Bijlage 1.a Toelichting Postelseweg.pdf
Tekst van het document
Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht
Vastgesteld
Bestemmingsplan “Oude Postelseweg 5 en Puttendijk 2” Gemeente Bergeijk
Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl
Datum: 22 juli 2021 Status: Vastgesteld plancode: NL.IMRO.1724.BPUoud0053-VAST
2
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Toelichting
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
3
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ............................................................................................................. 6 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................. 6 1.2 PLANGEBIED ............................................................................................................................ 6 1.3 DOEL ....................................................................................................................................... 6 1.4 GELDEND BESTEMMINGSPLAN ................................................................................................... 7 1.5 LEESWIJZER............................................................................................................................. 7 HOOFDSTUK 2 BESTAANDE SITUATIE ....................................................................................... 8 2.1 RUIMTELIJKE STRUCTUUR ......................................................................................................... 8 2.2 FUNCTIONELE STRUCTUUR........................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ..........................................................................................
9 3.1 UITGANGSPUNTEN/BESTAANDE SITUATIE ................................................................................... 9 3.2 NIEUWE ONTWIKKELING/CONCRETE BESCHRIJVING PLAN........................................................... 10 3.3 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING ............................................................................................... 12 HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ................................................................................................. 14 4.1 RIJKSBELEID .......................................................................................................................... 14 4.2 PROVINCIAAL BELEID .............................................................................................................. 15 4.3 GEMEENTELIJK BELEID............................................................................................................ 17 HOOFDSTUK 5 MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN ............................. 22 5.1 INLEIDING .............................................................................................................................. 22 5.2 PARKEREN EN ONTSLUITING ....................................................................................................
22 5.3 WATER .................................................................................................................................. 23 5.4 NATUUR................................................................................................................................. 25 5.6 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES.................................................................................. 28 5.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING ............................................. 31 5.8 GELUID .................................................................................................................................. 32 5.9 LUCHTKWALITEIT .................................................................................................................... 33 5.10 BODEMKWALITEIT ............................................................................................................... 34 5.11 EXTERNE VEILIGHEID.......................................................................................................... 35 5.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR........................................................................................... 36 5.13 GEZONDHEID .........................................................................................................................
36 5.13 DUURZAAMHEID ................................................................................................................. 38 HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING.................................................................. 40 6.1 HOOFDOPZET......................................................................................................................... 40 HOOFDSTUK 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .............................................................. 41
HOOFDSTUK 8 PROCEDURE ...................................................................................................... 42 8.1 VOOROVERLEG ...................................................................................................................... 42 8.2 VERVOLG VAN DE PROCEDURE ................................................................................................ 42 SEPARATE BIJLAGEN ...................................................................................................................... 43
4
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Voor de gronden aan de Oude Postelseweg 5 in Bergeijk wordt beoogd om de bestaande intensieve boerderij te beëindigen, de bestaande agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een woning, de agrarische bedrijfsbebouwing te slopen en twee Ruimte voor ruimte-woningen (RvR woningen) te bouwen. Per bouwrecht voor een RvR woning dient er 1000 m2 aan voormalige bedrijfsbebouwing te worden gesloopt. Aan de Oude Postelweg 5 zal er 1.691 m2 worden gesloopt. De overige te slopen bebouwing komt voort uit de sanering van de in de nabijheid gelegen locatie aan de Puttendijk 2 in Bergeijk. Op deze locatie wordt 675 m2 gesloopt en zal de agrarische bedrijfswoning worden omgezet naar een woning. In totaal wordt er 2366 m2 aan agrarische bebouwing gesloopt. Beide locaties maken deel uit van dit bestemmingsplan. Op grond van het bestemmingsplan “Herziening Buitengebied Bergeijk 2014” van de gemeente Bergeijk kennen beide percelen de bestemming de “agrarisch” en is de aanduiding “intensieve veehouderij” aangeduid. De bouw van woningen, en het gebruik van de bestaande bedrijfswoningen als woning is binnen deze bestemming niet mogelijk. Hiervoor dient het bestemmingsplan voor beide percelen te worden herzien.
1.2
Plangebied
Het plangebied ligt in de gemeente Bergeijk, ten westen van het dorp Bergeijk aan de Oude Postelseweg 5 (rood) en aan de Puttendijk 2 (oranje).
Luchtfoto Bergeijk en de projectlocaties, bron: google.nl
1.3
Doel
Het doel van dit nieuwe bestemmingsplan is het tot stand brengen van een regeling om twee RvR-woningen te bouwen aan de Oude Postelseweg 5, de bestaande agrarische bedrijfswoningen aan de Oude Postelseweg 5 en Puttendijk 2 te gebruiken als woning. 6 BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
1.4
Geldend bestemmingsplan
Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Herziening Buitengebied Bergeijk 2014” De bestemming van de percelen is “Agrarisch” met de aanduiding “Intensieve veehouderij”. Binnen deze bestemming is een bouwvlak gelegen. Op de percelen is een dubbelbestemming WaardeArcheologie opgenomen ter bescherming van eventueel in de gronden aanwezige archeologische waarden.
Uitsnede bestemmingsplankaart “Herziening Buitengebied Bergeijk 2014”, bron: ruimtelijkeplannen.nl
1.5
Leeswijzer
Voorliggende toelichting bevat de onderbouwing om de haalbaarheid aan te tonen van het beoogde nieuwe bestemmingsplan “Oude Postelseweg 5 en Puttendijk 2”. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en komen de functionele en ruimtelijke structuur aan bod. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de beoogde ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de beleidskaders. Er zal onder andere getoetst worden of de beoogde ontwikkelingen passen binnen de beleidskaders op diverse niveaus. In het daaropvolgende hoofdstuk 5 komen de milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Beoordeeld wordt of de beoogde ontwikkelingen negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden in het gebied dan wel of er mogelijk nog belemmeringen in de omgeving aanwezig zijn die mogelijk beperkend zijn voor de beoogde ontwikkelingen. Hoofdstuk 6 bevat een juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 7 komt de financiële haalbaarheid van het plan aan de orde. Tenslotte wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de maatschappelijke haalbaarheid van het plan.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
7
Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1
Ruimtelijke structuur
De locatie aan de Oude Postelseweg 5 is gelegen op de overgang van het akkercomplex ten noorden van Bergeijk en de zogenaamde “woeste gronden” (bos en heide) noordelijk daarvan. De Oude Postelseweg was van oudsher een belangrijke weg voor de ontginning van de akkers en een doorgaande route naar Postel. De locatie aan de Puttendijk was een oorspronkelijke overgang van het akkercomplex en de nattere weidegebieden zuidelijker gelegen. In onderstaande illustratie zijn beide locaties; Oude Postelseweg in rood en Puttendijk in geel gemarkeerd.
Historische kaart met aanduiding plangebied omstreeks 1900; bron: grote historische atlas
2.2
Functionele structuur
De omgeving kent in hoofdzaak een afwisseling tussen de (nog) aanwezige agrarische sector en het wonen. De agrarische functie is in de loop van de tijd steeds meer verdwenen. De gronden zijn dicht bij de bebouwde kom van Bergeijk gelegen. Het omschakelen naar de woonfuncties past bij de ligging en aard van het gebied.
8
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1
Uitgangspunten/bestaande situatie
Op beide locaties zijn stallen aanwezig. In onderstaande afbeeldingen wordt een indruk gegeven van de huidige situatie op beide locaties.
Foto van een deel van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing aan de Oude Postelseweg 5. Aan de rechterzijde is de zijgevel van de bestaande bedrijfswoning.
Tekening van de bestaande situatie aan de Oude Postelseweg 5. In rood is de bestaande en te slopen bedrijfsbebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij aangeduid. In blauw zijn andere opstallen aangeduid die zullen worden gesloopt Bron: Franken Architectuur BV
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
9
Foto van een deel van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing aan de Puttendijk 2.
Tekening van de bestaande situatie aan de Puttendijk 2. In rood is de bestaande en te slopen bedrijfsbebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij aangeduid. In blauw zijn andere opstallen aangeduid die zullen worden gesloopt. Bron: Franken Architectuur BV
3.2
Nieuwe ontwikkeling/concrete beschrijving plan
Dit bestemmingsplan beoogd te voorzien in een regeling om aan de Oude Postelseweg 5 twee RvR-woningen te realiseren. Op de locaties aan de Oude Postelseweg 5 en Puttendijk 2 zullen de bestaande agrarische bedrijfswoningen bestemd worden als woning. In onderstaande afbeeldingen worden voor beide locaties de ontwikkelingen afgebeeld.
10
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Illustratie van de beoogde nieuwe situatie aan de Oude Postelseweg 5. In geel de drie woningen waarbij de middelste woning de huidige agrarische bedrijfswoning is. Bron: Franken Architectuur BV
Illustratie van de beoogde nieuwe situatie aan de Puttendijk 2 met de te behouden woning en aangeduid een te herbouwen vrijstaand bijgebouw bij de woning. Bron: Franken Architectuur BV Oude Postelseweg 5 Aan de Oude Postelseweg gaan de 2 RvR-woningen een inhoud krijgen van maximaal 1000 m3 en wordt het recht gevestigd voor de bouw van 150 m2 aan bijgebouwen. De bestaande agrarische bedrijfswoning zal blijven bestaan. Deze woning heeft een inhoud van maximaal 750 m3. Het totaal aan oppervlakten aan te behouden bijgebouwen bij de bestaande agrarische bedrijfswoning is een loods van 144 m2 en een loods van 192 m2. Voor dit perceel wordt maximaal 400 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. De wens is om nog een overkapping te bouwen. Deze kan dan maximaal 64 m2 groot zijn. De overige bestaande bebouwing (1.691 m2) zal worden gesloopt. Een aanzienlijk deel is reeds gesloopt. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
11
Puttendijk 2 Aan de Puttendijk zal de bestaande agrarische bedrijfswoning worden omgezet naar een woning. Deze woning heeft een inhoud van circa 1250 m3. Er zullen twee bestaande bijgebouwen worden behouden. De gezamenlijke oppervlakte van deze bijgebouwen is 180 m2. De overige bebouwing zal worden gesloopt.
3.3
Landschappelijke inpassing
Op grond van het provinciaal beleid geldt de algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit in het landelijk gebied. De sloop van de bedrijfsbebouwing en de beëindiging van twee intensieve veehouderijen geldt als investering in de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. De sloop van de 1691 m2 aan bedrijfsbebouwing aan de Oude Postelseweg 5 en 675 m2 aan de Puttendijk 2 zal in de regels van het bestemmingsplan worden verzekerd. De nieuwe woningen op de locatie Oude Postelseweg 5 zullen landschappelijk worden ingepast. Onderstaande schets verbeeld de landschappelijke inpassing. In de regels van het bestemmingsplan is de realisatie van de inpassing opgenomen.
Landschappelijke inpassing, erfbeplanting. Bron: Boomkwekerij De Beerze. Ter plaatse van de locatie aan de Puttendijk 2 is een bestaande groene omzoming aanwezig. Op dit deel van het plangebied zal, behalve de geplande sloop geen wijzigingen plaatsvinden. De volgende luchtfoto toont de bestaande groene omzoming van het perceel aan Puttendijk 2.
12
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Luchtfoto van het deel van het plangebied aan Puttendijk 2 met daarin de bestaande groene omzoming zichtbaar.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
13
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. Op 13 maart 2012 is de SVIR in werking getreden. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: - de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; - de bereikbaarheid verbeteren; - zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de nationale belangen. Het nationaal beleid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. De beoogde ontwikkeling is een lokale aangelegenheid. Er zijn geen nationale belangen in het geding. In de SVIR worden geen uitspraken op dit schaalniveau gedaan. De ontwikkeling is daarom passend binnen het rijksbeleid. Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen.
In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: - rijksvaarwegen; - mainportontwikkeling Rotterdam; - kustfundament; - grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - Defensie - hoofdwegen en landelijke spoorwegen - elektriciteitsvoorziening; - buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; - ecologische hoofdstructuur; - primaire waterkeringen buiten het kustfundament; - IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); - erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Geen van de nationale belangen heeft betrekking op het project. 14
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6 van het Bro luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c.
indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om twee RvR-woningen te realiseren en twee bestaande agrarische bedrijfswoningen te gebruiken als woning. Voorwaarde voor deze ontwikkeling is de beëindiging van twee intensieve veehouderijen en de sloop van meer dan 2000 m2 aan bedrijfsbebouwing in het landelijk gebied van de gemeente Bergeijk. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Deze ontwikkeling is geen stedelijke ontwikkeling omdat er sprake is van een afname van de bouwmogelijkheden in het landelijk gebied als gevolg van toepassing van de Ruimte voor ruimteregeling. Bovendien is volgens jurisprudentie de bestemming van twee extra woningen niet te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling. Toepassing van de Ladder is daarom niet aan de orde.
4.2
Provinciaal beleid
Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de Provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de Provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
15
De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat de nieuwe woningen op een passende wijze stedenbouwkundig en landschappelijk wordt ingepast. Bovendien wordt met de ontwikkeling een bestaand agrarisch bedrijf beëindigd. Dit leidt tot een verbetering van de gezondheid in het gebied. De beoogde ontwikkeling past binnen de kernwaarden voor het handelen van de provincie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie.
Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden. In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Hierin staan de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Voor het plangebied gelden de volgende instructieregels aan gemeente: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie.
Op basis van kaart 6 voor gemeenten – landelijk gebied is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “gemengd landelijk gebied”. Hiervoor geldt dat nieuwe woningen niet zijn toegestaan. Het omzetten van de twee agrarische bedrijfswoningen naar woningen is toegestaan. Artikel 3.80 biedt een uitzondering als het gaat de bestemming van nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien: a. er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst; b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd; d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar.
16
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Voor de bestemming van de twee nieuwe woningen wordt een bestaand agrarisch bedrijf beëindigd en worden de bestaande agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. De milieurechten zijn door de ondernemer ingeleverd. Het certificaat voor het verkrijgen van de twee bouwtitels is als bijlage aan de toelichting gevoegd. Er is sprake van een aanzienlijke winst voor de omgevingskwaliteit. Bovendien is de ontwikkeling landschappelijk ingepast. Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een landschappelijke inpassing waarbij rekening is gehouden met omgevingskwaliteiten en structuren in het gebied. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is verplicht in de regels van het bestemmingsplan en daarmee verzekerd. Het kaartvlak ‘Verstedelijking afweegbaar’ is onderdeel van kaart 3 (stedelijke ontwikkeling en erfgoed). Deze kaart biedt de gemeente regels voor duurzame stedelijke ontwikkeling. Nieuwvestiging is gelegen binnen Stedelijk gebied. De nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen zijn niet gelegen in het Stedelijk gebied en worden middels de ruimte-voor-ruimte regeling gerealiseerd. In artikel 3.43 heeft de provincie afwijkende regels opgenomen voor nieuwvestiging in een gebied ‘Verstedelijking afweegbaar’.
In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Met de ontwikkeling is niet vastgesteld dat voor de nieuwe woningen onvoldoende ruimte binnen het stedelijk gebied beschikbaar is. Voor de ontwikkeling kan daarom geen gebruik worden gemaakt van de regels die gelden als het gaat om de instructieregels voor ‘Verstedelijking afweegbaar’. De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van twee nieuwe woningen middels de ruimte-voor-ruimte regeling. De ontwikkeling past wel binnen de beleidsregels die zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening als het gaat om ruimte voor ruimte.
De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de overige bestaande woningen en percelen in het gebied die in samenhang aansluiten bij de omliggende bebouwing waardoor de karakteristiek van het gebied intact blijft en er sprake is van het in standhouden van de ruimtelijke kwaliteit in het gebied. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Interim Omgevingsverordening.
4.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Bergeijk; leven en beleven tussen bossen, beken en boerenland Op 3 juni 2010 heeft de gemeenteraad van Bergeijk een geactualiseerde structuurvisie vastgesteld. Het doel van deze actualisatie was met name om ten aanzien van het toekomstig ruimtelijke beleid een integrale visie te hebben voor de lange termijn. De visie is vervat in een kaartbeeld. Hieronder is een uitsnede van het kaartbeeld weergegeven.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
17
Uitsnede Structuurvisie Bergeijk; bron: ruimtelijkeplannen.nl Vervolgens is een aantal locatiegebonden aspecten in de structuurvisie verwoord. Voor beide locaties gelden de volgende aspecten: Half gesloten agrarisch landschap “In de nabijheid van de kernen treffen we de wat oudere landbouwontginningen aan in de vorm van half gesloten agrarische landschappen. Dit landschapstype typeert zich door de afwisseling van lange en korte zichtlijnen, coulissen in de vorm van lanen en bosjes, houtwallen en singelbeplantingen. Deze cultuurhistorische landschappen herbergen vaak hoge kwaliteiten. Op de overgang van nat naar droog vinden we de verschillende buurtschappen, linten en akkercomplexen met hun bolle akkers, houtwallen en geriefhoutbosjes. Half gesloten landschappen zijn zeer aantrekkelijk voor routegebonden recreatie. In Bergeijk liggen deze landschappen rondom de kernen Bergeijk, Westerhoven, Riethoven en Weebosch. Nabij de bossen ontstaat door de afwisseling van open en gesloten elementen een soort kamerstructuur. Met name de structuur nabij Riethoven is vrij uniek. Hier liggen vele bosjes en akkertjes in een sterk gemengd patroon. Een belangrijke strategie binnen dit landschapstype is het versterken van het landschappelijk raamwerk door herstel van het oorspronkelijk kleinschalig landschapspatroon.
Dit patroon bestaat uit allerlei bosjes, perceelsrand-beplantingen en erfbeplantingen. Ook biedt dit landschapstype mogelijkheden voor verbrede plattelandsontwikkeling en bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Deze landschappen zijn verder geschikt om de infiltratie van regenwater te bevorderen. In de gemeente Bergeijk zijn er legio mogelijkheden om het landschap verder te verdichten. Rondom de verschillende dorpskernen liggen mogelijkheden om landschappelijke buffers aan te brengen rond de kern. Een bijzondere kans nabij Bergeijk is wellicht een verdere uitwerking van het concept boswonen. Voor wat betreft agrarisch gebruik is de strategie gericht op het behoud en versterking van de landbouwkundige functie en van de aanwezige landbouwbedrijven, zowel de grondgebonden als de niet-grondgebonden bedrijven mits er geen belemmering, bijvoorbeeld in de vorm van woonbebouwing aanwezig is. De aanleg van erfbeplanting zou hier gestimuleerd kunnen worden. Nabij kwetsbare, waardevolle gebieden vanuit natuur en landschap gelden vaak beperkingen voor de landbouw. In deze gebieden (GHS, AHS Landschap, RNLE, Vogel- en Habitatrichtlijngebieden) is extensivering een aanvullende strategie.
18
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Centraal in de koers ten aanzien van landbouw staat een goede integrale zonering voor de verdere ontwikkeling van moderne landbouw, verbrede landbouw en extensieve landbouw. Alle toekomstige ontwikkelingen binnen deze koers worden afgestemd op de Interimstructuurvisie en Paraplunota (agrarisch vestigingsbeleid) en het Reconstructieplan (de integrale zonering). Het toerisme is gericht op het beleven van het platteland en de landbouw. Het toerisme in deze zone is voornamelijk een nevengeschikte economische activiteit, een ondersteunende activiteit aan andere economische activiteiten.” De voorgenomen ontwikkeling betreft de beëindiging van een bedrijf in het buitengebied en de realisatie van woningen die passen binnen de ruimtelijke structuur van het landschap en daarmee een versterking van landschappelijke beleving. De ontwikkeling voorziet daarmee in de genoemde ruimtelijke strategie om het landschappelijk raamwerk te versterken. De ontwikkeling is bovendien landschappelijk ingepast. Kwel,- en infiltratiegebieden Op grond van de maaiveldhoogte en de grondwaterstand kan onderscheid gemaakt worden tussen kwelgebieden en infiltratiegebieden. Een kwelgebied is een gebied waar grondwater vanuit diepere grondlagen richting het maaiveld stroomt. Het neerslagoverschot en de kwel worden grotendeels afgevoerd via drainagesystemen naar het oppervlaktewater.
Onderscheid kan worden gemaakt tussen diepe kwel en ondiepe kwel. Een infiltratiegebied is een gebied waar het neerslagoverschot het diepere grondwater voedt. In infiltratiegebieden ontbreken drainagesystemen. Kwelgebieden zijn met name te vinden langs de Beekloop, Keersop en Run. Daarnaast zijn ook veel infiltratiegebieden aanwezig in de hoge delen van het plangebied. Tussen de Beekloop en Keersop komen daarnaast hydrologisch geïsoleerde gebieden voor. Uitspoelingsgevoelige gronden binnen infiltratiegebieden dienen zoveel mogelijk gevrijwaard te blijven van vormen van grondgebruik waarbij fosfaat-, nitraat- en bestrijdingsmiddelenverliezen niet voorkomen kunnen worden.” De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een grondgebruik waarbij bestrijdingsmiddelen negatieve effecten kunnen hebben op infiltratiegebieden. Ook voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in negatieve effecten op de waterhuishouding (zie verder paragraaf 5.3). Voor de locatie aan Puttendijk 2 is nog bepaald dat ze is gelegen in het gebied dat in de structuurvisie is aangeduid als “bebouwingsconcentratie”. Hiervoor is het volgende bepaald; Bebouwingsconcentratie Het Brabantse platteland is in ontwikkeling. Vanwege economische omstandigheden zijn er veel agrariërs die stoppen, maar gelukkig ook agrariërs die verder willen en toekomstmogelijkheden verkennen of die inmiddels een nieuwe weg hebben ingeslagen.
Het zoeken naar inkomsten is essentieel voor het behoud en het beheer van het Brabantse platteland. In dit kader heeft de provincie Noord-Brabant de Nota Buitengebied in Ontwikkeling opgesteld. Deze nota schetst voor zowel stoppende agrariërs als voor agrariërs die zoeken naar een nevenfunctie maar ook particulieren die over een voormalige agrarische bedrijfslocatie beschikken ruimtelijke kaders. In de nota hebben de bebouwingsconcentraties een bijzondere plek gekregen. De gemeente Bergeijk heeft voor haar grondgebied een aantal bebouwingsconcentraties aangewezen. In de aangewezen bebouwingsconcentraties is hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor niet-agrarische functies alsmede (beperkte) toevoeging van nieuw bouwvolume afweegbaar. Belangrijke randvoorwaarde voor de verruimde mogelijkheden is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Een voorbeeld hiervan is sloop van bebouwing als compensatie voor verruimde mogelijkheden al dan niet in combinatie met rood-voor-groen, het behoud van cultuurhistorische waardevolle bebouwing of een versterking van natuur- en landschapswaarden in de omgeving. Verdichting van de bebouwingsconcentratie is dus in bepaalde gevallen toegestaan, indien dit tot een ruimtelijke verbetering leidt. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
19
Ook door verdunning kunnen bebouwingsconcentraties in kwalitatieve zin worden versterkt, doordat de open relaties met het landschap worden hersteld. De bestaande waardevolle doorzichten naar het buitengebied dienen gehandhaafd te blijven. Nieuwbouw dient qua maat en schaal passend te zijn in de omgeving.” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling waarbij een doorzicht op het landschap zal ontstaan omdat bestaande agrarische bedrijfsbebouwing langs de weg zal gaan verdwijnen. Samen met de ontwikkeling zal sprake zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de structuurvisie. Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Bij het vigerend bestemmingsplan Buitengebied Bergeijk 2011 zijn gebiedsvisie opgesteld. Ook voor de locaties in dit bestemmingsplan is zo’n gebiedsvisie opgesteld. Deze gebiedsvisies zijn een handreiking voor nieuwe initiatieven met betrekking tot VAB’s en Ruimte-voor-ruimte woningen. De gebiedsvisie gaat uit van de voorwaarde dat elk initiatief een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit. Volgens de gebiedsvisie is het herstel van het landschap een wijze waarop een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit kan worden geleverd. Beide locaties zijn is in de bebouwingsconcentratie aangeduid als “Transformatielocatie”.
Er zijn ontwikkelingsmogelijkheden daar waar ruimte is op bestaande woonpercelen, alsmede in plaats van huidige bedrijven en op open agrarische percelen, daar waar de zichtlocaties voldoende breed zijn, zodat één en enkele woningen (in geval van bedrijven een gewijzigde functie) geen afbreuk doen aan zichtrelaties en kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen dienen wel rekening te houden met de maat en schaal van de omgeving.
Gebiedsvisie Weebosserweg
20
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
De stedenbouwkundige opzet van het initiatief voorziet in de bouw van twee RvR-woningen die qua maat en schaal passen bij de woningen in de directe omgeving. Met de opzet is rekening gehouden met voldoende ruimte tussen de woningen en op de kavels om zo de gewenste doorzichten te realiseren. Het voorgenomen initiatief past daarmee binnen de uitgangspunten van de gebiedsvisie. Landschapsinvesteringsregeling De Kempen In de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant zijn regels vastgelegd die de belangen van de provincie bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten beschermen. Met deze regels moet bij de opstelling van bestemmingsplannen rekening worden gehouden. In artikel 3.2 van de Verordening Ruimte wordt verplicht gesteld dat ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied bij moeten dragen aan de verbetering van de kwaliteit van het landschap. De zogenaamde landschapsinvesteringsregeling (LIR) is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend. De verplichting om te kwaliteit te verbeteren komt bovenop de ‘basis’-verplichting om de zorgen voor de (handhaving) van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, zoals is opgenomen in artikel 3.1 van de Verordening Ruimte.
De Kempen-gemeenten waar de gemeente Bergeijk onderdeel van is, vinden het van belang dat de wijze waarop met de LIR wordt omgegaan onderling wordt afgestemd. Er wordt daarbij gestreefd naar een zoveel als mogelijk uniforme aanpak, waarbij elke gemeente afzonderlijk accenten kan leggen. In de notitie “Landschapsinvesteringsregeling De Kempen” is concreet gemaakt hoe deze uniforme aanpak eruitziet. Op basis van de LIR is de voorgenomen bestemmingswijziging onder te brengen in categorie 3. De LIR-berekening (14 juli 2021 Jos Franken BV) is als bijlage toegevoegd aan de toelichting van dit bestemmingsplan. Oude Postelseweg 5 Voor de ontwikkeling aan de Oude Postelseweg is er sprake van het inzetten van voldoende fosfaatrechten en de sloop van voldoende bedrijfsbebouwing zodat twee RvR-woningen kunnen worden verworven. Deze ontwikkeling voorziet reeds in een investering. Voor de bestaande bedrijfswoning geldt een waardevermeerdering als gevolg van het omzetten van de agrarische gronden naar wonen. Puttendijk 2 Voor de Puttendijk geldt een waardevermeerdering als gevolg van het omzetten van de agrarische bestemming naar de woonbestemming en het toestaan van een woning die groter is dan 750 m3. Resultaat Op grond van de LIR is de waardevermeerdering van de totale ontwikkeling op beide locaties samen bepaald op €202.200,--.
De basisinspanning is bepaald op 20% van deze waardevermeerdering en bedraagt daardoor €40.440,--. De kosten sloop van de gebouwen en de aanleg van een groenstrook komt uit op €50.645,--. De investering is daardoor groter dan de basisinspanning.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
21
Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische aspecten 5.1
en
planologische
Inleiding
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen bij de toelichting. In deze toelichting zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.
5.2
Parkeren en ontsluiting
Bij elke ruimtelijke afweging dient gemotiveerd te worden dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en dat er voorzien wordt in een goede ontsluitingsmogelijkheid. Met de beoogde ontwikkeling zullen er twee woningen worden toegevoegd. De gemeente Bergeijk heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota Parkeernormen 2017. De gemeente heeft bij het opstellen van haar parkeerbeleid de volgende doelstelling; “Het bieden van een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in de gemeente Bergeijk, om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan.” Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in voldoende parkeergelegenheid wordt het uitgangspunt gehanteerd dat in beginsel het parkeren op eigen terrein moet worden opgevangen. Met behulp van aan functies gerelateerde normen wordt de parkeerbehoefte bepaald. Hierbij wordt een aantal uitgangspunten gehanteerd. 1. De parkeernormen zijn gebaseerd op parkeerkencijfers van het CROW, publicatie 317, Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012. Wanneer het CROW de parkeerkencijfers actualiseert, wordt de Nota Parkeernormen hierop aangepast. 2.
De parkeerkencijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad. Deze is voor de gemeente Bergeijk “niet stedelijk”, op basis van de demografische kerncijfers van het CBS per gemeente. 3. In de kern Bergeijk wordt voor het toepassen van parkeernormen alleen onderscheid gemaakt tussen het kernwinkelgebied van Bergeijk en de rest. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar verschillende gebiedstypen buiten het kernwinkelgebied. Vanwege de schaal van de gemeente Bergeijk is er nauwelijks onderscheid tussen autobezit in deze gebieden. Alle voorzieningen zijn gelijkwaardig bereikbaar. Voor het kernwinkelgebied van Bergeijk wordt een uitzondering gemaakt, omdat in dit gebied een bezoeker meerdere bestemmingen kan hebben binnen loopafstand. Bij een vrijstaande woning in het buitengebied wordt op basis van het parkeerbeleid een norm van 2,3 gehanteerd. Voor de bestaande vrijstaande woningen (voormalige bedrijfswoningen) geldt ook een norm van 2,3 parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte op de percelen aanwezig om te voorzien in deze parkeerbehoefte. In de regels van dit bestemmingsplan is de voorwaarde opgenomen dat bouwplannen moeten voldoen aan de parkeernormen van de gemeente Bergeijk.
22
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
De ontsluiting zal op een bestaande weg plaatsvinden. De verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling is zodanig gering dat geconcludeerd moet worden dat de bestaande aanliggende infrastructuur over voldoende capaciteit beschikt. Bovendien zal met de herziening ook de verkeersbewegingen van de vorige functie (agrarisch verkeer) verdwijnen. Het aspect “parkeren” en “ontsluiting” is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Water
In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de Ruimtelijke Ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd. Daarnaast zijn de algemene regels vastgelegd binnen de “Algemene regels waterschap De Dommel”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. De waterschappen hanteren bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak de grenswaarde van meer dan 500 m².
Met de wijziging naar “wonen”, de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing en daarbij horende terreinverhardingen de verkleining van het bestaande agrarisch bouwvlak en de toevoeging van twee RvR-woningen is er sprake van een afname van de verharding en deze is daarmee lager dan de grenswaarde van een toename van 2.000 m2. Vanuit de Algemene Regel is er geen verplichting tot aanleg van een retentievoorziening of infiltratievoorziening. Aanvullend op de beleidsregels is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Deze waterparagraaf geeft inzicht in hoe de beoogde ontwikkeling omgaat met, en wat de ontwikkeling betekent voor het aspect water. Beschermingsgebied Op basis van de Watertoetskaart is bepaald dat de projectlocatie niet is gelegen in een “beschermde zone”. Wel is voor de projectlocatie bepaald dat ze is gelegen in een invloedsgebied Natura 2000. De wijziging van een intensieve veehouderij naar wonen zal geen negatieve effecten hebben op een Natura 200 gebied. In paragraaf 5.4 al hier nader op worden ingegaan.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
23
Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Voor de toekomstige verharding zijn reële aannames gedaan. Door de planontwikkeling met 2 woningen en het deels verharden van het terrein met terreinverharding neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de oorspronkelijke situatie af. Met de beoogde ontwikkeling neemt het verhard oppervlak met 1.982 m2 af. Onderstaande tabel geeft inzicht in de huidige en toekomstige verharding. Op basis van de Keur Verdeling verhard oppervlak In onderstaande tabel is een vergelijking gemaakt van de huidig en toekomstige verharding als gevolg van dakvlak en terreinverharding. De oranje kolommen gelden voor de locatie aan de Oude Postelseweg 5. De groene kolommen gelden voor de locatie aan de Puttendijk 2. Oppervlaktes
Huidig m2
Toekomstig m2
Huidig m2
Toekomstig m2
Daken
2.200
1.143
1.070
395
Terrein verharding
1.000
750
200
200
Onverhard terrein
18.146
19.453
5.640
6.315
Totaal
21.346
21.346
6.910
6.910
Bodem en Grondwater Op basis van bodemdata.nl is het plangebied aan de Oude Postelseweg gelegen in de grondwatertrap VII. De Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is gelegen tussen 40 en 140 cm onder maaiveld. Voor de locatie aan de Puttendijk 2 geldt grondwatertrap VI en is de GHG gelegen tussen 40 en 80 centimeter onder maaiveld. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is de maaiveldhoogte gelegen op circa 33 meter + NAP. Op basis van het Dinoloket is op basis van twee bekend bodemmonsters bekeken (één op circa 10 meter afstand, zuidelijk van de projectlocatie aan de Puttendijk 2 met nummer B57B0126 en één op circa 100 meter zuidelijk van de locatie aan de Oude Postelseweg 5 met nummer B57B0130). Beide bodemmonsters laten tot op een diepte van meer dan 10 meter onder maaiveld zien dat de bodem bestaat uit zand van de grove categorie. Zand kent een grote doorlatendheid. De bodem is geschikt voor infiltratie. Oppervlaktewater Op het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Tussen de locaties in is een ven gelegen. De kleine stedelijke ontwikkeling heeft echter geen rechtstreekse invloed op dit oppervlaktewater. Hemelwater Voor de toekomstige verharding zijn ruime aannames gedaan. Door de planontwikkeling met 2 woningen neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie met 1982 m2 af.
Voor beide locaties samen resteert 2.488 m2 aan verhard dakvlak en terreinverharding. Voor 2.488 m2 aan verhard oppervlak kan worden bepaald wat de hoeveelheid hemelwater is waarvoor de voorkeursvolgorde kan worden doorlopen. Op basis van de Themakaart Keur van het waterschap zal 60 mm moeten worden gecompenseerd per m2 verharding. Er geldt gevoeligheidsfactor 0,25 voor de verharding voor de locatie aan de Oude Postelseweg 5. Voor de locatie aan de Puttendijk 2 geldt gevoeligheidsfactor 0,5. Dit betekent voor de Oude Postelseweg een totale som van (1.893m2 x 0,06 x 0,25) 28,40 m3. Voor de Puttendijk betekent dit (595 m2 x 0,06 x 0,5) 17,85 m3
24
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Het regenwater dat op de verharding en bebouwing terecht komt zal worden geïnfiltreerd in de bodem. De wijze waarop de infiltratie plaatsvindt zal nog nader worden uitgewerkt. Vaststaat dat de bodem geschikt is voor infiltratie waardoor voldaan kan worden aan de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid en de Keur van het waterschap. Materiaalgebruik Afkoppeling van de neerslag afkomstig van de verharde oppervlakken is goed mogelijk bij nieuwbouw. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag vanuit het plangebied rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal gescheiden van het afvalwater worden aangeboden. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Toe te passen duurzame materialen: • Hellende daken: dakpannen van beton of keramisch materiaal. • Platte daken: beton of bekleed met EPDM-rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen. • Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium of zink alle gecoat. • Ontsluitingspaden/ wegen/ terrassen; voorzien van niet-uitloogbare materialen of betonproducten. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden. Het aspect “water” is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.4
Natuur
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Vanaf 1 januari 2017 is er de Wet natuurbescherming in. Deze wet heeft 3 wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet Natuurbeheer ligt bij de Provincie. Ten behoeve van de ontwikkeling is voor elke locatie een natuuronderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn in zijn geheel toegevoegd aan dit bestemmingsplan. De conclusie luidt als volgt; Oude Postelseweg 5 “Beschermde gebieden De afstand van het plangebied tot beschermde gebieden Natura 2000 gebied is dermate groot in verhouding tot de schaal van de ingreep dat een negatief effect op voorhand is uit te sluiten. Omdat de ontwikkeling buiten de NNN plaatsvindt, valt het niet te verwachten dat de amovatie van de schuren en het ontwikkelen van een nieuwe kavels negatieve invloed heeft op de NNN. Beschermde soorten Algemene conclusie • Tijdens het veldbezoek werden geen beschermde of bedreigde plantensoorten of resten hiervan op het plangebied aangetroffen, het voorkomen van strikter beschermde plantensoorten zijn derhalve uit te sluiten; • Het perceel en bebouwing zijn geschikt voor de huismuis en mol.
Deze soort is niet beschermd in de Wet natuurbescherming, voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht; • Het perceel en bebouwing zijn geschikt voor de huisspitsmuis, egel, konijn, haas en ree . Deze soorten zijn opgenomen in de lijst nationaal beschermde soorten, Wet natuurbescherming. In het kader van de ruimtelijke inrichting geeft de provincie Noord-Brabant vrijstelling voor deze soorten. Eveneens zijn voor deze soorten de algemene zorgplicht van toepassing;
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
25
•
Mogelijk gebruikt steenmarter het plangebied als foerageergebied, nest- en verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. In de toekomst blijft het plangebied geschikt als foerageergebied. Tevens is er ruim voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de nabije omgeving. Negatieve effecten op steenmarter worden niet verwacht; • Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen, de schuren beiden geen geschikte mogelijkheden als verblijfplaats voor vleermuizen. Het valt niet te verwachten dat de geplande sloopwerkzaamheden negatieve invloed heeft op eventueel aanwezige vlieg- en foerageerroutes van vleermuizen; • Het terrein is beperkt geschikt voor gewone pad, bastaard kikker en bruine kikker. Deze soorten zijn opgenomen in de lijst nationaal beschermde soorten, Wet natuurbescherming. In het kader van de ruimtelijke inrichting geeft de provincie Noord-Brabant vrijstelling voor deze soorten. Voor deze soorten is de algemene zorgplicht van toepassing; • Goedgekeurde gedragscode Flora- en faunawet, ruimtelijke ontwikkeling van de vereniging stadswerk kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht. Wel moet er een kanttekening worden geplaatst, als basis van de gedragscode ligt de Flora- en faunawet. De gedragscode is nog niet aangepast op de (per 1 januari 2017) geldende, Wet natuurbescherming.
Aanbevelingen • Zorg dat de werkzaamheden binnen het plangebied plaatsvinden. Mocht er tijdens de uitvoer van het werk onverhoopt bijzonderheden worden aangetroffen, raadplaag een inzake deskundige; • Om schade aan broedsels te voorkomen wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken. • De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor. Het is mogelijk om tijdens het broedseizoen te werken wanneer maatregelen zijn genomen om broedgevallen te voorkomen of wanneer een inspectie uitwijst dat geen broedsels aanwezig zijn.” Puttendijk 2 “Beschermde gebieden De afstand van het plangebied tot beschermde gebieden is dermate groot in verhouding tot de schaal van de ingreep dat een negatief effect op voorhand is uit te sluiten. Beschermde soorten Algemene conclusie • Tijdens het veldbezoek werden geen beschermde of bedreigde plantsoorten of resten hiervan op het plangebied aangetroffen, het voorkomen van strikter beschermde plantsoorten zijn derhalve uit te sluiten; • Het perceel en bebouwing zijn geschikt voor de huismuis en mol. Deze soort is niet beschermd in de Wet natuurbescherming, voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht; • Het perceel en bebouwing zijn geschikt voor de huisspitsmuis, egel, konijn, haas en ree.
Deze soorten zijn opgenomen in de lijst nationaal beschermde soorten, Wet natuurbescherming. In het kader van de ruimtelijke inrichting geeft de provincie Noord-Brabant vrijstelling voor deze soorten. Eveneens zijn voor deze soorten de algemene zorgplicht van toepassing; • Mogelijk gebruikt steenmarter het plangebied als foerageergebied, nest- en verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. In de toekomst blijft het plangebied geschikt als foerageergebied. Tevens is er ruim voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de nabije omgeving. Negatieve effecten op steenmarter worden niet verwacht; • Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen, de kapschuur en schuren bieden geen geschikte mogelijkheden als verblijfplaats voor vleermuizen. Het valt niet te verwachten dat de geplande sloopwerkzaamheden negatieve invloed heeft op eventueel aanwezige vlieg- en foerageerroutes van vleermuizen; • Het terrein is beperkt geschikt voor gewone pad, bastaard kikker en bruine kikker. Deze soorten zijn opgenomen in de lijst nationaal beschermde soorten, Wet natuurbescherming. In het kader van de ruimtelijke inrichting geeft de provincie Noord-Brabant vrijstelling voor deze soorten. Voor deze soorten is de algemene zorgplicht van toepassing; 26
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
•
Goedgekeurde gedragscode Flora- en faunawet, ruimtelijke ontwikkeling van de vereniging stadswerk kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht. Wel moet er een kanttekening worden geplaatst, als basis van de gedragscode ligt de Flora- en faunawet. De gedragscode is nog niet aangepast op de (per 1 januari 2017) geldende, Wet natuurbescherming. Aanbevelingen • Zorg dat de werkzaamheden binnen het plangebied plaatsvinden. Mocht er tijdens de uitvoer van het werk onverhoopt bijzonderheden worden aangetroffen, raadplaag een inzake deskundige; • Om schade aan broedsels te voorkomen wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor. Het is mogelijk om tijdens het broedseizoen te werken wanneer maatregelen zijn genomen om broedgevallen te voorkomen of wanneer een inspectie uitwijst dat geen broedsels aanwezig zijn.” Het aspect Natuur kent geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt.
Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Een stikstofberekening is uitgevoerd en als bijlage aan de toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: Uit de stikstofberekening blijkt dat de aanlegfase niet leidt tot een toename hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De verklaring hiervoor is gelegen in het feit dat de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux circa 2,0 km bedraagt. Gelet hierop en gelet op het eenmalige karakter van de aanlegfase, heeft de depositie van de aanlegfase geen meetbaar of merkbaar effect op de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux.
Uit de AERIUS berekening blijkt dat de gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca. 2,0 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie ter plaatse van het Natura-2000 gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Daarnaast heeft de voorgenomen ontwikkeling voor de bouw van twee gasloze woningen een positieve bijdrage aan het verduurzamen van de woningvoorraad en voorziet de ontwikkeling in de beindiging van een agrarisch bedrijf. Dit resulteert in een afname van de stikstofdepositie in die gebieden. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige effecten op de natuurwaarden in het plangebied en omliggende natuurgebieden.