Bijlage 2a.Toelichting en Regels BP Parkeerplaats Hof 150-152.pdf
Tekst van het document
De huidige grens van de bebouwing mag daarbij nooit worden overschreden; 3) Opheffen beplantingswerken binnen een zone van 2 meter van de bomen. Op basis van bovenstaande ontwerp-uitgangspunten en de aandachtspunten uit de Boom Effect Analyse is een omgevingsvergunningstelsel voor de uitvoering van werken en werkzaamheden opgenomen voor de gronden die als ‘waardevol vlak’ zijn aangegeven in het gemeentelijk kapbeleid. Dit ter voorkoming van onevenredig negatieve effecten op de bomen.
4.10 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Ten behoeve van de ontwikkeling is door Aeres Milieu een vooronderzoek uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5725. Doel van het vooronderzoek is om op basis van de onderzoeksgegevens vast te stellen of er sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem met stoffen die een belemmering kunnen vormen met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen. De belangrijkste conclusies van dit onderzoek staan in deze toelichting beschreven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 4
26
Uit de verzamelde (historische) informatie en het uitgevoerde locatiebezoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht te beschouwen is en geschikt voor het toekomstig gebruik als parkeerterrein. Wel zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen gezien de zinkassenproblematiek in de omgeving van het plangebied. Een eventuele lichte verhoging aan zware metalen in de bodem vormt geen directe belemmering voor het toekomstig gebruik als parkeerterrein. Voorafgaand aan de grondwerkzaamheden wordt wel een verkennend bodemonderzoek geadviseerd gezien de zinkassenproblematiek in de directe omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van asbest verdacht materiaal in de bodem kan ter plaatse van de bijgebouwen met asbestverdachte golfplatendakbedekking niet uitgesloten worden. Om de aanwezigheid van asbest in de bodem ter plaatse van de bergingen uit te sluiten, wordt geadviseerd om (na sloop van de bergingen) een verkennend asbest in bodem onderzoek conform de NEN 5707 te verrichten, specifiek gericht op de druipzone.
4.11 Water Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden.
De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheer-plan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als
Hoofdstuk 4
27
vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. De gemeente Bergeijk heeft een verbreed gemeentelijk rioleringsplan (2015-2019), waarin het beleid ten aanzien van vuil- en regenwater is vastgelegd overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Deze visie is tevens meegenomen in de Milieuvisie Bergeijk 2020-2029. Conform het gemeentelijk beleid mogen percelen kleiner dan 250 m 2 hemelwater afvoeren op het gemeentelijk rioolstelsel. Grotere percelen dienen afhankelijk van de situatie hemelwater op eigen terrein verwerken.
Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor de kleine planontwikkeling (<2.000 m 2 buiten hydrologische gevoelig gebied) is de gemeente Bergeijk bevoegd/toetsend gezag. Doorwerking plangebied Er is door Aeres Milieu een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Door middel van de rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem. Grondwater Ter plaatse wil men na sloop van de bebouwing parkeerplaatsen realiseren. Ter plaatse is voldoende drooglegging aanwezig (GHG ca. 1,2 m-mv). Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover ons bekend, geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.
Oppervlaktewater Door de ligging in het centrum van Bergeijk is binnen en nabij de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor kan niet rechtstreeks aangesloten worden op het oppervlaktewater en is geen direct nadelig effect te verwachten door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Afvalwater De bestaande westelijke parkeerplaatsen en de bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Noordelijk is onder het Hof een Blauwe ader aanwezig welke is oostelijke richting naar het oppervlaktewater afvoert. Door de sloop van de bebouwing en de aanleg van parkeerplaatsen ter plaatse neemt de afvoer aan afvalwater uit het plangebied af. In het hemelwaterstructuurplan
Hoofdstuk 4
28
is aangegeven dat het uitgangspunt is dat het hemelwater voor het plangebied en omgeving gescheiden aangeboden wordt op het gemeentelijk stelsel en het hemelwater middels een blauwe ader afstroomt naar het oppervlaktewater. Door de aanleg van een parkeerterrein kan er een gescheiden stelsel aangelegd worden dat aangesloten wordt op het gemeentelijk rioolstelsel. Hemelwater Op basis van het waterstructuurplan van de gemeente Bergeijk is het uitgangspunt dat ter plaatse het hemelwater gescheiden wordt en afgevoerd wordt middels de noordelijk gelegen blauwe ader. Zover bekend is ter plaatse geen gescheiden rioolstelsel aangelegd. De bestaande bebouwing zal gesloopt worden ten behoeve de aanleg van parkeerplaatsen. Door het planvoornemen zal het verhard oppervlak licht toenemen. Vanuit het waterschap is er geen verplichting tot de aanleg van een compensatie bij de afvoer van verhard oppervlak. Het gemeentelijk beleid wenst dit wel bij aansluiting op het gemeentelijk stelsel. Door de aanleg van parkeerplaatsen en de ligging in het stedelijke centrum zijn ter plaatse beperkte verwerkingsmogelijkheden aanwezig. Op basis van het hemelwaterstructuurplan kan gescheiden aangesloten worden op de blauwe ader onder de Hof. Om te komen tot een duurzame herontwikkeling wordt ter plaatse van het parkeerterrein een waterpasserende halfverharding toegepast. Het ontwerp voorziet hierin.
Er worden geen kolken aangelegd. Het hemelwater wordt 100% geïnfiltreerd. Hierdoor zal alleen bij boven normatieve buien hemelwater over het maaiveld naar het gemeentelijk stelsel afvoeren. Belangrijk aandachtspunt bij de toepassing is het benodigde onderhoud een aandachtspunt gezien de vele bomen op het perceel. Andere verwerkingsmogelijkheden zijn de aanleg van een wadi, groene greppel rondom de parkeerplaatsen of een ondergrondse voorziening zoals enkele IT-strengen, kratten of een grind-lavakoffer. Bij ondergrondse voorzieningen is een zuiverende tussenstap geadviseerd om zand ed. af te vangen om dichtslibben te vermijden. Verder dient rekening gehouden te worden met de benodigde gronddekking op een ondergrondse voorziening (afhankelijk van het type) en de verwachte GHG op ca. 1,2 mmv. De lokale infiltratiesnelheid is niet bekend / bepaald. Bij de aanleg van een absolute hemelwatervoorziening wordt geadviseerd voorafgaand infiltratiemetingen uit te voeren of eventueel grindpalen of bodemverbetering toe te passen naar de zeer goed doorlatende ondergrond. Gezien de ligging in stedelijk gebied wordt een (bovengrondse) noodoverlaat naar het gemeentelijk stelsel geadviseerd. Bij het definitieve bouwplan dient een eventuele hemelwatervoorziening nader uitgewerkt te worden.
Het omliggend terrein zal zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar laagte of groen op eigen perceel en niet naar bebouwing van derden.
Hoofdstuk 4
29
4.12 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Volgens de Archeologische beleidskaart van de gemeente Bergeijk ligt het plangebied in een zone Categorie 2: gebied van archeologische waarde. Het ligt eveneens binnen de Categorie 3: Gebied met hoge verwachting (historische kern). Voor de leidende Categorie 2 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m 2 en dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld.
Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Doorwerking plangebied Er is door Salisbury een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van het bureauonderzoek is, indien de bodem intact is, een hoog tot middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten binnen het plangebied vastgesteld voor de periode Laat Paleolithicum –Nieuwe Tijd. Deze verwachting is gebaseerd op grond van het uitgevoerde bureauonderzoek. Geadviseerd wordt dan ook om binnen het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek met als doel het bepalen van de mate van intactheid van de bodem. Op basis van het verkennend booronderzoek kan dan bepaald worden of de middelhoge tot hoge verwachting blijft staan of dat deze naar beneden kan worden bijgesteld en in hoeverre archeologische resten verstoord zullen raken door de aanleg van de parkeerplaats. Op basis van de resultaten van het zowel het bureau- als verkennend booronderzoek kan vervolgens worden geconcludeerd of vervolgonderzoek nodig is of dat het plangebied (deels) kan worden vrijgegeven.
Met betrekking tot de aanbevelingen/bevindingen uit onderhavig onderzoek is contact opgenomen met het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Bergeijk. Gezien er ten behoeve van de realisatie van de parkeerplaats geen bodemingrepen plaatsvinden die dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld, en groter zijn dan 100 m 2, is een nader archeologisch booronderzoek niet noodzakelijk. Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt in het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ ter bescherming van eventueel aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aan deze bestemming getoetst. Wanneer er een omgevingsvergunning wordt aangevraagd waarbij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van het projectgebied groter zijn dan 100 m2 én dieper gaan dan
Hoofdstuk 4
30
0,3 meter onder maaiveld, dient er een archeologisch vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Met onderhavig planvoornemen worden de grenswaarden niet overschreden, het aspect archeologie vormt geen belemmering.
4.13 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het aspect cultuurhistorie heeft geen invloed op het plangebied.
4.14 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt een parkeerterrein mogelijk gemaakt op een perceel dat een woonbestemming en een maatschappelijke bestemming heeft. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Doorwerking plangebied Het aanleggen van een parkeerterrein valt onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject).
Onderhavig planvoornemen ligt echter ver onder de drempelwaarden van kolom 2.
Hoofdstuk 4
31
Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De concrete omstandigheden in dit geval is het aanleggen van een parkeerterrein binnen bestaand stedelijk gebied, in de kern van Bergeijk. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
Hoofdstuk 4
32
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Dit bestemmingsplan is opgesteld om de realisatie van het parkeerterrein met bijbehorende voorzieningen, zoals beschreven in hoofdstuk 2, juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Bergeijk’ en de herziening van het betreffende plan. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen het centrum van Bergeijk nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,
Hoofdstuk 5
33
hoogten en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). Een bestemming kan de volgende elementen bevatten (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.
Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering, alsmede regels ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. Algemene aanduidingsregels: op de verbeelding is een gebiedsaanduiding opgenomen ter plaatse van het ‘waardevol vlak’ conform het gemeentelijk kapbeleid. Binnen deze zone geldt een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden, waaronder het kappen en rooien van bomen en het aanbrengen van verhardingen. In par. 4.9 is nader beschreven welke voorwaarden gesteld zijn.
algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
Hoofdstuk 5
34
algemene wijzigingsregels: dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid om door middel van een wijzigingsplan kleinschalige wijzigingen in de begrenzing van de opgenomen bestemmingen aan te brengen. De voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid zijn aangegeven.
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Groen Aan de noord- en zuidkant van het beoogde parkeerterrein zijn robuustere groenvoorzieningen beoogd. Deze zijn bestemd als ‘Groen’. Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningenbermen en beplantingen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, voet- en fietspaden. Binnen de bestemming mogen uitsluitend gebouwtjes voor nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Verkeer – Verblijfsgebied De overige gronden in het plangebied zijn bestemd als ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. Deze gronden zijn onder andere bedoeld voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen. Binnen de bestemming mogen uitsluitend gebouwtjes voor nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Waarde – Archeologie 2 Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt in het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ ter bescherming van eventueel aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Deze dubbelbestemming is in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aan deze bestemming getoetst.
Hoofdstuk 5
35
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Gemeente is zelf initiatiefnemer Met het aanleggen van het parkeerterrein en het openbare gebied is rekening gehouden in de gemeentelijke begroting voor de aanleg van (kleinschalige) infrastructuur. De gemeente neemt daarin de kosten van inrichting van het openbaar gebied voor haar rekening. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: - Vooroverleg; - Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Omgevingsdialoog Voor het initiatief is een omgevingsdialoog gevoerd met belanghebbenden. Tijdens de openbare informatie Hof-Noord inrichting openbare gebied op 19 juni 2019 is ook de ontwikkeling parkeerterrein HofOost besproken. 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Het voorontwerpbestemmingsplan is aan de betrokken partners toegezonden. Twee instanties hebben schriftelijk een reactie gegeven en daarbij aangegeven te kunnen instemmen met het plan. Het vooroverleg heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het plan. In de toelichting is één verduidelijking opgenomen. Dit is in de Nota inspraak en vooroverleg nader beschreven.
Hoofdstuk 6
36
6.2.3 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Er is voor gekozen om in dit geval inspraak toe te passen, naast het gesprek dat in het kader van de planvoorbereiding al met de omgeving is aangegaan. Er is op 19 juni 2019 een informatieavond gehouden over de herinrichting van het openbare gebied op en in de directe omgeving van het Hof. Tijdens deze avond is ook het voornemen voor een parkeerterrein aan het Hof 150-152 gepresenteerd. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft in het kader van de inspraakprocedure met ingang van 22 oktober 2020 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis. Tevens is het voorontwerp raadpleegbaar geweest via de website van de gemeente Bergeijk en via www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende de periode van de inzage zijn vijf unieke inspraakreacties ingediend. Deze zijn samengevat en van een reactie voorzien in de geanonimiseerde Nota inspraak en vooroverleg in de bijlagen.
De inspraakreacties hebben geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het bestemmingsplan. 6.2.4 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Parkeerplaats Hof 150-152’ heeft – als onderdeel van deze procedure –met ingang van 11 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen op het gemeentehuis. Het bestemmingsplan was daarnaast digitaal toegankelijk via www.ruimtelijkeplannen.nl en de gemeentelijke website. Gedurende de periode van terinzagelegging kon iedereen een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Tijdens de terinzagelegging zijn 5 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de Nota zienswijzen. De zienswijzen hebben niet geleid wijzigingen in de planregels of verbeelding. Wel is een aanpassing aangebracht in de plantoelichting ten aanzien van een passage over te amoveren bomen (p. 25). Het bestemmingsplan is ongewijzigd ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden en het plan is op 30 september 2021 ongewijzigd vastgesteld.
Hoofdstuk 6
37
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Memo parkeren Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Quickscan Flora en fauna Bijlage 4: Stikstof en Aeriusberekening Bijlage 5: Bomen Effect Analyse Bijlage 6: Historisch milieukundig bodemonderzoek Bijlage 7: Waterparagraaf Bijlage 8: Archeologisch onderzoek Bijlage 9: Nota inspraak en vooroverleg
Parkeerplaats Hof 150-152
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 7
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
8
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Groen Verkeer - Verblijfsgebied Waarde - Archeologie 2
8 9 10
Hoofdstuk 3
Algemene regels
13
Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
13 14 15 16 17 18
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
19
Artikel 12 Artikel 13
Overgangsrecht Slotregel
19 20
2
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
Regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan Parkeerplaats Hof 150-152 met identificatienummer NL.IMRO.1724.BPBpph1097-VAST van de gemeente Bergeijk. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
archeologische/cultuurhistorische waarde:
de waarden die aan een gebied of object worden toegekend in verband met het voorkomen van archeologische waarden, bouwkundige waarden of historische landschapswaarden al dan niet in onderlinge samenhang of beïnvloeding. Er is dan sprake van een driedeling: 1. archeologische waarden; 2. (steden)bouwkundige waarden of waarden van de gebouwde (of: bebouwde) omgeving; 3. historische landschapswaarden of historisch-geografische waarden. 1.6
archeologische verwachting:
de verwachting die aan een gebied is toegekend in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten. 1.7
bodemingrepen:
werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten. 1.8
bebouwing:
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.9
bestaand(e situatie):
a. t.a.v. bebouwing:
4
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan (legaal gerealiseerd) op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen. 1.10
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.11
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.12
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.13
bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.14
deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg:
een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg. 1.15
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.16
kunstobject:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met artistieke waarde. 1.17
ondergronds bouwwerk:
een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil. 1.18
opgraven/ opgraving:
de ontsluiting van een vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling beschikkend over een opgravingvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet en werkend volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
5
1.19
overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een vrijstaande dakconstructie met maximaal een wand. 1.20
prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.21
seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.22
voorzieningen van algemeen nut:
voorzieningen ten behoeve van een op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.23
water:
het oppervlakte aan water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. 1.24
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater. 1.25
werk:
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.
6
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2
De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3
De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4
De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.5
Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
7
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
groenvoorzieningen; bermen en beplantingen; speelvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; nutsvoorzieningen; voet- en fietspaden.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor voorzieningen van algemeen nut. Hiervoor gelden de volgende bepalingen: max. 20 m² max. 4 m
Oppervlakte Bouwhoogte 3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: Bouwhoogte terreinafscheidingen Bouwhoogte k unstobjecten Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde Verbod
8
max. 2 m max. 12 m max. 5 m overkappingen zijn niet toegestaan
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
Artikel 4 4.1
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
voorzieningen voor verkeer en verblijf; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor voorzieningen van algemeen nut. Hiervoor gelden de volgende bepalingen: max. 20 m² max. 4 m
Oppervlakte Bouwhoogte 4.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: Bouwhoogte terreinafscheidingen Bouwhoogte palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer Bouwhoogte k unstobjecten Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde
max. 2 m max. 12 m max. 12 m max. 5 m
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
9
Artikel 5 5.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. 5.2
Bouwregels
a. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. b. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag éen of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. 2. De verplichting tot het doen van opgravingen. 3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. c.
Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder b genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd. d. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd. e. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wint zij schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja, welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 5.3.1
Werken en werkzaamheden
Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, over een oppervlakte van 100 m2 of meer: a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage, dieper dan 0,3 m onder maaiveld; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd; c. het ophogen en egaliseren van gronden; d. het verlagen van het waterpeil; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
10
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
g. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt; h. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies; i. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,3 m onder maaiveld. 5.3.2
Uitzonderingen
Het in lid 5.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige; d. binnen een afstand van niet meer dan 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk worden uitgevoerd. 5.3.3
Toelaatbaarheid
a. De in lid 5.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. b. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder a genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd. c.
Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd. d. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld lid 5.3.1 wint deze schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 5.4
Wijzigingsbevoegdheid
a. Burgemeester en wethouders kunnen het plan zodanig wijzigen dat een bestemmingsvlak: 1. naar ligging wordt verschoven; 2. naar omvang wordt vergroot of verkleind; 3. wordt verwijderd; 4. van bestemming wijzigt door de oppervlaktes en de dieptes, vanaf wanneer de bepalingen van toepassing zijn, aan te passen; 5. voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
11
voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft. b. Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder a worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
12
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
13
Artikel 7 7.1
Algemene bouwregels
Ondergronds bouwen
a. Op plaatsen waar gebouwen mogen worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, met dien verstande dat de maximale maten zoals genoemd in de bestemmingen in hoofdstuk 2 van toepassing blijven. Daar waar bovengronds geen gebouwen aanwezig zijn, dient de oppervlakte van het ondergrondse bouwwerk met bijbehorende toegang(en) te worden meegerekend in de maximaal toegestane oppervlakte aan gebouwen. b. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 4 m. 7.2
Afwijken ondergronds bouwen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 7.1 sub b en toestaan dat ondergronds wordt gebouwd tot een verticale diepte van 6 m, mits: a. er geen bezwaren zijn uit oogpunt van de waterhuishouding; b. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 7.3
Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
14
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
Artikel 8 8.1
Algemene gebruiksregels
Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie; b. het gebruik en laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woning.
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
15
Artikel 9
Algemene aanduidingsregels
9.1
Overige zone - houtopstand
9.1.1
Doel aanduiding
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - houtopstand' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van bomen en/of houtgewas.
9.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a Werken en werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas; b. het aanbrengen van verhardingen, voor zover er sprake is van een ontgravingsdiepte van minimaal 0,2 meter ten opzichte van het maaiveld ten behoeve van ontsluitingen en overige verhardingen; c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond; d. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,1 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van drainage en ontginnen; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; f. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-, of drainageleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het ophogen van het maaiveld, anders dan middels het aanbrengen van houtsnippers, boomschors en/of bladafval.
b Uitzonderingen Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud betreffen dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit bestemmingsplan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. worden uitgevoerd op een afstand van ten minste 2,0 meter, gemeten vanuit het hart van de betreffende bo(o)m(en) en/of houtgewas(sen); e. worden uitgevoerd ter plaatse van bestaande fundering.
c Toelaatbaarheid De onder a genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de ontwikkeling van de bomen en/of het houtgewas in de omgeving; b. de mogelijkheden tot herstel van de waarden van de bomen en/of het houtgewas niet onaanvaardbaar worden of kunnen worden verkleind.
16
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
Artikel 10 10.1
Algemene afwijkingsregels
Algemeen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de regels ten behoeve van: Het in geringe mate overschrijden van bebouwingsgrenzen Het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
Een meetverschil geeft daartoe aanleiding.
a. Bouwhoogte kunstobjecten, geen gebouwen zijnde: max. 15 m. b. Bouwhoogte waarschuwings- en/of communicatiemasten: max. 40 m. c. Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: max. 10 m. Het vergroten van de bouwhoogte van gebouwen a. Maximale oppervlakte van de vergroting: max. voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, 10% van het betreffende bouwvlak. luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische b. Bouwhoogte: max. 1,25 maal de maximale ruimten bouwhoogte van het betreffende gebouw.
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
17
Artikel 11 11.1
Algemene wijzigingsregels
Wijzigen algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van waterlopen, wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien waterhuishoudkundige aspecten en/of de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot.
18
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 Artikel 12 12.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%. c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
19
Artikel 13
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Parkeerplaats Hof 150-152'.
20
Bestemmingsplan "Parkeerplaats Hof 150-152" (vastgesteld)
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl