CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

1. BOPA ETFAL Westerhoven.pdf

Gemeenteraad 26 juni 2025, gemeente BergeijkBij agendapunt: Advies aanvraag omgevingsvergunning Zoutweg 1 Westerhoven12.889 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ID0103

TOELICHTING AANVRAAG TVRS WESTERHOVEN MET ONDERBOUWING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES (ETFAL) BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA)

Enexis Netbeheer B.V. Definitief

Documenttitel

Toelichting aanvraag TVRS Westerhoven met onderbouwing Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA)

Soort document

Definitief

Datum

21 mei 2025

Projectnaam

Nieuw TVRS Westerhoven

Projectnummer

ID0103

Opdrachtgever

Enexis Netbeheer B.V.

Auteur

Daan Roelofs

Vrijgave

1

Inhoud 1.

Toelichting op de aanvraag

2

1.1 Aanleiding en doel

2

1.2 Ligging en begrenzing

3

1.3 Geldende ruimtelijke kaders

3

1.4 Procedure

4

1.5 Leeswijzer

5

2.

5

Projectbeschrijving

2.1 Huidig gebruik

5

2.2 Beoogde ontwikkeling

6

3.

7

Beleidskaders en programma’s

3.1 Rijksbeleid

7

3.2 Provinciaal beleid

9

3.3 Gemeentelijk beleid

12

4.

13

Omgevingsaspecten

4.1 Stedenbouw

13

4.2 Verkeer en parkeren

14

4.3 Bedrijven en milieuzonering

14

4.4 Omgevingsveiligheid

15

4.5 Geluid

17

4.6 Trillingen

19

4.7 Ecologie

19

4.8 Luchtkwaliteit

24

4.9 Bodemkwaliteit

25

4.10 Archeologie

30

4.11 Cultuurhistorie en erfgoed

32

4.12 Kabels en leidingen

33

4.13 Weging van waterbelang

34

4.14 Klimaatadaptatie

36

4.15 Duurzaamheid

37

4.16 Gezondheid

37

4.17 Mer-beoordeling

39

5.

40

Participatie

0

6.

Financiële haalbaarheid

40

7.

Conclusie

40

bijlagen

41

Bijlagen bij het aanvraagformulier

41

1

1.

TOELICHTING OP DE AANVRAAG

1.1 Aanleiding en doel Enexis is bezig met de regionale verzwaring van het energienet Westerhoven – Borkel. Het bestaande elektriciteitsnetwerk raakt ‘vol’ vanwege klantaanvragen voor capaciteitsuitbreiding, de groei belasting en opwek kleinverbruik. Om de leveringszekerheid van elektriciteit te waarborgen voor aankomende jaren gaat Enexis het elektriciteitsnetwerk in de omgeving uitbreiden. De ontwikkeling omvat de realisatie van een verdeelstation in Westerhoven aan de N397 en de Zoutweg. Het verdeelstation betreft een 20/10kV station met twee bijbehorende transformatoren. Beide transformatoren hebben een vermogen van 20 MVA. In totaal gaat het om een vermogen van 40 MVA.

Figuur 1-1 Ligging projectgebied

De beoogde ontwikkeling is op basis van het geldende ruimtelijke kader niet toegestaan. Een verdere uitleg van het geldende ruimtelijke kader volgt in paragraaf 1.3 van deze onderbouwing. Om het initiatief duurzaam planologisch in te passen is Enexis voornemens een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aan te vragen, voor planologisch strijdig gebruik en bouwen. Deze omgevingsvergunning wordt aangevraagd op grond van artikel 5.1 eerste lid onder a Omgevingswet en artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staat dat een omgevingsvergunning alleen wordt verleend voor een BOPA mits de ontwikkeling zorgt voor een

2

evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het doel van deze BOPA is om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Deze onderbouwing dient ten behoeve van de voorgenoemde omgevingsvergunning. In de voorliggende ruimtelijke motivering is een verantwoording gegeven waaruit blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

1.2 Ligging en begrenzing De beoogde ontwikkeling wordt in het kader van de omgevingsvergunning gezien als een project. De locatie waar de ontwikkeling is voorzien betreft daarmee het projectgebied. Het projectgebied is gelegen in de gemeente Bergeijk aan de N397 en de Zoutweg in het noorden van Westerhoven.

Figuur 1-2 Projectgebied

1.3 Geldende ruimtelijke kaders Toetsingskader Het vigerende ruimtelijke regime betreft het tijdelijke omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit: (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan Westerhoven en de Kempervennen 2012 (vastgesteld 2012-11-19) geeft aan deze locatie de enkelbestemming “bedrijf” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4.1” (zie onderdeel archeologie).

3

Figuur 1-3 Ligging plangebied in vigerend omgevingsplan

Beoordeling/strijdigheid Binnen de bestemming “bedrijf” zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen van 40 MVA of minder vallen onder milieucategorie 3.1. De voorgenomen ontwikkeling past derhalve niet binnen het bestemmingsplan. In het huidige bestemmingsplan zijn milieucategorie 3.1 bedrijven niet toegestaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van het bouwplan niet mogelijk is op basis van het tijdelijke omgevingsplan. De onderhavige Buitenplanse omgevingsplanactiviteit voorziet in de motivering om een projectafwijkingsbesluit volgens de Omgevingswet te nemen, aan de hand van het doorlopen van de reguliere procedure. Hierin worden de strijdige activiteiten getoetst aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.4 Procedure Procedure De Omgevingswet gaat uit van snelle en eenvoudige procedures voor alle vergunningen die verleend moeten worden. Dit betekent dat in principe voor alle plannen de korte (reguliere) procedure uitgangspunt is en daarmee hoofdregel van de Omgevingswet. De beslistermijn voor de korte procedure is normaliter maximaal 8 weken (eventueel +6 weken bij verlenging van de beslistermijn). Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. De uitgebreide procedure is de uitzondering (26 weken). Op diverse plaatsen in de Omgevingswet en in artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit staat wanneer de uitgebreide procedure geldt. In de

4

uitgebreide procedure beslist het bevoegd gezag binnen 6 maanden na een aanvraag. Eventueel te verlengen met 6 weken. Tijdens de uitgebreide procedure maakt het bestuursorgaan een ontwerpbesluit waarover zienswijzen openstaan. Nadat het besluit is genomen, is er nog beroep bij de rechtbank mogelijk. Een uitgebreide procedure geldt onder meer: • Wanneer een MER is vereist (niet aan de orde bij dit project); • Wanneer een initiatiefnemer zelf dit verzoek heeft om bijvoorbeeld de plannen beter voor te bereiden en te kunnen participeren. Ook dat is niet aan de orde; • Indien het college bepaalt dat er sprake is vanwege aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving en wanneer de verwachting is dat verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Dit moet het college zelf goed motiveren en onderbouwen wanneer zij denken dat hier sprake van is. Ook dit is niet aan de orde gezien het doorlopen voortraject. Voor deze ontwikkeling gaan we uit van de reguliere procedure. ETFAL Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) betekent dat er een balans bestaat tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) (artikel 4.2 lid 1).

In de voorliggende motivering is een verantwoording gegeven, waaruit blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan een ETF

1.5 Leeswijzer Deze motivering is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie van het projectgebied en de planontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de betreffende omgevingsaspecten aan bod. Hier op volgend wordt in hoofdstuk 5 aandacht besteed aan participatie en in hoofdstuk 6 de financiële haalbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de conclusie aangaande de ontwikkeling beschreven.

2.

PROJECTBESCHRIJVING

2.1 Huidig gebruik Het projectgebied heeft een omvang van circa 1.300 m2. Het projectgebied wordt aan de noordzijde begrensd door de N397 en aansluitend grasland. Ten oosten en westen staat bos. Ten zuiden staat de zoutopslag van de Provincie Noord-Brabant. Het projectgebied is bereikbaar via de Zoutweg. In de huidige situatie hebben deze gronden nog een bedrijfsfunctie.

5

Figuur 2-1 Projectgebied in de huidige situatie

2.2 Beoogde ontwikkeling De ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe 20/10kV verdeelstation met twee bijbehorende transformatoren. Het verdeelstation betreft een 20/10kV station met twee bijbehorende transformatoren. Beide transformatoren hebben een vermogen van 20 MVA. In totaal gaat het om een vermogen van 40 MVA. De ontsluiting van het projectgebied geschied via de Zoutweg. Het gehele terrein wordt begrensd door een hek met een toegangspoort.

6

Figuur 2-2 Beoogde ontwikkeling

Voor wat betreft de activiteiten gaat het om het volgende: - Graven kelders onder stations; - 2 prefab bouwwerken en 2 trafo’s plaatsen met een kraan; - Graven sleuven voor kabels en aansluiten op stations;

3.

BELEIDSKADERS EN PROGRAMMA’S

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Kader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.

7

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een transportverdeelstation. Het sluit aan bij “Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie”. Het planvoornemen past binnen de Nationale Omgeving. 3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB’s) Kader Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is sinds 1 januari 2024 vervallen. De regels van het Barro zijn vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de rijksinstructieregels. De hoofdonderwerpen van deze regels zijn: 

Waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl);

Beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl);

Beschermen van de gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (pararagraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl);

Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6 Bkl) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;

Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7 Bkl), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;

Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).

Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: 

De activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van de instructieregels;

De omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbreidingsbesluit);

De omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of rijk, belemmert.

Conclusie

8

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een transportverdeelstation. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan het nationale belang om de elektriciteitsvoorziening te behoeden voor nadelige gevolgen. Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling binnen de gestelde kaders van de instructieregels past. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Kader In paragraaf 5.1.5.4, artikel 5.129g, van het Bkl staat de ladder voor duurzame verstedelijking. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Met de toevoeging van dit artikel in het Bkl is beoogd vanuit een oogpunt van ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Er wordt daarom rekening gehouden met: 

De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1 Bkl laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uiteen worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling De Ladder is alleen van toepassing op een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een transformatorstation (uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123 (Hollands Kroon)) is door de Afdeling aangemerkt als niet stedelijke ontwikkeling als bedoeld in paragraaf 5.1.5.4 artikel 5.129g van het Bkl. Conclusie De beoogde ontwikkeling betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Kader Net als het Rijk beschikt de provincie Noord-Brabant over een omgevingsvisie: de Brabantse Omgevingsvisie. Deze visie is in december 2018 vastgesteld door Provinciale Staten van NoordBrabant. De Brabantse Omgevingsvisie bevat de ambities van de provincie Noord-Brabant voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de periode tot 2050. De omgevingsvisie bevat geen

9

sectorale beleidsdoelen, die doelen zijn nog steeds opgenomen in bijvoorbeeld de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO). Bij een eventuele strijdigheid tussen de SVRO en de omgevingsvisie is de omgevingsvisie leidend. De Brabantse Omgevingsvisie zet in op behouden en verdere ontwikkeling van een veilige, gezonde en duurzame fysieke leefomgeving. De provincie richt zich met de Brabantse Omgevingsvisie op vier hoofdopgaven: 1. De energietransitie. 2. Ontwikkeling van een Noord-Brabant dat om kan gaan met klimaatverandering. 3. Noord-Brabant als slimme netwerkstad. 4. Behouden en verder ontwikkelen van een concurrerende en duurzame economie. Net als het Rijk streeft de provincie met de Brabantse Omgevingsvisie naar een manier van het benaderen van initiatieven in de fysieke leefomgeving die uitgaat van vertrouwen en het gezamenlijk met publieke en private partijen zoeken naar mogelijkheden om een initiatief te realiseren. Daarbij moeten initiatieven een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Beoordeling De ontwikkeling waarborgt de leveringszekerheid van elektriciteit voor aankomende jaren in de regio. Conclusie Het voornemen is in lijn met de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

3.2.2 (TAM-)omgevingsverordening Noord-Brabant Kader De Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de ‘Interim omgevingsverordening Noord- Brabant’ vastgesteld en deze is op 6 november 2019 in werking getreden. Inmiddels is de interim-omgevingsverordening een aantal keer aangepast daarom wordt er getoetst aan de meest recente versie: ‘TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant’ die vastgesteld is vanaf 13 december 2023 en in werking is getreden op 1 januari 2024. In de TAMomgevingsverordening staan de officiële geometrieën die horen bij de Omgevingsverordening NoordBrabant. Beoordeling Om de werkingsgebieden van de Omgevingsverordening vast te leggen zijn er een aantal kaarten opgesteld. De werkingsgebieden stellen een aantal regels overeenkomstig voor het projectgebied. Vanuit de volgende kaarten zijn er relevante werkingsgebieden voor de voorgenomen ontwikkeling. Kaart 1: rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur, water en wegen Vanuit deze kaart is het projectgebied aangewezen als een gebied waar een attentiezone is voor waterhuishouding en geld er een beperking voor veehouderijen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen onconventionele winning van koolwaterstoffen gedaan of wordt een veehouderij toegestaan en/of mogelijk gemaakt. Vanuit dit werkingsgebied zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Kaart 2: aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden

10

Dit betreffen instructieregels voor gemeenten. Deze regels gaan over aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden. Het projectgebied is aangewezen als groenblauwe waarden. De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe waarden. De toetsing hiervan vindt plaats in de hoofdstuk 4. Kaart 3: natuur en stiltegebieden Dit betreffen instructieregels voor gemeenten. Deze regels gaan over natuur en stiltegebieden. Het projectgebied is gekenmerkt als attentiezone waterhuishouding. In dit gebied staat de bescherming van de waterhuishouding centraal. Functies en activiteiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant zijn uitgesloten. De toetsing hiervan vindt plaats in de paragraaf 4.13. Dit heeft geen verdere invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Kaart 5: basiskaart stedelijk gebied, landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant Dit betreffen regels over het landgebruik met betrekking tot landelijk gebied.

Het projectgebied is aangewezen als landelijk gebied. Dit heeft geen verdere invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Volgens artikel 5.5 lid 2 kan een omgevingsplan een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken buiten bestaand ruimtebeslag als dit vanuit het algemeen belang nodig is voor het transporteren en leveren van energie, gas of water. Daarnaast ligt er een beperking grootschalige logistiek over het projectgebied. Dit houdt in dat ter plaatse van deze aanduiding nieuwvestiging, vestiging en uitbreiding van grootschalige logistiek is verboden, tenzij artikel 5.56a lid 3 en 4 van toepassing zijn. Voorliggende ontwikkeling betreft geen logistiek bedrijf. Kaart 6: instructieregels gemeenten: specifieke ontwikkelingen en maatwerk in landelijk gebied Dit betreffen instructieregels voor gemeenten met betrekking tot het landelijk gebied. Er ligt een beperking veehouderij in dit gebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er geen veehouderij gerealiseerd. Kaart 7: instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Dit betreffen instructieregels voor het waterschap. De doorwerking hiervan vindt plaats in het waterschapsbeleid. De weging hiervan vindt plaats in de paragraaf 4.13. Dit heeft geen verdere invloed op de voorgenomen ontwikkeling.

Kaart 8: instructieregels gemeenten, waterschappen en Gedeputeerde Staten: infrastructuur Dit betreffen instructieregels voor gemeenten, waterschappen en Gedeputeerde Staten. Deze regels gaan over infrastructuur en wordt verwerkt in het beleid. De attentiezone geluid provinciale weg betreffen regels bij het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen. Het voornemen realiseert geen geluidgevoelige gebouwen. Dit heeft geen verdere invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het gestelde in de (TAM-)omgevingsverordening NoordBrabant.

11

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Bergeijk In Bergeijk is het goed wonen. De dorpen zijn sterk, sociaal, veilig en economisch robuust. Inwoners voelen zich verbonden met hun leefomgeving en zijn hier over het algemeen zeer positief over. Bergeijk heeft dan ook veel te bieden: rust en ruimte op een steenworp afstand van de grote Brabantse steden en Brainport Eindhoven. Het is een gemeente met vitale bedrijven en een buitengewoon sterk verenigingsleven. Dit zijn allemaal kernkwaliteiten van Bergeijk. Deze kernkwaliteiten moeten behouden blijven. Tegelijkertijd verandert de wereld om ons heen in razend tempo. Er zijn nieuwe maatschappelijke opgaven en wensen die een plek moeten krijgen. Dit gaat natuurlijk niet vanzelf. Alleen door hier nu over na te denken, kan dit met inbreng van inwoners, ondernemers en anderen bereikt worden. Om vanuit de gemeente richting te geven aan de toekomstige ontwikkeling van de gemeente, wordt deze omgevingsvisie opgesteld. Hierin wordt tien tot twintig jaar vooruit gekeken. Er worden geen concrete antwoorden geboden, maar er wordt richting gegeven aan wat de komende decennia gedaan moet worden, hoe inwoners en ondernemers geholpen kunnen worden bij hun plannen en hoe de bestaande kernkwaliteiten in stand gehouden en invulling gegeven kan worden aan nieuwe opgaven.

Deze omgevingsvisie biedt daarvoor een koers op hoofdlijnen, die via onder andere omgevingsplannen en programma’s nader uitgewerkt zal worden.

Figuur 3-1 Kaart Omgevingsvisie Bergeijk

Energieopwekking Om opwarming van de aarde en klimaatveranderingen tegen te gaan is wereldwijd afgesproken om het energieverbruik te verminderen en over te stappen op het gebruik van duurzame en hernieuwbare energiebronnen: de Energietransitie. Eén van de uitdagingen binnen die transitie is het verduurzamen

12

van de energieopwekking. Ook de Kempengemeenten hebben een opgave om grootschalig duurzame energie op te wekken en energieneutraal te worden. Beoordeling Het beoogde voornemen betreft de realisatie van een verdeelstation in Westerhoven. Dit voornemen speelt vooral in op de leveringszekerheid van energie. Conclusie Het beoogde voornemen is in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Bergeijk.

4.

OMGEVINGSASPECTEN

4.1 Stedenbouw Kader Om tot een conclusie te komen of de beoogde ontwikkeling van voorliggende ruimtelijke onderbouwing past op de aangewezen locatie wordt er in deze paragraaf gekeken naar de volgende aspecten: 

Een planologische onderbouwing waarom de functie past op de locatie;

Een stedenbouwkundige onderbouwing;

Een onderbouwing waarom het project past binnen de huidige stedenbouwkundige structuur.

Beoordeling De projectlocatie is gelegen aan de Zoutweg in Westerhoven. Het ligt op het terrein van de zoutopslag van de provincie Noord-Brabant. De ontwikkeling zorgt voor een activiteitenverandering. Het voornemen leidt tot een beperkt bebouwd oppervlak. De onderdelen die daarbij komen kijken staan beschreven in paragraaf 2.2. Impact op de omgeving De inpassing van het verdeelstation met een beperkt bebouwd oppervlak met de daarbij behorende beperkte bouwhoogtes leidt niet tot stedenbouwkundige bezwaren, omdat in de omgeving (100 meter) van het projectgebied geen woningen voorkomen en omdat het projectgebied wordt ingepast op het bestaande terrein van de zoutopslag. Het projectgebied zelf wordt omringd door bomen en bosschages, waardoor de bouwwerken minder zichtbaar zijn. Hiermee is de ruimtelijke impact beperkt en vindt er geen verslechtering plaats. Het voornemen heeft hetzelfde soort uiterlijk als de huidige situatie, namelijk een groen karakter. Bezonning en windhinder Bezonning wordt een relevant onderwerp zodra de ontwikkeling (het gebouw) de zon wegneemt van tuinen bij de omliggende woningen. Dit is met voorliggende bouwplan niet van toepassing. Daarmee is bezonning niet relevant. Windhinder voor een gebouw ontstaat pas vanaf 30 meter bouwhoogte. De bouwhoogte van de ontwikkeling bedraagt circa 15 meter. Dit houdt in dat windhinder niet relevant is voor dit gebouw.

13

Conclusie Het aspect voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2 Verkeer en parkeren 4.2.1 Verkeer De ontwikkeling in het plangebied zorgt niet voor extra verkeer. Een verdeelstation met transformatoren heeft geen verkeergeneratie, uitgezonderd van een enkele verkeersbeweging per jaar voor onderhoud. Conclusie Het aspect voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.2.2 Parkeren De ontwikkeling in het plangebied zorgt niet voor extra verkeer. Een verdeelstation met transformatoren heeft geen verkeergeneratie, uitgezonderd van een enkele verkeersbeweging per jaar voor onderhoud. Binnen de grenzen van het terrein is voldoende ruimte om te parkeren voor deze enkele keer dat dit nodig is. Conclusie Het aspect voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Milieuaspecten worden geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten rekening te worden gehouden. Het gaat dan om de situering van milieugevoelige objecten ten opzichte van milieuhinderlijke elementen. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering 2024'. Op basis hiervan wordt bepaald in hoeverre aan de minimale richtafstanden uit de VNG-brochure wordt voldaan. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijvigheid toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan mogelijk is.

Beoordeling Het projectgebied bevindt zich in rustig gebied. Volgens de VNG-publicatie valt het station met transformatorvermogen van 40MVA in categorie 3.1. Een categorie 3.1 bedrijf heeft een richtafstand

14

van 50 meter. In de directe omgeving van het plangebied zijn woningen (gevoelige objecten) aanwezig. In dit geval bedrijfswoningen ten zuiden van het plangebied. Binnen 50 meter richtafstand zijn geen woningen gesitueerd.

Figuur 4-1 Gevoelige functies (paars) rondom projectgebied

Conclusie Het aspect voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4 Omgevingsveiligheid De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan onder de Wro, Wet milieubeheer. Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. De gemeente moet binnen de aandachtsgebieden bij de vergunningverlening rekening houden met het groepsrisico (rekening houden met het risico van brand, explosies of gifwolken; dan gelden aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. Kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit

15

die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl. • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl. • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl). • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

16

Beoordeling Een elektriciteitsstation valt zelf niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van omgevingsveiligheid. Ook beschermen de regels in het Bkl alleen beperkt kwetsbare, kwetsbare, en zeer kwetsbare gebouwen, en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dergelijke gebouwen en locaties liggen niet in de buurt van de projectlocatie. Binnen het projectgebied zelf bevinden zich geen risicobronnen. Echter het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding ten westen van het plangebied. Aangezien er geen mensen aanwezig zullen zijn in het plangebied ten behoeve van het elektriciteitsstation (afgezonderd van een sporadisch onderhoud) vormen deze risicobronnen geen beperkingen met betrekking tot de ontwikkeling. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5 Geluid Kader Ingevolge de Omgevingswet dient voor de beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op (bestaande en/of beoogde) geluidgevoelige gebouwen, waarbij wordt beoordeeld in hoeverre het geluideffect aanvaardbaar is en daarmee, vanuit optiek van geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In onderstaande paragrafen wordt dit nader uitgewerkt. Als basis voor beoordeling van de BOPA worden de instructieregels ingevolge het Besluit kwaliteit leefomgeving gehanteerd. De geluidsnormen zijn onder de Omgevingswet neergelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een omgevingsplan bevat als waarden de standaardwaarden, bedoeld in figuur 4-1, voor het toelaatbare geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw en als waarden de grenswaarden, bedoeld in figuur 4-2, voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.

07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

--

70 dB(A)

70 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

--

65 dB(A)

65 dB(A)

Figuur 4-2 Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

17

07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

--

55 dB(A)

55 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

--

45 dB(A)

45 dB(A)

Figuur 4-3 Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

Geluidgevoelige gebouwen Een geluidgevoelig gebouw is conform artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: -

Woonfunctie en nevengebruiksfunctie daarvan;

-

Onderwijsfunctie en nevengebruiksfunctie daarvan;

-

Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

-

Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Dit geldt niet voor het gedeelte van het gebouw waar het omgevingsplan geen geluidgevoelige ruimte toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is. Onder een geluidgevoelig object wordt ook een geluidgevoelig gebouw verstaan, wat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd. Beoordeling In het kader van de ontwikkeling is een industrielawaai onderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn hieronder weergegeven. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) De hoogste berekende geluidbelasting bedraagt 13 dB(A) in de nachtperiode, op de gevel van Heuvel 38, inclusief tonaliteitstoeslag. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met het oog op geluid. Maximaal geluidniveau (LAmax) In de representatieve bedrijfssituatie vinden geen relevante piekniveaus plaats, en derhalve is een beoordeling van het maximale geluidniveau ook niet aan de orde. Conclusie Het aspect geluid zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

18

4.6 Trillingen Kader Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Gemeenten mogen zelf regels stellen over trillingen door milieubelastende activiteiten. De regels voor trillingen zijn op verschillende plaatsen terug te vinden. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillingsgevoelige ruimten in trillingsgevoelige gebouwen. In paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat zijn eveneens regels voor trillingen opgenomen. Deze regels gelden voor trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillingsgevoelige ruimte van een trillingsgevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Onder de Omgevingswet zijn de regels van trillingen door bedrijven (activiteiten) gedecentraliseerd. Dat betekent dat gemeenten zelf regels mogen stellen over trillingen van activiteiten.

Beoordeling De meest relevante trillingsbronnen zijn wegverkeer, railverkeer en industriële activiteiten. Voor wegverkeer en railverkeer geldt dat dit afhankelijk is van het aandeel zwaar vrachtverkeer. Voor alle trillingsbronnen geldt dat trillingen afnemen als de afstand tot de bron groter wordt. De ontwikkeling in het plangebied zorgt niet voor extra verkeer. Een verdeelstation met transformatoren heeft geen verkeergeneratie, uitgezonderd van een enkele verkeersbeweging per jaar voor onderhoud. Derhalve zijn geen effecten van trillingshinder te verwachten. Voor trillingen door industriële activiteiten moet worden gekeken naar de ligging ten opzichte van het projectgebied. In het geval van dit project geldt dat op basis van de grote afstand van omliggende woningen tot het projectgebied er geen effecten van trillingshinder te verwachten zijn. Conclusie Het aspect trillingen zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7 Ecologie Kader In het Bkl zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Voorheen werd dit geregeld in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

19

Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en /of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Beoordeling Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn hieronder weergegeven. Gebiedsbescherming In onderstaande tabel zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van de natuurtoets.

Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden? Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit of akkoord van de provincie noodzakelijk?

Natura 2000 Ja, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (op circa 900 meter afstand). Ja, er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Ja, er is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Effecten niet aan de orde, enkel AERIUS-berekening noodzakelijk (zie onderdeel stikstof).

Tabel 4.1 Conclusies Natura 2000-gebieden

Stikstof In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Enexis een stikstofonderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten daarvan blijkt dat er geen belemmeringen zijn geconstateerd. NNB In onderstaande tabel zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNB-gebieden opgenomen. Met het oog op toekomstig gebruik is het ongewenst om op de locatie het huidige NNB te handhaven. Daarom is gekozen voor herbegrenzing van het NNB op basis van ‘Artikel 5.36 Kleinschalige herbegrenzing’ en compensatie van het ruimtebeslag in de vorm van financiële compensatie. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van de natuurtoets.

Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNB-gebied? Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie? Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde?

NNB In het plangebied. Ja. Ja. Ja. Ja, met provincie Noord-Brabant

Tabel 4.2 Conclusie NNB-gebieden

De aanduiding ‘Natuurnetwerk Brabant’ op dit perceel zal met een wijziging van de Omgevingsverordening verwijderd worden. Groenblauwe mantel

20

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de groenblauwe mantel. Als gevolg van het planvoornemen kunnen er effecten optreden. Enexis heeft contact opgenomen met de provincie Noord-Brabant. In overleg met de provincie Noord-Brabant heeft Enexis een inpassingsplan voor de project locatie opgesteld. Op onderstaande afbeeldingen staat de inpassing van het perceel waardoor het project in overeenstemming is met de aanduiding ‘Groenblauwe waarden’ op grond van de Omgevingsverordening. De provincie Noord-Brabant wil dat Enexis een beplantingsplan maakt met inheemse beplanting die bijdraagt aan de biodiversiteit en zorgt voor verbinding tussen de NNB-gebieden. Dit beplantingsplan kan na verlening van de omgevingsvergunning worden opgesteld. De provincie gaf aan dat alleen de strook aan de noordkant van het perceel beplant hoeft te worden. De strook ten oosten van het station kan dus, naast gebruik voor gras en beplanting, ook gebruikt worden om in waterberging te voorzien.

Figuur 4-4 Overzicht nieuwe situatie

21

Figuur 4-5 Inpassingsplan

Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van rust- en foerageergebied van ganzen en smienten. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Soortenbescherming In onderstaande tabel zijn de conclusies ten aanzien van de beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van de natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht.

22

Soort(groep)

Essentieel leefgebied in (directe omgeving van) plangebied?

Nader onderzoek nodig?

Maatregelen ?

Vogels met een jaarrond beschermd nest (boomvalk,

Ja, nestgelegenheid in aangrenzende bomenrijen en bosschages.

Nee, mits de maatregelen uit tabel 4.5 (algemene broedvogels) worden opgevolgd. Anders zie nader onderzoek tabel 4.4 N.v.t.

Ja zie tabel 4.5 algemene broedvogels

buizerd en sperwer)

Vogels (algemene broedvogels)

Ja, nestgelegenheid in opgaande begroeiing en vogelhuisjes.

Zoogdieren (diverse soorten vleermuizen) verblijfplaatsen

Holtes in bomen geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen

Vrijgestelde soorten

Nee, mits de maatregelen uit tabel 4.5 worden opgevolgd. Anders zie nader onderzoek tabel 4.4 Zie algemene broedvogels en tabel 4.5

Ja, zie tabel 4.5

Ja, zie tabel 4.5

Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit Ow aan de orde? Nee, mits de maatregelen uit tabel 4.5 worden opgevolgd.

Nee, mits de maatregelen uit tabel 4.5 worden opgevolgd. Nee, mits de maatregelen uit tabel 4.5 worden opgevolgd.

Tabel 4.3 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortenbescherming

In tabel 4.4 is aangegeven dat een overtreding van de Ow voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 4.4 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

23

Soort Boomvalk, buizerd, en sperwer

Vleermuizen verblijfplaatsen (boombewonende soorten)

Onderzoeksmethode Bij het onderzoek dient het BIJ12 kennisdocument van de buizerd gevolgd te worden. De inventarisatie bestaat uit minimaal vier gerichte veldbezoeken in de periode half maart tot half mei. Om ook de boomvalk volledig te inventariseren wordt een vijfde bezoek gebracht in de periode eind april – half juni. De inventarisaties vinden plaats met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Er wordt gelet op bezetting van nesten, roepende vogels (ouders en jongen) en transport van nestmateriaal. Een andere mogelijkheid is een ecologische vrijgave voorafgaand aan de werkzaamheden. Hierbij bestaat het risico dat een broedgeval aanwezig is en de locatie niet wordt vrijgegeven voor werkzaamheden. Volgens planvoornemen dienen enkele bomen uit de bomenrij ten noorden van het plangebied te worden gekapt. De boom met mogelijke verblijfplaats (boomholte) zal volgens het planvoornemen behouden blijven. Als deze boom toch gekapt dient te worden zal moeten worden aangetoond of de holte geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen, dit kan door middel van een endoscoop. Mocht hieruit resulteren dat het om een geschikte verblijfplaats gaat dient extra nader onderzoek plaats te vinden naar de functie van de boom als verblijfplaats.

Dit nader onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van het vleermuisprotocol, waarbij minimaal vier bezoeken plaats dienen te vinden in de periode 15 mei tot en met 15 september. (Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2021).

Tabel 4.4 Beschrijving nader onderzoek

In tabel 4.3 is aangegeven dat een overtreding van de Ow voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 4.5 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

Soort(groep) Algemene broedvogels

Vleermuizen

Maatregelen Buiten het broedseizoen werken, indien niet mogelijk moet door een ervaren ecoloog worden gecontroleerd of er nesten van algemene broedvogels in het plangebied aanwezig zijn. Indien hier sprake van is, mogen deze niet verwijderd of verstoord worden zolang deze in gebruik zijn. Om tijdens de realisatiefase verstoring te voorkomen is het belangrijk om enkel overdag te werken. Indien verlichting nodig is, is het noodzakelijk dat er geen verlichting of aangepaste vleermuizenverlichting richting de aangrenzende bomenrijen en omliggend bos wordt geplaatst.

Tabel 4.5 Beschrijving maatregelen om overtreding van de Ow te voorkomen

Conclusie Ten aanzien van het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8 Luchtkwaliteit Kader In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden voor de concentratie van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Voor dit project zijn stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) van belang. De concentratie van de overige luchtverontreinigende stoffen (zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood) in de buitenlucht is van nature zo laag dat voor deze stoffen geen

24

overschrijding van de grenswaarden wordt verwacht. Voor deze stoffen kan zeker worden voldaan aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wm. De verspreiding van zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood is daarom niet onderzocht. Voor de toegestane concentraties NO2 en PM10 gelden de volgende grenswaarden: 

Voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie;

Voor PM10 geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie en 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat de 24-uurgemiddelde concentratie maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden;

Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie.

De uitvoering van een onderzoek naar de luchtkwaliteit moet voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Beoordeling De ontwikkeling in het plangebied zorgt niet voor extra verkeer. Een verdeelstation met transformatoren heeft geen verkeergeneratie, uitgezonderd van een enkele verkeersbeweging per jaar voor onderhoud. Gezien de schaal van het plangebied, zal de bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van het plan niet in betekende mate zijn. Er is geen onderzoek nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9 Bodemkwaliteit Kader Het bodembeleid gaat over het voorkomen en wegnemen van bodemverontreiniging. Waar het bodembeleid eerder sterk gericht was op het saneren van bodemverontreiniging legt de Omgevingswet meer nadruk op het voorkomen van verontreinigingen en het beheren van bestaande verontreinigingen. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal): -

regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift

-

regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22);

(artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2);

25

-

regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4).

Beoordeling Verkennend bodemonderzoek In opdracht van Enexis Netbeheer B.V. is door Antea Group in februari 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Zoutweg 1. De resultaten daarvan zijn hieronder weergegeven. In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Grond In de boven- en ondergrond is geen sprake van een overschrijding van de interventiewaarde. Toetsing Besluit bodemkwaliteit De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat de grond voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’. Grondwater De grondwaterstand was, op 5 maart 2024, 3,80 m -mv. In het grondwater is geen sprake van een overschrijding van de signaleringswaarde en/of interventiewaarde. Voorlopige veiligheidsklasse In de onderstaande tabel is de voorlopige veiligheidsklasse weergegeven conform CROW-publicatie 400. De voorlopige veiligheidsklasse is gebaseerd op alle analyseresultaten van dit onderzoek.

Toetsing hypothese De vooraf opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ wordt formeel gezien verworpen, vanwege de licht verhoogde concentraties in het grondwater. De voorgenomen werkzaamheden vallen onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde’. Uitgangspunt is dat er meer dan 25 m3 ontgraven zal worden en dat er geen sprake is van tijdelijke uitname. Het volgende is van toepassing: 1. Er is sprake van een informatieplicht voorafgaand aan de werkzaamheden (proceduretermijn 1 week). 2. Er is géén sprake van een meldplicht; 3. Er is géén sprake van een informatieplicht na afronding van de werkzaamheden.

26

Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het vooronderzoek, de zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten van dit onderzoek. Aanvullend bodemonderzoek In opdracht van Enexis Netbeheer B.V. is door Antea Group in september 2024 een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Zoutweg 1, Westerhoven (Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). De resultaten daarvan zijn hieronder weergegeven. In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Het asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707. De onderzoekslocatie is opgedeeld in twee deellocaties: •

Deellocatie 1: Verdeelstation

•

Deellocatie 2: Bezink/septic tank

Deelgebied 1 richt zich op de volledige onderzoekslocatie, deelgebied 2 focust specifiek op de bezink/septic tank die op het terrein aanwezig is. Grond In de grond ter plaatse van de bezink-/septic tank zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond in de grond. Wel is sprake van marginaal verhoogde gehalten aan PFAS waardoor sprake is van bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen/Industrie’. In de grond ter plaatse van het verdeelstation is sprake van een interventiewaarde-overschrijding aan cyanide. In het mengmonster MMbg01 is een gehalte aan cyanide (totaal) aangetoond van 200 mg/kg ds. Na uitsplitsing van het mengmonster blijkt dat in meetpunten 003 (traject 0,00-0,50 m -mv), 004 (0,00-0,50 m -mv) en 005 (0,07-0,50 m -mv) de interventiewaarde aan cyanide wordt overschreden. Voor meetpunt 003 gaat het om 69 mg/kg ds., voor 004 betreft dit 50 mg/kg ds. en voor meetpunt 005 om 290 mg/kg ds. De verontreiniging is niet verticaal afgeperkt. In zuidelijke richting is de verontreiniging horizontaal afgeperkt. De interventiewaarde van cyanide (complex) betreft 50 mg/kg ds. De veiligheidsklasse wordt niet overschreden. Conform CROW-publicatie 400 is de veiligheidsklasse ‘Basishygiëne’ van toepassing. In de bovengrond en de ondergrond is een gehalte chloride aangetoond dat varieert tussen de 16 - 120 mg/kg ds.

De stof chloride kent geen interventiewaarde wegens een te geringe verblijftijd in de bodem. Derhalve is het, wat chloride betreft, niet mogelijk een uitspraak over de bodemkwaliteitsklasse of veiligheidsklasse te doen. De chlorideconcentraties zijn hoger in de ondergrond van boring 007 en 008 dan (1) in de bovengrond van boring 007 en 008, en (2) in de grond bij boringen 006 en 009. Geconcludeerd kan worden dat de chlorideverontreiniging zich in de ondergrond van boring 007 en 008 bevindt, en horizontaal is afgeperkt richting boring 006 en 009. Voor het toepassen van grond en baggerspecie zijn in de Rbk 2022 geen normwaarden voor chloride opgenomen. Het ontbreken van een norm betekent niet dat het chloridegehalte geen criterium is bij de

27

beoordeling van het toepassen van grond of baggerspecie. Er moet namelijk wel rekening worden gehouden met de algemene en specifieke zorgplicht. Beide verontreinigingen zijn voor een groot deel ontstaan tussen 1987 en 1 januari 2024, waardoor het Overgangsrecht art. 13 Wbb van toepassing is. Dit geldt voor ‘nieuwe’ verontreinigingen of aantastingen van de bodem die vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt. Om de verontreinigingen te saneren dient een plan van aanpak (PvA) opgesteld te worden. De verantwoording voor de sanering ligt bij de veroorzaker c.q. perceeleigenaar. Dit zal als voorwaarde in de vergunning komen te staan. Voor de overige onderzochte stoffen zijn geen interventiewaarden overschreden. Hier is de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen/industrie’ van toepassing op basis van PFAS. Asbest Op het maaiveld en in de opgeboorde grond zijn zintuigelijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grond is analytisch (indicatief) geen asbest aangetoond. PFAS (Poly- en Perfluoralkylstoffen) Er is PFAS boven de rapportagegrens aangetoond. Op basis van het Handelingskader PFAS voldoen de gemeten gehalten aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen en Industrie voor hergebruik van de grond. Het gehalte aan PFAS overschrijdt de INEV-waarden van PFOS en PFOA niet. Grondwater De grondwaterstand was op 18 juli 2024 3,93 m -mv. De werkzaamheden reiken tot 1,80 m -mv.

en het grondwater (op een diepte van 3,93 m -mv.) wordt daarom niet bereikt. In het grondwater is ter plaatse van de bezink-/septic tank sprake van een overschrijding van de signaleringswaarde van chloride (pb02). Daarnaast wordt de (voormalige) streefwaarde van de zware metalen barium, cadmium en zink overschreden. In het grondwater ter plaatse van het verdeelstation (pb01) wordt de voormalige streefwaarde van chloride overschreden. Gezien de start van het rayonsteunpunt in 1985 zijn deze verontreinigingen vermoedelijk grotendeels ontstaan tussen 1987 en 1 januari 2024. Hierdoor is het Overgangsrecht art. 13 Wbb van toepassing, welke geldt voor ‘nieuwe’ verontreinigingen of aantastingen van de bodem die vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt (zorgplicht). Om de verontreinigingen te saneren dient een plan van aanpak (PvA) te worden opgesteld. De verantwoording voor de sanering ligt bij de veroorzaker c.q. perceeleigenaar. Voorlopige veiligheidsklasse In de onderstaande tabel is de voorlopige veiligheidsklasse weergegeven conform CROW-publicatie 400. De voorlopige veiligheidsklasse is gebaseerd op alle analyseresultaten van dit onderzoek.

28

Toetsing hypothese De vooraf opgestelde hypothese 'verdachte locatie' wordt formeel gezien aanvaard, vanwege de licht verhoogde concentraties aan chloride, barium, cadmium en zink in het grondwater, en de aangetoonde gehalten aan cyanide en chloride in boven- en ondergrond. Aanbevelingen De aangetoonde verontreinigingen met cyanide en chloride in bovengrond, ondergrond en grondwater zijn grotendeels ontstaan tussen 1987 en 1 januari 2024, aangezien de locatie sinds 1985 fungeert als rayonsteunpunt. Hierdoor is het Overgangsrecht art. 13 Wbb van toepassing, welke geldt voor ‘nieuwe’ verontreinigingen of aantastingen van de bodem die vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn veroorzaakt (zorgplicht). De verontreinigingen dienen gesaneerd te worden. Sanering Om de verontreinigingen te saneren dient een plan van aanpak (PvA) te worden opgesteld en ingediend bij het bevoegd gezag. De verantwoording voor de sanering ligt bij de veroorzaker c.q. perceeleigenaar. Aangezien tijdens de werkzaamheden het grondwater niet wordt bereikt, wordt geadviseerd om omtrent de grondwaterverontreiniging in overleg te gaan met het bevoegd gezag. Voor het grondwater is zorgplicht van toepassing, tijdens het overleg kunnen dan nadere afspraken worden gemaakt, hoe om te gaan met de grondwaterverontreiniging.

Mocht er tijdens de werkzaamheden grondwater worden onttrokken, dan dient er rekening gehouden te worden met de verontreiniging tijdens het lozen. Werkzaamheden verdeelstation De uit te voeren graafwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van het verdeelstation kunnen in samenloop met de sanering worden uitgevoerd. Mogelijk dient hiervoor een aparte melding te worden ingediend. E.e.a. dient te worden afgestemd met het bevoegd gezag Wbb/OW (Omgevingsdienst ZuidOost Brabant). Vanuit bodemhygiënisch oogpunt bevelen wij het volgende aan voor de uitvoering van de werkzaamheden: •

Conform CROW-publicatie 400 is voor de voorgenomen werkzaamheden het niveau van 'basishygiëne' van toepassing.

•

De werkzaamheden dienen wel te worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer (BRL SIKB 7000);

•

De werkzaamheden dienen wel te worden uitgevoerd onder milieukundige begeleiding (BRL SIKB 6000);

•

In het kader van de CROW-publicatie 400 is het niet noodzakelijk om een V&G-plan op te stellen (Basishygiëne);

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=60109997-a8d2-4aa6-b85f-7dbc88257b89