CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. bp ruimte-voor-ruimte Neerrijt G 946 -Toelichting.pdf

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Neerrijt ongenummerd13.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Ontwerp

Bestemmingsplan “Rvr Neerrijt G 946” Gemeente “Bergeijk”

Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

Datum: 4 mei 2021 Status: Ontwerp plancode: NL.IMRO.1724.BPUrrn0089-ONTW

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Toelichting

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ............................................................................................................. 7 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................. 7 1.2 PLANGEBIED ............................................................................................................................ 7 1.3 DOEL ....................................................................................................................................... 7 1.4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN ................................................................................................... 8 1.5 LEESWIJZER............................................................................................................................. 8 HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE ....................................................................................... 9 2.1 RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE STRUCTUUR ............................................................................... 9 2.2 BESTAANDE SITUATIE ............................................................................................................... 9 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ........................................................................................

11 3.1 NIEUWE ONTWIKKELING .......................................................................................................... 11 3.2 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ............................................................................................... 13 HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ................................................................................................. 15 4.1 RIJKSBELEID .......................................................................................................................... 15 4.2 PROVINCIAAL BELEID .............................................................................................................. 16 4.3 GEMEENTELIJK BELEID............................................................................................................ 18 HOOFDSTUK 5 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................. 21 5.1 INLEIDING .............................................................................................................................. 21 5.2 PARKEREN EN ONTSLUITING .................................................................................................... 21 5.3 WATER ..................................................................................................................................

22 5.4 NATUUR................................................................................................................................. 24 5.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ...................................................................................... 27 5.6 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES.................................................................................. 29 5.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING ............................................. 33 5.8 GELUID .................................................................................................................................. 33 5.9 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 34 5.10 BODEMKWALITEIT ................................................................................................................... 36 5.11 EXTERNE VEILIGHEID.............................................................................................................. 36 5.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR............................................................................................... 37 5.13 GEZONDHEID .........................................................................................................................

37 HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING.................................................................. 40 6.1 VERANTWOORDING PLANVORM ............................................................................................... 40 6.2 SYSTEMATIEK BESTEMMINGEN ................................................................................................ 40 6.3 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING .............................................................................................. 40 HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................. 42

HOOFDSTUK 8 PROCEDURE ...................................................................................................... 43 8.1 OMGEVINGSDIALOOG .............................................................................................................. 43 8.2 VOOROVERLEG ...................................................................................................................... 43 8.3 VERVOLG VAN DE PROCEDURE ................................................................................................ 43 SEPARATE BIJLAGEN ...................................................................................................................... 44

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Voor een terrein aan de Rijt in Bergeijk bestaat het planvoornemen om een ruimte-voor-ruimtewoning (RvR) te bouwen. De te bouwen ruimte-voor-ruimte (rvr) woning is gepland op de hoek van de Rijt en de Neerrijt. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied Bergeijk 2011” en de daaropvolgende herzieningen: “Herziening Buitengebied Bergeijk 2014” en “2e Herziening Buitengebied Bergeijk 2017” van de gemeente Bergeijk is het gebruik van een deel van de gronden voor wonen aan de Rijt niet mogelijk. Daarom dient het bestemmingsplan te worden herzien. De gemeente heeft besloten om in principe medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling.

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt in de gemeente Bergeijk, aan de zuidwestzijde van het dorp Bergeijk. Het plangebied ligt aan de Rijt. Het gebied bestaat uit het kadastrale eigendom Sectie D, nummer 946. Onderstaande foto duidt de ligging van het plangebied (geel) aan.

Luchtfoto plangebied en ligging van het nieuwe perceel. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl

1.3

Doel

Het doel van dit nieuwe bestemmingsplan is het tot stand brengen van een regeling om de nieuwe woning op het kadastrale perceel op de hoek van de Rijt en de Neerrijt in Bergeijk te kunnen realiseren. Hiervoor wordt de bestemming “Agrarisch” gewijzigd naar “Wonen”.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

1.4

Geldend bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Buitengebied Bergeijk 2011”, vastgesteld door de gemeenteraad op 7 juli 2011 en de daaropvolgende herzieningen: “Herziening Buitengebied Bergeijk 2014” en “2e Herziening Buitengebied Bergeijk 2017” De bestemming van het plangebied is “Agrarisch”. Volgens de tweede herziening van het bestemmingsplan zijn voor het plangebied tevens de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3” en “Waarde – Archeologie 4.1” opgenomen. Het plan past niet binnen het huidige bestemmingsplan. Daarom moet een bestemmingsplanherziening plaatsvinden.

Uitsnede bestemmingsplankaart “Buitengebied Bergeijk 2011”. Bron: ruimtelijkeplannen.nl Daarnaast is voor het plangebied de algemene aanduidingsregel ‘Vrijwaringszone – molenbiotoop’ aanwezig. Deze molenbiotoop beschermd de uitstraling en werking van de molen. In paragraaf 5.5 van de toelichting wordt hier nader op ingegaan.

1.5

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een set regels en verbeelding en een toelichting daarop. Voorliggende toelichting bevat bovendien de onderbouwing om de haalbaarheid aan te tonen van het beoogde nieuwe bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en komen de functionele en ruimtelijke structuur aan bod. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de beoogde ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de beleidskaders. Er zal onder andere getoetst worden of de ontwikkeling past binnen de beleidskaders op diverse niveaus. In het daaropvolgende hoofdstuk 5 komen de milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Beoordeeld wordt of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op de aanwezige waarden in het gebied dan wel of er mogelijk nog belemmeringen in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk beperkend zijn voor de ontwikkeling. Hoofdstuk 6 bevat een juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid van het plan aan de orde. Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de maatschappelijke haalbaarheid van het plan. 8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1

Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied maakt onderdeel uit van één van de oude lintstructuren van Luyksgestel, namelijk het bebouwingslint ‘Rijt’. Het bebouwingslint is gelegen in het zuiden van de gemeente Bergeijk, ten noorden van de kern Luyksgestel. Het lint Boscheind – Dorpstraat – Sengelsbroeksestraat heeft het karakter van een baandorp. Haaks op deze structuur ligt het huidige lint Kerkstraat – Rijt – Hoge Rijt. Op de kruising met de Kapellerweg/ Hasselsestraat was sinds de middeleeuwen een kerk met enige omliggende bebouwing gesitueerd. Dit gebied heeft zich in de loop van de tijd ontwikkeld tot centrumgebied, de kern van Luyksgestel. De bebouwingsconcentratie bestaat uit de bebouwing aan weerszijden van de Rijt. De Rijt is in hoofdzaak een lint waar agrarische bedrijvigheid (veeteelt) plaatsvindt, afgewisseld met burgerwoningen en enkele bedrijven. Ten westen is een bosgebied gelegen (tussen De Kempen en Venakkers).

Bebouwingslint Rijt en omgeving. Bron: Google Maps, 2020

2.2

Bestaande situatie

Het plangebied betreft een braakliggend agrarisch terrein. Het betreft een nog onbebouwd terrein dat aan de west- en noordkant wordt omsloten door de wegen Rijt respectievelijk Neerrijt. Het plangebied dat gelijk is aan het kadastraal perceel met nummer D-946 heeft een omvang van 2.715 m².

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

Luchtfoto met in blauw de ligging van het nieuwe perceel/ plangebied. Bron: KadastraleKaart De volgende foto toont de ligging van de akkergronden en het verder braakliggende terrein van het plangebied en de locatie van de beoogde nieuwe woning aan.

Uitsnede zicht op perceel vanaf de weg Neerrijt gezien. Bron: Google Streetview, 2020

10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1

Nieuwe ontwikkeling

Dit bestemmingsplan voorziet in een regeling op basis waarvan een ruimte-voor-ruimtewoning op de hoek van de Neerrijt en Rijt in Bergeijk gerealiseerd. De nieuwe woning is gelegen op een perceel zonder huisnummer. De volgende afbeelding toont de ligging van de nieuwe woning en bijgebouw op het perceel.

Nieuwe situatie van het plangebied. Bron: CS2 Architecten Het nieuwe woonperceel heeft een oppervlak van 2.715 m² en is ontsloten op de Neerrijt. Hiervan zal 1500 meter aan de voorzijde (gezien vanaf de weg) bestemd worden voor woondoeleinden. Het achterste deel behoud de agrarische bestemmingen en zal worden ingezet voor erfbeplanting. Met de bestemmingsplanherziening wordt een nieuwe woning bestemd. Voor de bouwregels van de nieuwe bestemming wordt aansluiting gezocht bij de systematiek en bestemming “Wonen” voor nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen zoals deze geldt voor de buitengebieden van Bergeijk. De volgende afbeeldingen tonen impressies van de nieuwe woning en het bijgebouw. De nieuwe woning heeft een traditionele opbouw die refereert aan een langgevelboerderij. De goothoogte is gelegen op 3,63 meter. De nokhoogte op 7,33 meter.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

Illustratie van de voorgevel van de woning. Bron: CS2 Architecten Het bijgebouw heeft aan de voorzijde een overkapping voor de stalling van auto’s. De goothoogte is gelegen op 2,705 meter. De nokhoogte op 5,470 meter. In de volgende afbeelding zijn de inhoudsmaten en oppervlakten van het hoofdgebouw en bijgebouw weergegeven. In de regels van het bestemmingsplan is aangesloten op de regels die uniform gelden voor ruimte-voor-ruimte woningen in het buitengebied van Bergeijk. Dit betekent onder andere dat maximaal 170 m2 aan gezamenlijke oppervlakte aan aan,- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per woning is toegestaan.

12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3.2

Landschappelijke inpassing

Voor de beoogde ontwikkeling is het nodig dat ze landschappelijk wordt ingepast. Deze noodzaak komt voort uit de algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit zoals dat is opgenomen in het provinciaal beleid (paragraaf 4.2) en de uitwerking hiervan in het gemeentelijke beleid (paragraaf 4.3). Voor de landschappelijke inpassing is een erfbeplantingsplan opgesteld. De rapportage hiervan is in zijn geheel als bijlage toegevoegd aan de verbeelding. Hierin staan onder andere het volgende beschreven; Landschappelijke inpassing Het plangebied in zijn huidige toestand, heeft nauwelijks landschapselementen die een meerwaarde hebben. Het perceel is al geruime tijd enkel gebruikt als landbouwgrond. Op dit moment wordt er buxus gekweekt. Er liggen dus goede mogelijkheden tot een landschappelijke kwaliteitsverbetering. Bij het uitvoeren van het omgevingsonderzoek van de omliggende percelen is gebleken dat deze percelen veelal worden afgebakend met hagen. In de meeste gevallen wordt gebruik gemaakt van beuken. Daarnaast zijn er op de nabijgelegen percelen tegenover en achter het plangebied, lintvormige elementen van struweel aanwezig. De in de omgeving aangetroffen veelvoorkomende elementen zijn eveneens in het schetsontwerp op pag. 6 toegepast. De sortimentskeuze valt zoals eerder benoemd op inheemse soorten. De hagen aan weerzijden van het perceel bestaan uit beuk (Fagus sylvatica).

Om een open karakter te behouden met het landschap is bewust de haag aan de oostzijde enkel langs de woonbestemming voorzien. Het struweel aan de achterzijde bestaat uit krent, hazelaar, meidoorn, vlier en wilde kers en beslaat circa 250m2. Struweel bestaande uit 5 rijen met in totaal ca. 135 stuks.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

Naast de hagen en struweel worden er ook een vijftal solitaire bomen aangeplant. De boomsoorten zullen variëren van eik, appel, peer, pruim tot beverboom bijvoorbeeld. Aan de voorzijde van het huis wordt een bloemperk gemaakt, en aan de achterzijde van het perceel wordt het agrarische gedeelte ingezaaid met een bloemrijk kruidachtig grasland.

Erfbeplantingsplan (Claassen Boomverzorging) Het erfbeplantingsplan is als bijlage aan de regels toegevoegd. Aanleg en instandhouding hiervan is als voorwaarde aan de regels toegevoegd.

14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. Op 13 maart 2012 is de SVIR in werking getreden. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; • •

de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuur Netwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. De realisatie van één nieuwe woning op de hoek van de Rijt en de Neerrijt is een lokale aangelegenheid. Er zijn geen nationale belangen in het geding. In de SVIR worden geen uitspraken op dit schaalniveau gedaan. De ontwikkeling is daarom passend binnen het rijksbeleid. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om ter plaatse van een agrarisch perceel één woning te realiseren. Volgens jurisprudentie is de bestemming van “één extra woning” niet te beschouwen als een BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

woningbouwlocatie. Er is daarom geen sprake van een “stedelijke ontwikkeling” zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toetsing aan de ladder zoals dat in lid 2 is bepaald is daarom niet aan de orde.

4.2

Provinciaal beleid

Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de Provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de Provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de omgevingskwaliteit doordat met de herziening een deel van bestaande bebouwing wordt gesloopt en het terrein landschappelijk wordt ingepast.

De beoogde ontwikkeling past binnen de kernwaarden voor het handelen van de Provincie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2022 in werking. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd.

In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden. In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. 16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Instructieregels voor het plangebied Voor het plangebied gelden de volgende instructieregels aan gemeente: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Op basis van kaart 6 voor gemeenten – landelijk gebied is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “gemengd landelijk gebied”. Hiervoor geldt dat nieuwe woningen niet zijn toegestaan. Echter artikel 3.80 biedt een uitzondering als het gaat om de bestemming van ruimte-voor-ruimte kavels. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a. er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst; b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar. Doordat sprake is van één ruimte-voor-ruimte kavel wordt een bijdrage geleverd aan de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen elders in de provincie en een verbetering van de omgevingskwaliteit in algemene zin.

Lid 3 van artikel 3.80 heeft bepaald dat als sprake is van een ruimte-voor-ruimtekavel die wordt ontwikkeld vanwege de Ontwikkelmaatschappij ruimte voor ruimte in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit door toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken, er kan worden afgeweken van het gesteld in lid 2 en er dus sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit. Bovendien is de ontwikkeling landschappelijk ingepast. Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een landschappelijke inpassing waarbij rekening is gehouden met omgevingskwaliteiten en structuren in het gebied. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is verplicht in de regels van het bestemmingsplan en daarmee verzekerd. Bevordering ruimtelijke kwaliteit Voor het plangebied gelden ook de instructieregels aan gemeente die overeenkomen met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. In artikel 3.5 uit de omgevingsverordening is beschreven dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening moet worden gehouden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering c.

Meerwaardecreatie Bij het bestemmen van een nieuwe ruimte-voor-ruimte woning hoort een inspanning ten behoeve van bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Deze inspanning vertaalt zich in een zorgvuldige landschappelijke inpassing. In de Kempengemeenten, waar ook de gemeente Bergeijk toe behoort, is door middel van een Landschapsinvesteringsregeling (Lir), beleid ontwikkelt en vastgesteld voor de compensatie van ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied. De uitwerking hiervan is beschreven in de paragraaf over het gemeentelijk beleid (paragraaf 4.3, Landschapsinvesteringsregeling De Kempen). Hiermee is voldoende aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling voldoende bijdraagt aan de zorgplicht ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Er is sprake van meerwaardecreatie als gevolg van een verbetering van de landschappelijke kwaliteit. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

4.3

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Bergeijk; leven en beleven tussen bossen, beken en boerenland Op 3 juni 2010 heeft de gemeenteraad van Bergeijk een geactualiseerde structuurvisie vastgesteld. Het doel van deze actualisatie was met name om ten aanzien van het toekomstig ruimtelijke beleid een integrale visie te hebben voor de lange termijn voor nieuwe ontwikkelingen. De visie is vervat in een kaartbeeld. Hieronder is een uitsnede van het kaartbeeld weergegeven.

1

Uitsnede Structuurvisie Bergeijk met binnen de grijze cirkel de projectlocatie (1: locatie nieuw te realiseren woning). Bron: ruimtelijkeplannen.nl Vervolgens is een aantal locatiegebonden aspecten in de structuurvisie verwoord. Voor de locatie aan de Rijt zijn de volgende thema’s relevant: “Open agrarisch landschap” “Jonge ontginningsgebieden bestaan in het algemeen uit open agrarische landschappen. Het betreft hier zowel heide- als beekdalontginningen. Ook grote akkercomplexen kunnen tot dit landschapstype gerekend worden. Een belangrijk landschappelijk kenmerk van dit landschapstype is de (relatieve) openheid, die zo’n gebied uitstraalt. Verder worden ontginningen gekenmerkt door grote kavels en lange, rechte wegen, open linten en laanbeplantingen. Beide type ontginningen komen in Bergeijk voor. De Pielis is een bijzondere heideontginning vanwege het vrij recente karakter van de ontginning. Ten zuidoosten van Bergeijk ligt een grotere beekdalontginning/heideontginning. Tussen Riethoven, Westerhoven en Bergeijk ligt een fraai open akkercomplex dat doorsneden wordt door twee interlokale wegen. Ook tussen Luyksgestel, Weebosch en Bergeijk ligt een open gebied met akkers. De relatief grootschalige openheid voegt een gebiedseigen kwaliteit toe aan het landschap.

Dit landschap biedt niet alleen mogelijkheden om de openheid te versterken, maar ook voor de inplaatsing van bestaande/nieuwe functies (alleen via BiO (Provinciale Beleidsnota “Buitengebied in Ontwikkeling” - en Ruimte-voor-Ruimte-regeling)”. Zoals uit paragraaf 3.3 verwoord zal de ontwikkeling geheel landschappelijk worden ingepast. De ontwikkeling voorziet daarmee in de genoemde ruimtelijke strategie om het landschappelijk raamwerk te versterken.

18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

“Bebouwingsconcentratie” De gemeente Bergeijk heeft voor haar grondgebied een aantal bebouwingsconcentraties aangewezen. In de aangewezen bebouwingsconcentraties is hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet-agrarische functies alsmede (beperkte) toevoeging van nieuw bouwvolume afweegbaar. Belangrijke randvoorwaarde voor de verruimde mogelijkheden is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Een voorbeeld hiervan is sloop van bebouwing als compensatie voor verruimde mogelijkheden al dan niet in combinatie met rood-voor-groen, het behoud van cultuurhistorische waardevolle bebouwing of een versterking van natuur- en landschapswaarden in de omgeving. Verdichting van de bebouwingsconcentratie is dus in bepaalde gevallen toegestaan, indien dit tot een ruimtelijke verbetering leidt. Ook door verdunning kunnen bebouwingsconcentraties in kwalitatieve zin worden versterkt, doordat de open relaties met het landschap worden hersteld. De bestaande waardevolle doorzichten naar het buitengebied dienen gehandhaafd te blijven. Nieuwbouw dient qua maat en schaal passend te zijn in de omgeving.” Het nieuwe woonperceel wordt op een passende wijze landschappelijk ingepast. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de structuurvisie.

Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Als uitwerking van de gevonden bebouwingsconcentratie zoals genoemd in de Structuurvisie Bergeijk zijn gebiedsvisies opgesteld. Ook het plangebied is gelegen in een bebouwingscluster: het bebouwingscluster Rijt. De clusters zijn een handreiking voor nieuwe initiatieven met betrekking tot VAB’s en Ruimte-voor-ruimte woningen.

Uitsnede Gebiedsvisie bebouwingscluster Rijt De gebiedsvisie gaat uit van de voorwaarde dat elk initiatief een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit. Volgens de gebiedsvisie is het herstel van het landschap een wijze waarop een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit kan worden geleverd. Voor de Rijt geldt dat de aanwezige molenbiotoop voor een groot deel de verschijningsvorm van bebouwingsconcentratie Rijt bepaalt. Binnen deze zone mogen zich in principe namelijk geen hoge objecten bevinden (vanwege de windvang van de molen). Dit vereist en zorgt ervoor dat de openheid BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

in de concentratie behouden blijft. Een eventuele verdichting van het gebied, door het toevoegen van bebouwing en/of (opgaande) beplanting is tevens ongewenst vanwege het feit dat hierdoor de onderlinge zichtlijnen en de cohesie met Luyksgestel verloren zullen gaan. Door de afwezigheid van laan- en erfbeplanting en bosschages heeft de concentratie een ‘harde’ uitstraling. Een kwaliteitsimpuls kan gerealiseerd worden door het op de juiste plaatsen toevoegen van landschappelijke elementen. Ontwikkelingen zijn mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de zichtlijnen en kwaliteit. Zoals beschreven in paragraaf 3.2 van de toelichting is de ontwikkeling landschappelijk ingepast door middel van erfbeplanting, die past binnen het gebied. Er is sprake van een kwaliteitsimpuls. Landschapsinvesteringsregeling De Kempen In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn regels vastgelegd die de belangen van de provincie bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten beschermen. Met deze regels moet bij de opstelling van bestemmingsplannen rekening worden gehouden. In dit beleid is verplicht gesteld dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied bij moeten dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap.

De zogenaamde landschapsinvesteringsregeling (LIR) is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend. De verplichting om de kwaliteit te verbeteren komt bovenop de ‘basis’-verplichting om de zorgen voor de (handhaving) van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied. De Kempen-gemeenten waar de gemeente Bergeijk onderdeel van is, vinden het van belang dat de wijze waarop met de LIR wordt omgegaan onderling wordt afgestemd. Er wordt daarbij gestreefd naar een zoveel als mogelijk uniforme aanpak, waarbij elke gemeente afzonderlijk accenten kan leggen. In de notitie “Landschapsinvesteringsregeling De Kempen” is concreet gemaakt hoe deze uniforme aanpak eruitziet. De LIR hanteert drie categorieën voor het onderscheiden van ruimtelijke ontwikkelingen. Niet alle ontwikkelingen hebben namelijk een gelijke ruimtelijke impact. De categorieën die de LIR hanteert zijn de volgende; • • •

Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s (op basis van forfaitaire bedragen).

Op basis van de LIR De Kempen is de bouw van een nieuwe woning door middel van de aankoop van een RvR-titel onder te brengen in categorie 2. Hiervoor is een landschappelijke inpassing maar geen investering nodig. De wijze waarop de woning landschappelijk wordt ingepast is in paragraaf 3.2 beschreven. In de regels van dit bestemmingsplan is de aanleg en instandhouding van de inpassing als voorwaarde gesteld.

20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische aspecten 5.1

en

planologische

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen bij de toelichting. In deze toelichting zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

5.2

Parkeren en ontsluiting

Bij elke ruimtelijke afweging dient gemotiveerd te worden dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en dat er voorzien wordt in een goede ontsluitingsmogelijkheid. Met de beoogde ontwikkeling al er één woning worden toegevoegd. De gemeente Bergeijk heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota Parkeernormen 2017. De gemeente heeft bij het opstellen van haar parkeerbeleid de volgende doelstelling; “Het bieden van een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in de gemeente Bergeijk, om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan.” Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in voldoende parkeergelegenheid wordt het uitgangspunt gehanteerd dat in beginsel het parkeren op eigen terrein moet worden opgevangen. Met behulp van aan functies gerelateerde normen wordt de parkeerbehoefte bepaald. Hierbij wordt een aantal uitgangspunten gehanteerd. 1. De parkeernormen zijn gebaseerd op parkeerkencijfers van het CROW, publicatie 317, Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012. Wanneer het CROW de parkeerkencijfers actualiseert, wordt de Nota Parkeernormen hierop aangepast. 2.

De parkeerkencijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad. Deze is voor de gemeente Bergeijk “niet stedelijk”, op basis van de demografische kerncijfers van het CBS per gemeente. 3. In de kern Bergeijk wordt voor het toepassen van parkeernormen alleen onderscheid gemaakt tussen het kernwinkelgebied van Bergeijk en de rest. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar verschillende gebiedstypen buiten het kernwinkelgebied. Vanwege de schaal van de gemeente Bergeijk is er nauwelijks onderscheid tussen autobezit in deze gebieden. Alle voorzieningen zijn gelijkwaardig bereikbaar. Voor het kernwinkelgebied van Bergeijk wordt een uitzondering gemaakt, omdat in dit gebied een bezoeker meerdere bestemmingen kan hebben binnen loopafstand. Voor de burgerwoning kan worden aangesloten op de norm horende bij een vrijstaande koopwoning. Hiervoor wordt een norm van 2,3 gehanteerd. Op basis van de parkeernormen is berekend dat er 2,3 parkeerplaatsen benodigd zijn. Op het eigen perceel is voldoende ruimte om in deze norm te voorzien. Er is daarom voldoende parkeergelegenheid aanwezig. De ontsluiting zal op een bestaande weg (Neerrijt) plaatsvinden. De verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling is zodanig gering dat geconcludeerd moet worden dat de bestaande aanliggende infrastructuur over voldoende capaciteit beschikt.

Het aspect “parkeren” en “ontsluiting” is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

5.3

Water

In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd, Keur 2015. Daarnaast zijn de algemene regels vastgelegd binnen de “Algemene regels waterschap De Dommel”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn; minder dan 2.000 m², tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Per 1 april 2021 zal de Keur worden geactualiseerd.

Vanaf dat moment wordt een grenswaarde gehanteerd van 500 m2. Boven deze verhardingstoename is het nodig hemelwater dat op daken en terreinverhardingen valt, binnen het plan te borgen. Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een verhardingstoename van ca. 500 m². De totale oppervlakte aan dakvlak bedraagt 322 m2. Voor de terreinverharding wordt een ruime inschatting gemaakt met de afronding voor het totaal aan verharding (dakvlak en terrein) van 500 m2. Daarmee wordt voldaan aan de actuele grenswaarde van een toename van 500 m2. Vanuit de Algemene Regel van het Waterschap is er geen verplichting tot aanleg van een retentievoorziening of infiltratievoorziening. Hydrologisch neutraal ontwikkelen is dan ook voor onderhavige ontwikkeling niet van belang. Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik; 2. Vasthouden; 3. Bergen en afvoeren; 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); 5. Afvoeren naar de riolering Deze waterparagraaf geeft inzicht in hoe de beoogde ontwikkeling omgaat met, en wat de ontwikkeling betekent voor het aspect water.

Beschermingsgebied Op basis van de Watertoetskaart is bepaald dat de projectlocatie gelegen is in de nabijheid van een “Beschermd gebied”. Het terrein is er zelf geen onderdeel van.

22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uitsnede Keur 2015, kaart “beschermde gebieden”. Gemeentelijk waterbeleid Het waterbeleid van de gemeente is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, 2020-2024 (VGRP). Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van dit plan legt de gemeente vast wat men wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De gemeente wil een goed functionerend water- en rioleringssysteem in stand houden en vanuit de zorgplicht riolering bijdragen aan gemeenschappelijke thema’s zoals klimaatadaptatie, duurzaamheid en een gezonde leefomgeving. Om de zorg voor riolering nu en in de toekomst betaalbaar te houden wil de gemeente toegroeien naar een situatie waarin we sterker sturen op prestaties, risico’s en kosten. Om dit te kunnen doen dient de basis op orde te zijn. De koers die hiervoor is ingezet wil de gemeente doorzetten en het beheer verder optimaliseren. Om te zorgen voor een toekomstbestendig water- en rioleringssysteem wil de gemeente het hemelwater zoveel mogelijk (laten) verwerken op eigen terrein of minimaal binnen projectgrens, tenzij transport doelmatiger is.

Door hemelwater in de bodem te infiltreren wordt de sponscapaciteit van de bodem benut en wordt een zoetwatervoorraad opgebouwd om langdurig droge perioden beter te kunnen overbruggen. Het overtollige hemelwater wordt in de openbare ruimte opgevangen, waarna het bij voorkeur via bovengrondse blauw-groene aders wordt afgevoerd naar de beekdalen die zijn (her)ingericht voor de opvang van pieken. Met deze aders, zoals opgenomen in het waterstructuurplan 2013, wordt bijgedragen aan een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving en kan tevens hittestress worden tegengegaan. Voor het verwerken van hemelwater hanteert de gemeente een andere grenswaarde dan het Waterschap. Waar het Waterschap op dit moment de grens legt op een verhardingstoename van 500 m2, legt de gemeente de grens bij 50 m2 verhardingstoename. Het verwerken van hemelwater op eigen terrein is voor deze ontwikkeling dus vanuit het gemeentelijk beleid verplicht gesteld. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Door de planontwikkeling neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke situatie met circa 500 m² toe. De toename in oppervlak is samen met de overige bebouwing (burgerwoning en bijgebouwen) ongeveer gelijk aan de grenswaarde (500 m²) die vanuit de Keur van het waterschap De BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

23

Dommel wordt gesteld. Verdeling verhard oppervlak In onderstaande tabel is een vergelijking gemaakt van de huidig en toekomstige verharding als gevolg van dakvlak en terreinverharding. Voor het dakvlak is 322 m2 opgenomen. Voor de terreinverharding (opritten en terrassen) is een reële aanname gedaan van 178 m2 zodat de aanname van de totale verharding van 500 m2 is genomen. De woonbestemming is 1.500 m2 groot. In de huidige situatie is dat volledig onverhard. In onderstaande tabel is inzicht gegeven in de verhardingstoename. Oppervlaktes

Huidig m2

Toekomstig m2

Daken

0

322

Terrein verharding

0

178

Onverhard terrein

1.500

1.000

Totaal

1.500

1.500

Bodem en grondwater Op basis van het dinoloket is in een beschikbaar bodemprofiel (BHR178923) direct oostelijk van het plangebied zichtbaar dat de bodem tot een diepte van 2 meter onder maaiveld volledig uit zand bestaat. Zand is uitermate geschikt voor de infiltratie van water. Op basis van de gegevens van het Waterschap is de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) gelegen tussen 0 en 60 centimeter onder maaiveld. De maaiveldhoogte is inmiddels opgehoogd waarbij op de natste plekken de ophoging 1 meter bedraagt. Dit betekent dat de GHG gemiddeld minimaal 1 meter onder maaiveld is gelegen. Oppervlaktewater Binnen of in de nabijheid van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater De verharding neemt met circa 500 m² toe. Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak dient op basis van het gemeentelijk beleid in een mogelijkheid voor infiltratie te worden voorzien. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning zal dit worden uitgewerkt zoals bijvoorbeeld de aanleg van een vijver. Het heeft niet de voorkeur om de op het terrein gelegen sloot (C-watergang) alleen als noodoverloop te gebruiken. Door de lage GHG en de bodemgesteldheid staat vast dat er voldoende gelegenheid is om hemelwater te bergen en in de bodem te infiltreren. Ter verzekering van de verplichting voor berging is een verplichting opgenomen in de regels.

Materiaalgebruik Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Het aspect “water” is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Deze wet heeft 3 wetten 24

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Natuuronderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling is een natuuronderzoek uitgevoerd (Bureaustudie flora- en fauna locatie Rijt ongenummerd, Luyksgestel, dd 19 oktober 2020, IJzerman advies). Dit onderzoek is in zijn geheel toegevoegd aan dit bestemmingsplan. De conclusie luidt als volgt; Flora Op basis van de foto’s is het plangebied onderzocht door een ervaren vegetatiekundige, op het voorkomen van beschermde soorten of resten hiervan. Op en langs de randen van de percelen zijn enkel vrijgestelde soorten te verwachten en zijn er geen beschermde soorten zichtbaar. Het plangebied is in gebruik voor de sierbomenteelt, de grond zal voedselrijk zijn en regelmatig worden bewerkt. Beschermde soorten of hun groeiplaatsen worden hier niet verwacht. Vanuit de deskstudie Nationale Databank Flora en Fauna zijn er geen beschermde flora gegevens bekend voor de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Ongewervelden Beschermde ongewervelden, zoals bepaalde vlinders, libellen, kevers en mieren, worden niet verwacht op de planlocatie.

De locatie bevat geen natuurlijk ontwikkelde oevervegetaties of arme- of matig- voedselrijke vegetaties. Beschermde soorten zijn vaak zeer specifiek in hun biotoopkeuze en afhankelijk van de aanwezigheid van (vaak zeldzame en kwetsbare) waardplanten of vegetaties. Op de planlocatie ontbreken deze omstandigheden, waardoor ook geschikte biotopen voor deze beschermde ongewervelden ontbreken. Op basis van de omstandigheden ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er geen beschermde soorten voorkomen. Vanuit de deskstudie Nationale Databank Flora en Fauna zijn er geen gegevens van beschermde ongewervelden bekend voor de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Amfibieën, vissen en reptielen Potentiële geschikte water- en oeverstructuren voor beschermde soorten ontbreken op de planlocatie zelf. Beschermde amfibieën- of vissoorten zullen hierdoor geen gebruik maken van het plangebied als voortplantingsgebied. De ontwikkeling is landgebonden en er zullen geen waterstructuren worden aangetast. In theorie is het mogelijk dat er in het plangebied enkele algemene amfibieënsoorten, zoals bruine kikker of gewone pad in landfase voorkomen. Hoewel deze soorten beschermd zijn (artikel 3.10), worden zij niet bedreigd in hun voorkomen en staan vermeld als vrijgestelde soorten in de provincie Noord-Brabant.

Voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaat-sen of rustplaatsen wordt vrijstelling verleend als de handeling verband houdt met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden (hier van toepassing). Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Vanuit de deskstudie Nationale Databank Flora en Fauna zijn er geen gegevens van beschermde amfibieën, vissen of reptielen bekend voor de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Broedvogels Alle bewoonde nesten in het broedseizoen vallen onder de bescherming van de nieuwe Wet natuurbescherming. U dient daarom gedurende de sloopwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Er wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde.

Aangezien het gaat om een agrarisch perceel, waarbij geen grotere opgaande groenstructuren zullen worden aangetast, is het onwaarschijnlijk dat er nesten van broedvogels worden aangetast. Rekening houden met broedvogels is hier niet aan de orde indien er geen kapwerkzaamheden zijn. Vanuit de deskstudie Nationale Databank Flora en Fauna zijn er geen gegevens van beschermde vogels bekend voor de BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

planlocatie en de directe omgeving hiervan. Zoogdieren Het is mogelijk dat er een enkel individu van een beschermde soort op de locaties kan worden aangetroffen, zoals egel, mol, konijn, veldmuis en bepaalde spitsmuizen. Deze soorten zijn weliswaar beschermd, maar behoren in de provincie Brabant tot de vrijgestelde soorten. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen hoeft voor deze soorten geen ontheffing meer te worden aangevraagd. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hierbij valt te denken aan het uitvoeren van de meest verstorende werkzaamheden in de maanden september en oktober. Aangezien het gaat om een open agrarisch perceel, waarbij geen opgaande groenstructuren zullen worden aangetast, is het onwaarschijnlijk dat er vaste verblijfslocaties van zoogdieren worden aangetast. Rekening houden met vaste verblijfslocaties van zoogdieren is hier niet aan de orde indien er geen kapwerkzaamheden zijn. Vanuit de deskstudie Nationale Databank Flora en Fauna zijn er geen gegevens van beschermde zoogdieren bekend voor de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur.

Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Een stikstofberekening is uitgevoerd en als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: Uit de stikstofberekening blijkt dat de aanlegfase niet leidt tot een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De verklaring hiervoor is gelegen in het feit dat de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux circa 2,0 km bedraagt.

Gelet hierop en gelet op het eenmalige karakter van de aanlegfase, heeft de depositie van de aanlegfase geen meetbaar of merkbaar effect op de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca. 2,0 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie ter plaatse van het Natura-2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Daarnaast heeft de voorgenomen ontwikkeling voor de bouw van een gasloze woning een positieve bijdrage aan het verduurzamen van de woningvoorraad.Ook betreft het de bouw van een woning die middels de ruimte-voor-ruimte regeling mogelijk wordt gemaakt. Deze regeling voorziet middels de aankoop van een titel in een financiele bijdrage in de bekostiging van de sanering van veehouderijbedrijven nabij natuurgebieden. Dit resulteert in een afname van de stikstofdepositie in die gebieden. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige effecten op de natuurwaarden in het plangebied en omliggende natuurgebieden.

26

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Bergeijk heeft haar archeologiebeleid vormgegeven middels haar bestemmingsplannen. Op het perceel is de beschermende waarden ‘Waarde – Archeologie 3 en 4.1’ in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Waarde-Archeologie 3 Deze waarde bepaalt dat voor bodemverstoringen van 250 m² of groter en grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. Uit dit rapport moet blijken dat er geen archeologische waarden in het geding zijn voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend.

Dit is niet van toepassing in het geval omdat de verstoring in de bodem niet binnen deze dubbelbestemming plaatsvindt. Een nader onderzoek is daarom niet nodig. De dubbelbestemming blijft in dit bestemmingsplan gehandhaafd.

Zone waarvoor de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3 is opgenomen De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van een woning en bijgebouw met een totale oppervlakte waarvoor bewerkingen in de grond nodig zijn (funderingsoppervlakte) van 230 m2 (152 m2 hoofdgebouw en 78 m2 bijgebouw). Met deze oppervlakte een onderzoek niet verplicht. De bestaande BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

27

beschermende waarden worden in dit bestemmingsplan overgenomen. In het zuidelijk deel van het plangebied is nog een kleine zone gelegen die de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4.1’ heeft. Deze waarde bepaalt dat voor bodemverstoringen van 500 m² of groter en grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. Dit deel van het plangebied zal niet worden gebouwd. Deze dubbelbestemming is overgenomen. Indien tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) of zoals gangbaarder is bij de gemeente conform Artikel 5.10. (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet 2015. Cultuurhistorie In de nabijheid van het plangebied is een molen aanwezig. Ter bescherming van de werking en uitstraling van dit cultureel erfgoed geldt een molenbiotoop. De regels voor nieuwe bebouwing zijn in het bestemmingsplan opgenomen. Nieuwe bebouwing op een afstand van meer dan 100 en tot 500 meter gemeten vanaf de molen dient rekening te houden met deze molenbiotoop volgens de formule: H=X/75+0,2*Z.

H = de toelaatbare bouwhoogte in meters (gemeten vanaf het peil ter plaatse van de molen) X = de afstand in meters vanaf het bouwwerk tot de wieken van de molen Z = askophoogte (helft van de vlucht van de wieken + belthoogte) De nieuwe woning is gelegen op een afstand van minimaal 175 meter. De vlucht van molen De Deen is volgens de molendatabase gelegen op 23 meter. De hoogte van de belt is gelegen op 2,60 meter. De askophoogte bedraagt dan 14,1 meter (11,5 + 2,6). Volgens de formule kan een nieuw gebouw een hoogte hebben van (175/75 + 0,2 x 14,1) 5,15 meter. Deze hoogte is onvoldoende om het gewenste bouwplan te realiseren echter met toepassing van een afwijkingsregel in het bestemmingsplan kan van de formule worden afgeweken als de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder beperkt wordt door de nieuw op te richten bebouwing. Voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen verleend wordt, vraagt het college schriftelijk advies bij de molendeskundige. In kader van de haalbaarheid van de ontwikkeling en dit bestemmingsplan is reeds advies gevraagd aan de molendeskundige. Op 12 oktober 2020 is door de molenvereniging ‘De Hollandsche Molen’ advies gegeven.

Dit advies luidt als volgt; ‘Het perceel direct ten noorden grenzend aan het perceel van molen De Deen bevat een hoofd- en bijgebouw van circa 7 meter vanaf maaiveld. Het perceel is tevens omzoomd met bomen van circa 7-8 meter hoogte. Ter hoogte van de beoogde bouwlocatie ligt aan de overzijde van de Rijt eveneens agrarische bebouwing van circa 7 meter hoogte. De wegen Neerrijt en Rijt zijn omzoomd met bomen van circa 7-10 meter hoogte. Het perceel ten noorden van de kruising Neerrijt en Rijt heeft een bosschage van circa 20-22 meter hoogte. Het beoogde bouwplan betreft een hoofdgebouw en bijgebouw. Het hoofdgebouw heeft een goothoogte van circa 5,4 meter en het bijgebouw een nokhoogte van circa 5,4 meter. Het hoofdgebouw heeft een nokhoogte van circa 7,5 meter vanaf maaiveld. Gezien de bouwhoogtes in de directe omgeving van de beoogde bouwlocatie en die van het perceel direct ten noorden van de molen, is er tot een hoogte van circa 7 meter reeds bestaande windhinder. De beoogde nieuwbouw van 7,5 meter schept geen onoverkomelijke toevoeging van windhinder. Derhalve kan De Hollandsche Molen in dit specifieke geval instemmen met het voorgestelde schetsontwerp/bouwplan en de genoemde goot- en bouwhoogtes. Van belang is wel dat de 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=dead772c-c07a-4124-a0aa-f02be5cd8006