RO-BP-619.116.30 Bestemmingsplan 'Bogardeind 85 tm 123'.pdf
Tekst van het document
In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten beschreven. Uit de resultaten wordt geconcludeerd dat alleen het wegverkeer op het Bogardeind en de route Gijzenrooiseweg/Laan der Vier Heemskinderen een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De geluidsbelasting bedraagt maximaal respectievelijk 62 en 60 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai wordt niet overschreden. Verder blijkt uit het onderzoek dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn en dat een hogere waarde moet worden vastgesteld voor de nieuwe woningen. Als ontheffingsgevallen kan worden aangevoerd dat deze nieuwe woningen een doelmatige akoestische afscherming bewerkstelligen, dat de woningen een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen en dat de woningen bestaande bebouwing vervangen. De eerste stap in de hogere waarden procedure is dat het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan terinzage wordt gelegd. Verder blijkt uit het onderzoek dat de verlegging van het Bogardeind in het algemeen een verlaging van de geluidsbelasting veroorzaakt op de bestaande woningen. Op een enkele bestaande woningen langs de Hazelaar is sprake van een zeer geringe toename van de geluidsbelasting.
Omdat deze toename veel kleiner is dan 2 dB en niet hoorbaar is voor het menselijk oor is geen sprake van een significante verandering van de geluidsbelasting. Het aspect geluid veroorzaakt bij de bestaande woningen niet tot belemmeringen. 7.4.3 Conclusie Het aspect geluid veroorzaakt bij de bestaande woningen niet tot belemmeringen. Omdat voor de nieuwe woningen de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde van wegverkeerslawaai
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
48
worden overschreden is een hogere waarde besluit noodzakelijk. Dit besluit is inmiddels genomen en bijgevoegd als bijlage 9 bij deze toelichting. 7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
49
een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De herstructurering, waarbij 35 woningen mogelijk gemaakt worden, in dit bestemmingsplan valt dan ook ruim binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 bepaald.
Afbeelding 7.1: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool)
Bovenstaande afbeelding geeft de dichtstbijzijnde hoofdwegen waaraan meetpunten met concentraties van bekend zijn. Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het projectgebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschrijden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
50
7.6
Bedrijven en milieuzonering
7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 7.6.2 Onderzoek De omgeving van het plangebied kan getypeerd worden als rustige woonwijk. In onderstaande tabel is een overzicht gemaakt van de bedrijven in de omgeving en de bijbehorende richtafstanden. Bedrijf/ activiteit Fietsenwinkel
Adres Laan der Vier Heemskinderen
Milieu
Richtafstand
Huidige afstand
cat.
(VNG)
tot het plangebied
1
10
0
Niet
Niet bekend
10
2 Dierenkliniek
Bogardeind 76
bekend Café
Bogardeind 71-A
1
10
40
Schilderijenwinkel
Beukelaar 2
1
10
50
Financiële instelling
Laan der Vier Heemskinderen
1
10
70
7 Beddenwinkel
Bogardeind 67
1
10
75
Massagetherapeut
Bogardeind 104a
1
10
70
IJssalon
Bogardeind 110
1
10
90
Café
Bogardeind 112
1
10
100
Bedrijventerrein
Emopad - Industriepark
2
30
160
Emopad
In bovenstaande tabel is per bedrijf/activiteit aangegeven wat de bijbehorende milieucategorie en richtafstand is. Vervolgens is aangegeven wat de feitelijke afstand van het bedrijf tot het plangebied is. Uit deze tabel blijkt dat de meeste geïnventariseerde bedrijven en activiteiten verder van het plangebied liggen dan de geldende richtafstand. Voor deze bedrijven en activiteiten kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen bestaan. De fietsenwinkel en de dierenkliniek liggen op kortere afstand van het plangebied. Naast deze bedrijven liggen echter al woonbestemmingen op kortere afstand dan de nieuwbouw. Daarnaast gaat het om een herstructurering en zijn er op dit moment ook al woningen toegestaan in het plangebied. Deze bedrijven zorgen dan ook niet voor belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling. 7.6.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
51
7.7
Externe veiligheid
7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 7.7.2 Onderzoek Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in beeld gebracht. Hogedruk aardgastransportleidingen Het plangebied ligt deels binnen de zone van de gasleiding Z-514-14. In het deel van het plangebied dat binnen de zone van de gasleiding gelegen is bevinden zich momenteel 7 woningen. In de toekomstige situatie zijn er 8 woningen binnen het invloedsgebied gelegen. Dit is slechts 1 woning meer, waardoor het aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied niet significant toeneemt en daardoor ook het groepsrisico niet (significant) zal wijzigen. Tevens blijft de afstand van de dichtstbij gelegen woning ongeveer gelijk, waardoor dit ook geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
52
Afbeelding 7.2: Uitsnede signaleringskaart met in rood de woningen gelegen binnen de zone van de gasleiding
Transportroute gevaarlijke stoffen over het spoor Het plangebied ligt deels binnen de zone voor transport voor gevaarlijke stoffen over het spoor. In de huidige situatie zijn er 17 woningen gelegen binnen de basisnetzone van 200 meter.
Afbeelding 7.3: Uitsnede signaleringskaart met in rood de woningen gelegen binnen de zone van de transportroute
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
53
In de plansituatie neemt dit af tot 11 woningen, waardoor het aantal aanwezigen afneemt en daarmee ook het groepsrisico. Deze risicobron vormt daarom geen belemmering voor het plan. Op basis van voorgaande constateringen kan in overleg met de omgevingsdienst worden afgezien van een groepsrisicoberekening. Wel dient er rekening te worden gehouden met de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg Ten noorden van het plangebied bevinden zich twee LPG-tankstations binnen de bebouwde kom van Geldrop. De gemeente Geldrop-Mierlo heeft geen routes aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de gemeentelijke wegen. Incidenteel zullen er vrachtwagens vanaf de ten zuiden van het plangebied gelegen Rijksweg A67 richting de LPG stations rijden. Gezien de omvang van dit transport en het feit dat het aantal aanwezigen binnen het plangebied niet significant toeneemt, zijn er geen belemmeringen te verwachten. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.
In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Fakkelbrandincident aardgastransportleiding Het maatgevende scenario voor een aardgastransportleiding is een fakkelbrandincident. Tijdens (graaf)werkzaamheden kan een breuk in de hogedruk aardgastransportleiding worden veroorzaakt. Het aardgas stroomt vervolgens onder een hoge druk uit en ontsteekt waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij een directe ontsteking kan dit al gebeuren binnen 20 seconden na de breuk. De hittestraling van een fakkelbrand kan slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Afhankelijk van de locatie van de breuk, het type leiding en de aanwezigheid van andere leidingen in de omgeving, kan de brand enkele uren duren. Bij dit type leidingen is er nagenoeg nooit sprake van een spontane breuk, wat betekend dat als er een incident plaatsvindt, dit naar alle waarschijnlijkheid overdag (tijdens werkzaamheden) zal gebeuren.
Het gebied in de buurt van aardgastransportleidingen is op basis van de druk en diameter van de leidingen verdeeld in meerdere zones. Binnen deze eerste zone (100% letaliteitscontour) overlijdt bij een incident circa 99% van de aanwezigen en gaan alle brandbare materialen branden. Aanwezigen binnen de tweede zone hebben kans om te overlijden of slachtoffer te worden. In de derde zone komen geen mensen te overlijden, maar kunnen er wel slachtoffers vallen. Het plangebied bevindt zich in alle zones. Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor de weg en spoorlijn is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
54
BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg of het spoor een brand ontstaan waarbij een tankwagon met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tank (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario plasbrand Door een incident met een benzinetankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving. Aanwezigen binnen de vloeistofplas hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen in de nabijheid van de vloeistofplas hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten deze zone kan geschuild of gevlucht worden.
Scenario toxische gassen Door een incident op de rijksweg of het spoor met een tankwagen/ -wagon kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden Men kan vanuit de nieuwe woningen vluchten over de weg Bogardeind richting het noorden. Deze weg is echter wel aan de spoorkant gelegen. Ook kan men via de achtertuinen vluchten naar het oosten om via de wegen Hazelaar en Elzenhof naar het noorden te lopen. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. Het is van belang dat bij de inrichting van de openbare ruimte een mogelijkheid wordt gecreëerd voor de brandweer om alle gebouwen aan alle zijdes te kunnen bereiken. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt.
Brandkranen dienen nabij de entrees van het gebouw en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. De aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening dienen te voldoen aan de richtlijnen zoals beschreven in de “beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening”. Door het open karakter van de verkaveling kan het plangebied door de hulpverlenende instanties vanuit meerdere routes worden betreden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat NL-Alert wordt ingezet i.v.m. snelle informatievoorziening. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
55
waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een koop- of huurcontract kunnen werknemers op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties (januari 2020). De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden, zodat het standaard advies kan orden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe.
Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op: https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2018/04/170307-beleidsregelsbereikbaarheid-enbluswatervoorziening-brabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf. Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren. Reactie op het standaard advies van de Veiligheidsregio voor een snelle berichtgeving os NL-Alert aanwezig. Tevens zijn WAS-palen (Waarschuwings-alarm-systeem) aanwezig. De beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zullen worden toegepast. De bereikbaarheid van de locatie is goed. De locatie is vanuit twee verschillende kanten/wegen goed bereikbaar. De bluswatervoorziening zal worden getoetst aan de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening. De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012. 7.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
56
7.8
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.
7.8.1 Kabels en leidingen Binnen het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen, anders dan behandeld in de paragraaf externe veiligheid. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen. 7.8.2 Molenbiotoop Ter plaatse van het plangebied geldt een molenbeschermingszone. Deze gronden zijn naast de overige daaraan gegeven bestemmingen primair bestemd voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als landschapsbepalend element. De molen ligt op circa 110 meter afstand van het plangebied. Op deze gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/50 van de afstand gemeten tussen het bouwwerk en de voet van de op de plankaart aangeduide molen, vermeerderd met 3,12 m. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen voor het bouwen van bouwwerken tot een grotere hoogte als er wordt aangesloten bij hetgeen elders in het vigerende bestemmingsplan bepaalde voorschriften. Op dit moment geldt er in het plangebied een maximale bouwhoogte van 10 meter. Alleen ter plaatse van het hoogteaccent op de kruising Bogardeind – Laan der Vier Heemskinderen zal deze hoogte worden overschreden. Hier wordt een maximale bouwhoogte van 12 meter gehanteerd. De afstand tussen de molen en de bestaande bebouwing is op dit punt circa 130 meter.
Door de reconstructie van de weg worden de nieuwe woningen echter verder naar achter geprojecteerd dan de bestaande woningen, waardoor de afstand tot de molen afneemt. Om de effecten van het bouwplan op de windvang van de molen in beeld te brengen is een analyse uitgevoerd door Peutz. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 11 bij deze toelichting. Uit de analyse volgt dat er sprake is van een mogelijke invloed van de nieuwbouw op de windvang van de molen, die worst-case gedurende 2,5 % van de tijd optreedt. Gedurende deze tijd, overeenkomend met 221 uren per jaar, is een niet nader bepaalde mate van verstoring van de windstroming te verwachten. De overige 97,5 % van het aantal uren per jaar komt de wind uit een andere richting, of valt de windsnelheid buiten het gehanteerde windsnelheidsbereik van de molen. Het bruikbare windaanbod uit de sector overeenkomend met de nieuwbouw (2,5 %) komt in relatie tot de totale bruikbare wind overeen met 8,6 % van het bruikbare windaanbod. 91,4 % van het bruikbare windaanbod komt derhalve uit een andere windrichting. Bij deze percentages wordt het volgende opgemerkt: - Deze percentages zijn een inschatting voor de invloed wanneer het windaanbod uit de genoemde sector volledig wegvalt ten opzichte van de basis-situatie waarin is uitgegaan van een vrije windvang. In werkelijkheid zal dit niet het geval zijn.
In de volledige hoeksector bevinden zich immers al belemmeringen die een groot deel van de windvang wegnemen.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
57
-
-
Daarnaast wordt er bebouwing verwijderd die ruwweg even hoog is als de geplande ieuwe bebouwing en dichter bij de molen staat. Deze verwijderde bebouwing heeft in de basissituatie al een vrijwel even grote negatieve invloed op de windvang van de molen. Dit doordat deze bebouwing ruwweg even hoog is, in de gehele hoeksector van de geplande nieuwbouw zal verdwijnen en daarnaast ook nog ca. 10% dichter bij de molen staat. Daarnaast zal de wind uiteraard niet volledig wegvallen uit de betreffende hoeksector. Er kunnen daarnaast voordelige én nadelige effecten plaatsvinden die niet zijn meegenomen. Dit betreffen bijvoorbeeld een beïnvloeding van de wind uit windrichting net naast de betreffende hoeksector, een toename van turbulentie of opstuwing door de wind bij eventuele bebouwing;
De daadwerkelijke invloed van de windvang door de geplande nieuwbouw slechts een kleine fractie zijn van de genoemde percentages en zal de geplande nieuwbouw vrijwel geen invloed hebben op de windvang van de molen. 7.9
Duurzaamheid Nota Duurzaamheid 2016-2019 Gemeente Geldrop-Mierlo zet zich met uitvoering van de “Nota Duurzaamheid 2016-2019” actief in om te verduurzamen en bij te dragen aan de nationale- en internationale doelstellingen om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan. In de duurzaamheidsnota staan de duurzaamheidsambities van de gemeente geformuleerd, waarvan hieronder de essentie is weergegeven die geldt bij de ontwikkeling van nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen worden woningen ontwikkeld met respect voor mens en milieu, voor nu én voor volgende generaties. Het gaat niet alleen om energiebesparing, maar bijvoorbeeld ook om: -
gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners; de woning zo te ontwerpen dat deze in de toekomst bruikbaar en waardevast blijft. Het duurzaamheidsbeleid van Geldrop-Mierlo gaat verder dan de landelijke doelen. De gemeente heeft als ambitie om in 2040 energieneutraal te zijn. Alle energie die wordt verbruikt, wordt duurzaam opgewekt. Er wordt een omslag gemaakt van fossiele energievoorziening naar een energievoorziening uit duurzame bronnen (zon, wind, biomassa, omgevingswarmte). In Europees en Rijksbeleid is vastgelegd dat er steeds energiezuiniger wordt gebouwd. Na 2020 moet nieuwbouw (bijna) energieneutraal zijn. De gemeente stimuleert nieuwbouw die 'NulopdeMeter' stimuleert, waarbij naast het gebouwgebonden energieverbruik ook het gebruikersgebonden deel duurzaam wordt opgewekt. De gemeente streeft naar een regionale circulaire economie. De gemeente vraagt van ontwikkelende partijen bij de keuze van materialen en het ontwerp hiermee rekening te houden. De gemeente zet zich daarnaast in om verlies aan biodiversiteit (= verscheidenheid aan dieren en planten) te stoppen en waar mogelijk probeert de gemeente de biodiversiteit te vergroten. Als gevolg van klimaatverandering krijgen we te maken met meer extreem weer, zoals heftige regenen hagelbuien of periodes van droogte.
De gemeente wil wateroverlast en overlast door hittevorming voorkomen. In de Nota Duurzaamheid gaat de gemeente ook in op luchtkwaliteit. Binnen de gemeente Geldrop-Mierlo zijn nergens overschrijdingen van de normen. Toch heeft de gemeente op
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
58
Bogardeind extra gedetailleerd onderzoek laten uitvoeren. In 2013 bleek dat op een klein deel van Bogardeind de grenswaarde met maximaal 6 microgram per m3 werd overschreden. Daarom heeft de gemeente maatregelen genomen om de doorstroom van het verkeer te verbeteren. Dit bestemmingsplan is hier onderdeel van. Uitwerking plan Het bouwplan zal voldoen aan de wettelijke duurzaamheidsnormen. In het beeldkwaliteitplan zijn daarnaast enkele uitgangspunten opgenomen met betrekking tot duurzaam bouwen, natuurinclusief bouwen en de opvang van regenwater. De reconstructie van het Bogardeind draagt bij aan de ambities van de gemeente Geldrop-Mierlo.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
59
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.2.1 Ontwerpfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Bro dient voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Deze publicatie heeft plaatsgevonden. Dialoog met eigenaren/bewoners Voor de eigenaren/ bewoners vormt de verbreding van het Bogardeind een ingrijpende ontwikkeling. De verbreding leidt er direct toe dat de woningen van de huidige eigenaren/ bewoners zullen worden gesloopt. Vanwege het ingrijpende karakter van de plannen is ervoor gekozen intensief contact te onderhouden met de eigenaren/ bewoners. Het doel is voor alle partijen te komen tot bevredigende oplossing. Vanaf het begin van het proces is er dan ook intensief contact met de eigenaren/ bewoners te onderhouden om hen stapsgewijs bij het proces te betrekken. Inspraak en overleg Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De kennisgeving dient in de Staatscourant te worden geplaatst en dient ook via elektronische weg te geschieden. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Bogardeind 85 t/m 123’ en de bijbehorende bijlagen hebben van donderdag 28 januari 2021 tot en met woensdag 10 maart 2021 een ieder ter inzage gelegen. Het voorontwerp was in te zien via de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl.
Een analoog boekje van het plan lag ter inzage bij de receptie van het gemeentehuis. Ook is het ontwerp toegezonden aan de overleginstanties zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Eenieder heeft de mogelijkheid gehad om binnen deze periode schriftelijk of mondeling een zienswijze in te dienen.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
60
Gedurende de inzagetermijn zijn in totaal tien schriftelijke zienswijzen ontvangen. Deze zijn beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen, die als bijlage 12 bij de toelichting is gevoegd. Naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen is het bestemmingsplan op onderdelen aangepast. Tevens zijn er enkele ambtshalve wijzigingen aangebracht. Deze zijn afzonderlijk benoemd in de voorgenoemde zienswijzennota. 8.2
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.
Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is.
De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Toelichting Vaststelling
Gemeente Geldrop-Mierlo Bestemmingsplan ‘Bogardeind 85 t/m 123’ Regels
April 2021
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
INLEIDENDE REGELS Begrippen Wijze van meten
2 2 8
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
BESTEMMINGSREGELS Tuin Verkeer Wonen Waarde - Molenbeschermingszone
10 10 11 12 14
Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels
16 16 17 18
Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht Slotregel
19 19 20
2
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan 'Bogardeind 85 t/m 123' met identificatienummer NL.IMRO.1771.BPBOGARDEIND85123-VA01 van de gemeente Geldrop-Mierlo. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en daarbij behorende bijlagen. 1.3
aan-een gebouwde woningen
een blok van meer dan twee aaneen gebouwde woningen inclusief de van dit blok deel uitmakende eind- of hoekwoningen; 1.4
aan-huis-verbonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.5
aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.6
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.7
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.8
afhankelijke woonruimte
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. 1.9
afwijking
het afwijken van de planregels, als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder c van de Wet ruimtelijke ordening; 1.10
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.11
bestaand
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
3
met betrekking tot bebouwing: de bebouwing als legaal aanwezig ten tijde van inwerkingtreding van het plan danwel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip verleende omgevingsvergunning; met betrekking tot gebruik: het gebruik als legaal aanwezig ten tijde van inwerkingtreding van het plan.
1.12
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak. 1.13
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.15
bijgebouw
een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Erkers worden hier niet onder begrepen. 1.16
bijzondere woonvormen
a. een woonvorm waar bewoners nagenoeg zelfstandig wonen met (voorzieningen voor) verzorging en begeleiding (ook 24-uurs begeleiding); b. een groep personen die geen (duurzame) gemeenschappelijk huishouden voert, er is geen sprake van continuïteit in de samenstelling en onderlinge verbondenheid; c. woongroepen: een groep personen die er bewust voor kiezen om met elkaar in één woning samen te wonen, zonder dat er sprake is van een gezinsverband of samenlevingsvorm. 1.17
bijzondere woonvorm met zorg
Een woonvorm waar bewoners nagenoeg zelfstandig wonen met (voorzieningen voor) verzorging en begeleiding (ook 24-uurs begeleiding). 1.18
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.19
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak. 1.20
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.21
bouwperceelsgrens:
een grens van een bouwperceel.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
4
1.22
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.23
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.24
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen resp. huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroepsof bedrijfsactiviteit; horecadoeleinden worden hier niet onder begrepen. 1.25
dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder ook een autorijschool, een architect, een internetcafé en een administratiekantoor; 1.26
doeleinden van openbaar nut
kleinschalige nutsvoorzieningen zoals transformatorhuisjes en schakelkastjes, ondergrondse lokale leidingen, tele- en datacommunicatieleidignen, riolering, telefooncellen en wachthuisjes, straatvoorzieningen (o.a. voor afvalstoffen); 1.27
erf
het al dan niet bebouwde perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en binnen het bestemmingsvlak, maar buiten het bouwvlak ligt; 1.28
erker
een grondgebonden uitbouw van het hoofdgebouw van een woning gelegen in of vóór het verlengde van de voorste bouwgrens van het hoofdgebouw; 1.29
evenement
een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak van maximaal 7 dagen, die in de openbare ruimte wordt gehouden; 1.30
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.31
geschakelde woningen
woningen waarvan de hoofdgebouwen door middel van bijbehorende bouwwerken met elkaar verbonden zijn en waarbij één zijgevel van het hoofdgebouw in de zijdelingse perceelsgrens is gebouwd; 1.32
gestapelde woningen
boven dan wel beneden elkaar gesitueerde woningen waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid al dan niet direct vanaf de weg of openbaar toegankelijk gebied gewaarborgd is; Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
5
1.33
hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.34
huishouden
Een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit 2 of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn:
voor onbepaalde tijd samenleven; een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; eigen kamer, al dan niet gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer; personen worden niet door een instelling geplaatst; er vindt geen behandelingstraject plaats.
Bedrijfsmatige kamerverhuur en bijzondere woonvormen vallen niet onder het begrip 'huishouden'. 1.35
kamergewijze verhuur
Het al dan niet bedrijfsmatig verhuren of aanbieden van kamers binnen een woning. 1.36
maatschappelijke voorzieningen
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, waaronder begrepen ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen; 1.37
mantelzorg
het op vrijwillige basis en buiten organisatorische verband bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak. 1.38
netto woonoppervlakte
De binnenmaatse oppervlakte van binnenmuur tot binnenmuur van alle ruimten in een woning, met uitzondering van bergruimten, vlieringen en balkons, met dien verstande dat bij schuine daken het oppervlak als woonoppervlakte berekend mag worden vanaf 1,5 meter hoogte (conform NVM meetinstructie). 1.39
overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.40
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en met ten hoogste aan één zijde een wand; 1.41
pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.42
pergola Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
6
een bouwwerk bestaande uit verticale pijlers, al dan niet verbonden met een muur van maximaal 1 m hoog, horizontaal met een lat of enige latten verbonden en opgericht met het oogmerk om hierover planten te laten groeien. 1.43
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het tegen betaling verlenen van seksuele diensten aan anderen; 1.44
seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt ieder geval begrepen (al dan niet in combinatie met elkaar): a. b. c. d. e.
een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon; een seksbioscoop of sekstheater; een seksautomatenhal; een sekswinkel; seksclub of parenclub;
1.45
speelvoorziening
een voorziening in de woonomgeving, die er op gericht is speel- en recreatiemogelijkheden buiten te bieden, gericht op de leeftijdscategorie tot 18 jaar; 1.46
straatmeubilair
bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare voorzieningen, zoals: 1. verkeersgeleiders, verkeersborden, lichtmasten, zitbanken, bloembakken; 2. telefooncellen, abri's, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame; 3. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een hoogte van ten hoogste 3 m, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorziening en brandkranen; 4. afvalinzamelsystemen. 1.47
twee-onder-een-kapwoningen
twee woningen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd; 1.48
uitbouw
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.49
voorgevellijn
de lijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen alsmede het verlengde daarvan; 1.50
voorgevelrooilijn
de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd;
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
7
1.51
vrijstaande woning
een woning, waarvan de afstand van beide zijgevels van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrenzen ten minste een in de bouwregels bepaalde afstand bedraagt. 1.52
voldoende parkeergelegenheid
Van 'voldoende parkeergelegenheid' voor wat betreft aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voor personenauto's, bestelauto's, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen is sprake indien voldaan wordt aan de parkeerkencijfers van het CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381). Binnen de gemeente wordt in Geldrop uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk gebied' en in Mierlo van 'weinig stedelijk gebied' en maakt de gemeente gebruik van de bandbreedte (minimum en maximum aantal parkeerplaatsen) afhankelijk van de situatie ter plaatse. Indien deze regeling wordt gewijzigd of herzien of wordt vervangen door gemeentelijk parkeerbeleid, moet rekening worden gehouden met deze wijziging danwel herziening. 1.53
wonen
Het gehuisvest zijn in een woning. 1.54
woning / wooneenheid
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, hieronder niet begrepen kamergewijze bewoning. 1.55
woningsplitsing
Het wijzigen van een bestaande woning in twee of meer woningen.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
8
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is. 2.2
bebouwingspercentage
het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen. 2.3
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5
diepte van de bodemingreep
de diepte van de bodemverstorende ingreep, gemeten ten opzichte van het peil ter plaatse (straat of terreinniveau). 2.6
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7
inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8
lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand. 2.9
ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.10
oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.11
oppervlakte van een bodemingreep
het gebied (zone) waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het archeologisch bodemarchief 2.12
ondergeschikte bouwdelen Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
9
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,50 m. 2.13
peil
1. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
10
Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 3.1
Tuin
Bestemmingsomschrijving
De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
tuinen en erven; parkeervoorzieningen; water en voorzieningen voor de waterhuishouding; bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Gebouwen
Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: a. gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan; b. in afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a. zijn bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers en tochtportalen behorend bij op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen toegestaan, mits: 1. de horizontale diepte niet meer dan 1 m bedraagt; 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden ten minste dan 2,5 m bedraagt; 3. voor zover een erker wordt gebouwd tegen een gevel van het hoofdgebouw de breedte niet meer dan 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt; 4. de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt. 3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen voor: a. b. c. d. 3.3
vlaggenmasten: 6 m; pergola's: 3 m; erfafscheidingen: 1 m; overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 1 m. Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 3.2.1 onder a voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in de vorm van aan- of uitbouwen, bijgebouwen en/of overkappingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, mits: a. de uitbreiding van het hoofdgebouw (woning) voldoet aan de hoogte- en afstandsbepalingen als bepaald in Artikel 5 Wonen; b. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouwperceel, op de als 'Tuin' en 'Wonen' aangewezen gronden samen, niet meer bedraagt dan respectievelijk 80 m²; c. de goothoogte maximaal 3 m bedraagt; d. de bouwhoogte maximaal 6 m bedraagt.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
11
Artikel 4
Verkeer
4.1
Bestemmingsomschrijving
4.1.1
Algemeen
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
voorzieningen voor verkeer en verblijf; parkeervoorzieningen; speelvoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Gebouwen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 4.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
De bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen voor: a. lichtmasten en voorzieningen voor wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer: 12 m; b. geluidsschermen en andere geluidwerende voorzieningen: 10 m; c. straatmeubilair, anders dan lichtmasten en voor de wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer: 4 m; d. in afwijking van het bepaalde onder c. reikt de bouwhoogte van draagconstructies voor reclame, die worden aangebracht aan lichtmasten, niet verder dan 1,5 m onder de hoogte van de lichtmast, waarbij tevens een minimale vrije doorgangshoogte van 4,5 m dient te worden aangehouden; e. vlaggenmasten: 6 m; f. speelvoorzieningen: 5 m; g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een speelvoorziening: 5 m; h. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde: 1 m. 4.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op de verkeersveiligheid, het in het plan beoogde straatbeeld en de bescherming van het openbaar groen nadere eisen stellen aan de situering en de omvang van bouwwerken geen gebouwen zijnde. 4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1
Toegestaan gebruik:
Toegestaan is het gebruiken of het laten gebruiken van gronden ten behoeve van standplaatsen, weekmarkten, jaarmarkten, evenementen, festiviteiten en manifestaties, indien en voor zover daarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift een vergunning, ontheffing of vrijstelling is vereist en deze is verleend.
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
12
Artikel 5
Wonen
5.1
Bestemmingsomschrijving
5.1.1
Algemeen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen b. aan-huis-verbonden beroepen; met daaraan ondergeschikt: c. d. e. f.
voorzieningen voor verkeer en verblijf; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.2
Bouwregels
5.2.1
Hoofdgebouwen
Ten aanzien van de lid 5.1 bedoelde gronden gelden voor hoofdgebouwen de volgende bouwregels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de gooten bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan is aangegeven. c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan aangegeven. 5.2.2
Bijbehorende bouwwerken
Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden gelden voor bijbehorende bouwwerken de volgende bouwregels: a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw bedraagt maximaal 60 m2; d. de goothoogte bedraagt maximaal 3 m; e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m; f. bij vrijstaande hoofdgebouwen mogen slechts aan één zijgevel aan- en uitbouwen worden opgericht; g. bij vrijstaande hoofdgebouwen mag in de zijstrook grenzend aan het openbaar gebied geen aanen uitbouwen worden opgericht. 5.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde de volgende bouwregels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de bouwhoogte van een pergola mag niet meer bedragen dan 3 m; c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel niet meer mag bedragen dan 1 m;
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
13
d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vóór de voorgevel niet meer mag bedragen dan 1 m. 5.3
Nadere eisen
a. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. b. De onder a genoemde nadere eisen mogen slechts worden gesteld met inachtneming van de bouwregels: 1. Indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit, het stedenbouwkundige beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is met het oog op een verantwoorde stedenbouwkundige en/of architectonische inpassing in de bestaande bebouwing. 2. Indien dit noodzakelijk is in verband met de sociale veiligheid dan wel de verkeersveiligheid. 3. Ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 5.4
Specifieke gebruiksregels
5.4.1
Aan-huis-verbonden beroep
Binnen de bestemming Wonen is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen toegestaan, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn : a. aan-huis-verbonden beroepen zijn uitsluitend toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de omvang niet meer mag bedragen dan 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 50 m2; b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; c. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving; d. de activiteit dient te worden uitgeoefend door de bewoner(s) van de woning; e. detailhandel is niet toegestaan. 5.4.2
Gebruik van bijgebouwen voor bewoning
Het is verboden bijgebouwen bij een woning te gebruiken of te laten gebruiken als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte. 5.4.3
Afwijken van de gebruiksregels
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in lid 5.4.2, en toestaan dat een bijgebouw bij een woning wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, mits: a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is van uit een oogpunt van mantelzorg; b. het gebruik als afhankelijke woonruimte uitsluitend plaatsvindt in één of in meer aaneengebouwde bijgebouwen; c. de oppervlakte die wordt gebruikt als afhankelijke woonruimte, niet meer bedraagt dan de maximaal toegestane gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 60 m2 dan wel 90 m2; d. de belangen van derden niet onevenredig worden aangetast
Bestemmingsplan “Bogardeind 85 t/m 123” Regels Vaststelling
14
Artikel 6
Waarde - Molenbeschermingszone
6.1
Bestemmingsomschrijving
6.1.1
Algemeen
De voor 'Waarde - Molenbeschermingszone' aangewezen gronden zijn naast de overige daaraan gegeven bestemmingen primair bestemd voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als landschapsbepalend element. 6.2
Bouwregels
In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, gelden voor het bouwen op of in de in deze bestemming begrepen gronden de volgende bepalingen: a. Op deze gronden, voor zover gelegen tussen de molen en op een afstand van 100 m gemeten van de voet van de molen, mogen geen bouwwerken worden opgericht met een grotere hoogte dan 3 m. b. Op deze gronden, voor zover gelegen op een afstand van 100 m tot en met 300 m gemeten van de voet van de molen, mogen geen bouwwerken worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/50 van de afstand gemeten tussen het bouwwerk en de voet van de op de plankaart aangeduide molen, vermeerderd met 3,12 m. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1
Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Het is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur, voor zover het geen bouwwerken betreft; b. het ophogen van gronden; c. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande begroeiing. 6.3.2
Uitzondering op het uitvoeringsverbod
Het in sublid 6.3.1 gestelde verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a. het normale onderhoud betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn en/of voortvloeien uit het normale gebruik overeenkomstig de bestemming; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 6.3.3