CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

1. BOPA ETFAL Westerhoven.pdf

Gemeenteraad 26 juni 2025, gemeente BergeijkBij agendapunt: Advies aanvraag omgevingsvergunning Zoutweg 1 Westerhoven12.889 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

•

Voor de voorgenomen graafdiepte hoeft geen rekening worden gehouden met grondwateronttrekking

29

Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van dit onderzoek. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mits de aanbevolen saneringen worden uitgevoerd. Dit zal als voorwaarde in de BOPA worden opgenomen.

4.10 Archeologie Kader Per 1 januari 2024 is de omgevingswet in werking getreden. Daarmee heeft elke gemeente een omgevingsplan. In dit omgevingsplan zijn vele regelingen samengevoegd in het kader van de ruimtelijke ordening. De oude bestemmingsplannen zijn feitelijk samengevoegd tot het omgevingsplan. Het plangebied valt onder de Bestemmingsplan Westerhoven en De Kempervennen 2012 (vastgesteld op 2012-11-19). Op het plangebied geldt en de dubbelbestemming Waarde- Archeologie 4.1. Hierbij geldt dat archeologische onderzoek verplicht is bij bodemverstoringen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en/of een diepte van meer dan 0,3 m-mv. De dubbelbestemming is gebaseerd op de archeologische beleidskaart. Daarop ligt het plangebied in een zone met hoge archeologische verwachting. Hierbij geldt dat archeologische onderzoek verplicht is bij bodemverstoringen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en/of een diepte van meer dan 0,3 m-mv. Beoordeling Antea heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Het archeologisch onderzoek bestaat uit bureauonderzoek en booronderzoek. Antea schrijft in het archeologisch onderzoek dat de projectlocatie is afgetopt en plaatselijk is opgehoogd. De projectlocatie is geëgaliseerd.

Antea komt tot de conclusie dat de projectlocatie een lage archeologische verwachting heeft en dat geen vervolgonderzoek noodzakelijk is. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft het archeologisch onderzoek beoordeeld. De Omgevingsdienst komt tot de conclusie dat de projectlocatie een hoge archeologische verwachting heeft. De Omgevingsdienst adviseert om de volgende voorwaarden op te nemen in de omgevingsvergunning. “1. Alle archeologische onderzoeken waarbij gegraven wordt (proefsleuven / opgraving) mogen alleen uitgevoerd worden op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 2. Indien behoudenswaardige archeologische resten/vindplaatsen dieper dan of buiten de proefsleuf/opgraving doorlopen, dan dient in overleg met het bevoegd gezag gekeken te worden of behoud in situ door afdekking met bijvoorbeeld worteldoek en zand (minimaal 50 cm) en het aanbrengen van rijplaten mogelijk is. Indien behoud en bescherming niet mogelijk is, dient het gehele

30

archeologische spoor opgegraven te worden conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 3. Eventuele aangetroffen archeologische resten/vindplaatsen die, voor behoud van archeologische resten in situ in de bodem, mitigerende maatregelen behoeven, dienen uitgevoerd te worden conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 4. De bevindingen van het proefsleuvenonderzoek dienen door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg in een archeologisch waarderend rapport te worden vastgelegd en ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Hierbij wordt onder andere de begrenzing van de vindplaats(en) in kaart gebracht en wordt een advies gegeven hoe om te gaan met eventuele archeologische waarden die behoudenswaardig zijn en welke delen kunnen worden vrijgegeven. 5. Op basis van het archeologisch waarderend rapport beoordeeld het bevoegd gezag of de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord, in voldoende mate zijn vastgesteld en besluit het bevoegd gezag vervolgens welke archeologische vindplaatsen 1) in situ behouden kunnen worden, 2) ex situ behouden kunnen worden (opgraven), 3) niet behouden hoeven te worden. 6.

Voor die delen van het plangebied waar geen archeologische waarden zijn aangetroffen of waar de archeologische waarden zijn veiliggesteld door een afgerond definitief archeologisch onderzoek (opgraving) zal een vrijgavebeslissing opgesteld worden voor de realisatie van het werk/of werkzaamheden. Een en ander in afwachting van het bij het bevoegd gezag in te dienen evaluatieen/of eindrapport. 7. Graafwerkzaamheden die nodig zijn voor het uitvoeren van de omgevingsvergunning met de activiteit ‘bouwen’ en dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld mogen pas plaatsvinden na het afronden van het gehele archeologisch onderzoek (proefsleuven / opgraven / inclusief het archeologisch waarderend rapport), tenzij hier schriftelijk toestemming voor is verleend vanuit het bevoegd gezag. 8. Als uit het archeologisch waarderend rapport volgt dat het gebied door het bevoegd gezag kan worden vrijgegeven dan is archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Omdat de aanwezigheid van archeologische resten nooit geheel kunnen worden uitgesloten op basis van het uitgevoerde onderzoek, blijft de meldingsplicht ten aanzien van archeologische vondsten conform de Erfgoedwet gelden.

Dit betekent dat, indien er tijdens toekomstige grondwerkzaamheden toch onverwacht archeologische vondsten en structuren worden aangetroffen, men dit zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de gemeente Bergeijk dient te melden (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11).

31

9. Al het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die beschikt over een certificaat tot opgraven op grond van artikel 5.1 van de Erfgoedwet 2016. 10. De startdata van de archeologische onderzoeken moeten een week van tevoren bij het bevoegd gezag (ODZOB) worden gemeld. 11. De ODZOB houdt toezicht op de kwaliteit van het archeologisch onderzoek zoals vastgelegd in deze vergunning.” Er is alleen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bovenstaande voorwaarden in de BOPA worden opgenomen en er vervolgonderzoek wordt uitgevoerd. Bovenstaande voorwaarden zullen daarom in de BOPA worden opgenomen. Conclusie Door het opnemen van voorwaarden in de BOPA is het aspect archeologie in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11 Cultuurhistorie en erfgoed Kader Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke- en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Bal, de provinciale omgevingsverordening en het omgevingsplan. Het Bal stelt onder andere regels aan rijksmonumenten. De provinciale omgevingsverordening stelt regels aan provinciale monumenten (zoals provinciale monumenten, molenbiotopen en landgoed- en kasteelbiotopen). In het omgevingsplan legt de gemeente de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet de gemeente voldoen aan de instructieregels van het Rijk (paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl). Deze instructieregels gelden ook bij het afwijken van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Beoordeling Op basis van de instructieregels uit het Bkl dient in een omgevingsplan of een motivering bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoende rekening te worden gehouden met het behouden en het beschermen van cultureel erfgoed. Binnen het plangebied liggen geen landschappelijke en cultuurhistorische waardevolle elementen. In de omgeving van het plangebied zijn echter wel een aantal landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen gelegen.

Het dichtstbijzijnde gebied is ten noorden gelegen. Dit betreffen twee stroken die een zichtlijn van een ten noorden gelegen landgoed beschermen. Er is echter geen overlap met het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen monumenten gesitueerd.

32

Figuur 4-6 Cultuurhistorische waardenkaart

Conclusie Op basis van het feit dat er geen cultuurhistorische elementen/structuren in het projectgebied gelegen zijn en de omliggende beschermde elementen/structuren niet geschaad worden, kan geconcludeerd worden dat er voldoende rekening wordt gehouden met het behouden en beschermen van cultureel erfgoed. Het aspect cultuurhistorie en erfgoed zorgt daarmee voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12 Kabels en leidingen Kader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger (art. 22a Elektriciteitswet 1998); b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 5.18 en 5.135 Bkl, tevens art. 3.101 Bal); c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 3.101 Bal); d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom (art. 3.135 en art. 3.101 Bkl);

33

e.

buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken (art. 3.101 Bal).1

Beoordeling De benodigde kabels en leidingen voor de aansluiting van het verdeelstation worden aangelegd in het projectgebied. Er wordt met de ontwikkelingen rekening gehouden met de reeds aanwezig kabels en leidingen. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13 Weging van waterbelang Kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk, provinciaal en rijks beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een geohydrologisch onderzoek voor de waterhuishouding uitgevoerd. Vervolgens worden de verschillende waterhuishoudkundige belangen afgewogen. In de onderzoeken worden niet alleen de wateraspecten opgenomen, maar ook welke maatregelen genomen kunnen worden op het gebied van onder andere klimaatadaptatie. De beschrijving van de wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegevens van de bestaande situatie, de revelante wet- en regelgeving en het voorgenomen plan, met daarbij de mogelijke maatregelen. In het kader van het Waterbelang wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(s). Hoe met het advies wordt omgegaan, is ook in de subparagrafen opgenomen. Beoordeling In het kader van de ontwikkeling is een weging van het waterbelang uitgevoerd (Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). De resultaten daarvan zijn hieronder weergegeven.

Maaiveldhoogte Op basis van de het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4, DTM) is de maaiveldhoogte ter plaatse van de projectlocatie is de gemiddelde maaiveldhoogte circa NAP +29,6 m. De maaiveldhoogte varieert met circa ± 0,2 meter. Het hoger gelegen deel ten noorden van de projectlocatie betreft een grondwal met een hoogte van ca. NAP +30,5 à +30,8 m. Op de grondwal staan bomen. Bodemopbouw Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Antea Group een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen. 1

34

Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem tot circa 1,0 à 1,2 m -mv uit matig tot zeer fijn zand bestaat. Vervolgens bestaat de bodem tot circa 1,75 à 2,0 m -mv. uit leem. Van 1,75 m -mv. à 2,0 m mv. tot de maximale onderzoeksdiepte van 2,1 m -mv. is zand aangetroffen. Grondwater Om de grondwaterstand inzichtelijk te maken, is het Landelijk Hydrologisch Model (LHM 4.1) geraadpleegd. De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt voor de periode 2011- 2018 tussen 2,5 m en 3,0 m-mv. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt tussen 4,0 en 6,0 mmv. Watersysteem Op basis van de digitale legger van waterschap De Dommel zijn er nabij de projectlocatie geen vastgestelde watergangen aanwezig. Ten noorden grenzend aan de projectlocatie is volgens de topografische kaart echter wel een sloot aanwezig. Hiervan zijn geen verdere gegevens bekend. Beschermde gebieden De projectlocatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermings- of waterwingebied. De projectlocatie is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een waterkering of leggerwatergang. Wateroverlast bij hevige neerslag In de klimaateffectatlas is onder andere de stedelijke wateroverlast in beeld gebracht op basis van een extreme bui van 70 mm in 2 uur en 140 mm in 2 uur. Ter plaatse van de projectlocatie is te zien dat bij een bui van 70 mm in 2 uur er 20-30 cm water op het maaiveld kan staan.

Bij een bui van 140 mm in 2 uur kan dit meer dan 30 cm zijn. Het blijkt dat het water zich op de lagere maaivelddelen verzamelt. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt een permanent verdeelstation gerealiseerd ter plaatse van de Zoutweg 1 te Westerhoven. Ruimtelijke plannen waarbij het verhard oppervlak wordt uitgebreid of worden vervangen, hebben tot gevolg dat het hemelwater van dit oppervlak versneld tot afvoer komt. Het oppervlaktewater-systeem wordt hierdoor zwaarder belast, met mogelijk wateroverlast tot gevolg. Wateropgave Op basis van het inpassingplan zal het aandeel verhard oppervlak niet toenemen. Het verdeelstation wordt gerealiseerd ter plaatse van de nu al aanwezige verharding. Ter plaatse van de onverharde delen zijn vooralsnog geen gebouwen of verharde delen aanwezig. In de toekomstige situatie zal het aandeel verhard/bebouwd oppervlak met circa 40 m² toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Het totale verhard oppervlak zal circa 790 m² bedragen waarvan circa 250 m² bestaat uit dakoppervlak. Het resterende oppervlak is onverhard. Vanuit de gemeente Bergeijk geldt ook de bergingseis van 60 mm bij het vervangen van verhard oppervlak. In de huidige situatie is circa 750 m² verhard en in gebruik als parkeerplaats. Op basis van de huidige en toekomstige situatie, geldt voor de projectlocatie een bergingsopgave van 47,4 m³ (790 x 0,06).

35

In de toekomstige situatie heeft het station een dakoppervlak van 250 m² en blijft de verdeling van onverhard/verhard hetzelfde. De gemeente Bergeijk heeft aangegeven dat het toepassen van een groen dak de voorkeur heeft voor het bergen van hemelwater (mailwisseling d.d. 30 april 2024). In onderstaande tabel is per waterbergende functie de potentiële waterberging uiteengezet. Dit zijn indicatieve waarden, de maatregelen dienen nader te worden uitgewerkt, zodra het ontwerp definitief is.

Maatregel

Oppervlak (m2)

Theoretisch bergende capaciteit

Potentiële maximale berging

Sedum dak

250

20 mm

4,3 m3

Grindkoffer

70

50 cm

11 m3

Grasbeton

500

1,0 m/dag*

20,8 m³

Infiltratiekratten

150

300 liter per krat (0,6x1,2x0,4)

54 m³

Wateroverlast Gezien de maximale waterdiepte welke mogelijk optreedt bij extreme neerslag en de voorgenomen ontwikkeling, wordt aanbevolen om de locatie op te hogen met minimaal 0,3 m. Dit om te voorkomen dat er door extreme neerslag water in het verdeelstation komt. Om overlast elders (afwentelen) te voorkomen, wordt aanbevolen om het perceel iets af te laten lopen naar de bospercelen en onverharde terreindelen in zuidelijke richting. Hierdoor zal bij een extreme bui het water afstromen in een richting waar geen overlast te verwachten is. Aanleg kabels Afhankelijk van de aanlegdiepte van de kabels bestaat mogelijk de noodzaak voor (tijdelijke) bemaling. Indien de kabels op een diepte onder de GHG worden aangelegd, moet er een bemalingsadvies worden opgesteld waarin de effecten van de bemaling worden bepaald. Reactie Waterschap De Dommel Het Waterschap De Dommel heeft op 9 mei 2025 geadviseerd over de ontwikkeling. Het waterschap adviseert positief over de ontwikkeling en stelt het aanleggen van HNO voorzieningen zeer op prijs. Het waterschap geeft daarnaast aan dat er mogelijk een watervergunning nodig is, als voor de aanleg van kabels bemaling nodig is. Conclusie Het aspect weging van het waterbelang zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.14 Klimaatadaptatie Kader Het klimaat verandert: het wordt warmer er natter. Ook zijn er vaker lange periodes van droogte en neemt de kans op overstromingen toe. Inspelen op de gevolgen van klimaatverandering wordt

36

klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is een opgave voor én door iedereen. De gevolgen van klimaatverandering zijn de 4 thema’s: hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen. Rijk, gemeenten, waterschappen, provincies en veiligheidsregio’s zijn met dit onderwerp bezig met als doel in 2050 klaar te zijn voor extremere weersomstandigheden en de stijgende zeespiegel. Beoordeling Het projectgebied wordt omringd door bomen en bosschages. Het voornemen heeft hetzelfde soort uiterlijk als de huidige situatie, namelijk een groen karakter. Conclusie Ten aanzien van het aspect klimaatadaptatie is met het bouwplan sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.15 Duurzaamheid Kader Onder huidig recht stellen de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving geen eisen aan duurzaamheid die bij een ruimtelijke procedure in acht genomen moeten worden. Als er sprake is van dergelijke eisen vloeien die meestal voort uit gemeentelijk beleid. Wel stelt artikel 1.3 van de Omgevingswet dat de doelen van de wet gesteld zijn met het oog op duurzame ontwikkeling. Deze bepaling kan duurzaamheid een prominente positie in planvorming geven. Vooralsnog is dat niet het geval omdat omgevingsplannen in de eerste fase na inwerkingtreding van de wet vooral beleidsneutrale omzettingen van bestaande regels zijn. Om die reden wordt gesteld dat in die fase de onderzoekslasten voor duurzaamheid niet veranderen. Beoordeling Om de leveringszekerheid van elektriciteit te waarborgen voor aankomende jaren is voorliggende ontwikkeling in Westerhoven nodig. Conclusie Het aspect duurzaamheid zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.16 Gezondheid Kader Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving:

37

In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.

In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen.

In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.

In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.

De GGD geeft een praktische invulling aan dit kader door middel van verschillende kernwaarden met bijbehorende gezondheidsadviezen. De GGD heeft de volgende kernwaarden opgesteld: 1. rookvrije omgeving; 2. aantrekkelijke plekken; 3. gezond gewicht; 4. wonen en druk verkeer; 5. voorzieningen dichtbij; 6. actief vervoer; 7. fiets- en ov-verbindingen; 8. gezond binnenklimaat; 9. prettig wonen; 10. geschikte woningen. Verder stelt de GGD dat het voldoen aan de wettelijke normen niet automatisch betekent dat er geen gezondheidseffecten kunnen optreden. In het GGD omgevingsadvies zijn daarom gezondheidskundige advieswaarden opgenomen. De GGD heeft gezondheidskundige advieswaarden voor de thema’s luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem, elektromagnetische velden (straling), veehouderijen en akkerbouw. Beoordeling De beoogde ontwikkeling van voorliggende motivering zorgt in de bouwfase voor een mogelijk verstoring in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze verstoring is echter tijdelijk en zorgt gezien de afstand van ruim 100 meter tot de dichtstbijzijnde woningen niet tot significante effecten op de gezondheid. Het voornemen leidt tot een verdeelstation met twee transformatoren met daaromheen groen.

Voor het verdeelstation is een gunstige locatie is gezocht waar een bijdrage wordt geleverd aan de verzwaring van het energie net, waardoor een verbetering van het woonklimaat ontstaat. Conclusie Het aspect gezondheid zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

38

4.17 Mer-beoordeling Kader Het instrument milieueffectrapportage (mer) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een ontwikkeling voor alle relevante milieuaspecten systematisch in beeld gebracht. Tevens wordt nagegaan of er alternatieven of maatregelen zijn waarmee eventuele negatieve effecten kunnen worden verminderd of voorkomen. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De verplichting een MER op te stellen is van kracht sinds 1 september 1987 en is verankerd in de Omgevingswet (en voorheen Wet Milieubeheer). Voor sommige plannen of projecten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken. In bijlage V van het Omgevingsbesluit is opgenomen voor welke activiteiten de mer-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten kunnen hebben op het milieu.

Beoordeling Eén van de in bijlage V genoemde categorieën betreft de Energie-industrie (categorie C), hieronder vallen onder andere: -

thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water;

-

Windparken;

-

Kerncentrales en andere kernreactoren;

Installaties voor de productie of verijking van splijtstoffen. Enexis is een netbeheerder en produceert geen elektriciteit. De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de onder C aangewezen categorieën. Het project valt evenmin onder categorie J, infrastructuur en ruimte. Meer specifiek niet onder categorie J8, de aanleg of wijziging van hoogspanningsleidingen, deze aanvraag ziet immers op de bouw van een TVRS voor het middenspanningsnet. De beoogde ontwikkeling valt evenmin onder categorie J10 – Industrieterrein. Dat is het geval als de ontwikkeling zou inhouden dat er sprake is van een gelijktijdig ingeschakeld vermogen van meer dan 200MVA (artikel 2.11a Ow in combinatie met artikel 5.78b, lid 1 onder c Bkl). Een dergelijke ontwikkeling kan alleen worden mogelijk gemaakt door wijziging van het omgevingsplan. Er zou dan sprake zijn van een mer.-beoordelingsplicht (kolom 3), waarvoor een mededeling/aanmeldnotitie moet worden gedaan (zie artikel 16.45 jo 11.10 Ob). In voorliggende ontwikkeling is dit niet aan de orde. De beoogde ontwikkeling valt tot slot niet onder categorie J11 – ‘stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Uit jurisprudentie blijkt dat het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte voor interpretatie laat.

Echter, niet iedere wijziging of uitbreiding binnen een stedelijke context kan automatisch worden beschouwd als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit hangt af van de concrete omstandigheden, zoals de aard en omvang van de beoogde wijziging of uitbreiding.

39

Uit de toelichting volgt dat stedelijke ontwikkelingsprojecten doorgaans betrekking hebben op bouwprojecten zoals woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en vergelijkbare voorzieningen, of een combinatie daarvan.2 Dergelijke projecten hebben een verkeersaantrekkende werking, wat niet het geval is bij het onderhavige traject. De milieugevolgen van het project hebben vooral betrekking op geluid, wat ook dient te worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag. Daarbij is de omvang van het project gering: de omvang is gelet op oppervlakte van 1.300 m2 beperkt. Er is dan ook geen sprake van een stedelijk ontwikkelingstraject. Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.

PARTICIPATIE

Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Derden moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. Om de voorliggende ontwikkeling te realiseren, zijn er verschillende gesprekken gevoerd met bedrijven uit de omgeving van het projectgebied. Zo zijn er gesprekken geweest met de zoutopslag van de provincie Noord-Brabant. Daarnaast zijn er alleen buren in de vorm van bosperceeleigenaren. Er wordt gewacht met het contacteren van hen tot de laatste informatie over de bodem en NNB bekend is. Er zal geen informatieavond worden gehouden. Samen met de gemeente Bergeijk is de cirkel voor de brieven worden bepaald. Enexis heeft op 13 mei 2025 een informatiebrief verstuurd aan de eigenaren van de omliggende percelen.

6.

FINANCIËLE HAALBAARHEID

Het onderhavige omgevingsplan betreft een ontwikkelingsgericht omgevingsplan. De beoogde nieuwe inrichting komt geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze heeft een haalbaarheidsonderzoek gedaan waaruit blijkt dat de ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. De financiële haalbaarheid van het plan is daarmee geborgd.

7.

CONCLUSIE

De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren een verdeelstation in Westerhoven. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het tijdelijk omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt er op de grond van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) een omgevingsvergunning aangevraagd. Om de omgevingsaanvraag te kunnen indienen dient er aangetoond te worden dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

2

Nota van Toelichting Omgevingsbesluit Stb 2018, 290, paragraaf 3.2.4.3 .

40

Op basis van voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voornemen heeft geen negatieve effecten op milieu-en/of omgevingsaspecten.

BIJLAGEN Bijlagen bij het aanvraagformulier Voor de aanvraag is gebruik gemaakt van het aanvraagformulier omgevingsvergunning in het Omgevingsloket. Het aanvraagformulier zelf is het document waarop de aanvraag gebaseerd is. Voor zover in dit formulier wordt verwezen naar bijlage 1 dan betreft dit de toelichting op de aanvraag, het onderhavige document. Aan de aanvraag zijn tevens andere bijlagen gevoegd. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Toelichting op de aanvraag (onderhavig document) Tekeningen Akoestisch onderzoek Natuurtoets Stikstofberekening Verkennend bodemonderzoek

7. Aanvullend onderzoek 8. Archeologisch onderzoek 9. Advies archeologie Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant 10. Weging waterbelang 11. Reactie Waterschap De Dommel 12. Informatiebrief omwonenden

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=60109997-a8d2-4aa6-b85f-7dbc88257b89