CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. bp ruimte-voor-ruimte Neerrijt G 946 -Toelichting.pdf

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Neerrijt ongenummerd13.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

toekomstige groene inrichting van het perceel afgestemd wordt op de molenbiotoop. Op het perceel staan nu enkele bomen, die hoogstwaarschijnlijk door ‘opschot’ gegroeid zijn. Van belang is om bomen op het perceel te handhaven die in volwassen toestand lager blijven dan 7 meter vanaf maaiveld. Indien wijzigingen in het voorgelegde ontwerp/bouwplan optreden, dient een herziening van dit advies gevraagd te worden.’ Een hogere bouwhoogte dan volgens de formule is toegestaan is mogelijk en zal de werking en uitstraling van de molen niet schaden. Middels een binnenplanse afwijking vergunning worden verleend aan het bouwplan. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Milieuzonering, geur en spuitzones

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van een woning (gevoelig object), al dan niet doordat de huidige bedrijfswoning gewijzigd wordt naar een reguliere burgerwoning, verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd.

Algemeen uitgangspunt Voor het wijzigen van de bestaande bedrijfswoning naar een woning geldt dat in geen nieuw gevoelig object zal worden toegevoegd aangezien de bestaande bedrijfswoning reeds beschouwd is als een gevoelig object voor de bedrijfsactiviteiten van derden. Een beoordeling of sprake is van een goed woon,- en leefklimaat volstaat daarom. Zonering In de nabijheid van de locatie is een aantal bedrijven gelegen; • • • •

Hoge Rijt 10; deze varkenshouderij op 300 meter afstand gelegen en betreft een stopper. De omgevingsvergunning milieu zal in 2021 ingetrokken worden; Neerrijt 16 is op 380 meter afstand gelegen. Er is sprake van een melkrundveebedrijf met melkkoeien en vrouwelijk jongvee; Neerrijt 17 is op 290 meter afstand een gemengd bedrijf met melkvee en vleesvarkens gelegen; Neerrijt 21 is gelegen op 430 meter. Daar is eveneens een gemengd bedrijf met paarden en fokvarkens gelegen.

Het maatgevend milieuaspect voor dit type bedrijf is ‘geur’. Dit zal verderop in deze paragraaf worden behandeld.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

29

Op 170 meter afstand is daarnaast een transportbedrijf gelegen (Rijt 29 en 31). Op circa 220 meter afstand zijn bedrijven in de categorie 2 gelegen (Zoeferbeemd 2 t/m 12). Overige bedrijvigheid is in de omgeving niet gevestigd. De bedrijvigheid met milieucategorie 2 heeft een richtafstand van 30 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. Goederenvervoerbedrijven (<= 1.000m²) kennen op basis van de VNG-brochure milieucategorie 3.1 (SBI-2008: 494). Hierbij hoort een richtafstand van 50 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. In onderstaande afbeelding zijn de hierboven genoemde bedrijven met afstanden in meters in kaart gebracht.

30 0m 1

0 43

m

m 290

380 m

170 m

220 m

Uitsnede bestemmingsplan met de in de omgeving aanwezige bedrijven. bron: ruimtelijkeplannen.nl Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat de activiteiten van de bedrijven aan Rijt 29 en 31 en Zoeferbeemd 2 t/m 12 geen hinder veroorzaken en dat deze bedrijven door de wijziging van de bestemming bovendien niet in hun bedrijfsvoering worden aangetast. Alhoewel met het wijzigen agrarische bestemming naar een woonbestemming een nieuw gevoelig object wordt toegevoegd, worden door de ruime afstanden geen belangen van (agrarische) bedrijven geschaad. Het aspect “Milieuzonering” is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd.

Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; 30

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

•

Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

Op basis van de kaartbank van de provincie Noord-Brabant is gekeken of en zo ja wat voor agrarische bedrijven in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Uitsnede uit de kaartbank veehouderijbedrijven; bron: provincie Noord-Brabant Rechten van bestaande bedrijven Met het wijzigen van de bestemming van agrarisch naar wonen wordt er een nieuw geurgevoelig object toegevoegd. De voormalige varkenshouderij aan Hoge Rijt 10 wordt, omdat dit bedrijf zal stoppen buiten beschouwing gelaten. Het dichtstbij het plangebied gelegen intensieve bedrijf met de hoogste geuremissie is gelegen aan de Neerrijt 17. Dit agrarisch bedrijf betreft een gemengd bedrijf met een vergunning voor melkvee en vleesvarkens. Voor dit bedrijf heeft de gemeente een worst-case geurberekening gemaakt met V-stacks 2020. Uit deze berekening blijkt dat de voorgrondbelasting geur afkomstig van het bedrijf aan de Neerrijt 17 op het plangebied ligt tussen de 2,4 en 2,6 Oue. Hieruit wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. Voor de overige bedrijven geldt dat er op basis van artikel 5, lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimaal vereiste afstand van 25 meter gemeten van de stal waar dieren worden gehouden tot aan het plangebied. Hieraan wordt voldaan. Beoordeling van het leefklimaat Om te beoordelen of er sprake is van een goed woon-, en leefklimaat is inzicht gezocht in de achtergrondbelasting geur.

De actuele kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant concludeert dat de kwaliteit van de leefomgeving “goed” is. Er is dus sprake van een gezond woon-, en leefklimaat.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

31

Kaart achtergrondbelasting geur met in rood het plangebied. Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De genoemde richtafstand van 50 meter wordt niet gehaald. Hieronder volgt een nadere beoordeling van de open teelt in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied bevindt zich aan de westzijde van de planlocatie gronden die voor akkerbouw worden gebruikt. Er zijn geen percelen in de directe nabijheid waar kweek van siergewassen (bomen en heesters) plaatsvindt.

Uit onderzoek blijkt dat de impact van gewasbescherming op de luchtkwaliteit bij akkerbouw veel kleiner is dan bij bijvoorbeeld boomteelt, sierteelt of fruitteelt. Gezien de benodigde investeringen is het niet aannemelijk dat de gronden in de omgeving voor een dergelijk gebruik worden ingezet. Daarnaast worden de technieken voor gewasbescherming worden steeds beter: enerzijds om het gewas beter te kunnen beschermen, anderzijds om de negatieve effecten op de omgeving (zoals drift) te beperken c.q. te voorkomen. In de toekomst zal het gebruik van zogenaamde best practices toenemen en daarmee de eventuele overlast afnemen. Daarnaast is het zo dat de gronden oostelijk van het plangebied van de overheersende windrichting af zijn gelegen. Eventuele driftvorming zal daarom van het nieuwe perceel zijn afgekeerd. De gronden zuidelijk van het plangebied zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Het is uitgesloten dat daar het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen zullen worden gebruikt. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

32

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5.7

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen en bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming komt niet voor in de C- of D-lijst. Er is geen noodzaak voor een vormvrije mer.

5.8

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Omdat door met de beoogde ontwikkeling een nieuw geluidsgevoelig object wordt toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen.

Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. Het betreft in het plangebied het realiseren van een nieuwe woning. De projectlocatie is gelegen binnen de zone van de Neerrijt. Een geluidsonderzoek is daarom verplicht. Tevens zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook de wegen Rijt en Hoge Rijt beschouwd. Het onderzoek (Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen, K+ Adviesgroep dd 26-11-2020) is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: Neerrijt • De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Neerrijt is maximaal 53 dB (incl. aftrek BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

33

• • •

•

•

art. 110g Wgh). Bij de gemeente Bergeijk kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject buiten de bebouwde kom verspreid wordt gesitueerd. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €60.000,- (200 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Volgens tabel 4.1. t/m 4.3 is zichtbaar dat de woning beschikt over tenminste één geluidluwe gevel, de rechter- en achtergevel zijn geluidluwe gevels. Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering.

Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.4 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.

Rijt •

Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 40 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. • Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Hoge Rijt • Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 34 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. • Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

5.9

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • • 34

De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

•

maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).

Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft een het toevoegen van één nieuwe woning. Deze ontwikkeling is daarom een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening.

Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. De ontwikkeling is niet gelegen in de nabijheid van en drukke weg. Toch is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. Dit is onderzocht door middel van de actuele kaartgegevens met betrekking tot de aspecten stikstofdioxide, fijnstof, zeer fijnstof en roet. (atlasleefomgeving.nl). Hieruit blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxode: 40 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3). Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde gelegen onder de 20 μg/m3 gelegen en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 12 μg/m3. Omdat de projectlocatie op basis van de actuele kaartbeelden niet is gelegen in een gebied met een slechte luchtkwaliteit (in de buurt van de grenswaarden) en niet is gelegen in de nabijheid van een drukke weg kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Uitsnede kaart Fijnstof 2018 www.atlasleefomgeving.nl

(pm

10

en

2,5)

met

in

rood

de

projectlocatie.

Bron:

Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

35

5.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Voor inzicht in de actuele bodemkwaliteit op het perceel is onderzoek gedaan (Milieuhygienisch vooronderzoek bodem Neerrijt (ong.) te Luyksgestel, dd 10 november 2020, Econsultancy). Het onderzoek is in zijn geheel aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestemmingsplanwijziging.

bodem

is

uitgevoerd

in

het

kader

van

de

Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is op de noordelijke perceelsgrens van de onderzoekslocatie. Dit in verband met de zinkaswegen grenzend aan de onderzoekslocatie en mogelijke uitloging daarvan. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de noordelijke perceelsgrens van de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met plaatselijk bodembelasting en met een duidelijke verontreinigingskern" (VEP). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk aanwezig is en in hoeverre de verontreinigende stoffen de achtergrondwaarde of het geldende achtergrondgehalte overschrijden. Een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. (Econslutancy, dd 17 december 2020). De rapportage is als bijlage aan de toelichting toegevoegd.

De conclusie luidt als volgt; De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht, plaatselijke bodembelasting" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van de verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader bodemonderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging alsmede de voorgenomen nieuwbouw van de onderzoekslocatie. Het aspect “Bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit.

Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar 36

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Ten behoeve van het wijzigen van de bestemming is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving. Omdat met de wijziging geen nieuw kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk wordt gemaakt kan volstaan worden met deze inventarisatie.

Uitsnede uit de Risicokaart met in rood aangeduid de projectlocatie; bron: risicokaart.nl Op basis van de risicokaart zijn er geen risicobronnen gevonden. De projectlocatie is niet gelegen binnen een risicocontour of invloedsgebied. Het aspect “externe veiligheid”. Hierdoor en omdat geen nieuw kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object mogelijk wordt gemaakt is het aspect externe veiligheid geen belemmering.

5.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het wijzigingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

5.13 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van

een

woning

kan

effecten

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

hebben

op

de 37

gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In de nabijheid van het plangebied is een aantal bedrijven met de volgende fijnstof emissie op de volgende afstand van het plangebied aanwezig: •

Hoge Rijt 10, vleesvarkens

PM10: 114 kg/jaar,

afstand: 300 meter

Rond de pluimvee- en varkenshouderijen in Noord-Brabant zijn individuele endotoxine cirkels te trekken, gebaseerd op de fijnstof emissie, de situering en de diersoort volgens Web-BVB, gecombineerd met de afstandsgrafieken uit bijlage 3 van de bovengenoemde Notitie. Binnen deze cirkels of risicocontour is in beginsel geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen en is bijvoorbeeld woningbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De mogelijke blootstelling aan endotoxine is daar hoger dan de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3). Voor het aanwezige bedrijf betekent dit dat op basis van de afstandsgrafieken uit bijlage 2 van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” een afstandsmaat moet worden aangehouden. Uit onderstaande grafiek valt op te maken dat met de fijnstofemmissie van 114 kg/jaar een afstand van circa 53 meter moet worden aangehouden. Het plangebied is op een afstand van 300 meter gelegen. Er is sprake van een goed woon-, en leefklimaat.

Grafiek 3, Vleesvarkens, horizontaal de fijnstof emissie in kg per jaar, verticaal de afstand in meters. Bron: bijlage 2, Notitie endotoxine toetsingskader 1.0. Geitenhouderijen Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 38

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is. Verspreid over het grondgebied van de gemeente Bergeijk zijn drie geitenhouderijen aanwezig. Uit de VGO-onderzoeken is naar voren gekomen dat tot 2 km rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat.

Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. In verband hiermee heeft de gemeente zich afgevraagd of woningbouwontwikkelingen binnen de 2 km nog verantwoord zijn. Met andere woorden is de vraag of er sprake van een goede ruimtelijke ordening bij het voornemen tot woningbouw binnen afstand van 2 km van een geitenhouderij. Het plangebied is niet gelegen binnen de straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied (rood) aan ten opzichte van de voor het project relevante geitenhouderij (blauw).

Ligging projectlocatie ten opzichte van geitenhouderijen. Omdat het plangebied niet binnen de straal van 2 kilometer rond een geitenhouderij is gelegen, betekent dat er sprake is van een goed woon-, en leefklimaat.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

39

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1

Verantwoording planvorm

Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Er is sprake van een specifiek bestemmingsplan voor een nieuw bouwkavel. Het perceel ligt in het recente bestemmingsplan 2de herziening Buitengebied Bergeijk 2017, gedeeltelijk vastgesteld d.d. 24 april 2019. Dit postzegelplan sluit qua systematiek en bestemming zo veel mogelijk aan op dit bestemmingsplan.

6.2

Systematiek bestemmingen

De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. 1. Hoofdstuk 1 'Inleidende Regels' gaat in op de begripsomschrijvingen en de wijze van meten. 2. In hoofdstuk 2 van de regels - 'Bestemmingsregels’- wordt een regeling gegeven voor de bestaande functies in het plangebied die positief zijn bestemd. Bepaald is welke vormen van gebruik en bouwwerken rechtstreeks (dus zonder voorafgaande wijziging of afwijking) zijn toegestaan. Indien een bepaalde vorm van bebouwing past binnen de doeleinden van de bestemming en voldaan is aan de bouwregels, dan kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden verleend. 3. In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels weergegeven (anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels etc.). 4. In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotbepalingen opgenomen.

6.3

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van onderhavig plan moet worden gemeten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het bestemmingsplan kent de bestemmingen Agrarisch, Wonen en Waarde – Archeologie 3 en 4.1. Hierna volgt een korte toelichting op deze bestemmingen. Agrarisch Ter plaatse van de delen van het plangebied waar geen bebouwing komt wordt de bestaande bestemming ‘Agrarisch’ overgenomen. Hieraan is de aanduiding ‘Groen’ toegevoegd om de aanleg van de erfbeplanting conform de landschappelijke inpassing mogelijk te maken. Wonen De gronden met bestemming ‘Wonen’ zijn bedoeld voor het gebruik voor woondoeleinden en de bouw van een nieuwe woning. Er zijn ook nog aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de woning toegestaan. Daarnaast kent deze bestemming twee voorwaardelijke verplichtingen. Eén van deze verplichtingen ziet toe op de buffering en infiltratie van het hemelwater. De tweede verplichting voorziet in de aanleg en instandhouding van het erfbeplantingsplan.

40

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Waarde – Archeologie 3 Deze dubbelbestemming dient ter bescherming van de (potentiele) archeologische waarden in de grond. Hiertoe zijn diverse bouwregels en regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen. Waarde – Archeologie 4.1 Deze dubbelbestemming dient ter bescherming van de (potentiele) archeologische waarden in de grond. Hiertoe zijn diverse bouwregels en regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen.

Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen ten aanzien van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepaalde specifieke gebruiksregels opgenomen voor het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het gehele plangebied. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om afwijking te verlenen van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Algemene aanduidingsregels Voor bescherming van het karakter en werking van de molen is de vrijwaringszone – molenbiotoop opgenomen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Slotregel Als laatste wordt de slotbepaling opgenomen. Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

41

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De grond en het pand is in eigendom van een particulier waardoor er geen kosten zijn voor de gemeente als gevolg van de wijziging van de bestemming. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt ook de procedurele kosten en eventuele kosten in het geval van een planschadeclaim. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht. Als met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In deze procedure is de exploitatie gewaarborgd door een privaatrechtelijke -met de initiatiefnemer te sluiten- overeenkomst over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Voorgaand aan het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan zal daarom worden besloten dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.

42

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 8 Procedure 8.1

Omgevingsdialoog

Gedurende de planvorming is door initiatiefnemer de omgeving op de hoogte gebracht van de voorgenomen plannen. De direct omwonenden en de molenvereniging hebben de plannen gezien. De betrokkenen zijn louter enthousiast over dit initiatief om op deze locatie iets moois te realiseren. Een enkeling heeft aangegeven dat het wenselijk is om de “rotzooi” op de hoek op deze manier te verwijderen. De bewoners hebben enkel vragen gesteld over de type woning, na het delen van de aanzichten en het plan was het allemaal prima. De buurtbewoners zijn meegaand in de kwalitatieve verbetering van het dorpsaanzicht.

8.2

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het bestemmingsplan Rvr Neerrijt G 946 aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap de Dommel voorgelegd. Op deze wijze worden de Provincie en het Waterschap in de gelegenheid gesteld een reactie op het plan te geven.

8.3

Vervolg van de procedure

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening dient de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb in de Staatscourant en een huis-aan-huis blad te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt het plan in werking, tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt ingediend. In dat laatste geval wordt de werking van het vaststellingsbesluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

43

Separate bijlagen • • • • • • •

44

Bijlage 1: Bouwrecht RvR-titel Bijlage 2: Bureaustudie flora en fauna, dd 19 oktober 2020 Bijlage 3: Stikstofberekening, dd 3 december 2020 Bijlage 4: Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen, dd 26-11-2020 Bijlage 5: Vooronderzoek bodem, dd 10 november 2020 Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek, dd 17 december 2020 Bijlage 7: Erfbeplantingsplan, dd 23 maart 2021

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=dead772c-c07a-4124-a0aa-f02be5cd8006