CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.a BP Boscheind Toelichting.pdf

Gemeenteraad 2 november 2021, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Boscheind 31-34-41, Luyksgestel17.588 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er vinden geen verhoogde emissies van licht, geluid of stoffen plaats die van negatieve invloed zouden kunnen zijn op Natura-2000 gebieden. Een vergunning Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.” Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of 30

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning en de verschillende gebruikswijzigingen in dit plan is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. De AERIUS-berekening is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidst als volgt: Uit de stikstofberekening blijkt dat de aanlegfase niet leidt tot een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De verklaring hiervoor is gelegen in het feit dat de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux circa 2,5 km bedraagt.

Gelet hierop en gelet op het eenmalige karakter van de aanlegfase, heeft de depositie van de aanlegfase geen meetbaar of merkbaar effect op de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen binnen het Natura 2000-gebied. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca. 2,5 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie ter plaatse van het Natura-2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Soortbescherming “Flora Bij de veldinspectie is het plangebied onderzocht door een ervaren vegetatiekundige, op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten en zijn er geen beschermde soorten aangetroffen. Het plangebied is met nadruk geïnspecteerd op potentiële groeiplaatsen voor beschermde soorten. Deze soorten of hun groeiplaatsen zijn niet aangetroffen in het plangebied en worden hier ook niet verwacht. Ongewervelden Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen, kevers en mieren, zijn niet aangetroffen op de planlocatie.

De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme of matig-voedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de aangetroffen omstandigheden kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Amfibieën, vissen en reptielen Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant.

Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op de planlocatie zijn geen overig beschermde soorten aangetroffen. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

31

Broedvogels Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming. U dient daarom gedurende de kap- en sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Er is met nadruk gezocht naar sporen die duiden op de aanwezigheid van nestlocaties van uilen, roofvogels, gierzwaluwen en huismussen, soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd kunnen zijn. Er zijn geen nesten, prooiresten of uitwerpselen van deze groepen aangetroffen in de te slopen bebouwingsdelen. Ter voorkoming van het verstoren van broedende vogels wordt aangeraden eventuele sloop- of kapwerkzaamheden tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) te verrichten. Het verstoren van broedende vogels is verboden conform de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. Sloop in deze periode verkleind de kans op verstoring van broedende vogels.

Zoogdieren Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locaties kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. In de provincie Noord-Brabant zijn de bunzing, hermelijn en wezel eveneens beschermd. De locatie is uitvoerig geïnspecteerd op sporen die duiden op de aanwezigheid van deze soorten. De aanwezigheid van mul zand en stoffige oppervlakten maakten dat sporenonderzoek op potentieel geschikte locaties goed mogelijk was. Ook is gekeken of er op de locatie potentieel geschikt habitat aanwezig is. Er zijn geen sporen zoals prooiresten, pootafdrukken, wissels, uitwerpselen of nestmateriaal aangetroffen. Alle soorten vleermuizen vallen onder de groep beschermde soorten.

De checklist van het Vleermuisprotocol 2017 geeft voor gebouwen de volgende drie aandachtpunten: • Zijn er potentieel aanwezige ruimtes voor winter-, kraam,- zomer- en paarverblijfplaatsen, • zijn er sporen van aanwezigheid en • is er sprake van een foerageergebied? De bebouwing is uitvoerig geïnspecteerd op het voorkomen van sporen en potentieel geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen in de diverse seizoenstadia. Alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Hiervoor is eveneens gebruik gemaakt van een endoscoop met camera. Meststrepen op de muren, uitwerpselen, dode dieren of prooiresten die zouden kunnen duidden op de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen ontbreken. Spouwruimtes ontbreken. In de omgeving kunnen in theorie algemene soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) voorkomen. Deze dieren zijn cultuurvolgers en maken vaak gebruik van lijnvormige groen- en bebouwingsstructuren en straatverlichting. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen, worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Eventuele vliegroutes worden niet onderbroken.

De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties of het ontbreken van een gebruiksfunctie (foerageergebied of vliegroute) geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen.” Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht.

5.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor 32

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Bergeijk heeft haar archeologiebeleid vormgegeven middels haar bestemmingsplannen. Alleen voor de locatie aan Boscheind 41 is een fysieke ingreep in de bodem gepland (bouw RvR-woning) Op het perceel zijn twee beschermende waarden (Waarde – Archeologie 3 en 4.1) in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Deze waarden hebben bepaald dat voor bodemverstoringen van respectievelijk 250 m2 en 500 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. Uit dit rapport moet blijken dat er geen archeologische waarden in het geding zijn voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend.

De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten waarvoor een onderzoek verplicht is. De dubbelbestemmingen worden in de planregels overgenomen. Mocht bij de uitwerking van de plannen toch blijken dat onderzoek nodig is, dan zal bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning een rapport worden opgesteld. Als tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt bij het bevoegd gezag. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of gebouwen aanwezig. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Milieuzonering, geur en spuitzones

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van drie woningen (gevoelig object), waarvan twee bestaande bedrijfswoningen worden gewijzigd naar een reguliere burgerwoning, verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

33

Algemeen uitgangspunt Voor het wijzigen van de bestaande bedrijfswoning naar een woning geldt dat in geen nieuw gevoelig object zal worden toegevoegd aangezien de bestaande bedrijfswoning reeds beschouwd is als een gevoelig object voor de bedrijfsactiviteiten van derden. Een beoordeling of sprake is van een goed woon,- en leefklimaat volstaat daarom. Zonering Voor het toevoegen van een nieuwe woning (Boscheind 41) geldt dat een nieuw gevoelig object wordt toegevoegd. In de nabijheid van de locatie op circa zijn verschillende bedrijven aanwezig. Op circa 120 meter en 165 meter afstand zijn intensieve veehouderijen gelegen. Het gaat om Boscheind 52 en Boscheind 61. Het maatgevend aspect van dergelijke bedrijven is geurhinder. Een beoordeling voor geurhinder van deze drie bedrijven vindt verderop in deze paragraaf plaats. Boscheind 30 Volgens het ter plaatse van de Boscheind 30 geldende bestemmingsplan is sprake van een agrarische bestemming waar agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie (oftewel akkerbouwen fruitteelt) met bijbehorende voorzieningen is toegestaan. Het agrarische perceel grenst direct aan het perceel van de Boscheind 34 en is op circa 20 meter afstand gelegen van het perceel aan de Boscheind 41, respectievelijk op circa 70 meter afstand van de Boscheind 31 gelegen.

Landbouwbedrijven zoals akkerbouw en fruitteelt kennen op basis van de VNG-brochure milieucategorie 2. Voor milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter. Hieraan wordt slechts in het geval van de het perceel aan de Boscheind 41 voldaan. Het bedrijf aan de Boscheind dient in de huidige situatie qua bedrijfsactiviteiten al rekening te houden met de bestaande bedrijfswoning aan de Boscheind 34. Het is aannemelijk dat de bedrijfsactiviteiten de nieuwe te realiseren woning aan de Boscheind 41 niet belemmert, aangezien deze op een grotere afstand is gelegen dan de bestaande woning aan de Boscheind 34. Bovendien betreft het een perceel dat in de huidige situatie niet als akkerbouw- en fruitteelt wordt gebruikt. Een kortere afstand is derhalve aanvaardbaar. Aan de richtafstand wordt in het geval van de toekomstige bedrijfswoning aan de Boscheind 31 ruimschoots voldaan.

1

34

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uitsnede bestemmingsplan(nen) ruimtelijkeplannen.nl

met

de

in

de

omgeving

aanwezige

bedrijven.

bron:

Boscheind 49 Ter plaatse van het perceel aan de Boscheind 49 is volgens het geldende bestemmingsplan sprake van een metaalbewerkingsbedrijf. Een dergelijk bedrijf kent volgens de VNG-brochure een bedrijf met milieucategorie 3.2 met een aan te houden richtafstand van 100 meter. De afstand tot aan de Boscheind 41 bedraagt circa 60 meter, respectievelijk 65 meter tot aan de Boscheind 34. Aan de aan te houden richtafstand wordt daarmee niet voldaan. Echter is het perceel van het metaalbewerkingsbedrijf nu al tussen de woonbestemmingen gelegen. Hier moet het bedrijf met zijn bedrijfsactiviteiten nu ook al rekening mee moet houden. Het is aannemelijk dat effecten op de bestaande bedrijfswoningen (in toekomst reguliere burgerwoning) aan de Boscheind 34 en 31 niet groter zijn dan de direct omliggende woningen. Hetzelfde geldt voor de nieuw te realiseren woning en de nieuwe burgerwoning aan de Boscheind 41. Bovendien vinden in de huidige situatie geen bedrijfsactiviteiten ten behoeve van een metaalbewerkingsbedrijf maar is hier een bomenkwekersbedrijf gevestigd. Boscheind 59 Volgens het ter plaatse van de Boscheind 59 geldende bestemmingsplan is sprake van een agrarische bestemming waar agrarisch gebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie (oftewel akkerbouwen fruitteelt) met bijbehorende voorzieningen is toegestaan.

De afstand vanaf het perceel aan de Boscheind (34 en 41) tot aan dit perceel bedraagt circa 150 meter. Landbouwbedrijven zoals akkerbouw en fruitteelt kennen op basis van de VNG-brochure milieucategorie 2. Voor milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Boscheind 60 Volgens het ter plaatse van de Boscheind 6 geldende bestemmingsplan betreft het een bedrijfsbestemming waar bedrijven onder de milieuzonering 1 en 2 zijn toegestaan. De bedrijvigheid met milieucategorie 2 heeft een richtafstand van 30 meter. Hieraan wordt bij alle drie de gevallen (Boscheind 34, 31 en 41) ruimschoots voldaan. Boscheind 31 Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de bestemming ter plaatse van de achterliggende, bestaande schuur aan de Boscheind 31 gewijzigd naar ‘Bedrijf’. De bestaande loods wordt voor het grootste deel gebruikt voor de statische opslag (660 m2). Een klein deel wordt gebruikt als kleine werkplaats (maximaal 400 m2). Daarmee wordt het gebruik van dit deel van het perceel conform de feitelijke situatie bestemd. Een gebouw dat gebruik wordt voor opslag is in het voorliggende geval vergelijkbaar met de bedrijfsactiviteiten van een opslaggebouw (VNG-brochure; SBI; 52109) en heeft milieucategorie 2. De VNG-brochure kent hiervoor een richtafstand van 30 meter.

Voor de kleine werkplaats kan aangesloten worden op een aannemersbedrijf met werkplaats < 1000 m2 (VNG-brochure; SBI; 41, 42, 43). De bestaande schuur is op circa 20 meter afstand van de naastgelegen woning gelegen. In de huidige situatie gaat het om een bedrijfsgebouw behorende bij een Agrarisch bestemming. Hiervoor geldt eveneens een richtafstand van 20 meter. De huidige bestemde en toekomstige bedrijfsactiviteiten (reeds aanwezige activiteiten) zijn met elkaar te vergelijken. De bestaande schuur blijft op dezelfde locatie behouden. Aan de richtafstand van 30 meter wordt in de nieuwe situatie van het bedrijfsgebouw met bestemming ‘Bedrijf’ in het voorliggende geval niet voldaan. Gemengd gebied Zoals beschreven kent de VNG-brochure verschillende omgevingstypen. Het gemengd gebied wordt als volgt beschreven: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

35

lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingsgebied gemengd. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.”

Circa 20 meter

Foto met daarin zichtbaar de afstand van het bestaande bedrijfsgebouw tot de naastgelegen woning. Het gebied is te beschouwen als een “gemengd gebied” (lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid). De bepalende milieubelastende factor van de in de omgeving aanwezige bedrijven is het aspect geluid. De afstand mag met één afstandsmaat worden verlaagd. Voor het bedrijfsgebouw betekent dit dat de richtafstand met één stap kan worden verlaagd en hierdoor 10 meter bedraagt. Hieraan wordt wel voldaan. Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woning(en). Daarnaast is gemotiveerd dat de beoogde bedrijfsactiviteiten geen nadelige gevolgen hebben voor het woon-, en leefklimaat van de in de omgeving aanwezige woningen van derden. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening.

Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; • Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd. 36

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De plangebieden aan het Boscheind wordt aangeduid als buiten bebouwde kom.

Voorgrondbelasting geur De bestaande agrarische bedrijfswoningen aan het Boscheind 31 en 34 krijgen vanwege de bestemmingswijziging naar wonen geen extra geurbescherming. Voor deze woningen gelden vaste afstandsmaten tot aan agrarische bedrijven. In de directe omgeving zijn 2 pluimveebedrijven gelegen; Boscheind 52 en 61. De kortste afstand gemeten vanaf de voornoemde pluimveebedrijven tot aan de woning Boscheind 34 bedraagt minimaal circa 114 meter en tot aan de woning Boscheind 31 bedraagt minimaal circa 260 meter. Voldaan wordt aan artikel 3 lid 2 onder b van de Wgv. De nieuwbouwwoning aan het Boscheind 41 betreft toevoeging van een nieuw geurgevoelig object. De voorgrondbelasting afkomstig van de pluimveebedrijven aan het Boscheind 52 en 61 op dit plangebied bedraagt respectievelijk circa 5,0 en 4,0 OUe/m3. Dit komt overeen met een redelijke goed tot goed woon- en leefklimaat. Achtergrondbelasting geur In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur van veehouderijen. Op basis van de kaart H2016, behorende bij onze gemeentelijke geurverordening 2017 is de achtergrondbelasting op de plangebieden aan te merken als redelijke goed tot goed.

Vaste afstanden Indien in de omgeving van het plangebied veehouderijen zijn gelegen met dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, zoals melkrundvee en paarden, zal getoetst moeten worden aan de vaste afstandseisen zoals bedoeld in artikelen 4 en 5 van de Wgv. Het agrarisch bedrijf aan het Boscheind 30 heeft een milieuvergunning, nu melding Activiteitenbesluit, voor het houden van zoogkoeien met bijbehorende jongvee. De afstand tot aan het plangebied Boscheind 34 en 41 is respectievelijk circa 40 en 70 meter. Aan de minimale vereiste afstand vanaf het plangebied Boscheind 34 tot aan het bedrijf aan de Boscheind 30 wordt niet voldaan maar door de voorgenomen wijziging wordt de onderlinge afstand niet kleiner en het aantal dieren neemt op het bedrijf aan het Boscheind 30 niet toe. Voldaan wordt aan artikel 4 lid 3 van de Wgv. Aan de minimale vereiste afstand tot aan plangebied Boscheind 41 wordt voldaan. Deze afstand voldoet aan artikel 4, lid 1 onder b. Omgekeerde werking Tussen de nieuwe woning in het plangebied Boscheind 41 en de diverse veehouderijen in de directe omgeving zijn nog andere woningen gelegen waardoor de betreffende ondernemers niet in hun belangen worden geschaad door de geplande nieuw te bouwen woning in het plangebied Boscheind 41.

Conclusie geur Het aspect geur vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkelingen in de plangebieden. Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

37

moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Aan de genoemde richtafstand van 50 meter wordt niet voldaan. Hieronder volgt een nadere beoordeling van de open teelt in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied bevinden zich aan de zuidzijde van het perceel aan de Boscheind 41 gronden die voor akkerbouw worden gebruikt, op een afstand van 40 meter. Er zijn geen percelen in de directe nabijheid waar kweek van siergewassen (bomen en heesters) plaatsvindt. Uit onderzoek blijkt dat de impact van gewasbescherming op de luchtkwaliteit bij akkerbouw veel kleiner is dan bij bijvoorbeeld boomteelt, sierteelt of fruitteelt. Gezien de benodigde investeringen is het niet aannemelijk dat de gronden in de omgeving voor een dergelijk gebruik worden ingezet. Er mag vanuit worden gegaan dat de akkerbouw wordt voortgezet. De genoemde richtafstand van 50 meter wordt niet gehaald. Hieronder volgt een nadere beoordeling van de open teelt in de omgeving van het plangebied. 1. In de omgeving van het plangebied vindt geen kweek van siergewassen (bomen en heesters) plaats maar vindt alleen akkerbouw plaats. Uit onderzoek blijkt dat de impact van gewasbescherming op de luchtkwaliteit bij akkerbouw veel kleiner is dan bij bijvoorbeeld boomteelt, sierteelt of fruitteelt.

Gezien de benodigde investeringen is het niet aannemelijk dat de gronden in de omgeving voor een dergelijk gebruik worden ingezet. Bovendien zijn de gronden aan de zuidzijde in eigendom van de initiatiefnemer. Er mag vanuit worden gegaan dat de akkerbouw wordt voortgezet. 2. De technieken voor gewasbescherming worden steeds beter: enerzijds om het gewas beter te kunnen beschermen, anderzijds om de negatieve effecten op de omgeving (zoals drift) te beperken c.q. te voorkomen. In de toekomst zal het gebruik van zogenaamde best practices toenemen en daarmee de overlast afnemen. 3. Rondom het plangebied liggen meerdere akkerbouwgronden. De gronden aan gelegen aan de zuid-, west-, en oostzijde van de projectlocatie zijn eigendom van de initiatiefnemer en zijn niet meer in gebruik als akkerland. Aan noordzijde ligt ook een akkerbouwperceel. De afstand van de woning tot de noordelijke perceelgrens bedraagt 30 meter. De akkerbouw (mais en grasland) vindt niet tot op de perceelgrens plaats, maar tot op een afstand van circa 5 meter daarvan. De afstand van de woning tot de feitelijke akkerbouw aan de noordzijde bedraagt circa 35. De indicatieve afstand wordt beperkt overschreden voor wat betreft beide het genoemde perceel.

Ten aanzien van het noordelijk gelegen perceel kan worden aangegeven dat tussen dit perceel en de woning een weg is gelegen met daaraan aan beide zijden volgroeide laanbeplanting. Deze laanbeplanting dient er onder meer toe de drift van gewasbeschermingsmiddelen af te vangen. Ook is het zo dat de gewasbeschermingsmiddelen dicht bij de grond gebruikt worden, waardoor er in veel mindere mate sprake is van drift. Op basis van het voorgaande (type kweek, best practices en werkelijke afstanden in relatie tot de omvang van de kweek) is een overschrijding van de indicatieve afstand acceptabel om te komen tot een goed woon- en leefklimaat. Aanvullend wordt opgemerkt dat in het verleden nooit sprake is geweest van overlast. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • •

38

Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten. Hieruit zijn geen bezwaren gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Aangezien er geen activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten kunnen hebben is uitgesloten dat onderhavige ontwikkeling een negatief effect kan hebben op de Natura 2000-gebieden en de Beschermde Natuurmonumenten.

5.8

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Omdat door met de beoogde ontwikkeling een nieuw geluidsgevoelig object wordt toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen.

Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. De projectlocatie is gelegen binnen de zone van de Boscheind. Een geluidsonderzoek is daarom verplicht. Er is een onderzoek uitgevoerd (K+ Adviesgroep BV d.d. 25 juni 2019). Dit rapport is in zijn geheel als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hierbij moet worden opgemerkt dat de na het onderzoek de woning iets is opgeschoven maar de afstand tot de weg (geluidsbron) niet is gewijzigd. Er is geen aanleiding gezien om het onderzoek aan te passen. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt;

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

39

“De geluidsbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 45 dB (incl. aftrek artikel 110g). Deze waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.”

Spoorweglawaai Dit aspect is niet aan de orde. Vliegtuiglawaai Dit aspect is niet aan de orde. Industrielawaai Dit aspect is niet aan de orde Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

5.9

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • • •

De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).

Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft het toevoegen van één nieuwe burgerwoning en het omzetten van twee bestaande bedrijfswoningen naar een reguliere burgerwoning. Daarnaast wordt een deel van het perceel aan de Boscheind omgezet naar een bedrijfsbestemming met opslagfunctie. Overige agrarische bestemmingen worden agrarische percelen zonder bouwmogelijkheden. Deze herziening betreft een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen. Ieder perceel (Boscheind 31, 41 en 31) heeft een eigen (bestaande) ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden 40

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening. Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. De ontwikkeling betreft geen gevoelige bestemming en is niet gelegen in de nabijheid van en drukke weg. Toch is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. Dit is onderzocht door middel van de actuele kaartgegevens met betrekking tot de aspecten stikstofdioxide, fijnstof, zeer fijnstof en roet. (atlasleefomgeving.nl). Uit de Atlas Leefomgeving blijkt dat de jaargemiddelde achtergrondconcentratie fijn stof PM10 op de plangebieden circa 20 μg PM10/m3 bedraagt. Door de luchtkwaliteit in samenhang te zien met het aspect volksgezondheid, endotoxine toetsingskader 1.0, (paragraaf 5.13 van de toelichting) kan er niet zondermeer gesteld worden dat de luchtkwaliteit, voor de bestemming van een nieuwe woning (nummer 41) een goed woon- en leefklimaat biedt.

Uitsnede kaart Fijnstof 2017 (pm10) met in rood de projectlocatie; bron: atlasleefomgeving.nl Daarom is voor de locatie waar de nieuwe woning wordt bestemd, een berekening gemaakt van de luchtkwaliteit in de omgeving. Het rapport (Tritium, dd 12 mei 2020) van deze berekening is in zijn geheel aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; De jaargemiddelde achtergrondconcentratie bedraagt 19,04 μg/m3 (bron: Grootschalige Concentratieen Depositiekaart Nederland). Uit de berekening met het programma ISL3a blijkt dat de maximale jaargemiddelde concentratie 20,86 μg/m3 bedraagt. Het aantal overschrijdingen bedraagt maximaal 8 dagen per jaar. Derhalve kan gesteld worden dat wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 40 μg/m3 en 35 overschrijdingsdagen. Ter plaatse is met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit dan ook sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

41

Voor inzicht in de actuele bodemkwaliteit is op de verschillende locaties binnen het plangebied onderzoek gedaan. Het onderzoek (Verkennend bodem- en asbestonderzoek Boscheind 31, 34-36 en 41 te Luyksgestel, Aeres Milieu) is in zijn geheel aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt:

Locatie A (Boscheind 31) en locatie B (Boscheind 34-36) Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kunnen beide onderzoekslocaties als ”onverdacht” beschouwd worden op het voorkomen van verontreinigingen. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht door de verwijdering/sloop in de jaren 1990 en 2000 en het huidig gebruik als tuin of opslagloods. Voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging is geen onderzoek naar asbest in de bodem noodzakelijk geacht (onverdacht). De resultaten van dit vooronderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart geven een voldoende beeld van de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. De verwachte bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning. Locatie C (Boscheind 41) Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond sterke verhogingen met enkele zware metalen aangetoond zijn. Na uitsplitsing van de sterk verhoogde mengmonsters (MM1, MM2 en MM3) blijkt dat in de grond ter plaatse van boorpunten 01, 02 en 11 een matige tot sterke verhoging van diverse zware metalen aanwezig te zijn. Verder zijn lichte verhogingen met de overige zware metalen en minerale olie aangetoond. Het freatisch grondwater blijkt licht verhoogd te zijn met barium. Ter plaatse van o.a.

boorpunten 1,2 en 11 is de nieuwbouw van een woning gepland. De resultaten van dit bodemonderzoek geven aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Hiermee wordt vastgesteld of het een puntverontreiniging betreft of er ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De milieuhygiënische conditie van de bodem ter plaatse van de locatie aan de Boscheind 41 vormt momenteel een belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (nieuwbouwwoning). De aangetroffen verhogingen in de grond kunnen bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Voor de locatie aan Boscheind 41 is vervolgens een nader bodemonderzoek (nader bodemonderzoek, dd 11 mei 2020) uitgevoerd. Dit rapport is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie van dit rapport luidt als volgt; Zintuiglijk werden volledige puin- en betonlagen en volledige zinkassenlagen aangetroffen welke vermengd waren geraakt met de bodem. Verder zijn sporen tot uiterste bijmengingen met puin, asfalt, zinkassen en kolengruis in de bodem waargenomen. Zware metalen Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de aard en omvang van de verontreiniging met zware metalen afdoende is vastgesteld.

De verontreiniging is binnen de onderzoekslocatie in beeld gebracht. De verontreiniging is in het verleden veroorzaakt door het gebruik van zinkassen op de locatie en in de directe omgeving. De zware metalen verontreiniging is derhalve zinkassen gerelateerd. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de verontreiniging na 1987 is ontstaan. 42

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De omvang van de sterke verontreiniging in de grond wordt geraamd op 675 m3 (1.350 m2 x 0,5 m). Gezien de mate en omvang van de verontreiniging in de grond kan worden afgeleid dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Asbest In alle sleuven is puin en asbestverdacht materiaal waargenomen. De mate van puin in de grond varieert van een spoortje tot uiterste bijmengingen. Plaatselijk is sprake van een volledige puinlaag vermengd met grond. De verontreiniging is te relateren aan het aanwezige puin. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de aard en omvang van de verontreiniging met asbest afdoende is vastgesteld. De exacte oorzaak van de bodemverontreiniging met asbest is niet bekend. Vermoedelijk is in het verleden bodemvreemd materiaal gebruikt om het terrein mee te verharden. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de verontreiniging na 1 juli 1993 is ontstaan. De totale omvang van de asbestverontreiniging wordt geraamd op 140 m3 (215 m2 x 0,65 m2). Uit de risicobeoordeling blijkt dat voor het toekomstige gebruik als wonen met tuin op basis van het gehalte aan lood sprake is van onaanvaardbare risico’s. Dit betekent dat de verontreiniging met spoed gesaneerd moet worden. Uit de beoordeling blijkt dat er voor de asbestverontreiniging formeel geen sprake is van onaanvaardbare risico’s.

Dit betekent dat geen tijdstip voor de start van de sanering wordt vastgesteld. De verontreiniging met asbest valt echter binnen de verontreinigingscontour met zware metalen die wel met spoed dient te worden gesaneerd. Over een oppervlakte van 215 m2 is grond zowel sterk verontreinigd met zware metalen als verontreinigd met asbest. Resumé De locatie dient voorafgaand aan de herontwikkeling tot wonen met tuin te worden gesaneerd. Voorafgaand aan deze sanering dient een saneringsplan of BUS-melding te worden opgesteld en ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (i.c. Omgevingsdienst Zuidoost Brabant). Het aspect “Bodemkwaliteit” is na sanering geen belemmering voor de beoogde bouw van de nieuwe woning aan Boscheind 41. Een BUS-melding is reeds voorgelegd aan de omgevingsdienst.

5.11 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit.

Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

43

Ten behoeve van het beoogde ontwikkeling is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving.

Uitsnede uit de Risicokaart met in rood aangeduid de projectlocatie; bron: risicokaart.nl Op basis van de risicokaart zijn er geen risicobronnen binnen 1 km gevonden. De projectlocatie is daarmee niet gelegen binnen een invloedsgebied. Het aspect “externe veiligheid” is daarom geen belemmering.

5.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het wijzigingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

5.13 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Middels 44

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

deze notitie en bijbehorende afstandstabel kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. Met behulp van de afstandsgrafiek is de afstand ten opzichte van gevoelige objecten bepaald om de blootstelling aan endotoxine te beoordelen. Met deze afstanden is het invloedgebied aangegeven waarbinnen endotoxinen tot een risico voor de volksgezondheid kunnen leiden. Tot op deze afstand wordt de advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk overschreden. • Boscheind 52 pluimveebedrijf, 880 kg PM10 fijn stof; vereiste afstand 182 meter. De afstand tot plangebied Boscheind 34 bedraagt circa 154 meter, Boscheind 41 bedraagt circa 182 meter, Boscheind 31 bedraagt > 182 meter. • Boscheind 61 pluimveebedrijf, 2.046 kg PM10 fijn stof; afstand 276 meter. De afstand tot plangebied Boscheind 34 bedraagt circa 240 meter, Boscheind 41 bedraagt circa 235 meter, Boscheind 31 bedraagt > 276 meter. Het deel van het plangebied aan Boscheind 31 is niet gelegen binnen endotoxine cirkels van de 2 pluimveebedrijven. Het deel van het plangebied Boscheind 34 is wel gelegen binnen beide endotoxine cirkels van de 2 pluimveebedrijven maar dit is een bestaande woning is en er geen toename is van fijn stof PM10. Voor het deel van het plangebied aan Boscheind 41 is een nieuwe woning gepland.

Deze nieuwe woning ligt binnen de endotoxine cirkel van beide pluimveebedrijven. De advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Om die reden is technisch onderzoek uitgevoerd naar het woon-, en leefklimaat ter plaatse als gevolg van endotoxinen. Dit onderzoek (Agra-Matic dd 5 november 2020) is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting gevoegd. De conclusie luidt als volgt: Omtrent de gezondheidseffecten van endotoxinen wordt steeds meer duidelijk, ook na het verschijnen van het toetsingskader in 2016. Bekend is dat fijn stof een belangrijke drager is van endotoxinen en dat endotoxinen voor met name kwetsbare groepen kunnen leiden tot gezondheidseffecten. Er is in dit woon- en leefklimaat onderzoek gebruik gemaakt van de meest actuele kennis omtrent modelberekening van endotoxinen. Hierbij is ten opzichte van het endotoxinentoetsingskader 1.0 gemotiveerd afgeweken van de uitgangspunten door een gewogen emissiepunt te hanteren en ten opzichte van dat punt de afstand te berekenen. Hiermee is een beoordeling gemaakt voor deze locatie die recht doet aan alle relevante factoren zoals de verschillen aan fijn stof emissies tussen de stallen.

Uit de berekeningen blijkt als rekening wordt gehouden met de feitelijke en vergunde bedrijfssituatie er voldoende afstand is tussen de beoogde nieuwe woning en het bedrijf aan de Boscheind 61 om een minimaal aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van endotoxinen te garanderen ter plaatse van de beoogde woning aan de Boscheind 41. Hierbij moet wel worden aangetekend dat op basis van dit rapport het advies is om in het bestemmingsplan een bouwvlak op te nemen ter plaatse van de beoogde woning die aansluit bij de toetsingspunten die zijn gebruikt in dit rapport. De bouw van een woning buiten deze toetsingspunten kan mogelijk wel leiden tot overschrijdingen op het gebied van endotoxinen. In het bestemmingsplan is met een aanduiding op de verbeelding de zone aangeduid waarbinnen de bouw van verblijfsruimten is uitgesloten. Op die manier is verzekerd dat sprake is van een goed woon,en leefklimaat. Geitenhouderijen Op circa 3.500 meter van het initiatief is een geitenhouderij gesitueerd op het adres Weebosch 2. Op basis van verschillende onderzoeken (zie onderstaand) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico’s zijn wanneer in de nabijheid van een geitenhouderij gewoond wordt. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO).

Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

45

VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is (Bron: Verordening ruimte Noord-Brabant en geitenhouderijen – d.d. 17 oktober 2017). Conclusie geitenhouderijen Gekeken naar de aard- en omvang van de omliggende bedrijven en activiteiten zijn er geen belemmeringen>.

De afstanden tot geitenhouderijen zijn dermate grote dat de risico’s voor volksgezondheid (on)voldoende worden beperkt.

5.14 Duurzaamheid De beoogde ontwikkeling maakt een “ontstening” van het landelijk gebied mogelijk. Het bouwplan voorziet daarmee in duurzaam ruimtegebruik. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de voormalige kippenschuur aan de Boscheind 42 gesloopt. Hiervoor komt 850m² bebouwing vrij en vindt daarmee ontstening plaats. In ruil daarvoor wordt op hetzelfde perceel één nieuwe woning gerealiseerd. Daarnaast zorgt het voorliggende bestemmingsplan er voor dat per saldo, namelijk door het omzetten van de agrarische bestemming naar wonen (en deels bedrijf), minder bouwmogelijkheden worden toegestaan. Dit komt tegemoet aan een verder verstening van het buitengebied.

46

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1

Verantwoording planvorm

Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Er is sprake van een specifiek bestemmingsplan voor meerdere aaneengesloten kadastrale percelen, een postzegelplan. Het perceel ligt in het recente bestemmingsplan 2e herziening Buitengebied Bergeijk 2017. Dit postzegelplan sluit qua systematiek en bestemming zo veel mogelijk aan op dit bestemmingsplan.

6.2

Systematiek bestemmingen

De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. 1. Hoofdstuk 1 'Inleidende Regels' gaat in op de begripsomschrijvingen en de wijze van meten. 2. In hoofdstuk 2 van de regels - 'Bestemmingsregels’- wordt een regeling gegeven voor de bestaande functies in het plangebied die positief zijn bestemd. Bepaald is welke vormen van gebruik en bouwwerken rechtstreeks (dus zonder voorafgaande wijziging of afwijking) zijn toegestaan. Indien een bepaalde vorm van bebouwing past binnen de doeleinden van de bestemming en voldaan is aan de bouwregels, dan kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend. 3. In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels weergegeven (anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels etc.). 4. In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.

6.3

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van onderhavig plan moet worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent de bestemmingen “Agrarisch met Waarden – Natuur en Landschapswaarden 1”, “Bedrijf” en “Wonen”. Hierna volgt een korte toelichting op deze bestemmingen. Agrarisch met Waarden – Natuur en Landschapswaarden 1 Deze bestemming is overgenomen uit het moederplan. Het betreft de gronden die buiten enige ontwikkeling liggen. Bestaande bouwvlakken zijn verwijderd waardoor bouwmogelijkheden zijn uitgesloten. Bedrijf De bestemming Bedrijf regelt het gebruik van de gronden en gebouwen voor bedrijfsmatige functies (opslag en werkplaats) en de bedrijfswoning. De specifieke activiteiten zijn bestemd en de maximale oppervlakten in de regels vastgelegd. In de regeling is een verplichting opgenomen voor sloop van bestaande gebouwen aan Boscheind 41.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

47

Wonen De woonfunctie voor de bestaande woningen in het plangebied wordt middels deze bestemming bestemd. Voor de nieuw te bouwen woning zijn, zoals hiervoor toegelicht andere bouwmogelijkheden opgenomen voor de bijbehorende bouwwerken. In de regeling is een verplichting opgenomen voor realisatie en behoud van de landschappelijke inpassing. Dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 3, 4.1 en 6 De dubbelbestemmingen uit het vigerend bestemmingsplan zijn overgenomen in dit bestemmingsplan. Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepaalde specifieke gebruiksregels opgenomen voor het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het gehele plangebied. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om afwijking te verlenen van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.

Overige regels In deze regels is een verwijzing naar andere wettelijke regelingen opgenomen en zijn regels voor parkeren, laden en lossen opgenomen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Slotregel Als laatste wordt de slotbepaling opgenomen. Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.

48

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De grond en het pand is in eigendom van een particulier waardoor er geen kosten zijn voor de gemeente als gevolg van de wijziging van de bestemming. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt ook de procedurele kosten. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht. Als met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In deze procedure is de exploitatie gewaarborgd door een privaatrechtelijke -met de initiatiefnemer te sluiten- overeenkomst over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Voorgaand aan het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan zal daarom worden besloten dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=edacca0b-caa1-4833-be47-a4384124863c