CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2. Voorderstraat-Heiereind ong_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 25 november 2021, gemeente BergeijkBij agendapunt: RV Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind te Riethoven, ongenummerd17.474 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

28

4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1

Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn regels opgenomen voor de bescherming van water ten behoeve van waterwinning voor menselijke consumptie en ten aanzien van grondwaterbescherming. Uit Afbeelding 12 blijkt dat het plangebied is gelegen buiten een beschermingszone voor waterwinning voor menselijke consumptie. Het plangebied is deels gelegen binnen de aanduiding ‘reservering waterberging’. Echter is in paragraaf 3.2.3 van deze toelichting reeds uiteengezet dat wordt voldaan aan artikel 3.36 van de Interim omgevingsverordening ten behoeve van het beschermen van de waterbergingsfunctie.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

29

Afbeelding 12: Uitsnede kaart grondwaterbescherming & waterwinning voor menselijke consumptie Iov, plangebied rood omcirkeld De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plan en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend.

Zoals weergegeven is in Afbeelding 13 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ en ‘Water in bebouwd gebied’ toegekend gekregen. De aanduiding ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. De aanduiding ‘Water in bebouwd gebied’ komt overeen met de aanduiding ‘stedelijk

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

30

concentratiegebied/kernen in het landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het waterbeheer in deze gebieden draagt bij aan een goed functionerend watersysteem. Dat in de beoogde situatie een goed functionerend watersysteem in stand wordt gehouden blijkt uit de toelichting in paragraaf 4.2.3.

Afbeelding 13: Uitsnede kaart PMWP Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

31

Gemeente De gemeente Bergeijk heeft een verbreed gemeentelijk rioleringsplan (2015-2019), waarin het beleid ten aanzien van vuil- en regenwater is vastgelegd overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Conform het gemeentelijk beleid mogen percelen die kleiner zijn dan 250 m² hemelwater afvoeren op het gemeentelijk rioolstelsel, terwijl percelen met een oppervlak van meer dan 250 m² verplicht zijn om hemelwater op eigen terrein te verwerken. Voor nieuwbouw verplicht de gemeente de aanleg van 60 mm hemelwaterberging op eigen terrein per m² verharding.

4.2.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie is geen sprake van een lozing van bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard. Het plangebied is in de bestaande situatie in gebruik als grasland ten behoeve van agrarisch gebruik. Op de agrarische gronden vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. De beoogde woonbestemming aan de Voorderstraat is gelegen binnen de bodemkundige eenheid ‘beekdallandschap; matig voedselrijk en vochtig tot nat’ en de beoogde woonbestemming aan de Heiereind is gelegen binnen de bodemkundige eenheid ‘eerdgronden; voedselrijk en vochtig tot droog’. Afbeelding 14 weergeeft de geohydrologische opbouw van de beoogde woonbestemmingen.

Afbeelding 14: Bodemkundige hoofdeenheden De gemiddelde hoogste grondwaterstand in het plangebied liggen tussen de 60-80 cm onder maaiveld, zie Afbeelding 15.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

32

Afbeelding 15: Kaart gemiddeld hoogste grondwaterstand, plangebied rood omkaderd 4.2.3

Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie worden twee woonkavels gecreëerd, waarop op iedere kavel één woning kan worden gerealiseerd. In beide woningen zal huishoudelijk afvalwater ontstaan. Hiervoor worden de nodige voorzieningen aangebracht en worden de nieuwe woningen aangesloten op de gemeentelijke riolering. Het hemelwater zal infiltreren in de bodem. Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel, die in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij die ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Direct langs de zuidgrens van perceel E1565 ligt de A-watergang KS77, zie Afbeelding 16. Bij extreem hoogwater overstroomt het perceel vanuit deze watergang. In de Interim omgevingsverordening is een aanduiding ‘Reservering waterberging’ opgenomen om het behoud van het waterbergend vermogen rondom dit water te borgen.

In paragraaf 3.2.3 van deze toelichting is reeds uiteengezet dat wordt voldaan aan artikel 3.36 van de Interim omgevingsverordening ten behoeve van het beschermen van de waterbergingsfunctie. Het beregeningsbeleid is gericht op het wel of niet mogen beregenen door agrarische bedrijven, derhalve zorgt de aanduiding ‘invloedsgebied Natura 2000’ niet voor beperkingen om de woningen te kunnen realiseren. De exacte afmetingen van de beoogde woningen zullen nog nader bepaald worden. Vooralsnog is in de beoogde situatie uitgegaan van 150 m² per woning. Per woning is tevens een maximale oppervlakte aan bijgebouwen van 150 m² mogelijk. Het komt er dus op neer dat de maximale oppervlakte aan bebouwing (en dus puntbelasting door verharding) per woonkavel 300 m² zal zijn. Voor de twee woonkavels bedraagt de totale toename aan verhard oppervlak dus 600 m². Omdat er waarschijnlijk een toename verharding is van meer dan 500 m² dienen er mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Vanuit de gemeente geldt tevens een bergingseis van 60 mm per m² verharding. Deze bergingseis is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan, waardoor de opvang van hemelwater gewaarborgd is. De opvang van het hemelwater zal plaatsvinden middels het realiseren van infiltratie trappen of middels de aanleg van een poel/greppel tussen de woonbestemmingen in.

Uit Afbeelding 14 blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand relatief diep is gelegen, dus dat de infiltratievoorzieningen boven de verwachte gemiddelde hoogste grondwaterstand kunnen komen te liggen.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

33

Afbeelding 16: Uitsnede keurkaart Waterschap de Dommel. Bij de nieuwbouw zal gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen en zullen uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC, achterwege worden gelaten. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

Conclusie

Uit bovenstaande toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten met zich mee zal brengen voor wat betreft de waterhuishoudkundige situatie. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

34

Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Verordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Interim omgevingsverordening (Iov). Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart behorende bij paragraaf 3.2.3 van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 17. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Afbeelding 17: Uitsnede Natuur Netwerk Brabant conform paragraaf 3.2.3 Iov, plangebied zwart omcirkeld 4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en Kempenland-West. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

35

aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, dat op een afstand van circa 2,1 kilometer ligt. Op 1 juli 2021 is de Wet Stikstofreductie en natuurbescherming in werking getreden. In het kader van deze wet is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van de woningen. Voor het gebruik van de Ruimte-voor-Ruimte woning en de woning in de kern is een AERIUSberekening uitgevoerd. Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend op omliggende Natura 2000-gebieden. De onderbouwing en de invoergegevens van de AERIUSberekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 3 van deze toelichting. De berekening is toegevoegd in Bijlage 4 van deze toelichting. Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden.

Overige storingsfactoren De beoogde woningen leiden verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten.

Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

36

Gelet op de aard van het initiatief aan de Voorderstraat en Heiereind dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Het huidige gebruik van het plangebied betreft een weiland zonder bomen of andere waardevolle ecologische elementen. Derhalve is de aanwezigheid van beschermde soorten niet te verwachten. Op 6 december 2019 is door Ijzerman Advies een quick scan flora en fauna uitgevoerd waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora & fauna aanwezig zijn. Tijdens deze controle is gebleken dat er géén beschermde soorten ter plaatse van het plangebied aanwezig zijn, zie Bijlage 5. Een nader onderzoek in het kader van flora & fauna is door het ontbreken van geschikte biotopen en vast verblijfslocaties dan ook niet noodzakelijk. Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de beoogde ontwikkelingen niet in gevaar gebracht.

4.4 Bodemkwaliteit Bij ruimtelijke plannen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit risico's (humaan) met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan het bestemmingsplan om bepaalde nieuwe functies toe te staan geen doorgang vinden tot de risico's zijn beheerd of weggenomen door sanering. De beoogde woonkavels worden gerealiseerd ter plaatse van gronden die tot op heden onbebouwd zijn en in gebruik zijn als weiland. Hiervoor wordt een bestemmingsplanwijziging doorgevoerd, waarbij de agrarische bestemming wordt omgezet in een woonbestemming. In de beoogde woningen zullen mensen 2 uur of langer verblijven. Om inzicht te krijgen in de actuele milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er op de locatie verontreinigde stoffen in de grond en/of grondwater aanwezig zijn, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Lycens, zie Bijlage 6. Uit het bijgevoegde verkennend bodemonderzoek blijkt dat er omtrent het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.5.1

Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de kaart behorende bij paragraaf 3.2.4 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 18. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

37

Afbeelding 18: Kaart aardkundige en/of cultuurhistorische waarden Iov (paragraaf 3.2.4) 4.5.2

Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening SRE Milieudienst opdracht gegeven een regionale erfgoedkaart op te stellen. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: de inventarisatiekaarten, de verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en de beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. Het plangebied is op de archeologische beleidskaart aangeduid als ‘categorie 3: Gebied met hoge verwachting (historische kernen en linten)’ en als ‘categorie 4: Gebied met hoge verwachting’, zie Afbeelding 19. Ter plaatse van de gronden in categorie 3 geldt dat een archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 250 m² én dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld.

Bij gronden in categorie 4 geldt dat een archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² (1.000 m² bij bestemmingsplanwijzigingen) én die dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij esdekken of agrarisch bestemde gronden. In de beoogde situatie worden een Ruimte-voor-Ruimte kavel aan de Heiereind en een woonkavel aan de Voorderstraat mogelijk gemaakt waarop per kavel de bouw van één woning mogelijk zal zijn. Het beoogde woonperceel aan de Voorderstraat (E 1565) heeft een oppervlakte van 1.135 m² en het beoogde woonperceel aan de Heiereind (E 61) heeft een oppervlakte van 1.463 m². Het totale plangebied in het kader van dit bestemmingsplan heeft dus een oppervlakte van 2.598 m². Opgemerkt dient te worden dat de beide woningen binnen categorie 3 gerealiseerd zullen worden. Zoals al eerder in deze toelichting is benoemd is uitgegaan van een afmeting per woning van 15 bij 10 meter, dus 150 m². Tevens moet opgemerkt worden dat per woning een bijgebouw met een maximale oppervlakte van 150 m² mogelijk is. Het komt er dus op neer dat de maximale oppervlakte aan bebouwing per woonkavel 300 m² zal zijn. Voor de twee woonkavels bedraagt de maximale oppervlakte dus 600 m². In categorie 3 is een archeologisch onderzoek vereist bij te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 250 m².

Er zal derhalve een archeologisch onderzoek worden

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

38

opgesteld waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd óf dat de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad óf dat er binnen het plangebied geen archeologische waarden aanwezig zijn. Door Transect B.V. is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit het veldonderzoek blijkt dat er in ieder geval sprake is van een hoge archeologische verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd vanaf circa 50-70 cm – Mv, zie Bijlage 7. Om die reden adviseert Transect B.V. een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase, indien in het plangebied graafwerkzaamheden beneden 30 cm -Mv worden uitgevoerd (dit is met inbegrip van een buffer van 20 cm). Reden voor dit onderzoek is om in beeld te brengen of en in hoeverre er nog archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voor dit onderzoek dient de werkwijze te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat door de gemeente Bergeijk dient te worden beoordeeld en goedgekeurd.

Afbeelding 19: Uitsnede archeologische beleidskaart, plangebied zwart omlijnd Landschappelijke inpassing Bij de realisatie van de twee woonkavels is een goede landschappelijke inpassing vereist, welke aansluit bij de landschappelijke elementen van het gebied. Op grond van artikel 3.80, eerste lid sub c, dient voor wat betreft de Ruimte-voor-Ruimte woning aan de Heiereind een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning verzekerd te zijn. Ook de te bouwen woning aan de Voorderstraat zal landschappelijk worden ingepast, om te kunnen voldoen aan artikel 3.8 van de Interim omgevingsverordening (meerwaardecreatie) en om bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Er is sprake van een goede landschappelijke inpassing die de coulissewerking van het half open agrarisch landschap behoudt. Bij de realisatie van nieuwe woningen aan de Voorderstraat en Heiereind dienen de kwaliteiten en kenmerken van het omliggende landschap in acht genomen te worden. Het behoud van de open oostwestbuffer is conform het ruimtelijke, stedenbouwkundige en landschappelijke beleid van de gemeente Bergeijk erg gewenst. Dit overeenkomstig de “Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties” van de gemeente Bergeijk, waarin de bebouwingsconcentratie van het deelgebied Heiereind staat beschreven.

Er is een groene buffer opgenomen tussen de dorpskern en de buurtschap, zodat de interactie met het omliggende landschap optimaal blijft en de landschappelijke uitstraling behouden blijft. Beide kavels hebben tevens een zichtlijn over het achterliggende agrarische landschap. Aan de zijkanten van de kavels worden landschapsbomen en haagbeplanting aangebracht, waardoor de percelen landschappelijk worden ingepast in de omgeving. In Bijlage 1 (en Afbeelding 7) is het landschappelijk inpassingsplan opgenomen, wat een duidelijk beeld van de beoogde ontwikkeling

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

39

schetst. In Bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan op schaal en hierop is een omschrijving van de aan te leggen erfbeplanting weergegeven. Op de perceelgrenzen zal in een rechte lijn een haag worden geplant. Bij de woning aan de Voorderstraat wordt deze haag geplant op de zuidoostelijk en oostelijk gelegen perceelsgrens. Bij de woning aan de Heiereind wordt de haag geplant op de perceelsgrens met de naastgelegen woonbestemming. De mogelijke plantensoorten die daarvoor zullen worden toegepast zijn de beuk, haagbeuk, liguster, veldesdoorn, sleedoorn en/of hulst. De hulst en liguster kunnen worden toegepast als groenblijver. Tevens zullen per woonkavel minimaal drie solitaire bomen of boomgroepjes worden aangeplant. De mogelijke aan te planten bomen zijn de els, es, berk, eik, beuk, linde, kastanje, walnoot en/of hoogstam fruit. Deze boomsoorten kunnen mooi alleen staan, maar ze kunnen tevens in een groep of rij geplant worden. 4.6 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.

Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied ligt in omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, gezien de ligging naast de kern van Riethoven. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door de inrichting van de omgeving volgens het principe van functiescheiding. In de omgeving bevinden zich naast woningen relatief weinig andere functies, zoals bedrijven. In het kader van Bedrijven en Milieuzonering is het van belang dat er getoetst wordt aan de afstand tussen (gevoelige) woningen en bedrijvigheid. Er moet voldoende afstand zijn tussen deze functies. De beoogde woningen mogen omliggende bedrijven namelijk niet beperken in de ontwikkelingsmogelijkheden en omgekeerd mogen de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven niet beperkt worden door nieuwe woningen. Wat betreft veehouderijen wordt in paragraaf 4.7.1 getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een garagebedrijf op circa 155 meter gelegen van het dichtst bijgelegen perceel aan de Voorderstraat. Volgens de VNG richtlijnen valt een garagebedrijf in milieucategorie 2, waarvoor volgens de VNG-brochure een afstand moet worden aangehouden van 30 meter.

Er wordt ruimschoots aan deze richtafstand voldaan. De gevoelige functie van de nieuwe woningen zal de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven dus niet onevenredig beperken. Tevens zal ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat, door de ruime afstand van omliggende bedrijven tot aan de beoogde woningen.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

40

Op grond van bovenstaande onderbouwing kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie voor ‘Bedrijven en Milieuzonering’. 4.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Met dit initiatief worden twee woonkavels mogelijk gemaakt waarop per kavel ieder één woning gerealiseerd kan worden. De oprichting van deze twee woningen aan de Voorderstraat en aan de Heiereind ongenummerd betreft de toevoeging van nieuwe geurgevoelige objecten. Voor dit bestemmingsplan dient te worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. De rechtspositie van betrokkenen dient hierbij gehandhaafd te worden.

Hierbij dienen de volgende aspecten in ogenschout te worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van omliggende veehouderijen? • Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd?

4.7.1

Omgekeerde werking

Nieuwe geurgevoelige objecten mogen niet belemmerend zijn in de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moeten veehouderijen, waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Dit geldt onder andere voor varkenshouderijen. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, zoals melkveehouderijen, gelden vaste afstanden. De gemeente Bergeijk heeft een geurverordening vastgesteld, maar wijkt daarin niet af van de vaste afstanden tussen agrarische bedrijven en burgerwoningen zoals genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor de geuremissiebronnen in het buitengebied is wel afgeweken van de wettelijke kaders. Hier in een maximale emissie van 10 OUE van toepassing verklaard. Uit de geurnormenkaart van de gemeente Bergeijk blijkt dat het perceel aan de Voorderstraat is gelegen binnen de bebouwde kom met een geurnorm van 3,0 OUE en dat het perceel aan de Heiereind is gelegen in het buitengebied met een geurnorm van 10,0 OU E, zie Afbeelding 20.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

41

Afbeelding 20: Uitsnede Geurnormenkaart gemeente Bergeijk, plangebied zwart omcirkeld In artikel 4 lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij staat omschreven dat binnen de bebouwde kom een afstand in acht moet worden genomen van tenminste 100 meter tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en een burgerwoning. Wanneer dit in het buitengebied is dient de minimale afstand 50 meter te zijn. Deze afstanden gelden voor veehouderijbedrijven waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld bij ministeriële regeling. Voor dieren waarvoor wel een geuremissiefactor is vastgesteld gelden maximale geuremissienormen. Verder is in artikel 5 lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij omschreven dat binnen de bebouwde kom een afstand van minimaal 50 meter aangehouden dient te worden tussen een geurgevoelig object en de buitenzijde van een dierenverblijf waar dieren gehuisvest worden. Buiten de bebouwde kom is deze afstand minimaal 25 meter. In Afbeelding 21 zijn de meest nabijgelegen veehouderijen te zien in de omgeving van het plangebied. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op het adres Eind 10, op een afstand van circa 290 meter van de te realiseren woning aan de Voorderstraat en op een afstand van circa 260 meter van de te realiseren Ruimte-voor-Ruimte woning aan de Heiereind. Dit betreft een varkenshouderij, waarvoor geurnormen gelden.

Voor de geurbelasting van deze veehouderij zijn andere woningen in de bebouwde kom aan de Willibrordusstraat meer beperkend. De veehouderijen aan de Heiereind 10 en 11 houden dieren zonder geuremissiefactor, waarvoor de minimale afstand van 50 meter of van 100 meter van toepassing is. Hier wordt ruimschoots aan voldaan, de beoogde woningen worden op een afstand van meer dan 500 meter van deze veehouderijen gerealiseerd. De woningen zullen derhalve geen inbreuk maken op de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

42

Afbeelding 21: Uitsnede kaart veehouderij- Kaartbank Brabant 4.7.2

Woon- en leefklimaat

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen. Zoals eerder al is beschreven wordt er ruimschoots voldaan aan de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Om het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de woonkavels te kunnen beoordelen dient naast de vaste afstanden getoetst te worden aan de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied. Alle uitstoot van geur van alle veehouderijen bij elkaar opgeteld wordt de achtergrondbelasting genoemd. Voor de achtergrondbelasting zijn normen opgesteld die gekoppeld zijn aan een beleving van de kwaliteit van de leefomgeving. Op basis van het bronnenbestand van het Bestand Veehouderijen Brabant is een kaart gemaakt van de achtergrondbelasting, veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderijen. De achtergrondbelastingkaart van de ODZOB is opgesteld op 27 maart 2019 en kan daartoe als recentelijk en accuraat worden beschouwd. Uit Afbeelding 22 blijkt dat ter plaatse van het plangebied de achtergrondbelasting 0-3 OUE/m³ betreft. Uit de legenda behorende bij de achtergrondbelastingkaart van de ODZOB blijkt dat deze belasting neerkomt op een zeer goede kwaliteit van de leefomgeving.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

43

Afbeelding 22: Uitsnede achtergrondbelastingkaart ODZOB Er kan dus gesteld worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur binnen het plangebied. Gezien hetgeen hierboven beschreven, is aangetoond dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is. Daarnaast is aangetoond dat omgekeerd de beoogde woningen niet belemmerend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de in de nabijheid gelegen veehouderijen. 4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.

4.8.1

Niet In Betekende Mate

Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen).

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

44

Met dit initiatief worden een Ruimte-voor-Ruimte kavel aan de Heiereind en een woonkavel aan de Voorderstraat mogelijk gemaakt waarop per kavel één woning gerealiseerd kan worden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat deze ontwikkeling NIBM is. Gezien bovenstaande is een verder onderzoek naar de luchtkwaliteit niet noodzakelijk.

4.8.2

Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m³. Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m³ voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m³ voor het uurgemiddelde van NO2. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie ter plaatse van het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 17,7 μg /m³, voor PM2,5 10,99 μg /m³ en voor NO2 13,68 μg /m³, zie Afbeelding 23, Afbeelding 24 en Afbeelding 25. Derhalve is ter plaatse van het plangebied sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Afbeelding 23: Uitsnede GCN-kaart PM10, plangebied zwart omcirkeld

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

45

Afbeelding 24: Uitsnede GCN-kaart PM2,5, plangebied zwart omcirkeld

Afbeelding 25: Uitsnede GCN-kaart NO2, plangebied zwart omcirkeld

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

46

4.9 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. Gezien er ter plaatse van het plangebied twee woonkavels voor ieder één woning mogelijk worden gemaakt, dient getoetst te worden aan de aspecten van geluidhinder. De beoogde ontwikkeling betreft een bestemmingswijziging naar een woonbestemming, waardoor nieuwe geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder worden opgericht. Het plangebied is niet gelegen in de invloedzone van een spoorweg, toetsing aan dit aspect is derhalve niet nodig.

4.9.1

Wegverkeerslawaai

Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Voorderstraat en de Heiereind. Er is door K-plus een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatste van de nieuw te realiseren gevoelige objecten. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeurgrenswaarde op beide woningen zal worden overschreden vanwege verkeerslawaai van de Heiereind. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde stuit op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, financiële en civiele aard. Derhalve wordt de gemeente Bergeijk gevraagd een hogere toelaatbare waarde vast te stellen. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in Bijlage 8.

4.9.2

Industrielawaai

In de omgeving van het plangebied zijn geen industriële bedrijfsgebouwen gevestigd, enkel een varkensbedrijf aan het Eind 10 te Riethoven. In paragraaf 4.7 ‘Geur’ en paragraaf 4.6 ‘Bedrijven en Milieuzonering’ is reeds aangegeven dat voldaan wordt aan de minimaal aan te houden richtafstanden tussen de bedrijven en het plangebied, zoals opgenomen in de VNG-publicatie. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de bedrijfsactiviteiten in de omgeving geen geluidhinder veroorzaken op de nieuw te realiseren woningen. 4.10 Verkeer en parkeren Een goede afwikkeling van het verkeer- en vervoer van en naar de locaties aan de Voorderstraat en aan de Heiereind naar aanleiding van de beoogde ontwikkeling dient geborgd te zijn. Dit geldt tevens voor het aspect parkeren. Het plangebied is gelegen aan de Voorderstraat en aan de Heiereind. Dit betreffen verharde wegen, die voornamelijk worden gebruikt als doorgaande weg van en naar de kern Riethoven. De weg beschikt over voldoende capaciteit om personenvervoer af te wikkelen. Met het realiseren van twee woningen zal het lichte verkeer hooguit met enkele personenauto’s toenemen. De Voorderstraat en de Heiereind voldoen over voldoende capaciteit om dit nieuwe personenvervoer van en naar de nieuwe woningen af te kunnen wikkelen. Voor het plangebied geldt tevens dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn op eigen terrein.

De woningen mogen geen hinder veroorzaken door langsparkeren van auto’s. De hoogte van de parkeernormen is vastgesteld in de Nota Parkeernormen 2017 van de gemeente Bergeijk. Voor een vrijstaande woning buiten de kern van het winkelgebied van Bergeijk geldt een norm van 2,3 parkeerplaats per woning. Dit betekent dus dat er per woning minimaal 3 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn op het eigen terrein. In het inpassingsplan is te zien dat er per woonkavel voldoende ruimte is om te parkeren. In het vergunningentraject zal geborgd worden dat er voldoende parkeergelegenheden per kavel aanwezig zijn. Tevens is in de regels van het bestemmingsplan geborgd dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid (in de overige regels). Gezien voorgaand zijn er geen belemmeringen omtrent het aspect verkeer en parkeren.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

47

4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.11.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor het perceel aan de Voorderstraat en het perceel aan de Heiereind kunnen zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.

Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

48

4.11.2 Toetsing aan beleid

Afbeelding 26: Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omcirkeld) Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (wonen) binnen het plangebied is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied, zie Afbeelding 26. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het besluit externe veiligheid transportroutes stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo dient een basisveiligheidsniveau rond transportassen en een transparante afweging van groepsrisico te worden gewaarborgd. Met dit besluit is ruimtelijk gewaarborgd dat het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten rekening moet houden met transporten van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.

Het plangebied is op circa 4,75 kilometer van de A67 gelegen en het spoortraject is op meer dan 10 kilometer gelegen. De ontwikkeling ligt daarmee buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de Rijksweg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bergeijk 2011’ is in de nabijheid van het plangebied een dubbelbestemming ‘Leiding’ en het figuur ‘hartlijn leiding-gas’ opgenomen. De voorgenomen woningen liggen buiten deze dubbelbestemming. De dichtstbij gelegen Ruimte-voor-Ruimte kavel aan de Heiereind is gelegen op een afstand van circa 55 meter van de gasleiding van de Gasunie. In de

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

49

toelichting van het deels vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bergeijk 2011’ zijn aan te houden toetsings- en veiligheidsafstanden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bestaande gastransportleidingen opgenomen. Voor wat betreft de gasleidingen geldt een veiligheidszone van 30 meter die in acht moet worden genomen in het geval van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Beide woonkavels zijn gelegen op een grotere afstand dan de aan te houden toetsings- en veiligheidsafstanden. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.

Conclusie

Er kan geconcludeerd worden dat er ten aanzien van het aspect externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. 4.12 Technische infrastructuur Zoals reeds benoemd ligt in de nabijheid van het plangebied een planologisch relevante buisleiding op een afstand van circa 55 meter van de Ruimte-voor-Ruimte kavel aan de Heiereind, zie Afbeelding 26. Deze buisleiding is echter op een dermate afstand gelegen dat het voor de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen oplevert. In of nabij het plangebied liggen verder geen relevante straalpaden. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. Omtrent het aspect technische infrastructuur zijn voor deze planologische procedure geen belemmeringen.

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

50

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: Perceel aan de Voorderstraat (E 1565) - Enkelbestemming ‘Wonen’; - Bouwvlak; - Dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’; - Dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 4.1’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen- groot maatschappelijk belang’. - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – waterberging’.

Perceel aan de Heiereind (E 61) - Enkelbestemming ‘Wonen’; - Bouwvlak; - Dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 3’; - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen- ruimte voor ruimte’. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij de bestemmingsplannen ‘Riethoven/Walik 2012’ en ‘Buitengebied Bergeijk 2011’. Het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Wonen’ gekregen met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen- ruimte voor ruimte’. Voor het bestemmingsplan zijn de gebiedsaanduidingen ‘overige zone-beperkingen veehouderij’ en ‘reconstructiewetzone-extensiveringsgebied vervallen’ op het perceel aan de Heiereind niet meer van

Bestemmingsplan Voorderstraat-Heiereind ong.

51

toepassing. Deze gebiedsaanduidingen hebben voor de nieuwe bestemmingen geen aanvullende of beperkende werking meer en zijn derhalve weggelaten uit dit bestemmingsplan. 5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Voor de regels van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘2e Herziening Buitengebied Bergeijk 2017’. Dit is het meest actuele bestemmingsplan voor wat betreft de planregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Om de landschappelijke inpassing te borgen is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In deze voorwaardelijke verplichting staat omschreven dat binnen twee jaar na ingebruikname van de bebouwing de landschappelijke inpassing gerealiseerd moet zijn en in stand moet worden gehouden op de wijze zoals is aangegeven op het landschappelijk inpassingsplan, zie Bijlage 1. Daarnaast is de maximale inhoud van de woningen ook geborgd in de regels. De inhoud van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 750 m³ voor de woning aan de Voorderstraat en niet meer dan 1.000 m³ voor de woning aan de Heiereind.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=42efe853-5d8a-4167-b7fe-a54ff20d3a91