage niet zal leiden tot veranderingen in de vegetatiesamenstelling, groeisnelheid of onderlinge concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten van de betreffende habitats. Evenmin leidt deze kleine extra stikstofdepositiebijdrage tot een verzwaring van de beheeropgave. Voor ieder van de habitats is gemotiveerd dat uitgesloten is dat vanwege de depositiebijdrage een afname van de kwaliteit van deze habitats op zal treden of de oppervlakte zal verminderen. De depositiebijdrage leidt niet tot een aantasting van de kwaliteit van het beoordeelde Natura 2000gebied of tot belemmering van de mogelijkheden maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van dat Natura 2000-gebied.

Eveneens is gemotiveerd dat het project geen significantie effecten heeft op het leefgebied van de in het gebied aanwezige Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten. Daarmee staat vast dat significante gevolgen voor het Natura 2000- Leenderheide, Groote Heide en De Plateaux zijn uitgesloten. 8.3 Vervolg Op basis van objectieve en publiekelijk verifieerbare gegevens is vastgesteld dat de extra depositiebijdrage geen significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied Leenderheide, Groote Heide en De Plateaux. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voor het projectplan kan worden verleend zonder dat een vergunning voor de Natura-2000 activiteit noodzakelijk is.

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=b22b4976-36d7-4e89-a392-7277f0cf0765