CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bestemmingsplan Grote Bos

Raadsvergadering 11 december 2023, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Grote Bos16.104 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Grote Bos, Geldrop

Gemeente Geldrop-Mierlo

Datum: 7 november 2023 Projectnummer: 210456 ID: NL.IMRO.1771.BPGroteBos-ON01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldende plannen Leeswijzer

3 3 4 6

2

Planbeschrijving

7

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

7 8

3

Beleid en regelgeving

13

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

13 17 22

4

Milieu- en omgevingsaspecten

24

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Stikstof Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Bezonningsstudie

24 25 26 28 29 31 34 38 40 41 44 44 47

5

Wijze van bestemmen

49

5.1 5.2

Algemeen Bestemmingsplan

49 50

6

Uitvoerbaarheid

52

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

52 52

Bijlagen Bijlage 1 – Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2 – Verkennend asbest- en bodemonderzoek Bijlage 3 – Wegverkeerslawaai Bijlage 4 – Industrielawaai Bijlage 5 – Waterparagraaf Bijlage 6 – Quick scan natuur Bijlage 7 – Bureauonderzoek archeologie Bijlage 8 – Verkennend archeologische onderzoek Bijlage 9 – Onderzoek Stikstofdepositie Bijlage 10 – Beoordeling IVO archeologie Bijlage 11 – PvE Proefsleuvenonderzoek Bijlage 12 – Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 13 – Maatregelen natuur-inclusief bouwen Bijlage 14 – Proefsleuven onderzoek Bijlage 15 – Rapportage omgevingsdialoog Bijlage 16 – Beeldkwaliteitsplan Bijlage 17 – Autoparkeernormen voor woonfuncties Bijlage 18 – Bezonningstudie Bijlage 19 – Parkeeronderzoek omgeving Strabrecht College Bijlage 20 – Nota van beantwoording zienswijzen

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op de locatie aan de Grote Bos te Geldrop was het Strabrecht College gevestigd. De voormalige schoolgebouwen zijn gesloopt en op de hoek van de Grote Bos en Dwarsstraat is een nieuw schoolgebouw gerealiseerd. De gemeente Geldrop is voornemens om de vrijgekomen locatie in te richten als woongebied waarbij de woningen worden gerealiseerd in de vorm van een appartementencomplex. Om de wensen te kunnen realiseren dient een separate bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen. Middels deze procedure zal een nieuw bestemmingsplan opgesteld worden voor de locatie. Onderhavig document betreft de toelichting bij dit bestemmingsplan.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen in het oosten van de kern Geldrop in de gemeente GeldropMierlo. Het plangebied is aan de noordelijke en oostelijke zijde gelegen aan de Grote Bos. Aan de zuidzijde grenst het gebied aan het zorggebouw van de Stichting St. Anna Zorggroep en aan de westelijke zijde is het nieuwe schoolgebouw van het Strabrecht College gerealiseerd. Kadastraal gezien maakt het plangebied deel uit van het kadastrale perceel Geldrop, sectie F en nummer 2624. De oppervlakte van het plangebied is circa 11.770 m2. In navolgende afbeelding is het plangebied met een rode ster weergegeven binnen de kern Geldrop.

Planlocatie, weergegeven met de rode ster, binnen de kern Geldrop (bron: pdok.viewer)

3

In de navolgende afbeelding is het plangebied weergegeven met het rode kader.

Globale begrenzing plangebied weergegeven met het rode kader (bron: pdok.viewer)

1.3

Geldende plannen Op dit moment gelden voor het plangebied de bestemmingsplannen ‘Woongebieden Zuid Oost Geldrop’, ‘Inbreidingslocaties’, ‘Parapluplan Parkeren Geldrop-Mierlo’ en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Geldrop-Mierlo’.

1.3.1

Bestemmingsplan ‘Woongebieden Zuid Oost Geldrop’ Het bestemmingsplan ‘Woongebieden Zuid Oost Geldrop’ is op 3 maart 2008 vastgesteld door de gemeenteraad van Geldrop-Mierlo. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming ‘Maatschappelijke doeleinden’. Dit geldt voor het meest westelijke gedeelte van het plangebied. Het overige gedeelte valt onder bestemmingsplan ‘Inbreidingslocaties’ dat in de volgende paragraaf behandeld wordt. Het plangebied is bestemd voor educatieve voorzieningen, sociaal-medische voorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen, levensbeschouwelijke en religieuze voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening. Met daaraan ondergeschikt voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Binnen de bestemming is het niet mogelijk om als hoofdfunctie woningbouw te realiseren. Om voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken is daarom een herziening van het bestemmingsplan nodig.

4

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan ‘Woongebieden Zuid Oost Geldrop’ met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron:ruimtelijkeplannen.nl

1.3.2

Bestemmingsplan ‘Inbreidingslocaties’ Het bestemmingsplan ‘Inbreidingslocaties’ is op 14 december 2015 vastgesteld door de gemeenteraad van Geldrop-Mierlo. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming ‘Gemengd - Uit te werken 1’, deels de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ en deels ‘Waarde - Archeologie 3’ en wordt een maatvoering gehanteerd met een maximum aantal wooneenheden van 8. Het plangebied is bestemd voor onderwijsvoorzieningen, educatieve voorzieningen, sociaal-medische voorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en wonen. Met de daarbij horende tuinen en erven, wegen, straten en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen en nutsvoorzieningen. Echter geldt wel dat het maximaal aantal woningen per bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan is aangegeven op de verbeelding ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden'. Voor onderhavig plangebied geldt er zodoende dat er maximaal 8 wooneenheden gebouwd mogen worden. Met onderhavig plan worden maximaal 73 woningen in de vorm van appartementen gerealiseerd. Om voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken is daarom een herziening van het bestemmingsplan nodig.

5

Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan ‘Inbreidingslocaties’ met globale aanduiding plangebied (rode lijn), bron:ruimtelijkeplannen.nl

1.3.3

Overige bestemmingsplannen Naast de bestemmingsplannen die bovenstaand specifiek zijn benoemd, gelden binnen het plangebied de bestemmingsplannen ‘Parapluplan Parkeren Geldrop-Mierlo’, vastgesteld op 17 juni 2019 en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Geldrop-Mierlo’, vastgesteld op 2 maart 2020. De regelingen die van toepassing zijn op onderhavig initiatief worden overgenomen in dit bestemmingsplan.

1.4

Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6).

6

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie De planlocatie maakt onderdeel uit van een groter studiegebied waar verschillende ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden of al plaats gevonden hebben. In navolgende afbeelding is het grotere studiegebied weergegeven waar in de noordwestelijke hoek de nieuwbouw van het Strabrecht College is te zien en in de noordoostelijke hoek het oude Strabrecht College wat inmiddels gesloopt is.

Met geel omkaderd is het grotere studiegebied weergegeven, met het rode kader is onderhavige plangebied weergegeven.

Het terrein ligt nu deels braak en is gedeeltelijk in het noorden en zuiden in gebruik als parkeerplaats. De noordzijde van het terrein wordt gebruikt als parkeerplaats ten behoeve van het Strabrecht College en het zuidelijk gedeelte wordt gebruikt als parkeerplaats van het verschillende bouwverkeer dat binnen het grotere studiegebied aanwezig is. Beide parkeerplaatsen zijn voorzien van een puinverharding.

Aanzicht vanaf de oostelijke kant richting de nieuwbouw van het Strabrecht College (bron: google.streetview)

7

2.2

Toekomstige situatie Onderhavig bestemmingsplan richt zich op het noordoostelijke deel van het grotere studiegebied. Hier heeft het betrekking op de realisatie van woningbouw in de vorm van appartementen en het realiseren van parkeervoorzieningen. Om een beeld te schetsen van het groter geheel wordt navolgend eerst de toekomstige situatie van het grotere studiegebied nader toegelicht om vervolgens de toekomstige situatie van het daadwerkelijke plangebied te beschrijven.

2.2.1

Grotere studiegebied Voor het grotere studiegebied is de gebiedsvisie Grote Bos opgesteld. Binnen het studiegebied is er sprake van de nieuwbouw van het Strabrecht College, de verplaatsing van de gymzalen, de nieuwbouw van Woonzorgcentrum St. Anna en de nieuwe woningbouwontwikkeling. Naast de bouwlocaties is er sprake van realisatie van parkeervoorzieningen en tussen de nieuwbouwlocaties in is er sprake van een groene openbare ruimte welke een verbinding vormt tussen de locaties. In navolgende afbeelding is een integrale gebiedsvisie weergegeven. De volgende onderdelen zijn genummerd: 1. Nieuwbouw Strabrecht College (gerealiseerd) 2. Nieuwe woningbouwontwikkeling (onderhavig plan – planvorming) 3. Nieuwbouw Woonzorgcentrum St. Anna (in gebruik name juni 2023) 4. Nieuwe locatie gymzalen (wens van het Strabrecht College, hier dient nog over besloten te worden door de gemeenteraad) 5. Groene openbare ruimte (afhankelijk van plaatsing gymzalen) 6. Parkeerplaatsen (oplevering juni 2023)

Visiekaart Integrale gebiedsvisie Grote Bos Geldrop

8

2.2.2

Het plangebied Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan richt zich op de nieuwe woningbouwontwikkeling en de parkeervoorziening ten zuiden van de woningbouwlocatie. In navolgende afbeelding is verder ingezoomd binnen de gebiedsvisie Grote Bos en is met het rode kader het plangebied weergegeven.

Uitsnede gebiedsvisie Grote Bos, plangebied is rood omkaderd.

Het appartementencomplex wordt gerealiseerd langs de bestaande voorgevelrooilijnen en er wordt met de hoek in de straat Grote Bos meegebouwd. Het appartementencomplex wordt omsloten door groene ruimte, waarbij wordt aangesloten bij het groene openbare gebied tussen de diverse nieuwbouwlocaties in van het grotere studiegebied. Binnen de groene ruimte is ruim voldoende plaats voor de opvang en infiltratie van hemelwater. Tevens worden bij de bouw van het appartementencomplex natuur inclusieve maatregelen genomen welke verder zijn toegelicht in de bijlagen 1. Er is sprake van drie bouwlagen met een terugliggende vierde bouwlaag. Totaal worden er maximaal 73 woningen gerealiseerd waarvan 30% tot het sociale segment behoren. Er worden 145 parkeerplaatsen gerealiseerd welke ten behoeve van de appartementen zijn, maar ook door het Strabrecht College zullen worden gebruikt.

1

Stabrecht. Natuur Inclusieve Maatregelen Grote Bos, Geldrop. 9-1-2023. 9

Woningbouwmodel met drie bouwlagen en een terugliggende vierde bouwlaag.

10

2.2.3

Beeldkwaliteit appartementencomplex Grote Bos Voor de realisatie van het appartementencomplex is een beeldkwaliteitsplan 2 opgesteld, waarin aandacht is besteed aan de opbouw en beeldkwaliteit van de bestaande leefomgeving. Hieruit is gebleken dat de ruimtelijke opbouw van de omgeving rondom het plangebied zeer divers is. Aan alle zijden van het plangebied grenzen gebieden met een afwijkende opbouw en een ander uiterlijk, bestaande uit een mix van rijwoningen, tweekappers, vrijstaande woningen en zorggerichte gebouwcomplexen. Het uiterlijk van de woningen en gebouwen wisselt, zowel klassieke als moderne gebouwen zijn vertegenwoordigd. Er is gekozen voor een stedenbouwkundig concept, dat in beginsel ‘haak- of L-vormig’ is, bestaande uit twee afzonderlijke volumes, zoals is weergegeven in de onderstaande afbeelding.

Stedenbouwkundig concept

De stedenbouwkundige structuur sluit aan op de ruimtelijke lay-out van de omgeving (specifiek op de straat Grote Bos) en voor het grotere, totale plangebied op de opbouw van de gebiedsvisie. De bebouwing is dus aan twee zijden (noord- en oostzijde) naar buiten gericht. Aan de zuid- en westzijde wijkt de oriëntatie af, omdat hier wordt aangesloten op de zogenaamde ‘groene long’, te weten de verbindende groene ruimte, centraal gelegen in het grotere plangebied, zoals deze in de gebiedsvisie is opgenomen.

2

Beeldkwaliteitsplan appartementencomplex Grote Bos, Geldrop. Versie 2, 13-02-2023. 11

Stedenbouwkundige hoofdopzet

Het beeldkwaliteitsplan gaat verder in op de ontwerp – en toetsingscriteria ten behoeve van de stedenbouw en architectuur waarin aandacht is besteed aan de structuur, de situering en oriëntatie, de hiërarchie, de massa en vorm, de bebouwingscategorieen en de karakteristiek en sfeer. Binnen het ontwerp en de vormgeving is aandacht besteed aan hoofdvolumes, geleding, kapvorm en kaprichting, gevelopbouw, verbijzonderingen, bijgebouwen, kleur- en materiaalgebruik, detaillering, individuele scheidingen openbaar-privé en groene daken. Ook zijn er uitgangspunten opgesteld voor de beeldkwaliteit van de buitenruimte. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd aan de bijlagen.

12

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een appartementencomplex met plaats voor maximaal 73 appartementen. Het oude schoolgebouw is gesloopt en de vrijgekomen ruimte wordt herontwikkeld naar een aantrekkelijk appartementencomplex. Klimaatadaptatie is een belangrijk thema bij de uitwerking van het terrein. In het aangrenzende terrein is rekening gehouden in de indeling om klimaatadaptief te kunnen bouwen. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in lijn met de doelstellingen van de NOVI.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. 13

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het gestelde in de SVIR en het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Voorliggend bestemmingsplan biedt ruimte aan de realisatie van in totaal maximaal 73 woningen in het plangebied. Vanuit het geldende bestemmingsplan ‘Inbreidingslocaties’ zijn binnen de bestemming ‘Gemengd - Uit te werken 1’ 8 wooneenheden toegestaan.

Om de behoefte van de ontwikkeling aan te tonen is getoetst aan de Ladder van duurzame verstedelijking, het rapport 3 is opgenomen in de bijlage. In deze rapportage is nog uitgegaan van maximaal 75 woningen, dit is ondertussen terug gebracht naar 73 woningen. Deze bijstelling heeft echter geen gevolgen voor de conclusies. Verzorgingsgebied Het plangebied ligt in de gemeente Geldrop-Mierlo binnen de RRO-regio Stedelijk Gebied Eindhoven, waarbinnen (woningbouw)afspraken zijn gemaakt in het ‘Afsprakenkader Wonen SGE 2022’. Ook is er op gemeentelijk niveau aandacht geweest voor wonen in de Woonvisie Geldrop-Mierlo 2020-2028.

3

SAB. Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Grote Bos, Geldrop. 210456, 12-8-2022. 14

De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende regio of gemeente. Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Geldrop-Mierlo worden geanalyseerd, blijkt uit de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat ongeveer 43% van alle gevestigde personen in Geldrop-Mierlo uit de gemeente zelf afkomstig is. Daarnaast zijn in eerste instantie vooral verhuisrelaties met de gemeente Eindhoven en Helmond. Navolgende tabel laat de meest relevante verhuisbewegingen naar de gemeente Geldrop-Mierlo vanuit andere gemeenten zien. Gelet op de aard van de omvang van het plan wordt de gemeente Geldrop-Mierlo, Eindhoven en Helmond als marktgebied gehanteerd voor deze toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Gemeente

Aantal

Aandeel

Eindhoven

833

41,7%

Helmond

345

17,3%

Nuenen, Gerwen en Nederwetten

89

4,4%

Heeze-Leende

77

3,9%

Veldhoven

34

1,7%

Someren

33

1,6%

Elders

588

29,4%

Totaal

1.999

100%

Verhuisbewegingen naar Geldrop-Mierlo naar herkomst in 2020 (Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek).

Behoefte Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Kwantitatieve behoefte De gemeente Geldrop-Mierlo laat een toename van het aantal huishoudens zien. Tot 2030 stijgt het aantal huishoudens met 5,4% naar 18.640 huishoudens. Ook in regio Stedelijk gebied Eindhoven stijgt het aantal huishoudens met 11,7%, in de totale regio stijgt het met 9,7%. Op basis van de provinciale woningbehoefte geldt een raming van de kwantitatieve behoefte in de gemeente Geldrop-Mierlo van 1.380 woningen. In de regio Stedelijk gebied Eindhoven is er behoefte aan 32.080 woningen, in de totale regio zijn dat er 40.765. Binnen de gemeente Geldrop-Mierlo is er een harde plancapaciteit van 1.605 woningen. Binnen de regio Stedelijk gebied Eindhoven wordt echter ingezet op een plancapaciteit van 120% ten opzichte van de totale woningbouwopgave. Wanneer de harde plancapaciteit wordt afgezet tegen de woningbehoefte blijkt deze op 116% uit te komen, er is zodoende ruimte om zachte plancapaciteit om te zetten naar harde plancapaciteit. In de regio Stedelijk gebied Eindhoven vormt de harde plancapaciteit slechts 64% van de woningbehoefte, in de gehele regio vormt de harde plancapaciteit slechts

15

61%. Met de toevoeging van maximaal 75 woningen blijft de harde plancapaciteit onder het beleidsmatige streven. Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Geldrop-Mierlo en de regio en het feit dat de (harde) plancapaciteit in de regio onvoldoende is om te kunnen voorzien in de kwantitatieve woonbehoefte, maakt dat wordt geconcludeerd dat het plan past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. Kwalitatieve behoefte Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. De gemeente Geldrop-Mierlo krijgt richting 2040 te maken met ontgroening en vergrijzing, aangezien de leeftijdsgroepen tot 65 jaar richting 2040 minder vertegenwoordigd zullen zijn. Het aandeel 65-plussers zal in dezelfde periode sterk toenemen. Ook krijgt de gemeente te maken met een toename van eenpersoons- en eenouderhuishoudens. De categorie samenwonende zowel met als zonder kinderen neemt af. Zowel de regionale als de gemeentelijke woningbehoefte laten zien dat er meer vraag is naar (levensloopbestendige) appartementen. Het aandeel oudere en eenpersoonshuishoudens zal de komende jaren toenemen waardoor behoefte is aan dit type woonruimte. Bestaande stedelijk gebied Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Geldrop.

De locatie was voorheen in gebruik door het Strabrecht College, het schoolgebouw is echter recent gesloopt en op het naastgelegen perceel herbouwd. Feitelijk gezien liggen de gronden braak en zijn gedeeltelijk in gebruik als parkeerterrein. Dit tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied met de geldende bestemming ‘Woondoeleinden’ en de ter plaatse geldende bestemmingen ‘Gemengd - Uit te werken’ en ‘Maatschappelijke doeleinden’, wordt geconcludeerd dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Bovendien kan gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de beoogde ontwikkeling gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkelingen op deze locatie passend is. De omgeving kenmerkt zich door een menging van functies maatschappelijk (zorg en onderwijs) en wonen. Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat de beoogde ontwikkeling is voorzien op een passende locatie binnen bestaand stedelijk gebied. Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. Het plan voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt het plan als haalbaar geacht voor wat de betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.

16

3.1.4

Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Brabantse Omgevingsvisie: De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De visie beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. Voor deze opgaven wordt aangegeven wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsvisie de provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu- en waterplan en de natuurvisie vervangen. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten, als een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Om deze basisopgave te verwezenlijken zijn er vier hoofdopgaven gesteld: Werken aan de Brabantse energietransitie Door de grote invloed van klimaatverandering nu, en in de toekomst werkt de provincie aan een energietransitie met als einddoel om in 2050 100% duurzame energie op te wekken. Door aan te sluiten bij de Nationale Energieagenda wordt het landelijk beleid gevolgd. Vervolgens wordt een heldere koers opgesteld met regio en gemeentes. Participatie zal een essentieel onderdeel vormen voor verdere planvorming. Werken aan een ‘klimaatproof’ Brabant Door de alsmaar groter wordende impact van klimaatverandering op ons dagelijks leven dient Brabant hier maatregelen voor te nemen. Er zal een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting worden ontwikkeld. Dit houdt in dat het beeklandschap wordt aangepast om wateroverlast te voorkomen. Om schade aan de landbouwsector te voorkomen wordt innovatie van deze sector, om in te spelen op klimaatverandering, 17

gestimuleerd. Het einddoel is dat Brabant in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Werken aan de slimme netwerkstad Duurzame verstedelijking draagt bij aan de ontwikkeling van steden die voorbereid zijn op de toekomst. Steden worden beter met elkaar verbonden. Mensen moeten zich makkelijker kunnen verplaatsen. Ook wordt de bereikbaarheid van nabije voorzieningen gestimuleerd. Hierdoor wordt het aantal verkeersbewegingen met de auto teruggedrongen en wordt deze van de fiets bijvoorbeeld gestimuleerd. Ondertussen wordt de mobiliteit gestimuleerd door het openbaar vervoer toekomstbestendig te maken, wordt innovatie van zelfrijdende auto’s gestimuleerd en wordt de mobiliteit van bedrijven vergroot. Met als doel: dat in 2050 het stedelijk netwerk van Brabant als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen functioneert, als onderdeel van de Noordwest- Europese metropool. Werken aan een concurrerende, duurzame economie Een concurrerende, duurzame economie bestaat uit verschillende onderdelen. Het stimuleren van een circulaire economie zorgt voor een toekomstbestendige economie. Innovatie wordt hierdoor gestimuleerd en de productencyclus wordt efficiënter. Hiernaast is een verdergaande digitalisering een ontwikkeling die moet worden gestimuleerd en waaruit vele voordelen kunnen worden gehaald.

Het kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van bedrijven in de provincie waarmee het vestigingsklimaat wordt gestimuleerd. Met al deze ontwikkelingen dient echter de sociale impact altijd in ogenschouw te worden genomen. Door het benadrukken van de sociale impact van al deze veranderingen worden de inwoners van Brabant betrokken en zullen zij uiteindelijk het meest profijt van de ontwikkelingen hebben. Met als einddoel: in 2050 is Brabant de top kennis- en innovatieregio in Europa. Toetsing De Brabantse Omgevingsvisie legt een grote focus op duurzaamheid en klimaat. Voorliggend plan voorziet in appartementen die aan de huidige (BENG-)normen voldoen. Daarnaast wordt bij de inrichting van het plangebied veel ruimte besteed aan groen. Dit zorgt voor een waterrobuust plan. 3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (16 november 2021) is een uitvoeringsinstrument voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De onderwerpen die in de Interim omgevingsverordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale be-

18

leid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking. Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren. In de Interim omgevingsverordening wordt aandacht gevraagd voor de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking zoals deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Daarnaast zijn in relatie tot het principe 'meer aandacht voor de onderste lagen' ook water en archeologie van belang. In hoofdstuk 4 wordt aan deze aspecten aandacht besteed. Toetsing Het plangebied is gelegen in het gebied ‘Verbod uitbreiding veehouderij’, ‘Stalderingsgebied’, ‘Stedelijk gebied’, ‘Concentratiegebied’ en ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Met de realisatie van het appartementencomplex is er geen sprake van een ontwikkeling welke van toepassing is op ‘Verbod uitbreiding veehouderij’ en ‘Stalderingsgebied’, zodoende wordt navolgend enkel ‘Stedelijk gebied’, ‘Concentratiegebied’ en ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’ getoetst.

Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden en geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie. Daarnaast houdt het rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water, geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit en draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Onderhavige locatie voor wonen is gelegen in stedelijk gebied en onderhavige toelichting voorziet in de onderbouwing dat er sprake is van een duurzame ontwikkeling. Artikel 5.18 Prognoses Gedeputeerde Staten stellen in overleg met de regio's ten minste eens per bestuursperiode relevante prognoses en analyses op, zoals in ieder geval een bevolkings- en woningbehoefteprognose, die richting gevend zijn voor de gezamenlijk te maken afspraken.

De prognoses en analyses houden rekening met het principe van concentratie van verstedelijking. In paragraaf 3.1.3 heeft reeds een toetsing plaatsgevonden met het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

19

Artikel 4.2 Norm wateroverlast Stedelijk gebied Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor het doeleinde bebouwing. De norm betreft een inspanningsverplichting. In paragraaf 4.7 is de verantwoording voor het aspect water opgenomen. 3.2.3

Brainport principes De SGE-gemeenten werken met de Brainport Principes: kwalitatieve uitgangspunten die ervoor moeten zorgen dat het woonklimaat in de regio wordt versterkt. In plaats van met elkaar te concurreren, werken de 9 gemeenten samen om het kwaliteitsniveau van de nieuwbouwwoningen zo hoog mogelijk te leggen. Er zijn 7 Brainport Principes: 1. Koesteren van identiteit; 2. Ruimte voor innovatie; 3. Vraaggericht ontwikkelen; 4. Invloed voor bewoners; 5. Aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus, de wauw-factor; 6. Benutting regionaal schaalniveau; 7. Gezonde verstedelijking. Bovenstaande principes worden gekenmerkt door het extra besteden van aandacht aan het thema gezonde verstedelijking. Dit aandachtspunt is ook bepalend geweest voor de ontwikkeling van het gebied Grote Bos. De meeste punten uit de “Brainport Principes” zijn bekend en heel specifiek, maar ze vormen een kader om plannen in de breedte te toetsen en om te komen tot kwaliteit van woongebieden. Toetsing Identiteit voor de woonomgeving De gemeente Geldrop-Mierlo is een fraaie groene woongemeente in het Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE). Geldrop en Mierlo zijn verweven in het stedelijk netwerk van Eindhoven en Helmond. Enkele groene en agrarische gebieden zorgen voor een ruimtelijke scheiding. Bewoners willen zich met de woonomgeving identificeren, dus van een combinatie van voorgaande elementen.

Dit plan toont een combinatie van een groene omgeving en alle voorzieningen in de nabijheid (in eigen gemeente of nabijgelegen stad): een kruispunt van stedelijkheid en groene rust. Thuis en gastvrij. De directe nabijheid van het Strabrechtcollege en Sint Anna zorggroep zorgt voor een bijzondere woonomgeving. Het plan zorgt voor versterking van de op de locatie aanwezige kwaliteiten. Ruimte voor innovatie Het vooroplopen in techniek van de hele Brainportregio hoort een uitwerking te krijgen in de gebouwde omgeving. Het plan omarmt nieuwe gebouwtechnieken om te komen tot een beter woonklimaat: gezond wonen. Ook aan de minder technologische kant zijn duurzame elementen in het plan te vinden, namelijk natuur-inclusief bouwen, waterberging en natuur-inclusieve buitenruimte.

20

Vraaggericht ontwikkelen De gebruiker van de woningen staat centraal. De woning moet zodoende passen bij de vraag, het gaat hierbij over de omvang van de woning, woningtypologieën, flexibiliteit, doelgroepen en de betaalbaarheid. Deze aspecten zijn reeds behandeld in de laddertoets voor duurzame verstedelijking in paragraaf 3.1.3. Invloed voor bewoners Ter voorbereiding van het doorlopen van onderhavige procedure vindt de gemeente Geldrop-Mierlo het belangrijk om de plannen eerst te delen met de omwonende en hun reacties indien mogelijk mee te nemen in verdere uitwerking van de plannen. Dit is gebeurd tijdens een omgevingsdialoog welke is gehouden op 17 mei 2022. Er is een rapportage opgesteld van het omgevingsdialoog en hier wordt in paragraaf 6.2.2 verder op ingegaan. Aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus, de wauw-factor De woonomgeving heeft een publieke/ openbare ruimte die faciliteert, adaptief is en maat heeft. De publieke ruimte stimuleert of maakt eigenaarschap/ ondernemerschap mogelijk, biedt ruimte voor ontmoeting, rust en ruimte. De woonomgeving moet een sfeer hebben die aanspreekt en moet identiteit en gevoel uitstralen. Dit vraagt om een samenhangende beeldkwaliteit, aantrekkelijke woonmilieus, bij de doelgroep of bewoners passende voorzieningen. Voor onderhavig plan is de na te streven beeldkwaliteit gedetailleerd in beeld gebracht.

In paragraaf 2.2.3 is dit onderdeel reeds beschreven. Benutting regionaal schaalniveau Wonen in het Stedelijk Gebied Eindhoven betekent het combineren van de functies stad en dorp. Zodoende wordt er gedacht over voorzieningen niveau van de stad en de regio en niet op niveau van de wijk. Het onderhavig plangebied is goed bereikbaar met eigen- en openbaar vervoer. Zo kan er goed gebruik gemaakt worden van de diverse voorzieningen binnen Geldrop en de regio. Gezonde verstedelijking Een gezonde leefomgeving is voorwaardelijk om fijn te kunnen wonen. Onderhavig woongebied wordt duurzaam ingericht met een omgeving waarin gezondheid wordt beschermd, wordt bevorderd, en waarvoor gezondheid en welzijn duurzame uitgangswaarden zijn. In het eerder behandelde beeldkwaliteitsplan is veel ruimte voor groen en opvang van hemelwater in en rond het plangebied. Dit zorgt voor een omgeving waar hittestress wordt tegengegaan en waar hemelwater wordt vastgehouden wat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. 3.2.4

Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het provinciaal beleid.

21

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Geldrop-Mierlo Op 6 februari 2023 is de Omgevingsvisie Geldrop-Mierlo vastgesteld. De gemeente Geldrop-Mierlo wil naar duurzame groene sociale woongebieden. De ambities voor de toekomst zijn: − Woonwijken creëren waar inwoners op lange termijn prettig kunnen (blijven) wonen in een passende woning. − Energieneutraal in 2040. − Woonwijken die aangepast zijn aan het klimaat en stimuleren tot gezond gedrag. − Spreiden van groepen met sociaal economische problemen. Bij deze ambities zijn de volgende doelen gesteld: − Het realiseren van een groene dooradering van de wijken en het nemen van andere klimaatbestendige maatregelen tegen wateroverlast en hitte. − Het vernieuwen, transformeren en verduurzamen van het woningaanbod. − De fiets vooropzetten in de wijken. − Ruimte maken voor kansrijke ontmoetingsplekken. − Basisvoorzieningen op bereikbare afstand houden. Toetsing Met onderhavig plan worden nieuwe duurzame appartementen gerealiseerd. Het appartementencomplex maakt onderdeel uit van het grotere studiegebied ‘Grote Bos’. Binnen dit studiegebied is er veel ruimte voor groen en waterberging welke tussen de verschillende bouwvolumes is gelegen. Het groen en de waterberging zijn klimaatbestendige maatregelen tegen wateroverlast en hitte.

Hoewel er alle ruimte is om de fiets centraal te zetten met onderhavige ontwikkeling zal er toch voldoende parkeergelegenheid worden gerealiseerd. De parkeergelegenheid zal ook gebruikt worden door het Strabrechtcollege. De groene ruimte tussen de bebouwing is openbaar, waardoor hier ruimte is voor ontmoetingsplekken. De locatie is op bereikbare afstand van de basisvoorzieningen.

3.3.2

Woonvisie Geldrop-Mierlo 2020-2028 De Woonvisie Geldrop-Mierlo 2020-2028 is opgesteld op 26 augustus 2019 en heeft de ondertitel ‘Geldrop-Mierlo is niet zomaar een plek, het is ons thuis’. De Woonvisie bestaat uit 2 hoofddelen. In Deel A worden de belangrijkste ontwikkelingen en trends die het thema ‘wonen’ sterk beïnvloeden omschreven en waar in de toekomst verder rekening mee gehouden moet worden. Ook wordt er stilgestaan bij de kwantitatieve en kwalitatieve kenmerken van de woningmarkt in Geldrop-Mierlo en de dynamiek die daarbij speelt. Het wordt afgesloten met een overzicht van de belangrijkste bevindingen en conclusies. In Deel B worden de conclusies vertaald naar de nieuwe ambities en beleidskaders. Daarbij wordt stilgestaan bij de regionale afspraken en ambities. Tot slot wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste aandachtsgebieden c.q. speerpunten voor de komende jaren en actielijnen die in samenspraak met diverse partners verder geconcretiseerd, uitgewerkt en uitgevoerd dienen te worden ter realisatie van de Woonvisie. 22

De volgende hoofdlijnen zijn opgesteld: − Beperkt ruimte bovenop bestaande woningbouwplannen. − Sociale woningvoorraad: transformatie boven uitbreiding. − Aandacht voor doorstroming. − Aanpassing van het appartementenbeleid. − Inzet op levensloopbestendigheid en verduurzaming. − Meer ruimte voor vernieuwede concepten. − Beschermd wonen en maatschappelijke opvang. − Aanpak huisvestingsvraagstuk arbeidsmigranten op regionaal niveau. − Nieuw woonwagenbeleid. − Vitale kernen en wijken. Toetsing De toetsing aan de woonvisie is reeds behandeld in de ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 3.1.3. 3.3.3

Conclusie Voorliggend plan is niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

23

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing In de vormvrije m.e.r.-beoordeling4 is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van maximaal 73 woningen in de vorm van een appartementencomplex nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. In diverse rapporten is nog uitgegaan van maximaal 75 woningen, dit is ondertussen terug gebracht naar 73 woningen. Deze bijstelling heeft echter geen gevolgen voor de conclusies aangezien het in mindering brengen van 2 woningen geen nadelige milieueffecten veroorzaakt. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid wegverkeerslawaai

Geluid industrielawaai

4

Beoordeling milieueffecten Het uitgevoerde stikstofonderzoek wijst uit dat significant negatieve effecten op Natura 2000 -gebieden niet aan de orde zijn. Hiermee worden geen negatieve milieueffecten verwacht. Het uitgevoerde natuuronderzoek wijst uit dat wat betreft de beschermde soorten geen negatieve effecten worden verwacht. Hiermee worden geen negatieve milieueffecten verwacht. De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking zonder te verwachten afwikkelingsproblemen op de bestaande infrastructuur. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht. Voorliggend plan omvat nieuwe geluidsgevoelige functies. De geluidstoename is minder dan 1,5 dB. Op grond van de Wet geluidhinder is geen akoestisch onderzoek nodig. Van een negatief milieueffect voor dit aspect is hierdoor geen sprake Er wordt voldaan aan de grenswaarde van de in het Activiteitenbesluit gestelde beoordelingsniveaus. Tevens wordt er voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) en het maximale geluidsniveau (Lamax) voldaan aan de richtlijnen van stap 2 van de VNG-publicatie. Er zijn geen overschrijdingen op de omgeving van de voorkeurs-

SAB. Vormvrije m.e.r.-beoordeling, Grote Bos, Geldrop. 210456, 4-4-2023. 24

Lucht

Archeologie

grenswaarde vanwege indirecte hinder (Lih) uit de Schrikkelcirculaire. Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Het plan draagt ‘Niet in Betekenende Mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied naar verwachting archeologische resten bedreigd worden. Dat betekend dat een kartering en waardering moet worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. De werkwijze van het onderzoek is vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed gekeurd Programma van Eisen (PvE). Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen relevante archeologische resten aangetroffen. Het plangebied is vrijgegeven en er wordt geen archeologische dubbelbestemming opgenomen.

De uitkomst van de in de vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.(beoordelings-) procedure is niet nodig.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Vanwege de realisatie van gevoelige objecten in de vorm van een appartementencomplex is er een bodemonderzoek 5 conform de NEN 5740 en NEN 5897 uitgevoerd. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 9.500 m2, het ligt braak en bestaat gedeeltelijk uit een verhardingslaag welke in gebruik is als parkeergelegenheid. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: − de bodem op de locatie bestaat ter plaatse van de verhardingslaag uit volledig puingranulaat;

5

De Klinker. Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek, Grote Bos 2 Geldrop. K2220146V2, 7 september 2022 25

− ter plaatse van het overige terrein zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen; − in zowel de boven- als de ondergrond ter plaatse van parkeerplaats / fietsenstalling én het overige terrein zijn geen verhoogde gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarde; − in het grondwater zijn verhoogde gehalten barium, cadmium, zink en naftaleen aangetoond boven de streefwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetoond boven de streefwaarde; − de puin is licht asbesthoudend, maar overschrijdt de waarde voor nader onderzoek niet; − de hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Het terrein is volgens het onderzoeksbureau op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Bij werkzaamheden met de puinverharding dient men alert te zijn op het sporadisch voorkomen van asbest op het maaiveld. Ter plaatse van het parkeerterrein is een puinverharding met gecertificeerd puin aangebracht. Ook in gecertificeerd puin kan sporadisch een kleine hoeveelheid asbest voorkomen. Aangenomen mag worden dat de gehalten asbest de nor van 100 mg/kg niet benaderen of overschrijden. De resultaten van dit onderzoek bevestigen dit. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk).

De conclusies hebben uitsluitend betrekking op de geselecteerde deellocaties en de geanalyseerde componenten. Gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere gevoelige functies mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn formeel uitgesloten van akoestisch onderzoek. Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 73 woningen in de vorm van een appartementencomplex. In het kader van de te doorlopen juridisch-

26

planologische procedure is onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai6. De volgende afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel.

Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van het bouwvlak, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Dwarsstraat Er vinden geen overschrijdingen plaats vanwege de gezoneerde Dwarsstraat, of de Dwarsstraat in totaliteit. Vanwege deze weg kan worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening en de Wgh. Omliggende 30 km/uur wegen Als gevolg van de omliggende 30 km/uur wegen vinden er geen overschrijdingen plaats van de (gehanteerde) voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Vanwege deze wegen kan worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Daar er geen overschrijdingen worden geconstateerd vormt het aspect Wegverkeerslawaai geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

6

SAB. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Grote Bos, Geldrop. 210456, 12 augustus 2022. 27

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen

28

zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2021 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM2,5 concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

2021 10 – 15 µg/m3 16 – 18 µg/m3 10 – 12 µg/m3

2030 10 – 15 µg/m3 14 – 16 µg/m3 6 – 8 µg/m3

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het

29

buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Geldrop. De omgeving bestaat voornamelijk uit woongebied. Ten zuiden van het plangebied is Woonzorgcentrum St. Anna gelegen en aan de westkant is het nieuwe gebouw van het Strabrecht College gerealiseerd. Aangezien het Strabrecht College en het Woonzorgcentrum de enige functies zijn met een richtafstand wordt het gebied aangeduid als ‘rustige woonwijk’. De aanwezige bedrijvigheid met de bijhorende richtafstand is in de navolgende tabel opgenomen, ook is de werkelijke afstand van de bedrijvigheid tot het appartementencomplex weergegeven. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Middelbare school

Grote Bos 2

Woonzorgcentrum

Grote Bos 6

Scholen voor algemeen voortgezet onderwijs Verpleeghuis

Grootste richtafstand (m) 30 (geluid)

Gemeten afstand (m) ± 25

30 (geluid)

± 40

Nabij het plangebied zijn enkel functies gelegen welke onder milieucategorie 2 vallen, waarbij de grootste richtafstand 30 meter bedraagt. De kortste afstand van het appartementencomplex tot de naast gelegen middelbare school is 25 meter. Daarmee wordt niet aan de richtafstanden voldaan en wordt de middelbare school mogelijk beperkt door de voorgenomen ontwikkeling. Om de mogelijke hinder te bepalen is een onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Met de onderhavige ontwikkeling wordt geen hinder veroorzakende activiteit mogelijk gemaakt. Zodoende is er geen sprake van belemmering van omliggende gevoelige functies. Akoestisch onderzoek industrielawaai Met onderhavig plan worden maximaal 73 woningen in de vorm van appartementen gerealiseerd. Ten behoeve van de ruimtelijke procedure is een onderzoek naar inrichtingslawaai uitgevoerd7, vanwege de realisatie van geluidgevoelige objecten (woningen) nabij het Strabrechtcollege. Uit dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Er wordt voldaan aan de grenswaarde van de in het Activiteitenbesluit gestelde beoordelingsniveaus.

7

SAB. Akoestisch onderzoek Industrielawaai, Grote Bos te Geldrop. 210456, 17-11-2022. 30

Tevens wordt er voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) en het maximale geluidsniveau (Lamax) voldaan aan de richtlijnen van stap 2 van de VNG-publicatie. Er zijn geen overschrijdingen op de omgeving van de voorkeursgrenswaarde vanwege indirecte hinder (Lih) uit de Schrikkelcirculaire. Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de toevoeging van kwetsbare objecten in de vorm van woningen. Voor de toetsing van de externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. In de omgeving van het plangebied liggen geen risicovolle bedrijven. Er hoeft geen toets aan het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen plaats te vinden. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied gelegen van buisleidingen. Er hoeft geen toets aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen plaats te vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=54092aaa-5b00-44e9-bf20-daca1225be14