Bijlage 3 onderbouwing ETFAL Voortoets Natura 2000
Tekst van het document
Voortoets Natura 2000 Projectplan Kinderboerderij-Lijnt, Bergeijk Gemeente Bergeijk, juni 2025
INHOUD 1.
Inleiding ........................................................................................................................................ 2 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................... 2 1.2 Relatie met de Omgevingswet ....................................................................................................... 3 1.3 Uitspraken intern salderen ............................................................................................................ 3 1.4 Stikstofdepositieberekening .......................................................................................................... 4 1.5 Samenvatting van de conclusie ...................................................................................................... 5 1.6 Werkwijze en leeswijzer ................................................................................................................ 5
2.
Voortoets ...................................................................................................................................... 5 2.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 5 2.2 Ecologische effecten van een kleine extra depositiebijdrage ............................................................ 6
3.
Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux ......................................................... 9 3.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 9
4.
Beoordeling per habitat ................................................................................................................ 10 4.1 H91E0C-Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) ...................................................... 10 4.2 H91D0 – Hoogveenbossen ........................................................................................................... 11 4.3 H3130 - Zwakgebufferde vennen ................................................................................................. 12 4.4 H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen ................................................................................. 13 4.5 H4010A-Vochtige Heiden (hogere zandgronden) ........................................................................... 14 4.6 H3160-Zure Vennen .................................................................................................................... 16 4.7 H4030-Droge heiden ................................................................................................................... 17 4.8 H2310-Stuifzandheiden met struikhei........................................................................................... 18 4.9 Conclusie Natura 2000-Leenderheide, Groote Heide en De Plateaux............................................... 19
5.
Habitatrichtlijnsoorten ................................................................................................................. 19 5.1 H1042 Gevlekte witsnuitlibel ....................................................................................................... 19 5.2 H1096 Beekprik .......................................................................................................................... 19 5.3 H1134 Bittervoorn ...................................................................................................................... 19 5.4 H1149* Kleine modderkruiper ..................................................................................................... 19 5.5 H1166 Kamsalamander ............................................................................................................... 20 5.6 H1831 Drijvende waterweegbree ................................................................................................. 20
6.
Vogelrichtlijnsoorten .................................................................................................................... 20 6.1 A224 Nachtzwaluw ..................................................................................................................... 20
1
6.2 A246 Boomleeuwerik .................................................................................................................. 21 6.3 A276 Roodborsttapuit ................................................................................................................. 21 7.
Cumulatie .................................................................................................................................... 21
8.
Conclusie ..................................................................................................................................... 22 8.1 Inleiding ..................................................................................................................................... 22 8.2 Conclusie ................................................................................................................................... 22 8.3 Vervolg ...................................................................................................................................... 22
1.
Inleiding
1.1 Aanleiding De gemeente Bergeijk is voornemens een omgevingsvergunning te verlenen om in afwijking van het omgevingsplan aan de Lijnt, percelen kadastraal bekend gemeente Bergeijk, sectie H nummer 909 (ged.) een kinderboerderij te realiseren. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het projectgebied.
Afbeelding 1 Ligging van het projectgebied.
Het plangebied ligt nabij het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux. Afbeelding 2 laat de ligging van het plangebied binnen het Natura 2000-gebied zien. Uit het uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek (op basis van de meest recente update van AERIUS Calculator van 1 oktober 2024) is gebleken dat als gevolg van de planontwikkeling een depositie van maximaal 0,01 mol/ha optreedt op acht habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux. De mogelijke effecten door verzuring en vermesting moeten daarom nader onderzocht worden. Onderzocht moet worden of deze stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux.
2
Afbeelding 2 Ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied.
1.2 Relatie met de Omgevingswet De gemeente is voornemens om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan. Conform artikel 5.1, lid 1 onder e van de Omgevingswet is het verboden om zonder een omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Waarbij een Natura 2000-activiteit als volgt wordt gedefinieerd: ‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’ Voor het projectplan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit die berekening is gebleken dat het plan bij benutting van de maximale planologische mogelijkheden leidt tot stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux. In het gebied waar de extra depositiebijdrage plaatsvindt komen habitats voor die zich in een overbelaste of naderend overbelaste toestand bevinden. Dit betekent dat nader onderzoek nodig is naar de effecten van de depositie op de instandhoudingsdoelstelling van dit Natura 2000-gebied. De eerste stap is dus vast te stellen of sprake kan zijn van significante gevolgen.
Met deze voorteots wordt aangetoond dat geen sprake is van significante gevolgen en daarmee dat geen vergunning voor de Natura 2000-activiteit noodzakelijk is. 1.3 Uitspraken intern salderen De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 december 2024 twee uitspraken gedaan die een nieuw kader voor intern salderen tot gevolg hebben. De belangrijkste aspecten daarvan zijn: 1. In een voortoets moet het effect van de gehele activiteit in beschouwing worden genomen en dus niet (zoals tot voor die uitspraak de praktijk was) alleen het verschil tussen de huidig vergunde en nieuw beoogde situatie. Intern salderen is daarmee een mitigerende maatregel die onder voorwaarden (zie punt 2 en 3) in een passende beoordeling gebruikt mag worden.
3
2.
3.
Interne saldering mag als de referentiesituatie niet op een natuurvergunning is gebaseerd, alleen plaatsvinden met activiteiten die vergund en feitelijk aanwezig zijn en die -als ze niet structureel in gebruik zijn- zonder natuurtoestemming kunnen worden hervat. Dat betekent dus dat latente (wel vergunde maar niet structureel benutte capaciteit) geen onderdeel uit kan maken van de interne saldering. Indien de referentiesituatie op een natuurvergunning is gebaseerd mag ook latente ruimte bij het saldo worden betrokken. Interne saldering mag alleen plaatsvinden als deze niet ook nodig is om natuur te behouden, herstellen of verslechtering te voorkomen. Het moet dus additioneel zijn aan de te nemen passende maatregelen.
Vanwege de onzekerheid ten aanzien van het onderbouwen van de additionaliteit is deze voortoets uitgevoerd voor de stikstofdepositie zoals die veroorzaakt wordt als de maximale planologische mogelijkheden worden benut. Daarbij is dus niet intern gesaldeerd met de emissie die in de referentiesituatie aanwezig is. 1.4 Stikstofdepositieberekening Omdat sprake is van emissie van stikstofverbindingen die kunnen leiden tot stikstofdepositie op daarvoor gevoelige en reeds overbelaste Natura 2000-gebieden, is een depositieberekening uitgevoerd. De emissie en depositie in de gebruiksfase is maatgevend. De bouwfase van de nieuw te bouwen kinderboerderij veroorzaakt geen toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied. Onderstaande tabel toont het resultaat van de berekening, waarbij de depositie ten gevolge van de ontwikkeling op stikstofgevoelige habitats is getoond. In Afbeelding 3 is de ruimtelijke verdeling van de depositie getoond. Tabel 1 Planbijdrage (maximaal) op stikstofgevoelig en (naderend) overbelaste habitats in Natura 2000-gebied.
4
Afbeelding 3 Depositiebijdrage als gevolg van de maximale planologische mogelijkheden van het projectplan
1.5 Samenvatting van de conclusie De depositiebijdrage van maximaal 0,01 mol N/ha op habitats in het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux leidt niet tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van dit Natura 2000-gebied. Het plan kan dus geen significante gevolgen hebben voor het natura 2000-gebied en is een vergunning voor de Natura 2000-activiteit niet noodzakelijk. 1.6 Werkwijze en leeswijzer Werkwijze 1. Op basis van de uitgevoerde depositieberekening is bepaald waar de stikstofgevoelige en (naderend) overbelaste habitats liggen die worden belast met een depositiebijdrage door het plan. Het onderzoeksgebied bestaat daarmee uit het depositiegebied dat is getoond in Afbeelding 3. 2. De depositie is vervolgens beoordeeld, waarbij bepaald is of een significant gevolg door de depositie op basis van objectieve gegevens kan worden uitgesloten of dat nader onderzoek nodig is om de effecten beter in beeld te brengen. Deze stap van de toets is beschreven in hoofdstuk 2. Leeswijzer In het tweede hoofdstuk is de voortoets opgenomen. Daarin is beoordeeld of effecten op voorhand op basis van objectieve gegevens met zekerheid zijn uit te sluiten, of dat nader en diepgaander onderzoek nodig is in de vorm van een passende beoordeling.
2.
Voortoets
2.1 Inleiding In het vorige hoofdstuk is beschreven wat de extra depositiebijdrage is die maximaal kan ontstaan als de maximale mogelijkheden van het projectplan worden benut. In dit hoofdstuk is voor alle (naderend) overbelaste habitats waarop sprake is van een extra depositiebijdrage een beoordeling uitgevoerd. Daarbij wordt gemotiveerd of deze depositiebijdrage significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied. Daarbij is eerst -in algemene zin- beschreven of een kleine extra depositiebijdrage een meetbaar of zichtbaar negatief effect op de kwaliteit van habitats kan hebben (paragraaf 0), wat de gevolgen daarvan voor het beheer kunnen zijn en welke kaders voor een ecologische beoordeling volgen uit de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (paragraaf 0). Vervolgens is in paragraaf 13 en 14 voor het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux per
5
afzonderlijk habitat beschreven of de geringe depositiebijdrage significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux. Daarbij is gebruik gemaakt van objectieve en openbaar verifieerbare gegevens zoals het Natura 2000-beheerplan, Gebiedsanalyse en Natuurdoelanalyse. 2.2 Ecologische effecten van een kleine extra depositiebijdrage 2.2.1 Gevolgen voor de kwaliteit van de vegetatie Een toename van de depositie kan -in een overbelaste situatie- verschillende effecten hebben op de kwaliteit van vegetaties en het leefgebied van soorten. Zo kunnen zeer hoge doses van stikstof directe toxische effecten hebben op planten. Ook leidt langdurige overbelasting met stikstof tot verrijking en verzuring van de bodem. Als de bodem voedselrijker wordt, verschuiven concurrentieverhoudingen tussen plantensoorten, waardoor soorten die voedselarme omstandigheden prefereren zullen afnemen of zelfs verdwijnen. Daarvoor in de plaats vestigen zich voedselminnende plantensoorten, die vaak niet kenmerkend zijn voor deze habitats. Ook kan de vegetatie hierdoor minder geschikt worden als voedselbron voor bijvoorbeeld rupsen en andere blad-etende insecten en dit kan weer gevolgen hebben voor diersoorten hoger in de voedselketen.
Een overmaat van stikstofverbindingen in de bodem kan niet alleen leiden tot verrijking (vermesting) van de bodem, maar ook tot verzuring. Dit proces ontstaat door dat bodemmineralen oplossen en uitspoelen. Hierdoor stijgt de zuurgraad in de bodem steeds meer, waarbij in gevallen van sterke bodemverzuring het voor planten giftige aluminium vrij beschikbaar komt. Verzuring van de bodem heeft ook nadelige gevolgen voor het bodemleven, waardoor de strooiselvertering trager verloopt of zelfs vrijwel geheel stil kan vallen. Deze effecten worden groter naarmate de overbelasting hoger is en langer aanhoudt. Deze veranderingen vertalen zich ook in de samenstelling van de vegetatie, en in het verlengde daarvan de fauna. Een depositietoename in een overbelaste situatie kan de effecten van vermesting en verzuring versterken. Niet iedere depositietoename van stikstof leidt echter direct of na verloop van tijd tot een zichtbare en meetbare toename van het soms al aanwezige effect op de vegetatie en de kwaliteit van het habitat. Ook is een geringe extra depositiebijdrage niet van wezenlijke invloed op de langjarige trend van de totale achtergronddepositie. Evenmin is in een dergelijk geval sprake van een meetbare bijdrage aan de accumulatie van stikstof in het ecosysteem, gelet op de opgebouwde accumulatie in de afgelopen decennia en de verdere opbouw in de toekomst.
Er zijn nog andere redenen waarom effecten van een kleine hoeveelheid extra stikstof afwezig of niet betekenend zijn. 2.2.2 Directe schade aan planten Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH4+) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken op planten. Dit betekent dat deze hoge concentraties een directe schadelijke werking uitoefenen op de (cel)fysiologie van planten. Bij indirecte effecten, waarop de overige bouwstenen zijn gebaseerd, treden de schadelijke effecten op door geleidelijke veranderingen in het bodemmilieu (waarbij overigens ook giftige stoffen zoals aluminium kunnen ontstaan) en/of door veranderingen in beschikbaarheid van voedingsstoffen voor planten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland (inmiddels) op een niveau waarop directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme speelt daarom in Nederland t.a.v. atmosferische depositie van stikstof geen rol. Hieruit volgt ook de conclusie dat kleine toenames van depositie van stikstof nooit kunnen leiden tot meetbare directe schade aan planten. 2.2.3 De invloed van andere processen op de kwaliteit van het habitat In vrijwel alle situaties zijn andere processen en drukfactoren dan de stikstofbelasting ook bepalend voor de aanwezigheid en kwaliteit van een habitat.
Een slechte habitatkwaliteit heeft in de meeste gevallen meerdere oorzaken waar stikstof er bij stikstofgevoelige habitats vaak één van is. Andere factoren die de oppervlakte en kwaliteit van een habitat onder druk kunnen zetten zijn bijvoorbeeld een te lage grondwaterstand, wegvallen van kwelstromen en mineraalrijk water door grondwateronttrekkingen, vervuiling van grondwater met nutriënten uit de landbouw, inwaai van bestrijdingsmiddelen, overmatige betreding door recreatie en te weinig natuurlijke dynamiek (verstuiving, begrazing, overstroming). Dit betekent dat een matige of slechte kwaliteit van een habitat niet alleen of per definitie aan een overbelasting met stikstof toe te rekenen is, maar ook (mede) kan
6
worden veroorzaakt door andere 'knelpunten' waar stikstof géén invloed op heeft of bijdrage aan levert. In veel gevallen versterken deze drukfactoren elkaar. 2.2.4 Jaarlijkse fluctuaties achtergronddepositie Uit het rapport dat hoort bij de berekeningen van de achtergronddepositie van het RIVM blijkt dat meteorologische fluctuaties leiden tot variaties in jaargemiddelde concentraties en deposities leiden in de ordegrootte van 5 tot 10 procent. Dit betekent dat de jaarlijkse fluctuatie 50 tot 200 mol N/ha/jr bedraagt. Een extra depositie van -als voorbeeld- 1 mol N/ha/jr is een te verwaarlozen fractie van deze fluctuatie, mede gelet op de onzekerheden over de berekende omvang van de fluctuaties. 2.2.5 Ecologische betekenis van een kleine hoeveelheid stikstof Bij een hoge stikstofdepositie is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen relatief snelgroeiende planten bevoordelen, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Dit effect treedt overigens niet op wanneer andere nutriënten beperkend zijn voor groei (zoals fosfaat). Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en/of bedreigde habitattypen kenmerkende soorten.
Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. Vermesting en verzuring zijn processen die met elkaar in verband staan. De verzurende werking van stikstofdepositie zorgt ervoor dat de buffercapaciteit afneemt waardoor stikstof gemakkelijker wordt opgenomen en concurrentieverhoudingen veranderen. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een kleine depositietoename van -als voorbeeld- 1 mol/ha/jr is de volgende berekening illustratief. Een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N per hectare. De productie van een natuurlijk habitattype zoals bijvoorbeeld blauwgrasland loopt uiteen van 1.000 tot 7.500 kg droge stof/ha/jaar (Runhaar et al. 2009). In blauwgraslanden met een goede kwaliteit zal de productie van biomassa aanzienlijk lager zijn dan de bovenmarge van 7.500 kg en daarom wordt in dit rekenvoorbeeld verder uitgegaan van 1.000 – 3.000 kg droge stof/ha/jaar. Het aandeel in stikstof in natuurlijk grasland is ongeveer 10 gram per kg droge stof, dus ongeveer 1% (Eichhorn et al 2020). Voor de biomassaproductie van een natuurlijk habitattype zoals blauwgrasland is dus gemiddeld 10-30 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met ca. 700 tot meer dan 2.000 mol N/ha/jaar.
Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). Een jaarlijkse depositie van 1 mol/ha/jaar (14 gram) zorgt dus voor de aanwas van 1,4 kg biomassa (droge stof) per hectare per jaar. Dat is 0,14 gram met vierkante meter. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. Een kleine toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie, en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Die samenstelling bepaalt de vegetatiekundige kwaliteit van het habitattype. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een kleine extra depositiebijdrage de oppervlakte en de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast.
Ongeacht de huidige kwaliteit van de betrokken habitattypen en/of de instandhoudingsdoelstellingen voor een specifiek Natura 2000-gebied leidt een kleine extra depositiebijdrage nimmer tot negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de habitats. Gelet daarop kan de stikstofdepositiebijdrage niet leiden tot een verschuiving in concurrentiepositie of een verandering in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. 2.2.6 Plotselinge verslechtering van de kwaliteit (“omklappen”) van een habitat Voor een aantal habitats verloopt het effect van een langdurige overbelasting met stikstof als gevolg van verzuring niet gradueel, maar kan op een zeker moment een omslagpunt bereikt worden waarbij de kwaliteit van het habitat plotseling zeer sterk verslechtert en herstel niet zondermeer meer mogelijk is. Dit geldt met name voor aquatische habitats en sommige terrestrische habitats die van nature zwak gebufferd zijn, en waarvan de buffercapaciteit vrijwel verdwenen is. Uitloging en verzuring is in deze habitattypen een natuurlijk proces, maar het kan mede het gevolg zijn van veranderingen in de
7
hydrologie en van de verzurende werking van stikstofdepositie. Daardoor verzuurt een zwak gebufferde standplaats eerder en verandert de vegetatie sneller van karakter als de buffercapaciteit opgeheven is ('omslag'). Het bereiken van een eventueel omslagpunt kan niet veroorzaakt of meetbaar versneld worden door een kleine extra depositiebijdrage. Deze omslagpunten zullen dan worden bereikt als gevolg van de (veel grotere) jaarlijkse achtergronddepositie die zich in de bodem heeft geaccumuleerd. De extra depositiebijdragen van het voornemen zijn marginaal in verhouding tot die autonoom optredende stikstofdeposities. Als in delen van een habitat een omslagpunt bereikt wordt vanwege een te hoge achtergronddepositie zal dit ook zonder een kleine extra depositiebijdrage plaatsvinden en het moment waarop het omslagpunt bereikt wordt kan niet meetbaar versneld worden door deze extra depositiebijdrage. Kortom, als sprake is van het aanstaande “omklappen” van een deel van het habitat, zal dat met of zonder een kleine extra depositiebijdrage plaatsvinden en deze extra depositiebijdrage is niet van wezenlijke invloed op het moment waarop deze omslag plaatsvindt. In een Natura 2000-gebied, en daarbinnen binnen het areaal van een habitattype, is nooit sprake van uniforme situaties over het hele areaal.
Binnen dit areaal is sprake van een grote heterogeniteit in (doorwerking) van ecologische factoren die de samenstelling en kwaliteit van een habitattype ter plekke (kunnen) bepalen. Stikstof is er daar één van. Het is daarom onmogelijk dat een heel habitattype, zich over het hele areaal en op hetzelfde moment in een exact identieke situatie bevindt t.a.v. een mogelijk omslagpunt. Het kan hooguit zo zijn dat er lokaal situaties aanwezig zijn waar een dergelijk omslagpunt zo dicht is genaderd dat een omslagpunt zou dreigen, en dan alleen voor de twee hierboven genoemde habitattypen. Als er voor deze habitattypen een omslagpunt wordt overschreden, dan speelt dit vanwege de grote ruimtelijke heterogeniteit alleen zeer lokaal, en dan is zoals hierna wordt toegelicht - de belangrijkste oorzaak de autonome stikstofdepositie. Een kleine extra depositiebijdrage kan dus nooit zorgen voor grootschalig omklappen van een systeem. Voor de overige habitattypen bestaat alleen een gradueel verband tussen omvang van de stikstofdepositie en kwaliteitsvermindering, waardoor hiervoor dus geen sprake is van dergelijke omslagpunten. 2.2.7 Samenvattend De kwaliteit van een habitattype wordt door tal van factoren beïnvloed.
Een ten opzichte van alle andere invloeden verwaarloosbare extra depositiebijdrage van een mol stikstof per hectare op habitats in het gebied kan op geen enkele manier van invloed zijn op de kwaliteit van de habitats 2.2.8 Jurisprudentie over de ecologische beoordeling van een kleine extra depositiebijdrage Dat een kleine extra depositie in zijn algemeenheid niet tot meetbare veranderingen in de kwaliteit van een habitat kan leiden, betekent niet dat een effect op voorhand in alle gevallen met zekerheid is uit te sluiten. Ook kleine deposities dragen -al dan niet in cumulatie met de deposities van andere projectenbij aan de totale stikstoflast en accumuleren in een ecosysteem. Hoewel de kans op het optreden van een significant gevolg zeer gering is, is mede gezien de jurisprudentie, een specifieke beoordeling per habitat noodzakelijk. In een recente uitspraak1 heeft de Raad van State een aantal duidelijke richtlijnen voor een dergelijke beoordeling gegeven. Een overbelaste situatie (de ADW is hoger dan de KDW) betekent niet dat vaststaat dat een aantasting van de kwaliteit van een habitattype plaatsvindt, maar uitsluitend dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is.
Het enkele feit dat de stikstofdepositie op een aantal habitattypen toeneemt terwijl de KDW al wordt overschreden, betekent dan ook niet zonder meer dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden worden aangetast. In een passende beoordeling mag onder voorwaarden worden verwezen naar de positieve gevolgen van beheer- en herstelmaatregelen. Deze mogen niet worden gewogen tegenover de negatieve gevolgen van een activiteit, maar kunnen als de maatregelen zijn uitgevoerd en de positieve effecten daarvan vast staan, worden betrokken bij het boordelen van de staat van instandhouding van het habitat. Een habitat hoeft zich niet in een goede staat van instandhouding te bevinden om een aantasting van de natuurlijke kenmerken door een depositiebijdrage te kunnen uitsluiten. Vast moet staan dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied als gevolg van het plan niet worden
1 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3914
8
3.
aangetast. Die conclusie kan ook worden getrokken als de huidige kwaliteit van het habitattype niet als “goed” beoordeeld is. In een passende beoordeling hoeft niet te worden onderzocht wat de oorzaken zijn van de (goede, matige of slechte) staat van instandhouding van een betrokken Natura 2000-gebied. De gevolgen van het plan voor het Natura 2000-gebied moeten worden onderzocht, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Ook het vergelijken van de staat van instandhouding met de situatie ten tijde van de aanwijzing van het gebied als Natura 2000-gebied is niet vereist. Bij de beoordeling van de gevolgen van het plan kan worden uitgegaan van de actuele staat van instandhouding van het gebied, en is een trendanalyse niet vereist.
Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux
3.1 Inleiding Dit Natura 2000-gebied bestaat uit diverse deelgebieden in de Noord-Brabantse Kempen. Aan de zuidwestkant liggen De Plateaux en De Malpie, aan de rand van de Kempen- horst die doorloopt tot in België. De gebieden Leenderbos en Groote Heide liggen in de Centrale Slenk, noordoostelijk van de Feldbissbreuk. Het gebied grenst aan het Belgische Natura 2000-gebied Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen. Hoewel de deelgebieden niet verbonden zijn tot één groot gebied, vormen ze landschapsecologisch een eenheid. Het geheel van heidevelden, beekdalen, visvijvers, vloeivelden en bossen vormt een fraaie dwarsdoorsnede van de Kempen. Onderstaande afbeelding laat het deel van het Natura 2000-gebied zien met de hexagonen waarop een extra depositiebijdrage door het plan plaats kan vinden.
Afbeelding 4 Deel van het natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux met berekende depositie vanuit het projectvoornemen.
Voor de beoordeling van de effecten van de depositiebijdrage op het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux is gebruik gemaakt van de onderstaande bronnen. Met oog op de leesbaarheid is daarbij niet steeds naar deze bronnen verwezen. Natura 2000-beheerplan Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (Provincie Noord-Brabant 2017) Gebiedsanalyse Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, Programma Aanpak Stikstof (PAS) (Provincie Noord-Brabant 2017) Natuurdoelanalyse Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (Provincie Noord-Brabant 2023)
9
4.
Beoordeling per habitat
4.1 H91E0C-Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Beschrijving van het habitattype Het habitattype beslaat in totaal een oppervlakte circa 116,4 ha (en 0,7 ha zoekgebied) in alle beekdalen in het Natura 2000-gebied. Instandhoudingsdoel: Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Dit habitattype omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen (van het zogenoemde alluvium of alluviaal) en die direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwater. De verschijningsvorm loopt sterk uiteen. Ze kunnen zeer soortenrijk zijn en zeldzame typische soorten bevatten. De grote variatie aan bostypen wordt binnen het habitattype verdeeld over drie subtypen, twee subtypen voor het rivierengebied en één voor de beken en kleine riviertjes van de hogere zandgronden en het heuvelland. Het habitattype komt voor op plaatsen waar grondwater van onder de leemlagen (meer gebufferd) aan de oppervlakte komt. Ook kan er periodiek overstroming met beekwater optreden. De overstromingsfrequentie en de fluctuaties in grondwaterstanden (m.n. wegzakken onder maaiveld) zijn variabel. De KDW van het habitattype H91E0C van 1857 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden. In het referentiejaar is het areaal overwegend niet-overbelast (65%), 18% is matig overbelast, 11% licht overbelast en 7% naderend overbelast.
Volgens de prognose is het habitattype in 2030 overwegend niet-overbelast (96%). Huidige kwaliteit Het habitattype heeft te maken met te lage grondwaterstanden, niet optimaal maaibeheer in de Dommel, drainerend effect van heringerichte Tongelreep, stikstofdepositie, verzuring als gevolg van verdroging, boomsoortensamenstelling en bosstructuur. Daarnaast heeft het habitattype te maken met invasieve exoten (zie onderdeel ‘overige kenmerken van structuur en functie’. Vanuit recent uitgevoerd onderzoek naar beekherstel (o.a. Tongelreep, RHDHV, 2020) komt naar voren dat voor herstel van beekbegeleidende bossen specifieke maatregelen voor hydrologie nodig zijn om te komen tot een goed perspectief voor dit habitattype. Het betreft maatwerk aan de beekbodem, aangrenzende sloten, en maatregelen in de bossen zelf. Deze maatregelen zijn nodig om een gunstig perspectief te kunnen bieden. Het huidige areaal en de huidige kwaliteit van de delen waarvan goede kwaliteitsbeschrijving beschikbaar zijn, zijn min of meer stabiel, na een achteruitgang in vooral de kwaliteit in de vorige eeuw. Dit wordt als maatgevend beschouwd voor het gehele oppervlakte aan habitattype. Voor het gebied zijn geen vlakdekkende en recente vegetatiekarteringen aanwezig die inzicht geven in areaalsontwikkelingen in oppervlakte en kwaliteit van de laatste jaren.
Er is daarom weinig bekend over de huidige trend van dit habitattype. Omvang depositietoename en effectbeoordeling De extra depositiebijdrage is op dit habitattype maximaal 0,01. Deze vindt plaats op een oppervlakte van 3,66 hectare en dat is 3,1% van de totale oppervlakte van het habitattype in dit Natura 2000gebied. De extra depositiebijdrage is gering, vindt plaats op een zeer klein deel van het habitattype en is niet afzonderlijk meetbaar of herkenbaar in de kwaliteit van het habitat. De bijdrage kan daardoor niet leiden tot enig zichtbaar effect op de omvang of de kwaliteit van het habitattype en leidt evenmin tot een verzwaring van de beheeropgave. Op dit moment wordt aan de behoudsdoelstelling voor de oppervlakte voldaan en de geringe extra depositiebijdrage kan daarin geen verandering brengen. De depositiebijdrage zal vanwege de geringe omvang niet leiden tot een (verdere) achteruitgaan van de aanwezigheid van de typische soorten in het Natura 2000-gebied. De extra depositiebijdrage leidt evenmin tot een wezenlijke verzwaring van de maatregelen die nodig zijn hierin verandering te brengen. De extra depositiebijdrage staat er daarom niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) gehaald kunnen worden.
10
4.2 H91D0 – Hoogveenbossen Beschrijving van het habitattype Het habitattype beslaat in totaal een oppervlakte van circa 29 ha en is met name aanwezig in deelgebied Groote Heide Zuid in De Berkenputten, het gebied rond de Strijper Aa (Strijper Heg), aan de westzijde van het Soerendonkse Goor (Het Goor). Daarnaast komt het in kleinere oppervlakte voor in deelgebied Groote Heide Noord, aan de oostzijde van het Greveschutven en in de Malpie over kleine oppervlakte in een terrein aan de noordzijde van het Leenderbos bij de Valkenswaardse weg (het Zwartbroek). Dit habitattype omvat relatief laag blijvende berkenbossen met dominantie van Zachte berk (Betula pubescens) in de boomlaag en een ondergroei die vooral bestaat uit veenmossen (Sphagnum soorten). Het zijn natte bossen ofwel zogenoemde berkenbroekbossen op veenbodems. Deze hoogveenbossen komen hier en daar voor in laagveengebieden, in hoogveengebieden, in beekdalen van de hogere zandgronden en in het rivierengebied. Ze vormen buiten het hoogveengebied plaatselijk mozaïeken met elzenbroekbos. Zowel de veenbossen van het ‘laagveenstadium’ (met invloed van kwel) en het ‘hoogveenstadium’ (uitgegroeid boven de invloed van het grondwater) behoren bij dit habitattype. Het habitattype wordt aangetroffen op voedselarme, zure veengronden die permanent onder invloed staan van hoge grondwaterstanden.
In het laagveengebied en rivierengebied gaat het meestal (nog) om gemeenschappen van het ‘laagveenstadium’ en die zijn beschreven als de associatie ZompzeggeBerkenbroek (Carici curtae-Betuletum pubescentis). Op de hogere zandgronden is het ‘hoogveenstadium’ meer aan de orde en dat is beschreven als associatie Dophei-Berkenbroek (EricoBetuletum pubescentis). In de praktijk, op gebiedsniveau, is het onderscheid in deze associaties soms lastig te maken, vooral daar waar overgangen optreden van hoogveen naar beekdalen. Om deze reden wordt dit onderscheid niet tot uitdrukking gebracht in subtypen. De instandhoudingsdoelstellingen voor H91D0 Hoogveenbossen zijn uitbreiding van oppervlakte en verbetering kwaliteit. De KDW van het habitattype H91D0 van 1786 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden. •
In het referentiejaar is het habitattype overwegend niet-overbelast (78%). 8% van het areaal is licht overbelast en 14% matig overbelast.
•
Volgens de prognose is het habitattype ook in 2030 overwegend niet-overbelast (98%).
Huidige kwaliteit De trend is negatief voor zowel areaal als kwaliteit, als gevolg van ontginningen in de beekdalen (o.a. Strijper Aa) in het verleden. Voor het gebied zijn geen vlakdekkende en recente vegetatiekarteringen aanwezig die inzicht geven in areaalsontwikkelingen in oppervlakte en kwaliteit van de laatste jaren. Er is daarom weinig bekend over de huidige trend van dit habitattype. De vegetatiekwaliteit van het habitattype lijkt grotendeels stabiel. In 27,6 ha is de kwaliteit matig ontwikkeld; een klein deel (0,7 ha) is goed ontwikkeld. Van 1,1 ha is de kwaliteit onbekend. Er is sprake van verdroging. Het habitattype bestaat in de Berkenputten uit verdroogde vormen van het verbond der berkenbroekbossen. Verspreid over het habitatgebied (o.a. langs de Strijper Aa en langs de Dommel) komen grotere oppervlakten van het berkenbroekbos voor, veelal bestaande uit rompgemeenschappen met wilde gagel van het verbond van berkenbroekbossen. Deze berkenbroekbossen zijn sterk verdroogd en hebben veelal een ondergroei van pijpenstrootje. Voor het overgrote deel (28 ha) is de kwaliteit in vegetatiekundig opzicht matig. Goed ontwikkelde vormen met een veenmoslaag zijn in het gebied erg schaars (0,7 ha).
In 2017 constateert B-Ware voor het gebied Kromhurken bij de Keersop het volgende: De omschrijving zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit komt nog goed overeen met de actuele situatie. In het zuidelijke kerngebied zijn goed ontwikkelde hoogveenbossen en natte alluviale bossen aanwezig op de plek waarop ze ook in 2011 zijn aangetroffen. Ook zijn de destijds opgetekende vennen en heiden nog in goed ontwikkelde vorm aanwezig.
11
Stabiele aanwezigheid van zowel een goed ontwikkeld nat alluviaal bos als een overgang naar hoogveenbos. Van beide typen lijkt de kwaliteit en het oppervlak min of meer gelijk te blijven. Omvang depositietoename en effectbeoordeling De extra depositiebijdrage is op dit habitattype maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Deze vindt plaats op een oppervlakte van 1,05 hectare en dat is 3,6% van de totale oppervlakte van het habitattype in dit Natura 2000-gebied. De extra depositiebijdrage is gering, vindt plaats op een deel van het habitattype en is niet afzonderlijk meetbaar of herkenbaar in de kwaliteit van het habitat. De bijdrage kan daardoor niet leiden tot enig zichtbaar effect op de omvang of de kwaliteit van het habitattype en leidt evenmin tot een verzwaring van de beheeropgave. Op dit moment wordt aan de behoudsdoelstelling voor de oppervlakte voldaan en de geringe extra depositiebijdrage kan daarin geen verandering brengen. De kwaliteit van het habitat staat onder druk door primair verdroging en de eutrofiëring daar waar het toestromende water afkomstig is uit een dun watervoerend pakket. Deze veroorzaken toestroom van nutriënten in dit van nature voedselarme systeem. De depositiebijdrage zal vanwege de geringe omvang niet leiden tot een (verdere) achteruitgaan van de aanwezigheid van de typische soorten in het Natura 2000-gebied.
De extra depositiebijdrage leidt evenmin tot een wezenlijke verzwaring van de maatregelen die nodig zijn de verslechtering van de kwaliteit te stoppen en herstel te realiseren. De extra depositiebijdrage beperkt de mogelijkheden de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en kwaliteit) te behalen daarom niet. 4.3 H3130 - Zwakgebufferde vennen Beschrijving van het habitattype In het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux komt 19,1 ha van het habitattype voor. In Groote Heide-Leenderbos ligt 1,4 ha van het habitattype; op De Plateaux ligt 7,5 ha (DLG, 2017). Het Greveschutven (een voormalig heideven dat in het verleden als visvijver is gebruikt), kwalificeert gedeeltelijk als zwak gebufferd ven (Van Kleef et al., 2017). Dit habitattype betreft begroeiingen van zwakgebufferde vennen. Het onderscheid met de zeer zwak gebufferde vennen van habitattype 3110 is dat die vennen een lager gehalte aan bicarbonaat hebben ofwel koolstofgelimiteerd zijn. Zwakgebufferde vennen daarentegen zijn niet koolstofgelimiteerd en kunnen –hoewel de naamgeving hierover verwarring wekt- zowel zwak gebufferd als zeer zwak gebufferd zijn. Kenmerkend voor deze vennen is een groot aantal soorten, waaronder veel pioniersoorten van kale oevers en open water. En toch zijn de meeste van de vennen van dit habitattype niet meer dan enkele tientallen meterslang en breed.
De begroeiingen vormen in de zwakgebufferde vensystemen veelal patronen van smalle zones of mozaïeken of ze zijn met elkaar verweven zoals ‘schering- en inslag’. Daarom worden binnen dit habitattype in ons land geen subtypen onderscheiden. Bij degradatie door onder meer verzuring en atmosferische vermesting gaan in de zwakgebufferde vennen soorten overheersen zoals Pijpenstrootje en/of veenmossen. Vermesting met fosfaat leidt tot toename van Pitrus. Vennen met zulke begroeiingen zonder aanwezigheid van de voor zwakgebufferde vennen kenmerkende gemeenschappen en soorten worden niet tot het habitattype gerekend.Landschapsecologisch kunnen de zwakgebufferde vennen in twee delen worden gesplitst: 1. Een deel van de huidige zwakgebufferde vennen is van nature zwak gebufferd door gebufferd grondwater. Dit betreft de plasjes ten zuiden van het Soerendonks Goor, de voorvang van het Soerendonks Goor, Groot Malpieven. 2. Op een aantal vennen heeft in het verleden en soms ook nog in het heden wateraanvoer gezeten van kalkrijk Maaswater ten behoeve van visteelt en bevloeiing (tijdelijke akkers op droog gelegde venbodems). Ook de Tongelreep kent aanvoer van Maaswater. Als gevolg van wateraanvoer vanuit de Tongelreep en grondwater is in het Greveschutven een gradiënt aanwezig van zwakgebufferd naar min of meer zuur water.
Op De Plateaux zijn vennen (de twee Klotvennen) zwakgebufferd omdat er water ingelaten wordt dat gebruikt is voor de bevloeiing van graslanden op De Plateaux. Voor het habitattype geldt in dit gebied een uitbreiding van de de oppervlakte en een verbeteropgave voor de kwaliteit.
12
De KDW van het habitattype H3130 van 500 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden. • In het referentiejaar is ongeveer de helft van het areaal matig overbelast en de andere helft sterk overbelast (respectievelijk 53% en 47%). • Volgens de prognose van 2030 is ongeveer driekwart van het areaal matig overbelast (76%), een kwart is sterk overbelast. Huidige kwaliteit Het instandhoudingsdoel van dit habitattype is uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. In het gebied (Greveschutven, Groot Malpieven, Soerendonks Goor, Klotven-west Plateaux) zijn herstelwerkzaamheden uitgevoerd waarbij een aantal vennen (gedeeltelijk) zijn opgeschoond. Dit heeft geleid tot een verbetering van de kwaliteit van de vennen en een toename in het areaal. Voor het gebied zijn geen vlakdekkende en recente vegetatiekarteringen aanwezig die inzicht geven in areaalsontwikkelingen in oppervlakte en kwaliteit van de laatste jaren. Er is daarom weinig bekend over de huidige trend van dit habitattype. Omvang depositietoename en effectbeoordeling De extra depositiebijdrage is op dit habitattype maximaal 0,01mol N/ha/jr. Deze vindt plaats op een oppervlakte van 0,48 hectare en dat is 2,5% van de totale oppervlakte van het habitattype in dit Natura 2000-gebied.
Het habitattype komt voor bij zeer voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. Stikstofdepositie vormt één van de knelpunten voor dit habitattype. Naast stikstofdepositie zijn gebrek aan grondwater/verdroging, gebrek aan buffering en eutrofiëring de belangrijkste knelpunten. Het gebrek aan grondwater hangt samen met daling van grondwaterpeil in aangrenzend landbouwgebied, het doorspitten van oerbanken en leemlagen en bosaanplant met dicht naaldhout. Daarnaast vormt gebrek aan buffering een knelpunt, wat samenhangt met verminderde toestroom van grondwater naar de vennen, minder instuivend zand uit de bosrijke omgeving. Eutrofiëring hangt samen met de aanvoer van voedselrijk water (door mest van vogels in Soerendonks Goor, maar ook bij het Groot Malpieven en De Plateaux) en deels door aanvoer van te (veel) voedselrijk water (Greveschutven, Klotven). De extra depositiebijdrage is gering, vindt plaats op een deel van het habitat en is niet afzonderlijk meetbaar of herkenbaar in de kwaliteit van het habitat. De bijdrage kan daardoor niet leiden tot enig zichtbaar effect op de omvang of de kwaliteit van het habitattype en leidt evenmin tot een verzwaring van de beheeropgave. Op dit moment wordt aan de behoudsdoelstelling voor de oppervlakte en kwaliteit voldaan.
De extra depositiebijdrage is dermate gering dat deze niet tot kan leiden dat de oppervlakte afneemt of de kwaliteit verslechtert. De extra depositiebijdrage beperkt de mogelijkheden de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en verbetering kwaliteit) te behalen daarom niet. 4.4 H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen Beschrijving van het habitattype De oppervlakte van het habitattype bedraagt 23,4 ha. Het habitattype komt merendeels voor op Groote Heide Zuid en in het Leenderbos, maar ook op Malpie. Dit habitattype betreft pioniergemeenschappen op kale zandgrond in natte heiden. De kale plekken waar de pioniervegetaties met snavelbiezen kunnen ontwikkelen, ontstaan in natte heide op natuurlijke wijze door langdurige waterstagnatie in laagten. Dat gebeurt tegenwoordig nog maar zelden. Meestal ontstaan ze onder invloed van menselijk handelen, bijvoorbeeld na het steken van plaggen of na intensieve betreding. Op geplagde plekken en heidepaadjes zijn de pioniervegetaties van het habitattype doorgaans slechts kortstondig aanwezig. Ze gaan daar al snel over in gesloten vochtige heidebegroeiingen, die deel uitmaken van habitattype H4010. In de internationale literatuur worden deze pionierbegroeiingen meestal beschouwd als behorend tot één plantensociologisch verbond dat de veenslenken beschrijft, het Rhynchosporion albae.
In ons land wordt een deel van de begroeiingen, de gemeenschappen van de plagplekken in de natte heide, gerekend tot het verbond dat de natte heide beschrijft, het Ericion tetralicis.
13
Pioniergemeenschappen in natte heiden zijn gebonden aan open, minerale grond. Die komt op natuurlijke wijze beschikbaar na langdurige stagnatie van regenwater. In ons land ontwikkelen deze pioniergemeenschappen zich echter meestal op de natte minerale zandbodem die blootgelegd wordt door het steken van plaggen of die ontstaat als gevolg van intensieve betreding. De pioniervegetaties met snavelbiezen komen voor op zeer natte tot vochtige bodems die zuur tot matig zuur zijn en die zeer voedselarm tot voedselarm (oligotroof tot mesotroof) zijn. Het habitattype heeft profijt van langdurige nalevering van freatisch grondwater, die het gevolg is van het verwijderen en dichtmaken van sloten en greppels en de omvorming van bos op de flanken. Het instandhoudingsdoel van dit habitattype is behoud van de oppervlakte en behoud van de kwaliteit. De KDW van het habitattype H7150 van 1071 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden. Het habitattype is zowel in het referentiejaar als volgens de prognose van 2030 overwegend niet-overbelast. • In het referentiejaar is 70% van het areaal niet-overbelast, 8% van het areaal is naderend overbelast en 22% is licht- of matig overbelast (respectievelijk 6% en 16%). • Volgens de prognose van 2030 is het areaal overwegend niet-overbelast (89%).
Huidige kwaliteit De oppervlakte en samenstelling van het habitattype is nagenoeg gelijk gebleven in de periode 19922002. Wel verandert de locatie, doordat het voorkomen gelinkt is aan natuurherstel (DLG, 2017). Voor het hele gebied is de trend stabiel (De Beer et al., 2009, mond. med. S. Vorstermans) (DLG, 2017). Voor het gebied zijn geen vlakdekkende en recente vegetatiekarteringen aanwezig die inzicht geven in areaalsontwikkelingen in oppervlakte en kwaliteit van de laatste jaren (zie Bijlage 1). Er is daarom weinig bekend over de huidige trend van dit habitattype. Instandhoudingsdoelen worden gerealiseerd door herstel van de toestroom van grondwater door de oorzaken van afname van die grondwaterstroom (sloten en greppels en naaldhoutopstanden op hogere delen) weg te nemen. Voor behoud van de oppervlakte is het nodig om het pionierstadium van plakplekken in stand te houden. (DLG, 2017). Vooralsnog is het habitattype goeddeels afhankelijk van beheer (het ontstaat op plagplekken). Zonder dit beheer kan het habitattype qua oppervlak en kwaliteit niet in stand worden gehouden. Door successie verandert het dan doorgaans in vochtige heide (H4010A). Daarnaast is er een negatieve eutrofiërende werking vanuit de stikstofdepositie en lokaal een verdrogingseffect dat gelijk op loopt met dat van de omringende vochtige heide.
Omvang depositietoename en effectbeoordeling De extra depositiebijdrage is op dit habitattype maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Deze vindt plaats op een oppervlakte van 0,30 hectare en dat is 1,2% van de totale oppervlakte van het habitattype in dit Natura 2000-gebied. De extra depositiebijdrage is gering, vindt plaats op een zeer klein deel van het habitattype en is niet afzonderlijk meetbaar of herkenbaar in de kwaliteit van het habitat. De bijdrage kan daardoor niet leiden tot enig zichtbaar effect op de omvang of de kwaliteit van het habitattype en leidt evenmin tot een verzwaring van de beheeropgave. Op dit moment is niet bekend of aan de behoudsdoelstelling voor de oppervlakte voldaan. De geringe extra depositiebijdrage is echter te gering om een meetbare bijdrage te leveren aan een eventuele achteruitgang van de oppervlakte. De kwaliteit van het habitat staat onder druk door de te hoge achtergronddepositie. De extra depositiebijdrage leidt niet tot een wezenlijke verzwaring van de maatregelen die nodig zijn hierin verandering te brengen. De extra depositiebijdrage beperkt de mogelijkheden de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en verbetering kwaliteit) te behalen daarom niet. 4.5 H4010A-Vochtige Heiden (hogere zandgronden) Beschrijving van het habitattype Het habitattype vochtige heiden beslaat in totaal een oppervlakte van 74,7 ha.
Het habitattype is verspreid aanwezig in Groote Heide Noord en Groote Heide Zuid, Valkenhorst, de Malpie en De Plateaux (DLG, 2017).
14
Kenmerkend is de hoge bedekking van gewone dophei. Vochtige heide komt in ons land zowel op zandgronden voor als in het laagveen. Kwalitatief goede vochtige heiden kunnen goed samen voorkomen met rompgemeenschap met Pijpenstrootje en Veenmos. Deze grazige delen mogen echter niet overheersen en komen alleen in een mozaïekvorm voor. De begroeiingen van het subtype vochtige heide op zandgronden (H4010A) variëren afhankelijk van de waterhuishouding, de ouderdom en het leemgehalte van de bodem. Landschappelijk gezien komen natte heiden op zandgrond o.a. voor op de oevers van vennen, op beekdalflanken, in laagten met een ondoorlaatbare ondergrond en in tot op het zand afgegraven voormalige hoogveengebieden. […] De meest zure en natte heiden tenderen naar hoogveen. Open begroeiingen zijn vaak rijk aan korstmossen. Op leemhoudende standplaatsen bevatten de natte heidebegroeiingen veelal soorten van blauwgraslanden en heischraal grasland. In gedegradeerde vochtige heide gaan grassen zoals pijpenstrootje domineren of treden struiken zoals gagel op de voorgrond. Begroeiingen met gagel worden tot het habitattype gerekend, indien deze met de bovengenoemde plantengemeenschappen kleinschalige mozaïeken vormen, maar niet domineren.
De subassociatie met gevlekte orchis is gebonden aan bodems met een wat hogere pH, die wordt gebufferd door basenrijk water, afkomstig uit kalkhoudende leem of door lokale kwel vanuit omliggende hogere zandruggen. De subassociatie met korstmos wordt gekenmerkt door de open dwergstruiklaag, waartussen de korstmossen groeien. Vaak ontstaan de open plekken door afstervende en uiteenvallende oude struikheiplanten. De subassociatie met rode en blauwe bosbes komt voor bij een relatief vochtig microklimaat, zoals noordhellingen en beschaduwde heiden Het instandhoudingsdoel:Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit De KDW van het habitattype H4010A van 1071 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden. • In het referentiejaar is 33% van het areaal overbelast (8% licht overbelast en 25% matig overbelast). Meer dan de helft van het areaal van het habitattype is niet-overbelast (waarvan 54% niet- en 8% naderend overbelast). • Volgens de prognose van 2030 is het habitattype overwegend niet-overbelast (86% niet-overbelast en 7% naderend overbelast). Huidige kwaliteit Het habitattype is gevoelig voor voedselrijkdom; eutrofiëring vormt een knelpunt. Eutrofiëring leidt tot vergrassing en verbossing. De oorzaak ligt enerzijds in stikstofdepositie en anderzijds in veraarding als gevolg van verdroging.
De vochtige heide heeft te maken met verdroging als gevolg van waterwinning, onttrekking door de landbouw, beekkanalisatie en daarnaast bosaanplant en aanleg van sloten en greppels. Het gaat in alle deelgebieden om verspreid liggende, kleinere oppervlakten. De heide komt voor in alle deelgebieden waarbij het gaat om verspreid liggende, kleinere oppervlakten. Dit beperkt de uitwisseling van soorten tussen verschillende deelgebiedjes, met als gevolg dat soorten sneller lokaal uitsterven en niet snel weer terugkomen. Door verdroging door slotenaanleg, verdroging door drainerende werking van beken, bosaanleg en lage landbouwpeilen en stikstofdepositie is veel natte heide vergrast met pijpenstrootje. Het areaal is recent uitgebreid en kwaliteit is verbeterd door het beheer. Er zijn diverse herstelmaatregelen uitgevoerd en in uitvoering, maar het is onbekend of daardoor overal een positieve trend optreedt. Het beeld is dat op veel plaatsen de oppervlakte en de kwaliteit van de vochtige heide door beheermaatregelen vooruit is gegaan. Door de aanhoudende droogte hebben de habitattypen en leefgebieden zich anders ontwikkeld dan verwacht. Als gevolg van deze extreme jaren kan er op deze locatie (en andere) moeilijk iets worden gezegd over de trend.
Voor het gebied zijn geen vlakdekkende en recente vegetatiekarteringen aanwezig die inzicht geven in areaalsontwikkelingen in oppervlakte en kwaliteit van de laatste jaren. Er is daarom weinig bekend over de huidige trend van dit habitattype. Omvang depositietoename en effectbeoordeling De extra depositiebijdrage is op dit habitattype maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Deze vindt plaats op een oppervlakte van 2,26 hectare en dat is 3% van de totale oppervlakte van het habitattype in dit Natura 2000-gebied.
15
De extra depositiebijdrage is gering, vindt plaats op een zeer klein deel van het habitattype en is niet afzonderlijk meetbaar of herkenbaar in de kwaliteit van het habitat. De bijdrage kan daardoor niet leiden tot enig zichtbaar effect op de omvang of de kwaliteit van het habitattype en leidt evenmin tot een verzwaring van de beheeropgave. Op dit moment wordt waarschijnlijk aan de behoudsdoelstelling voor de oppervlakte voldaan (oppervlakte lijkt iets toegenomen) en de geringe extra depositiebijdrage kan daarin geen verandering brengen. De kwaliteit van het habitat staat onder druk door de te hoge achtergronddepositie. De extra depositiebijdrage leidt niet tot een wezenlijke verzwaring van de maatregelen die nodig zijn hierin verandering te brengen. De extra depositiebijdrage beperkt de mogelijkheden de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) te behalen daarom niet. 4.6 H3160-Zure Vennen Beschrijving van het habitattype Het habitattype zure vennen beslaat in totaal een oppervlakte van 35,2 ha. Deze komen verspreid over alle deelgebieden voor, met het grootste deel op Groote Heide – Leenderbos en een klein deel op de Plateaux. Het Greveschutven kwalificeert gedeeltelijk als zuur ven. Dit habitattype omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem.
In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. In die vennen kan lokaal invloed van grondwater doordringen en van essentieel belang zijn voor de variatie van levensgemeenschappen, maar de regenwaterinvloed is zo groot dat men meestal spreekt van ‘uitsluitend door regenwater gevoed’. Daarbij gaat het zowel om de open waterbegroeiingen als om jonge verlandingsstadia, drijvend of op de oever. Het water van deze poelen en meren is van nature zeer voedselarm en kan door humuszuren bruin gekleurd zijn. In de randzones van deze poelen kunnen ijle begroeiingen van wat hogere schijngrassen zoals Snavelen Draadzegge of Veenpluis het aanzien bepalen. In sommige gevallen vormt koolzuur (CO2) een beperkende factor. De vegetatie ontbreekt dan (habitattype matig ontwikkeld) of bestaat voornamelijk uit aan de oppervlakte zwevende of drijvende waterplanten. In heldere vennen waar wel voldoende CO2 aanwezig is, kan de gehele waterlaag gevuld zijn met zwevende planten, vooral in ondiepe zones. Wanneer de veenmoslaag zich sluit, vormt zich een dichte vegetatiemat met op den duur een hoogveenachtig patroon van bulten en slenken.
Het instandhoudingsdoel: Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit De KDW van het habitattype H3160 van 714 N/Ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden (zie Bijlage 3). • In het referentiejaar is ongeveer driekwart van het areaal (77%) matig overbelast en is 23% van het areaal sterk overbelast. • Volgens de prognose van 2030 is het habitattype overwegend matig overbelast (90%), 8% van het areaal is sterk overbelast en 2% is licht overbelast. Huidige kwaliteit Op basis van de uitkomst van uitgevoerde onderzoeken is het perspectief voor de zure vennen positief, maar vragen ’uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit’ om maatwerk per ven. De uitgevoerde onderzoeken laten zien dat voor een deel van de zure vennen maatregelen nodig zijn, en dat voor een deel minder noodzakelijk is. De rol van stikstofdepositie als oorzaak van verzuring en vermesting lijkt niet in alle vennen sterk aanwezig te zijn (vennen Valkenhorst). De gevolgen van droogval tijdens de droge jaren 2018 – 2020 hebben een doorwerking in de water- en bodemchemie van de vennen. Een deel van de vennen is in de droge zomers niet geheel drooggevallen.
16
Als gevolg van overschrijding van de KDW bestaat het risico dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast door verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie, met mogelijke gevolgen voor bodem en waterkwaliteit. Omvang depositietoename en effectbeoordeling De extra depositiebijdrage is op dit habitattype maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Deze vindt plaats op een oppervlakte van 1,10 hectare en dat is 3,1% van de totale oppervlakte van het habitattype in dit Natura 2000-gebied. De extra depositiebijdrage is gering, vindt plaats op een zeer klein deel van het habitattype en is niet afzonderlijk meetbaar of herkenbaar in de kwaliteit van het habitat. De bijdrage kan daardoor niet leiden tot enig zichtbaar effect op de omvang of de kwaliteit van het habitattype en leidt evenmin tot een verzwaring van de beheeropgave. Op dit moment wordt waarschijnlijk aan de behoudsdoelstelling voor de oppervlakte voldaan en de geringe extra depositiebijdrage kan daarin geen verandering brengen. De kwaliteit van het habitat staat onder druk door de te hoge achtergronddepositie. De extra depositiebijdrage leidt niet tot een wezenlijke verzwaring van de maatregelen die nodig zijn hierin verandering te brengen. De extra depositiebijdrage beperkt de mogelijkheden de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) te behalen daarom niet.
4.7 H4030-Droge heiden Beschrijving van het habitattype Het habitattype Droge heiden beslaat in totaal een oppervlakte van 337,1 ha. Het habitattype is aanwezig in Groote Heide (noord en zuid), Valkenhorst, de Malpie en De Plateaux. Hoger op de oevers van het Greveschutven komt het habitattype ook voor. Het habitattype is wijd verspreid en karakteristiek voor dit Natura 2000-gebied. De grootste aaneengesloten oppervlakten komen voor op de Groote Heide Noord en Groote Heide Zuid. Het habitattype betreft struikheibegroeiingen in het laagland en gebergte van Europa. Ze worden gedomineerd door struikhei al dan niet in combinatie met andere dwergstruiken, grassen en mossen. Droge heides komen in Nederland voor op matig droge tot droge, kalkarme zure bodems waarin zich meestal een podzolprofiel heeft gevormd. Het meest komt het type voor op –al dan niet lemigedekzanden en op stuwwallen, maar ze strekken zich ook uit op stuwwallen, rivierterrassen en tertiaire (mariene) zandafzettingen. Het instandhoudingsdoel: Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit De KDW van het habitattype H4030 van 714 mol N/ha/jr wordt zowel in het referentiejaar 2020 alsook in de prognose van 2030 overschreden (zie Bijlage 3). • In het referentiejaar is het habitattype overwegend matig overbelast (60%), 15% is licht overbelast en 24% naderend overbelast.