Bijlage 2a.Toelichting en Regels BP Parkeerplaats Hof 150-152.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Parkeerplaats Hof 150-152 Gemeente Bergeijk Vastgesteld Concept
Bestemmingsplan Parkeerplaats Hof 150-152 Gemeente Bergeijk Vastgesteld
Rapportnummer:
P02896_4
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1724.BPBpph1097-VAST
Datum:
september 2021
Opdrachtgever:
Gemeente Bergeijk
Projectteam BRO:
JR, MvDn, JvdA
Concept:
juni 2020
Voorontwerp:
september 2020
Ontwerp:
maart 2021
Vaststelling:
30 september 2021
Bron foto kaft:
Abstract 1
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan voor het mogelijk maken van parkeerplaatsen ter hoogte van Hof 150-152 in Bergeijk.
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 5 6
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling
7 7 7
3. BELEID 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
9 9 10 12
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren 4.2 Akoestiek verkeerslawaai 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.5 Geur Agrarisch 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid 4.8 Ecologie 4.9 Bomeninventarisatie 4.10 Bodem 4.11 Water 4.12 Archeologie 4.13 Cultuurhistorie 4.14 M.e.r.-beoordeling
15 15 16 16 18 20 20 20 21 24 26 27 30 31 31
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen
33 33 33 35
Inhoudsopgave
1
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
36 36 36
6.2.1 Omgevingsdialoog 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Inspraak 6.2.4 Vaststellingsprocedure
36 36 37 37
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Memo parkeren Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Quickscan Flora en fauna Bijlage 4: Stikstof en Aeriusberekening Bijlage 5: Bomen Effect Analyse Bijlage 6: Historisch milieukundig bodemonderzoek Bijlage 7: Waterparagraaf Bijlage 8: Archeologisch onderzoek Bijlage 9: Nota inspraak en vooroverleg
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding De gemeente Bergeijk heeft het voornemen om op het perceel aan het Hof 150 / 152 in het centrum van Bergeijk een parkeerplein met circa 22-30 parkeerplaatsen aan te leggen. De reden hiervoor is vooral dat op het Hof en in de omgeving van het Hof in het centrum van de kern Bergeijk parkeerdruk wordt ervaren. Door extra capaciteit toe te voegen, zal de parkeerdruk verminderen. Onderstaande afbeelding toont het betreffende perceel (rood omkaderd) met daar aangrenzend blauw gearceerd het aangrenzende bestaand openbaar gebied. De totale oppervlakte van het perceel waarvoor de gemeente het bestemmingsplan wil herzien is circa 1.132 m 2.
Figuur 1.1 Plangebied aan het Hof in Bergeijk
Het plangebied heeft op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Bergeijk 2012, herziening 2014’ de bestemmingen ‘Wonen’ ‘Maatschappelijk’, en ‘Tuin’. Het realiseren van de parkeerplaatsen is binnen het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Om het plan mogelijk te maken moet afgeweken worden van het huidige bestemmingsplan. Op deze manier zal de ontwikkeling juridisch-planologisch verankerd worden. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken.
1.2 Plangebied Het plangebied ligt in het centrum van de kern Bergeijk in de gelijknamige gemeente. Bergeijk is een dorp in het zuiden van Noord-Brabant, tussen Eindhoven en de Belgische grens.
Hoofdstuk 1
3
Het plangebied wordt in het noorden begrensd door het Hof. Aan de westzijde grenst de straat Aan ’t Laar met aan deze straat een aantal appartementen. Aan de zuid- en oostkant grenst het plangebied aan het wooncomplex Beukenhof. Kadastraal staat het perceel bekend als de gemeente Bergeijk, sectie B en perceelnummer 4598. Het plangebied heeft een grootte van circa 1.132 m2. Luchtfoto’s met de globale ligging en de grenzen van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.2. De exacte begrenzing van het plangebied volgt uit de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Figuur 1.2 Ligging en begrenzing plangebied (bron: Google Maps).
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor onderhavig plangebied is het bestemmingsplan ‘Centrum Bergeijk 2012’ (d.d. 19 april 2012) vigerend. Daarnaast is op 28 oktober 2014 het bestemmingsplan ‘Centrum Bergeijk 2012, herziening 2014’ vastgesteld. Een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.3.
Figuur 1.3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Centrum Bergeijk 2012’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het vigerend bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Tuin’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’ en heeft een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied’. De bestemmingen ‘Wonen’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Tuin’ maken het niet mogelijk om het plangebied te gebruiken als openbaar parkeerterrein. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Verder is het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren Bergeijk 2018’, vastgesteld op 26 juni 2018 van toepassing. Dit bestemmingsplan verwijst naar het te hanteren gemeentelijk parkeerbeleid ‘Nota Parkeernormen 2017’, als onderdeel van de ‘Module Parkeren’ zoals vastgesteld op 23 februari 2017. Daarmee heeft Bergeijk een planmatige en consequente werkwijze voor het toepassen van de kencijfers vastgesteld. De Nota Parkeernormen voorziet in realistische en actuele parkeernormen voor auto en fiets, met ruimte voor flexibiliteit. Tot slot is het voorbereidingsbesluit ‘Voorbereidingsbesluit wonen – kamergewijze verhuur, vastgesteld op 26 september 2019 van toepassing.
Hoofdstuk 1
5
1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: één verbeelding (plankaart) waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de voorschriften voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan staan beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 met de planbeschrijving, dit gaat in op de beschrijving van de voormalige situatie van het plangebied en de gewenste situatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarbij wordt bekeken of de voorgestane ontwikkeling in lijn is met het beleid. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. Er wordt een antwoord gegeven op de vraag hoe hetgeen in voorliggend plan is vastgelegd juridisch wordt geregeld. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Hoofdstuk 1
6
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie De kern Bergeijk heeft zich ontwikkeld tot een compacte kern, gelegen in een open, agrarisch en natuurrijk buitengebied. De ontwikkeling van het centrumgebied van Bergeijk (‘Het Hof’) is in de periode tot aan de Tweede Wereldoorlog beperkt tot verdichting van de bebouwing langs de dorpslinten. In de periode rond 1950 zijn de gebieden tussen de dorpslinten nog grotendeels onbebouwd en zijn deze in gebruik als agrarisch gebied. Na de jaren ‘50 is het dorpscentrum steeds compacter geworden. Tussen de historische kleinschalige bebouwing, die onder andere aan het noordelijke Hof nog zichtbaar is, zijn recentere nieuwbouwprojecten gerealiseerd. Er hebben zowel kleinschalige als grootschalige ontwikkelingen plaatsgevonden. Door het grote aantal ontwikkelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw is het karakter van het gebied veranderd. Het historische stratenpatroon is door de ontwikkelingen echter nauwelijks aangetast, waardoor dit in de huidige situatie nog een belangrijke drager voor het gebied vormt. Er is sprake van een gevarieerd bebouwingsbeeld, waarin historische en meer recente panden en kleinschalige en grootschalige bebouwing elkaar afwisselen. Het plangebied aan het Hof ligt in het centrum van Bergeijk, even ten oosten van het kernwinkelgebied. Het plangebied is momenteel reeds in eigendom van de gemeente.
Er staat een (voormalige dominees-) woning welke niet wordt bewoond en daarnaast staat er een gebouw welke gehuurd en gebruikt wordt door het wijn- en biermakersgilde Bergeijk.
2.2 Voorgestane ontwikkeling De gemeente Bergeijk heeft het voornemen om op de locatie Hof 150-152 de bestaande bebouwing te slopen en (openbaar)parkeerterrein te realiseren met 22 tot 30 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen zullen hoofdzakelijk gebruikt worden door parkeerders die langere tijd in het centrum moeten zijn (zoals het personeel van winkels). Een deel hiervan parkeert nu elders in het centrum. Het parkeerterrein zal hierdoor voor een verlichting zorgen van de ervaren parkeerdruk in de woonstraten rondom het centrum, bijvoorbeeld op het Sterrepad. Ondanks het stenige karakter van de linten in het centrum, is er een redelijke hoeveelheid aan groen, in de vorm van (laan)beplanting in het straatprofiel, te vinden. Naast deze beplanting is rond het centrumgebied een aantal groene plekken gesitueerd zoals ter hoogte van het plangebied. Bij de herontwikkeling van het perceel naar parkeerterrein blijft er zoveel mogelijk groen gehandhaafd. Het is echter onvermijdelijk dat enkele bomen worden verwijderd. Bij de inrichting van het parkeerterrein is rekening gehouden met de bestaande bomen en worden er nieuwe bomen teruggebracht. Het parkeerterrein wordt uitgevoerd in halfverharding zodat de wateropgave geheel op eigen terrein kan worden geborgen. Figuur 2.1 en 2.2 tonen het voorlopige ontwerp van het plangebied.
Hoofdstuk 2
7
Figuur 2.1 Voorlopige inrichting parkeerterrein Hof-Oost
Figuur 2.2 Schetsontwerp inrichting parkeerterrein Hof-Oost
Hoofdstuk 2
8
3.
BELEID In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen. Doorwerking plangebied Onderhavig plangebied bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van Rijksbelang. Daarnaast worden in de NOVI geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI en voorheen de SVIR is bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
Hoofdstuk 3
9
Doorwerking plangebied De voorgenomen ontwikkeling speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijkeordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking binnen dit bestemmingsplan. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Het aanleggen van een parkeerterrein kan op basis van artikel 1.1.1 Bro worden verstaan als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Echter dient het dan wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling te zijn van enige omvang, dat is in onderhavige ontwikkeling niet het geval. Er wordt een perceel van circa 1.132 m2 herbestemd ten behoeve van het aanleggen van circa 20-30 parkeerplaatsen. Het betreft een kleine ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied. Een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant ‘De kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn?
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
10
De provincie wil het gesprek over stedelijke ontwikkeling dat in de afgelopen decennia werd gedomineerd door de vraag: ‘wat moeten we nog toevoegen’, ombuigen naar het gesprek over: ‘welke opgave en kansen liggen er in het bestaand stedelijk gebied en de bestaande gebouwenvoorraad?’ Duurzame verstedelijking De toenemende verschillen binnen Brabant maken het des te belangrijker om op het niveau van het daily urban system goed samen te werken en keuzes te maken. Het daily urban system is het gebied waarin een inwoner zich dagelijks verplaatst vanwege werk, voorzieningen en sociale contacten. Herbestemmen is het nieuwe bouwen: Als gevolg van economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen staan de steden en dorpen van Brabant steeds vaker voor (omvangrijke) herbestemmings- en transformatieopgaven in hun bebouwde gebied. Hier liggen interessante kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en ook voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en voor woningbouw. Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt een bestaande woning gesloopt en worden de gronden herbestemd om hier een openbaar parkeerterrein te realiseren. Met dit nieuwe parkeerterrein wordt de parkeerdruk aan het Hof en in de omgeving van het Hof verminderd.
Het plan past binnen het gedachtegoed van herstructurering van het bestaand stedelijk gebied en het daily urban system. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld en op 1 maart 2020 is deze geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.
De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De planlocatie waar de parkeerplaats wordt opgericht is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘stedelijk gebied’ en ‘landelijke kern’. Binnen stedelijk gebied zijn ontwikkelingen mogelijk. De Interim Omgevingsverordening verplicht dat ruimtelijke ontwikkelingen een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving bevorderen en houdt rekening met duurzaamheid en hittestress. Voorliggend bestemmingsplan voorziet de in de ruimtelijke onderbouwing van onder andere deze aspecten. Het plangebied ligt in een bestaand stedelijk gebied en wordt niet belemmerd door regels uit de Interim Omgevingsverordening.
Hoofdstuk 3
11
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Bergeijk: Leven en Beleven – Tussen bossen, beken en boerenland. In 2010 is door de gemeenteraad van Bergeijk de structuurvisie’ Structuurvisie Bergeijk – Bergeijk: Leven en Beleven – Tussen bossen, beken en boerenland’, vastgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente. In de structuurvisie is het recente lokaal, regionaal en nationaal beleid vertaald en zijn plannen uit de tussenliggende periode opgenomen. Door de structuurvisie wordt de eenheid in het ruimtelijk beleid van de gemeente bevorderd. Het verschaft andere overheden, organisaties, instellingen, bedrijven en burgers inzicht in de gedragslijnen die van deze overheid kunnen worden verwacht. In individuele gevallen kan een structuurvisie ook dienen als ruimtelijke onderbouwing voor het volgen van een planologische procedure. In de gemeentelijke structuurvisie zijn de verschillende gebieden in de gemeente voorzien van een aanduiding. De Structuurvisie bestaat uit twee delen. Deel A betreft het Ruimtelijk Casco, waarin de toekomstvisie voor de gemeente Bergeijk is opgenomen. Deze visie formuleert het ontwikkelingskader voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete plannen en projecten. In het Projectenplan (deel B) is het ruimtelijk programma voor de korte en middellange termijn benoemd.
Daarnaast is aangegeven welke concrete projecten en plannen op korte termijn richting uitvoering worden gebracht en op welke wijze dat zal gebeuren. Het projectenplan wordt periodiek geactualiseerd. Ruimtelijk Casco Het Ruimtelijk Casco bestaat uit een kaartbeeld en een toelichting, waarbij de toelichting beschouwd kan worden als een uitgeschreven legenda. Op basis van een integrale analyse die is gebaseerd op van de ‘lagenbenadering’ zijn in het Ruimtelijk Casco ruimtelijke keuzes gemaakt voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente Bergeijk. De toekomstvisie van Bergeijk (Ruimtelijk Casco) is opgesteld aan de hand van raamwerken. De kaart met de toekomstvisie van Bergeijk is weergegeven in figuur 3.1. Voor onderhavig bestemmingsplan is de ambitie uit het ‘rode raamwerk’ (infrastructuur, wonen, voorzieningen en bedrijvigheid) van belang. Voor het centrum van Bergeijk heeft de gemeente de visie om het voorzieningenaanbod te behouden, de ruimtelijke kwaliteit en identiteit te versterken, het centrum compact, herkenbaar, vitaal en leefbaar te maken, het Kempische karakter en de dorpse sfeer te behouden, ruimte te bieden voor nieuwe ontwikkelingen, de goede bereikbaarheid te waarborgen en de verblijfskwaliteit te verhogen. Ontwikkelingen moeten passen bij de aard en schaal van de gemeente. Inbreiding wordt nagestreefd indien daardoor een kwaliteitsverbetering optreedt.
Hoofdstuk 3
12
Figuur 3.1 Kaartbeeld toekomstvisie Bergeijk
Projectenplan Het projectenplan bevat een programmatische keuze voor diverse thema’s. Daarnaast is aangegeven waar het programma gerealiseerd wordt en hoe het uitvoeringstraject (koppeling tussen grondbeleid en ruimtelijke ontwikkeling en inzet van Wro-instrumenten) eruitziet. Tenslotte is een projectenoverzicht opgenomen met projecten en maatregelen die de gemeente ter uitvoering van het structuurvisiebeleid wil oppakken. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen in de bestaande dorpskern. Eén van de belangrijkste opgave voor de komende jaren is het behoud van de leefbaarheid. Binnen de kern en het centrum dient er voldoende ruimte te zijn voor parkeren. De gratis openbare parkeervoorzieningen in Bergeijk zijn een belangrijk aspect in de aantrekkingskracht en de verblijfkwaliteit van het centrum. In de omgeving Hof wordt momenteel parkeerdruk ervaren. Voldoende parkeergelegenheid is belangrijk om de economische concurrentiepositie van de winkels en bedrijven optimaal te houden. Met de beoogde ontwikkeling van parkeerterrein aan het Hof zullen de ruimtelijke ambities van de gemeente Bergeijk worden gehandhaafd. De oude bebouwing wordt gesloopt en er wordt een nieuwe parkeerterrein met een groene uitstraling gerealiseerd.
Onderhavig bestemmingsplan zal zo een bijdrage leveren aan de gewenste versterking en leefbaarheid van het centrum en past binnen de gemeentelijk structuurvisie.
Hoofdstuk 3
13
Centrumvisie Bergeijk De gemeente Bergeijk streeft in haar detailhandelsbeleid al geruime tijd naar een versterking van de ruimtelijke kwaliteit het centrumgebied door een verdere concentratie van het winkel en voorzieningenaanbod in een compacter, aantrekkelijk ingericht gebied. Voor het centrum van Bergeijk is een visie opgesteld (2003). Onder de naam Centrumvisie Bergeijk zijn de ambities voor de kern van Bergeijk verwoord. Om deze ambities te verwezenlijken zijn door middel van vier pijlers de beoogde ingrepen en doelen opgesomd. De vier pijlers gericht op het centrumbeleid zijn: - de winkelstraat is de ruggengraat; - naar een compact en herkenbaar centrum; - authentiek Bergeijk; - bereikbaar en leefbaar hand in hand. Met de “Actualisatie centrumvisie Bergeijk” uit 2015 en de “Update centrumvisie Bergeijk 2017 (vastgesteld 31-10-2017)” wordt de ingezette lijn voortgezet. In de Actualisatie en Update Centrumvisie staat dat wordt gestreefd naar concentratie van detailhandel in het kernwinkelgebied. Nieuwe ontwikkelingen worden daar toegestaan en daarbuiten niet. Voor een sterk kernwinkelgebied is verkeersveiligheid en voldoende parkeergelegenheid belangrijk. Parkeervoorzieningen komt in de centrumvisie en de updates hiervan steeds als knelpunt naar voren. Parkeren wordt als belangrijk hoofdthema gezien in de centrumvisie.
De “Update centrumvisie Bergeijk 2017”geeft aan: Parkeren blijft een issue in en rondom het centrum van Bergeijk, zowel in het kernwinkelgebied als in het aanloopgebied. Het is van belang om na te denken over verdere optimalisatie. Doorwerking plangebied De ontwikkeling voorziet in het realiseren van nieuwe parkeerplaatsen aansluitend op het kernwinkelgebied van de gemeente Bergeijk. Uit de centrumvisie blijkt dat parkeren al jaren een belangrijk hoofdthema en knelpunt vormt in het centrum. Met onderhavige ontwikkeling worden er 22-30 parkeerplaatsen gerealiseerd, dit zal een positieve invloed hebben op de parkeerdruk die momenteel aan en rondom het Hof ervaren wordt. De ontwikkeling is daarmee in lijn met de Centrumvisie Bergeijk.
Hoofdstuk 3
14
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. Het vigerende parkeerbeleid van de gemeente Bergeijk ligt vast in de ‘Nota Parkeernormen; Beleid, maatwerk en toepassing’ d.d. 3 januari 2017. De nota is een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in de gemeente Bergeijk, om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan. Doorwerking plangebied Voor onderhavige ontwikkeling is er door IV-Infra een onderzoek gedaan naar het verkeer en parkeren. De uitkomsten staan beschreven in de memo verkeer en parkeren, welke is toegevoegd als bijlage bij dit bestemmingsplan. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies besproken. Verkeer Het aantal verkeersbewegingen zal bij de ingebruikname van het parkeerterrein beperkt zijn. Het parkeerterrein biedt ruimte aan 20 tot 30 voertuigen. Aangezien het parkeerterrein voornamelijk door langparkeerders gebruikt gaat worden, zal de turnover 2 laag zijn.
Voor een gemiddelde situatie kan ervan uitgegaan worden dat iedere parkeerplaats in een etmaal door gemiddeld één voertuig gebruikt wordt. Dit zijn 60 verplaatsingen per etmaal (30 heen en 30 terug). Als worst-case scenario kan een gebruik door gemiddeld twee voertuigen per parkeerplaats per etmaal gehanteerd worden. Dit komt overeen met maximaal 120 verplaatsingen per etmaal. Deze lage intensiteiten zullen geen negatieve invloed hebben op de verkeersafwikkeling op de omliggende wegen. Parkeren Om de ervaren parkeerdruk rondom het centrum te verlichten heeft de gemeenteraad geld beschikbaar gesteld ten behoeve van de strategische aankoop van gronden en/of panden in of nabij het Hof, die geschikt zijn voor de realisatie van parkeerplaatsen voor de verschillende ontwikkelingen in de omgeving. Om de parkeerdruk te verlichten heeft de gemeente Bergeijk de locatie Hof 150-152 aangekocht en is voornemens om op deze locatie een parkeerterrein te realiseren met 22 tot 30 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen zullen hoofdzakelijk gebruikt worden door parkeerders die langere tijd in het centrum moeten zijn (zoals het personeel van winkels). Een deel hiervan parkeert nu elders in het centrum. Het parkeerterrein zal hierdoor voor een verlichting zorgen van de ervaren parkeerdruk in de woonstraten rondom het centrum, bijvoorbeeld op het Sterrepad.
Het parkeerterrein ligt op zeer korte loopafstand 2
De turnover is het gemiddeld aantal keren dat een parkeerplaats per dag wordt bezet.
Hoofdstuk 4
15
van de winkels en andere voorzieningen aan het Hof noord, waardoor de drempel om het terrein te gebruiken laag is. Het parkeerterrein ligt bijvoorbeeld op circa 150 meter loopafstand van de ingang van de nieuwe supermarkt. Het parkeerterrein zal in de beginfase naar verwachting nog niet volledig bezet zijn. Het terrein kan daardoor ingezet worden om de extra parkeervraag van andere, nieuwe ontwikkelingen op te vangen.
4.2 Akoestiek verkeerslawaai De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) en het daaraan hangende Besluit geluidhinder (Bgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidgevoelige objecten. Een parkeerterrein betreft echter geen geluidgevoelig object, zodat een onderzoek naar weg-, railverkeers- of industrielawaai niet aan de orde is. Inzake de geluidseffecten vanuit het parkeerterrein op de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering. Doorwerking plangebied Er worden geen geluidgevoelige objecten opgericht. De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. De uitstraling van geluid op omliggende geluidgevoelige objecten ten gevolge van het parkeerterrein (indirecte hinder) wordt in paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering besproken.
4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
Hoofdstuk 4
16
Om te bepalen of de luchtkwaliteit in de toekomstige situatie aan de normen voldoet is de NIBM-tool ingevuld. Onderhavig plan zal in 2020/2021 gerealiseerd worden. Het worst-case scenario van aantal extra voertuigbewegingen is in de toekomstige situatie 120. Het aandeel vrachtverkeer is 0,0%. Door deze gegevens in te vullen in de NIBM-tool is te zien dat de hoeveelheid NO2 in de toekomstige situatie 0,10 µg/m3 zal zijn en het aandeel aan PM-10 zal 0,02 µg/m3 zijn. Hierdoor is de bijdrage van het extra verkeer ‘niet in betekenende mate’. Dit staat weergegeven in tabel 4.1.
Tabel 4.1 NIBM-tool
Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, wordt gekeken naar de achtergrondwaarden. Deze achtergrondwaarden kunnen achterhaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In tabel 4.2 zijn de achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Meetpunt NO2 μg/m3 26916 18.1 26917 18.7 26924 18.2 26925 19.2 Norm 40
PM10 μg/m3 19.0 19.1 19.0 19.2 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.8 6.9 6.8 7.0 35
PM2.5 μg/m3 11.5 11.5 11.5 11.6 25
Jaar 2020 2020 2020 2020
Tabel 4.2 Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
De bijdrage van het extra verkeer is ‘niet in betekenende mate’, waardoor geen nader onderzoek ten behoeve van de luchtkwaliteit noodzakelijk is. Ook de normen voor de achtergrondwaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
17
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Het parkeerterrein zelf betreft geen milieugevoelige functie. In dit geval hoeft daarom alleen bekeken te worden of het goede woon- en leefklimaat van de milieugevoelige functies in de omgeving gewaarborgd kan blijven. In de bestaande situatie is het plangebied bestemd tot en in gebruik voor wonen en maatschappelijke doeleinden.
De directe omgeving van het plangebied wordt, gelet op de functiemenging en ligging aan de weg Hof en het centrum van Bergeijk aangeduid als gemengd gebied. In de omgeving van het plangebied zijn woningen gelegen. Omwonenden kunnen door de aanleg van het parkeerterrein overlast ondervinden. Voor de situering ten opzichte van de omliggende woningen is volledigheidshalve een akoestisch onderzoek4 uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. In het onderzoek zijn de geluidniveaus afkomstig van de gewenste parkeerplaats op de bestaande woningen in de omgeving van het Hof 150-152 in Bergeijk berekend. Getoetst is of ter plaatse van de bestaande woningen in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat.
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek industrielawaai, openbare parkeerplaats Hof 150-152 te Bergeijk. Referentienummer: 20200536.v01, 3 juni 2020. 4
Hoofdstuk 4
18
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit het onderzoek is gebleken dat aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving. Er wordt in het kader van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dan ook geen probleem verwacht aangaande het heersende binnenniveau. De hoogst berekende waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt afgerond 46 dB(A) etmaalwaarde. Om het gewenste binnen niveau van 33 dB(A) te behalen is dan een gevelwering van 13 dB nodig, een dergelijke gevelwering is in vrijwel alle gevallen gewaarborgd. Gezien de opbouw van de desbetreffende geveldelen zijn er geen redenen om te vermoeden dat deze gevelwering niet behaald zal worden. Maximaal geluidniveau Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van in totaal 28 beoordelingspunten niet aan de richtwaarde uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Deze overschrijdingen worden veroorzaakt door piekgeluiden van dichtslaande portieren in de dag, avond en nachtperiode en door piekgeluiden van optrekkende personenwagens in de avond en nachtperiode. Ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt wel aan de richtwaarde uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering voldaan.
Omdat echter niet voldaan kan worden aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering zijn mogelijke maatregelen beschouwd: - Bronmaatregelen (maatregelen aan de auto’s): deze zijn op de openbare parkeerplaats niet mogelijk. Gelet op de lage turnover op de parkeerplaats (waarschijnlijk maximaal 1 tot 2, zie ook paragraaf 4.1), zal het aantal voertuigen dat in de avond (max. 24x) en nachtperiode (max. 6x) aankomt of vertrekt dermate laag zijn dat hinder in de omgeving niet te verwachten is. Te meer daar deze piekgeluiden als gebiedseigen worden beschouwd. Immers veroorzaken de personenwagens op de openbare weg en op de parkeerplaats van bijvoorbeeld de buren gelijkwaardige piekgeluiden. - Overdrachtsmaatregelen (maatregelen tussen de bron en de ontvanger): De overschrijdingen worden, met uitzondering van 4 beoordelingspunten, vooral berekend ter plaatse van beoordelingspunten op een hoogte van 5,0 en 8,5 meter boven het maaiveld. Een afschermende voorziening van circa 6-10 meter hoog zal benodigd zijn om te komen tot de richtwaarden uit stap 2. Een afschermende voorziening van dergelijke omvang wordt echter uit stedenbouwkundig en financieel oogpunt niet wenslijk/doelmatig geacht. Het plangebied wordt dermate ingericht dat het open en groene karakter een belangrijk richtpunt is voor deze ontwikkeling.
Een (hoge) afschermende voorziening past niet in deze gedachtegang. - Maatregelen bij de ontvanger: gesteld kan worden dat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd is wanneer in het kader van piekgeluiden het binnen niveau maximaal 55 dB(A) in de dagperiode, 50 dB(A) in de avondperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode bedraagt. Dit volgt onder meer uit het Activiteitenbesluit (Artikel 2.17). De hoogst berekende waarden bedragen respectievelijk 71,0 dB(A) in de dagperiode en 70,1 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Onderstaande gevelwering is benodigd om per periode een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat binnen in de woningen te garanderen: 71,0 – 55,0 = 16,0 dB in de dagperiode 70,1 – 50,0 = 20,1 dB in de avondperiode 70,1 – 45,0 = 25,1 dB in de nachtperiode. Een gevelwering van 20 dB wordt in het Bouwbesluit 2012 geëist als het gaat om nieuwbouw. In dit geval is echter geen sprake van nieuwbouw, maar van bestaande woningen in de omgeving. In de praktijk blijkt dat deze 20 dB in een groot deel van de gevallen ook behaald wordt bij bestaande bouw. In de dag- en avondperiode kan dan ook gesteld worden dat een aanvaardbaar woon- en
Hoofdstuk 4
19
verblijfsklimaat is gegarandeerd. Voor de nachtperiode kan deze conclusie niet worden overgenomen. Een gevelwering van 25 dB bij bestaande bouw zal moeten worden aangetoond met een passende berekening. Echter, gezien de piekgeluiden maximaal 6x in de nachtperiode plaats zullen vinden (en dit is al een ruime aanname) wordt een nader onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende gevels niet noodzakelijk geacht. Concluderend kan worden gesteld dat de hierboven beschreven maatregelen niet doelmatig worden geacht. Daarbij is aangegeven dat de piekgeluiden dermate weinig voor zullen komen dat hinder in de omgeving niet te verwachten. Tevens is van belang dat ook binnen de huidige bestemming ‘Maatschappelijk’ op het oostelijk plandeel de realisatie van een parkeervoorziening ten dienste van de maatschappelijke functie reeds mogelijk is. Dergelijke piekgeluiden kunnen ook in de huidige planologische situatie aan de orde zijn. Bovendien is er in het onderzoek uitgegaan van een worst-case scenario met 120 verplaatsingen. Dit is een verdubbeling van het aantal verplaatsingen per etmaal (30 heen en 30 terug) bij ‘normaal gebruik’. Naar verwachting zal in werkelijkheid het aantal verplaatsingen en dus piekgeluiden nog lager zijn. Met de overschrijdingen is er nog steeds sprake van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat binnen de bestaande woningen in de omgeving.
Indirecte hinder Uit het onderzoek is gebleken dat aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. Gesteld kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving. Gelet op het bovenstaande zijn er wat betreft geluid geen knelpunten voor het vestigen van de gewenste parkeerplaats op de locatie Hof 150-152 te Bergeijk.
4.5 Geur Agrarisch Onderhavig plan voorziet niet in de realisatie van geurgevoelige objecten. Het aspect geur agrarisch vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Bovendien liggen er in de omgeving van het centrum van Bergeijk geen veehouderijen of andere bedrijven met een bepaalde ‘geur-uitstraling’.
4.6 Kabels en leidingen Blijkens het vigerende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland zijn er binnen de grenzen van het plangebied geen kabels en/of leidingen aanwezig die relevant zijn voor de ontwikkelingen van het plangebied. In de omgeving van het plangebied lopen tevens geen hoogspanningsleidingen.
4.7 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
Hoofdstuk 4
20
In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. Doorwerking plangebied Een parkeerterrein betreft geen kwetsbare of beperkt kwetsbare functie. Tevens wordt de aanleg van een parkeerterrein geen risicobron gerealiseerd. Een nadere toetsing aan het beleid inzake externe veiligheid is dan ook niet noodzakelijk. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er dan ook geen belemmeringen.
4.8 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Er is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd, de volledige rapportage is opgenomen in de bijlagen. In deze toelichting staan de belangrijkste bevindingen en conclusies. Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux”, bevindt zich op circa 1 kilometer afstand ten zuidoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten.
Hoofdstuk 4
21
Daar de voorgenomen plannen betrekking hebben tot het slopen van bestaande bebouwing en de aanleg van parkeergelegenheden, is slechts een geringe uitstoot van stikstof te verwachten. Stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is dus redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Volledige zekerheid omtrent het aspect stikstof is echter alleen verkrijgbaar middels een berekening in AERIUS Calculator. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit deze berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen is de notitie AERIUS opgenomen alsook de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuur-netwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 500 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Ten behoeve van het kappen van de bestaande bomen is een Bomen Effect Analyse gedaan, in paragraaf 4.9 Bomeninventarisatie wordt hier nader op ingegaan.
Hoofdstuk 4
22
Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn.
In tabel 4.3 staat samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Derhalve worden er tijdelijk 4 paalkasten geplaatst in de omgeving van het plangebied. Vervolgens wordt in de eindsituatie een paalkast op het parkeerterrein geplaatst, waarmee een duurzame alternatieve verblijfplaats is voorzien. Daarnaast wordt er middels een vervolgonderzoek zekerheid geboden omtrent de aanwezigheid van bijzondere verblijfplaatsen als kraamverblijfplaatsen en massawinterverblijfplaatsen.
Voor de sloop van het gebouw dient een controleronde uit te wijzen of er geen vleermuizen meer in het gebouw zijn. Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
Hoofdstuk 4
23
Tabel 4.3 Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Algemeen
Potentieel
Sprake van
aanwezig
overtreding
Ja
Te voorkomen
Broedvogels
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Plangebied
Globale broedseizoen loopt van
buiten
broedseizoen bouwrijp maken
maart tot half augustus
of controle vooraf Jaarrond
Nee
Nee
-
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek
-
beschermd Verblijf Vleermuizen
plaatsen
naar
ge-
bruik van gebouw door vleer-
Bij aanwezigheid is voor de sloop een ontheffing nodig
muizen Foerageer-
Nee
Nee
-
-
Ja
Te voorkomen
-
Licht gericht of uitstralend op op-
habitat Vliegroutes
gaand groen dient te worden vermeden Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de egel
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
4.9 Bomeninventarisatie Bomenkapbeleid gemeente Bergeijk Binnen de bebouwde kom zijn waardevolle bomen, groepen, structuren en vlakken aangewezen die in beginsel niet gekapt mogen worden tenzij er zwaarwegende argumenten zijn. Deze bomen staan op een zogenaamde A-lijst. De rest is kapvergunningvrij. De locatie Hof 152 ligt in een waardevol bomenvlak. Dat betekent dat een kapvergunning nodig is en een herplantplicht zal worden opgelegd, voor de locatie Hof 150 geldt dit niet. De voorgenomen werkzaamheden voor onderhavige ontwikkeling vinden plaats binnen de invloedssfeer van 32 bomen. Derhalve is door Pius Floris Boomverzorging onderzoek uitgevoerd naar de kwaliteit en (on)mogelijkheden met betrekking tot duurzame instandhouding van de bomen ter hoogte van Hof in Bergeijk. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 4
24
Bij het slopen van bebouwing en overige objecten dient zowel bovengronds als ondergronds (fundering) ‘van de boom af’ te worden gewerkt. Met name bij de oude beukenhaag komt bebouwing aan weerszijden zeer dicht bij de bomen. Aanbevolen wordt om de sloop van bebouwing binnen een straal van 1,5 meter vanaf de stam van bomen handmatig uit te voeren. Buiten deze zone mag bovengronds machinaal worden gewerkt. Bij het verwijderen van funderingen mag niet verder worden uitgegraven dan de huidige rand van deze funderingen. Voornoemde voorwaarden gelden ook voor het verwijderen/slopen van (funderingen onder) verhardingen en hekwerk. Daar waar ondergrondse objecten worden verwijderd die binnen de kroonprojectie van de bomen vallen dient, onder toezicht van een ter zake kundig boomspecialist, eerst handmatig te worden voorgestoken om na te gaan of bij het verwijderen van de objecten geen belangrijke wortels worden beschadigd. Verplaatsingen van voertuigen ten behoeve van de sloop (sloopmaterieel, aan- afvoer materiaal, enz.) dient zoveel mogelijk over verharding te gebeuren. Hiervoor mag ook de verharding worden gebruikt in de achtertuin van Hof 150. Om deze reden wordt dan ook geadviseerd deze verharding pas te verwijderen nadat sloop- en rooiwerkzaamheden zijn uitgevoerd.
Verharding op het terrein van hof 152 heeft op zichzelf onvoldoende draagkracht, toch wordt ook hier geadviseerd de verharding pas na sloop- en rooiwerkzaamheden te verwijderen om de aanwezige draagkracht te benutten. Omdat het oprijden van open grond onvermijdelijk is dienen in het gebied rijplaten te worden aangebracht, om verdichting van de ondergrond te voorkomen. Rijplaten zijn toegestaan vanaf 1,5 meter vanaf de rand van de stamvoet van bomen en dienen overal toegepast te worden op het terrein van Hof 152 waar verplaatsing van zwaar materieel plaatsvindt. Tevens moeten zij worden toegepast op plaatsen waar op het terrein van Hof 150 in de huidige situatie open grond aanwezig is. Oprijden van open grond zonder rijplaten is nimmer toegestaan. Te verwijderen bomen en overige beplanting mag niet worden uitgetrokken. Dit om schade aan het wortelgestel van te behouden bomen te voorkomen. De te verwijderen beplanting dient te worden afgezaagd. Stobben mogen worden gefreesd. Ontstane gaten in het gebied, onder andere door sloop van gebouw en het zwembad, dienen als volgt te worden opgevuld: 0-20 cm minus maaiveld: geen opvulling (cunet); 20-80 cm minus maaiveld: zwarte teelaarde; >80 cm minus maaiveld: geen specifieke eisen voor grond/zand. Verder kunnen verplaatsingen van verkeer in het gebied nu of in de toekomst bovengrondse knelpunten opleveren.
Enkele bomen vertonen scheefgroei. Uitzakkende probleemtakken <4cm diameter mogen door een deskundige worden gesnoeid, maar kronen van bomen mogen niet worden teruggezet. Wanneer een boom binnen de doorrijhoogte groeit dient de keuze worden gemaakt om deze parkeerplaats op te heffen. Bovendien wordt aanbevolen om daar waar veel in- en uitdraaiend verkeer wordt verwacht permanente obstakels (boombescherming) te plaatsen om aanrijschade te voorkomen. Tot slot zijn aanbevelingen gedaan om de hemelwaterbeschikbaarheid voor alle bomen in het gebied te blijven handhaven. Zo wordt sterk aangeraden om bij de aanleg van tenminste de parkeervakken gebruik te maken van grastegels en is aanbevolen de geen verharding tussen het noordelijke en het zuidelijke gedeelte van de parkeerplaats op te nemen. Wel kan ruimte voor een voetgangersoversteek tussen de twee gedeelten te realiseren worden opgenomen.
Hoofdstuk 4
25
Met inachtname van bovenstaande aandachtspunten en de aanvullende randvoorwaarden uit de rapportage, is er sprake van duurzame instandhouding van de bomen. In de uitvoering wordt met het hierboven beschrevene rekening gehouden. Naar aanleiding van de eerder uitgevoerde Boom Effect Analyse heeft op 25 juni 2020 een aanvullend veldbezoek plaatsgevonden aan Hof in Bergeijk. Doel van het veldbezoek was het bepalen van randvoorwaarden voor het nieuwe ontwerp voor de herinrichting van het perceel Hof 150 – Hof 152. Om duurzaam boombehoud te bevorderen heeft de gemeente Bergeijk gevraagd nadere randvoorwaarden op te stellen voor een hernieuwd ontwerp. Naar aanleiding van dit aanvullend veldbezoek is er een aanvullende memo met randvoorwaarden geschreven, deze is opgenomen in de bijlage bij dit bestemmingsplan. Op basis van het aanvullend veldbezoek zijn de volgende uitgangspunten voor het ontwerp geformuleerd: 1) Herziening verhardingsoppervlakten: deze dienen opnieuw te worden ingetekend zodat deze conformeren aan de in de memo gestelde randvoorwaarden en dienen te zijn opgemaakt uit een zo open mogelijke bestrating inclusief een grove fractie voor het cunet in verband met de opname van hemelwater; 2) Op plaatsen waar in de huidige situatie bebouwing aanwezig is, mag halfverharding worden aangebracht, ook wanneer dit binnen een zone van 2 meter vanaf de boom komt.