Bijlage 1.a Toelichting Postelseweg.pdf
Tekst van het document
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
27
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De gemeente Bergeijk heeft haar archeologiebeleid vormgegeven middels haar bestemmingsplannen. Op beide percelen is een beschermende waarde (dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4.2) in de regels van het bestemmingsplan opgenomen. Deze waarde heeft bepaald dat voor bodemverstoringen van 500 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 50 centimeter een onderzoek noodzakelijk is. Er is geen onderzoek nodig als er sprake is van herbouw op dezelfde locatie. Uit dit onderzoek moet blijken dat er geen archeologische waarden in het geding zijn voordat een omgevingsvergunning kan worden verleend. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten waarvoor een onderzoek verplicht is. Voor een klein gedeelte van de locatie aan de Puttendijk 2 is de dubbelbestemming Waarde –Archeologie 3 bepaald. Deze locatie is ongeveer 100 m2 groot. Deze waarde heeft bepaald dat voor bodemverstoringen van 250 m2 of groter en grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter een onderzoek noodzakelijk is.
Er is geen onderzoek nodig als er sprake is van herbouw op dezelfde locatie. Gezien de omvang van deze locatie en de grenswaarde van 250 m2 kan er geen sprake zijn van een gevaar op verstoring van eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden. Beide dubbelbestemmingen worden overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Gezien het bovenstaand is onderzoek niet nodig. Als tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie In of in de nabijheid van de projectlocatie zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling en voorgenomen sloop van de bedrijfsgebouwen worden geen cultuurhistorische waarden verstoord. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.6
Milieuzonering, geur en spuitzones
Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van de toevoeging van twee nieuwe woningen aan de Oude Postelseweg 5 verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Voor het omzetten van de twee bestaande agrarische bedrijfswoningen naar woningen geldt dat niet; deze woningen werden als bedrijfswoning met uitzondering voor de bedrijfsprocessen van het eigen bedrijf voor andere milieuaspecten ook al als een gevoelig object beschouwd. Een afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening (goed woon-, en leefklimaat) speelt hierbij wel. Bedrijvigheid
28
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd.
Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. Zonering In de nabijheid van de locaties is bedrijvigheid aanwezig op een grote afstand van de projectlocatie. Zo is de bedrijvigheid op het bedrijventerrein Waterlaat op een afstand van meer dan 200 meter van de projectlocatie gelegen. Volgens de bestemming is er bedrijvigheid (1) tot maximaal categorie 3.2 toegestaan. De richtafstand bij deze categorie is op basis van de VNG-brochure 100 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Aan de Puttendijk 15 is een groepsaccommodatie aanwezig (2). De afstand tussen de projectlocatie een dit horecabedrijf is 300 meter. Dergelijke bedrijven kennen een milieucategorie 1 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Hieraan wordt voldaan.
3
1
2
Uitsnede bestemmingsplan met de in de omgeving aanwezige bedrijven. bron: ruimtelijkeplannen.nl Spuitzones
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
29
In de omgeving is ook een kwekerij (3) gevestigd met akkers waarop open teelt (struiken en coniferen) plaatsvindt. Dergelijke open teelten zijn niet in de VNG-brochure vermeld. Als vuistregel wordt een afstand van 50 meter gehanteerd. De indicatieve afstand van gevoelige objecten tot open teelten volgt uit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tijdens het bespuiten van de gewassen komt als gevolg van de wind een deel van het beschermingsmiddel buiten het teeltgebied terecht (drift). De gronden in de oostzijde van het plangebied gelegen tussen de oostelijke RvR-woning en de kwekerij zijn van initiatiefnemer en worden niet gebruikt voor de teelt van gewassen. De afstand van deze woning tot de oostelijke perceelgrens bedraagt 52 tot 59 meter. Op basis van het voorgaande is er geen sprake van een overschrijding van de indicatieve afstand en is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect “milieuzonering” is daarom geen belemmering. Geurhinder agrarische bedrijvigheid Het relevante aspect met betrekking tot veehouderijbedrijven is de eventuele geurhinder. In de nabijheid van de locatie aan de Oude Postelseweg 5 zijn geen veehouderijbedrijven aanwezig. De Wet geurhinder veehouderijbedrijven (Wgv) beschouwd een agrarische bedrijfswoning als geurgevoelig object in relatie tot de eventuele hinder van andere bedrijven.
Dit betekent dat bij de beoogde wijziging naar “wonen” voor de agrarische bedrijfswoningen er geen hindergevoelig object zal worden toegevoegd. Om te beoordelen of er sprake is van een goed woon-, en leefklimaat kan het volgende worden gesteld. In de nabijheid van de locatie aan de Puttendijk 2 zijn aan Puttendijk 5 en Weebosserweg 31b veehouderijbedrijven aanwezig. Vaste afstanden Indien in de omgeving van het plangebied veehouderijen zijn gelegen met dieren waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, zoals melkrundvee en paarden, zal getoetst moeten worden aan de vaste afstandseisen zoals bedoeld in artikelen 4 en 5 van de Wgv. Het dichtstbij het plangebied Puttendijk 2 gelegen rundveebedrijf ligt aan de Weebosserweg 31b. De afstand bedraagt > 50 meter, gemeten vanaf de stal waar het rundvee wordt gehouden tot aan de woning Puttendijk 2. In de directe omgeving van het plangebied Oude Postelseweg 5 zijn geen rundveebedrijven gelegen. Puttendijk 5 (A): Voor deze veehouderij (varkens) dient op grond van de Wet geurhinder een afstand van 50 meter aangehouden te worden tussen het bedrijf (grens inrichting Puttendijk 5) en de woning (voormalige bedrijfswoning Puttendijk 2 /grens woonbestemming).
De dichtstbij het plangebied Puttendijk 2 gelegen veehouderij betreft het rundveebedrijf aan de Weebosserweg 31b (B) en is gelegen op een afstand van circa 62 van het plangebied. Tussen deze veehouderij en het plangebied is nog een andere burgerwoning Weebosserweg 35 gelegen waardoor de agrarische ondernemer aan de Weebosserweg 31b niet in zijn belangen wordt geschaad door het plangebied.
30
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
A
B Uitsnede bestemmingsplan met de in de omgeving aanwezige veehouderijbedrijven. bron: ruimtelijkeplannen.nl Achtergrondbelasting geur In het kader van de ruimtelijke procedure is het nodig dat ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. Deze beoordeling wordt gedaan aan de hand van inzicht in de achtergrondbelasting. Om inzicht te krijgen in de achtergrondbelasting op beide plangebieden is een onderzoek gedaan. Dit onderzoek (Onderzoek achtergrondbelasting V-stacks-gebied, dd 23 januari 2020) is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: Door de beëindiging van de veehouderij op Oude Postelseweg 5 wordt de achtergrondbelasting van het gehele gebied verlaagd. Ter plaatse van de rekenpunten blijft de achtergrondbelasting geur onder de grens van 20% geurgehinderden. Derhalve is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder wijzigingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Deze zaken zijn uitgebreid onderzocht in het kader van onderhavige toelichting, tezamen met alle andere milieuhygiënische en planologische aspecten.
Hieruit zijn geen bezwaren gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
31
Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Aangezien er geen activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten kunnen hebben is uitgesloten dat onderhavige ontwikkeling een negatief effect kan hebben op de Natura 2000-gebieden en de Beschermde Natuurmonumenten.
5.8
Geluid
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Omdat door met de beoogde ontwikkeling twee nieuwe geluidsgevoelig objecten (de nieuwe RvR-woningen) worden toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid; Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen. Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. De projectlocatie aan de Oude Postelsweg 5 is gelegen binnen de zone van de Oude Postelseweg.
Een geluidsonderzoek is daarom verplicht. Echter omdat deze weg een zodanig lage verkeerintensiteit kent, moet geconcludeerd worden dat voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Een onderzoek is daarom niet uitgevoerd. Spoorweglawaai Dit aspect is niet relevant. Vliegtuiglawaai Dit aspect is niet relevant. Industrielawaai Dit aspect is niet aan de orde Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
32
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
5.9
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de plannen: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Een project leidt - al dan niet per saldo - niet bij tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Een project draagt "niet in betekenende mate" (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; • Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit). Toetsing initiatief aan ‘niet in betekende mate’ begrip Projecten die 'niet in betekenende mate' leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van 'niet in betekenende mate' ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof.
Hiervan is volgens de ministeriële regeling van 'niet in betekenende mate' sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit bestemmingsplan betreft een wijziging van de bestemming naar wonen, het toevoegen van twee woningen en de beëindiging van twee intensieve veehouderijbedrijven. Deze ontwikkeling is daarom een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of het initiatief voorziet in een goede ruimtelijke ordening. Dit is onderzocht door middel van de NSL-monitoringstool (https://www.nsl-monitoring.nl). De meetpunten aan de Bredasedijk zijn het dichtst op de projectlocatie gelegen. Hier wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxode: 60 μg/m3, fijnstof: 40 μg/m3 en zeer fijnstof 20 μg/m3). Voor stikstofdioxide is de achtergrondwaarde gelegen tussen 0 en 35 μg/m3, voor fijnstof is de waarde gelegen tussen 25 en 35 μg/m3 en voor zeer fijnstof is de waarde lager dan 20 μg/m3.
Ook het aantal overschrijdingsdagen is lager dan 35 per jaar en voldoet daarmee aan de normen. Omdat de projectlocatie verder van de Bredasedijk is gelegen dan de meetpunten van het NSL dat doen, kan worden verondersteld dat wordt voldaan aan de normen en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Uitsnede NSL-viewer met in rood de projectlocatie; bron: nsl-monitoring.nl BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
33
Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
5.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Voor de bestaande bedrijfswoningen aan de Oude Postelseweg 5 en Puttendijk 2 is de grond reeds lange tijd in gebruik ten behoeve van de woonfunctie. Voor de twee beoogde RvR-woningen is dat niet het geval. Hiervoor is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in zijn geheel als separate bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; “6.1 Conclusie Algemene bevindingen veldwerkzaamheden De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 4,31 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn geen bijmengingen waargenomen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In de bovengrond zijn analytisch licht verhoogde gehalten met cadmium, koper en zink aangetoond. Deze concentraties overschrijden de achtergrondwaarden, doch overschrijden de interventiewaarden niet.
Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlaag indicatief als klasse industrie beschouwd worden. Tevens zijn in de bovengrond en in de ondergrond analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van deze bodemlagen indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. Grondwater In het grondwater is analytisch een licht verhoogd gehalte met barium aangetoond. Deze overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. 6.2 Aanbevelingen Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd.
In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: •
•
34
wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Op basis van dit onderzoek is de grond indicatief als zijnde klasse AW2000 danwel industrie bestempeld; het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag.”
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Voor de locatie aan de Puttendijk is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage (verkennend en nader bodemonderzoek Puttendijk 2 dd 6 december 2019) is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: “Middels onderhavig verkennend en nader bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn aanvullende procedures noodzakelijk. Resumerend kan gesteld worden dat: • de verontreiniging met lood, zink en koper binnen de perceelsgrenzen is voldoende afgeperkt en bedraagt circa 250 m2, zijnde 150 m3; • uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de boringen B106, B107, B108, B110, B114 en B115 een verontreiniging met lood, zink en koper aanwezig is. Ter plaatse van boring B117 is een kleine spot met lood aanwezig. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging; • indien men graafwerkzaamheden ter plaatse wil uitvoeren, men dit vooraf middels een (beknopt) plan van aanpak kenbaar dient te maken aan het bevoegd gezag;. Het bevoegd gezag dient in te stemmen, alvorens men mag aanvangen met de voorgenomen werkzaamheden.” Het aspect “Bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit.
Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Ten behoeve van het toevoegen van twee nieuwe kwetsbare objecten (2 RvR-woningen), is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
35
Uitsnede uit de Risicokaart met in rood aangeduid de projectlocatie; bron: risicokaart.nl Op basis van de risicokaart zijn er geen risicobronnen gevonden. De projectlocatie is niet gelegen binnen een invloedsgebied. Het aspect “externe veiligheid” is daarom geen belemmering.
5.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het wijzigingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.
5.13 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Rond de pluimvee- en varkenshouderijen in Noord-Brabant zijn individuele endotoxine cirkels te trekken, gebaseerd op de fijnstof emissie, de situering en de diersoort volgens Web-BVB, gecombineerd met de afstandsgrafieken uit bijlage 2 van de bovengenoemde Notitie. Binnen deze cirkels of risicocontour is in beginsel geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen en is bijvoorbeeld woningbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
De mogelijke blootstelling aan endotoxine is daar hoger dan de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3). Het varkensbedrijf aan de Puttendijk 5 heeft op bedrijfsniveau een fijnstof emissie PM10 van 212 kg. Volgens de afstandsgrafiek bedraagt de berekende afstand die bij deze fijnstof emissie hoort een afstand van 90 meter.
36
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Binnen deze afstand zijn geen van de 2 plangebieden gelegen. De afstand van het dichtstbijzijnde plangebied Puttendijk 2 ten opzichte van het dichtstbijzijnde emissiepunt bedraagt ongeveer 122 meter. De advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt niet overschreden. Uit toetsing van de aanvraag aan het Endotoxine toetsingskader 1.0 blijkt dat er geen sprake is van een overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad. De risico’s voor volksgezondheid worden voldoende beperkt. Geitenhouderijen Verspreid over het grondgebied van de gemeente Bergeijk zijn drie geitenhouderijen aanwezig. Uit de VGO-onderzoeken is naar voren gekomen dat tot 2 km rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. In verband hiermee heeft de gemeente zich afgevraagd of woningbouwontwikkelingen binnen de 2 km nog verantwoord zijn. Met andere woorden is de vraag of er sprake van een goede ruimtelijke ordening bij het voornemen tot woningbouw binnen afstand van 2 km van een geitenhouderij. Het plangebied is gelegen binnen de straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. De gemeente Bergeijk heeft een zorgvuldige afweging gemaakt.
Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied (rood) aan ten opzichte van de voor het project relevante geitenhouderij (blauw). De locaties zijn gelegen binnen de 2000 meter straal.
Ligging projectlocatie ten opzichte van geitenhouderijen. De afweging is opgenomen in een memo (Omgekeerde werking geitenmoratorium, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, dd 4 juni 2018). Dit memo is in zijn geheel als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De afweging uit het memo die relevant is voor de beoogde ontwikkeling luidt als volgt: “Gebruikmakend van de voorgaande overwegingen (red. uit het memo) kan de gemeente de afweging maken om woningbouwontwikkeling doorgang te laten vinden en uit voorzorg daarbij de volgende richtlijnen hanteren: •
Waar mogelijk medewerking verlenen aan ontwikkeling van enkele woningen, of een kleine woonwijk. De gemeente zal hiervoor meewerken aan: o het voorkomen van een toename van het aantal geiten op de bestaande locaties; BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
37
o
•
bedrijfsgerichte maatregelen om de uitstoot van de stoffen te verminderen c.q. tot een minimum te beperken die de verhoogde kans op longontsteking veroorzaken, zodra uit het vervolgonderzoek VGO welke stof(fen) dit zijn. Dit past binnen de strekking van de “niet-in-betekenende-mate (nibm)” dat een kleine verhoging van de blootstelling accepteert met een perspectief dat deze op termijn wordt gecompenseerd.
Bij grootschalige projecten overwegen medewerking te verlenen als maatregelen bij de bron genomen worden om de risico’s te reduceren, bijvoorbeeld door het houden van minder geiten houden of door het nemen bedrijfsgerichte maatregelen nemen zodra bekend is welke stof(fen) de oorzaak zijn van de verhoogde kans op longontsteking. In dit verband kan bij grootschalige projecten met de fasering van worden gestuurd worden op realisatie van de woningbouw na 2020. De periode tussen woningbouw en implementatie van bedrijfsgerichte maatregelen zijn dan kort zo mogelijk. NB. Dit gaat er vanuit in het vervolgonderzoek van VGO de oorzaak wordt gevonden en bedrijfsgerichte maatregelen mogelijk zijn. Bij zowel klein- als grootschalige ontwikkelingen rekening houden met de afstand van de woningbouwlocatie tot de geitenhouderij: o Geen woningen dichterbij de geitenhouderij bouwen dan de al bestaande woningen (alleen inbreiding toestaan). De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden vooralsnog aanvaard. Door niet dichterbij te bouwen wordt voorkomen dat eventuele toekomstige maatregelen om de gezondheidseffecten van geitenhouderijen te verminderen minder effectief worden of dat een grotere inspanning moet worden gedaan om te voldoen aan toekomstige eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. o De omvang van de woningbouw relateren aan de afstand tot de geitenhouderij.
•
Bij ontwikkelingen uit voorzorg rekening houden met de doelgroep, waarbij niet meegewerkt wordt aan ontwikkelingen gericht op voorzieningen waar grote groepen meer kwetsbare mensen gebruik van maken, zoals bijvoorbeeld een verzorgingstehuis, een school of kinderopvang.
In het geval van een onherroepelijk bestemmingsplan is te overwegen om de betrokken mensen (toekomstige bewoners en ontwikkelaar) per brief te informeren over de gezondheidsrisico’s (zoals de gemeente Oss dit onlangs heeft gedaan). Dit doet zich voor in het geval dat een omgevingsvergunning voor bijvoorbeeld de bouw van woningen is afgegeven maar de bouw is nog niet gerealiseerd èn in het geval dat de omgevingsvergunning (nog) niet is verleend. In dit laatste geval kan de gemeente immers niet anders dan de omgevingsvergunning voor de bouw van de bestemde woningen afgegeven.” Met de beoogde ontwikkeling is sprake van de bouw van enkele woningen. Deze woningen liggen bovendien niet dichter op de betreffende geitenhouderij dan dat reeds bestaande woningen dat doen. Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een ontwikkeling die gericht is op voorzieningen waar grote groepen, kwetsbare mensen gebruik van zullen maken. Rekening houdend met de zorgvuldige afweging die door de gemeente is gemaakt betekent dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar woon-, en leefklimaat.
5.13 Duurzaamheid De beoogde ontwikkeling maakt een “ontstening” van het landelijk gebied mogelijk door de sloop van meer dat 2000 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing. Daarnaast voorziet dit bestemmingsplan in de beëindiging van twee intensieve veehouderijbedrijven nabij de bebouwde kom van Bergeijk. De ontwikkeling voorziet daarmee in een duurzame ontwikkeling.
38
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
39
Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving 6.1
Hoofdopzet
Het bestemmingsplan kent de enkelbestemmingen Agrarisch en Wonen. Daarnaast geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4.2 en Waarde – Archeologie 3. Hierna volgt een korte toelichting op deze bestemmingen. Agrarisch De gronden van het voormalig agrarisch bouwvlak die niet worden omgezet naar Wonen krijgen een extensieve agrarische bestemming zonder bouwvlak toegekend. Deze gronden mogen worden aangewend voor agrarische activiteiten. De bouwmogelijkheden zijn zeer beperkt. Wonen De tot ‘Wonen’ bestemde gronden zijn bedoeld voor de twee nieuwe woonbestemmingen en de twee reeds bestaande woningen. De maatvoering van de woningen en de bijbehorende bebouwing is opgenomen in de regels en op de verbeelding waarbij voor de twee bestaande woningen de bestaande maten is opgenomen. Onder bepaalde voorwaarden zijn aan huis verbonden beroepen als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie rechtstreeks toegestaan. Binnen de bestemming zijn verschillende afwijkingsmogelijkheden opgenomen om in geringe mate af te wijken van de gegeven bouw- en gebruiksregels. Waarde – Archeologie 3 Deze dubbelbestemming dient ter bescherming van de (potentiele) archeologische waarden in de grond. Hiertoe zijn diverse bouwregels en regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen.
Waarde – Archeologie 4.2 Deze dubbelbestemming dient ter bescherming van de (potentiele) archeologische waarden in de grond. Hiertoe zijn diverse bouwregels en regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden opgenomen.
40
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De grond en het pand is in eigendom van een particulier waardoor er geen kosten zijn voor de gemeente als gevolg van de wijziging van de bestemming. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt ook de procedurele kosten. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht. Als met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In deze procedure is de exploitatie gewaarborgd door een privaatrechtelijke -met de initiatiefnemer te sluiten- overeenkomst over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Voorgaand aan het besluit omtrent vaststelling van het bestemmingsplan zal daarom worden besloten dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
41
Hoofdstuk 8 Procedure 8.1
Omgevingsdialoog
Op 17 juni 2021 en 1 juli 2021 heeft initiatiefnemer omwonenden van beide locaties in het plangebied van de plannen op de hoogte gebracht. Dit was reeds op een informele manier eerder gebeurd. Alle omwonenden geven aan zich te kunnen vinden in de beoogde plannen.
8.2
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt het bestemmingsplan aan de Provincie Noord-Brabant en Waterschap de Dommel voorgelegd. Op deze wijze worden de Provincie en het Waterschap in de gelegenheid gesteld een reactie op het plan te geven.
8.3
Vervolg van de procedure
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening dient de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb in de Staatscourant en een huis-aan-huis blad te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan de wettelijke overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Tegen het besluit tot vaststelling staat direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt het plan in werking, tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt ingediend. In dat laatste geval wordt de werking van het vaststellingsbesluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.
42
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Separate bijlagen • •
Natuurtoets Oude Postelsweg 5, 30 mei 2017 Natuurtoets Puttendijk 2, 30 mei 2017
• • • • •
Stikstofberekening, 22 april 2020 Lir-berekening 14 juli 2021 Onderzoek achtergrondbelasting V-stacks-gebied 23 januari 2020 Verkennend bodemonderzoek, 13 juli 2017 Verkennend en nader bodemonderzoek, 6 december 2019
•
Certificaat RvR
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
43