Eindrapportage IHP Geldrop-Mierlo.Pdf
Tekst van het document
Het ligt voor de hand dat schoolbestuur Eenbes de komende jaren in samenspraak met andere kindpartners en maatschappelijke partijen een oriëntatie starten over het verbinden van beide scholen. Opdracht is om op termijn te komen tot één unilocatie in het grensgebied tussen beide voedingsgebieden. Daarmee kan voor het gehele gebied een sterker en meer integraal en maatschappelijk relevant aanbod ontstaan. Deze studie kan als input dienen in het volgende IHP of op grond van het voorliggend IHP met de gemeente besproken worden.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
55
8. Financiële vertaling
8
Financiële vertaling
Geldrop-Mierlo I RO21050211
56
Aan de basis – de VNG-normstelling 2018, bijstelling 2021 Gemeenten nemen normbedragen voor nieuwbouw en uitbreiding van scholen (en andere voorzieningen in de huisvesting) op in hun gemeentelijke verordening Voorziening Huisvesting Onderwijs. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) stelt jaarlijks modelnormbedragen vast als advies aan gemeenten. De meeste gemeenten nemen deze over in de eigen lokale verordening. Sommige gemeenten wijken daar om moverende redenen van af, bijvoorbeeld omdat de ambities hoger zijn. Ook in een integraal huisvestingsplan kan een gemeente met schoolbesturen aanvullende afspraken maken die afwijkend zijn. De huidige normbedragen (2021) voor nieuwbouw van de VNG zijn in hun basis in 2018 bepaald en gaven antwoord op de grote prijsstijgingen in de jaren daarvoor. Dit leidde toen tot een directe normverhoging met 40%. Jaarlijks wordt dit basisbedrag bijgesteld. Ze gaan uit van een sober en doelmatig gebouw dat aan de wettelijke minimumeisen (Bouwbesluit) voldoet. Gasloos bouwen en Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) vallen onder deze wettelijke verplichtingen. Aanvullende duurzaamheids- en comfortdoelstellingen als Frisse Scholen7 vallen niet onder de wettelijke minimum eis, en zijn niet opgenomen in de normbedragen.
Andere bijkomende kosten voor kwaliteit (denk aan verhoogde transparantie, flexibele wanden, tribunetrappen, etc.) zijn evenmin opgenomen in de normbedragen. De normbedragen voor nieuwbouw zijn opgebouwd uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte (bvo). Dit impliceert dat nieuwbouw voor een kleinere school in algemene zin ingewikkelder en duurder is. Het normbedrag voor een basisschool van 200 leerlingen bedraagt voor het kalenderjaar 2021 € 2.610 / m² bvo, voor een school van 400 leerlingen is dit circa € 2.410 / m² bvo. De normbedragen voor speciaal basisonderwijs (SBO) en speciaal onderwijs (SO) bedragen circa € 2.600 / m² bvo. Voor het voorgezet onderwijs is het normbedrag afhankelijk van de omvang en het aanbod van onderwijs. Het normbedrag per vierkante meter bvo voor een school van circa 1.500 leerlingen met aanbod in mavohavo-vwo bedraagt ongeveer € 2.060 / m² bvo. Bouwkosten kunnen variëren door locatie en regionale invloeden. Deze stichtingskosten zijn inclusief btw, bijkomende kosten (honoraria, heffingen, aansluitkosten, verzekeringen, onvoorzien, etc.) en de kosten voor aanleg en inrichting van het schoolterrein. De gemeente draagt tevens het juridische eigendom van het benodigde bouwrijpe terrein (om niet) over aan de schoolbesturen.
Aanvullende toeslagen ten laste van de gemeente zijn aan de orde voor verhuiskosten, paalfundering (bij VO), speellokaal (bij S(B)O) of liftinstallatie (bij (V)SO). Andere bijkomende kosten ten laste van de gemeente betreffen eventuele sloop en tijdelijke huisvesting. Projecten tonen in de praktijk aan dat meerwaarde mogelijk is door bouwopgaven in een bredere context te bekijken via multifunctioneel ruimtegebruik. Een compact gebouw kan dan resulteren in een keuze voor ruimere beschikbaarheid ten opzichte van de normatieve minimum-oppervlakte. Zo kan bijvoorbeeld extra buitenruimte tijdens schooluren voor onderwijs worden ingezet en daarna als speelplek voor kinderen uit te buurt. Geadviseerd wordt om per project de kansen te onderzoeken en specifieke budgetten vast te stellen.
7 Frisse Scholen klasse B als minimale eis enkel van toepassing op thema’s lucht en energie.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
57
Aandachtspunt is dat de VNG aangepaste normbedragen voor nieuwbouw adviseert aan gemeenten, maar dat het ministerie van onderwijs deze niet heeft verwerkt in een verhoging van het gemeentefonds. Consequentie is dat de rijksbijdrage in het gemeentefonds (nog) onvoldoende ruimte biedt om de VNGnormbedragen ook financieel te dekken. De verwachting is dat dit de komende tijd wordt gecorrigeerd. Ambitie: Realiseren van Toekomst georiënteerd en relevante voorzieningen Nieuwe gebouwen worden gerealiseerd voor een gebruiksperiode van minimaal 40 jaar. Consequentie is dat gedurende de exploitatietermijn de verwachtingen die gebruikers en de maatschappij stellen, evenals wettelijke eisen toenemen. De komende jaren zijn met name ten aanzien van klimaatprestaties en binnenklimaat ontwikkelingen te verwachten. Naar 2050 is klimaatneutraliteit een eis en de wetgever gaat eisen stellen om gebouwen relevant te maken. Ook circulair bouwen staat sinds een aantal jaren hoog op de agenda. Verder is te verwachten dat de wijze van gebruik kan en zal veranderen, zoals de praktijk tijdens de Covid-crisis heeft aangetoond. Het is verstandig om daar bij nieuwbouw oog voor te hebben. Het is belangrijk om bij nieuwe voorzieningen (nieuwbouw of renovatie) rekening te houden met toekomstverwachtingen en in het IHP expliciet eventuele aanvullende ambities vast te leggen.
Daarbij is het vooral belangrijk dat gebouwen in hun kern geschikt moeten zijn om gedurende de komende dertig jaar verder te kunnen verbeteren. RO groep adviseert om voor voorzieningen in nieuwbouw een hoger ambitieniveau vast te leggen: Frisse Scholen klasse B (integraal) evenals volledig Energie Neutraal (ENG). Onderstaande extra financiële inspanningen (inclusief bijkomende kosten en btw) zijn daarmee gemoeid: Primair Onderwijs
Integraal Kindcentrum
Voortgezet Onderwijs
Speciaal Onderwijs
Frisse Scholen klasse B
€ 125 / m² bvo
€ 140 / m² bvo
€ 125 / m² bvo
€ 130 / m² bvo
ENG
€ 75 / m² bvo
€ 75 / m² bvo
€ 75 / m² bvo
€ 75 / m² bvo
Tariefstelling Geldrop-Mierlo De gemeente Geldrop-Mierlo heeft een onderwijsverordening. Daarin zijn de beschikbare middelen om te investeren in onderwijshuisvesting gedimensioneerd. Ook de zienswijze van de gemeenteraad ten aanzien van omgang met de normbedragen is vastgelegd. Afwijkingen dienen expliciet door de Raad te worden besproken en vastgesteld. Daarom is het van belang om in de uitvoeringsagenda expliciet de hoogte van de normbedragen zichtbaar te maken alsmede de financiële consequenties daarvan. Daarmee kan de gemeenteraad een zakelijke afweging maken. Onderstaande tabel maakt de keuzemogelijkheden zichtbaar. Integraal Kindcentrum Normstelling VNG Basis
€ 2.550
Stichtingskosten toekomst georiënteerd
€ 2.765
Nb.: Prijspeil is 2021, inclusief btw. Bedragen zijn exclusief grond / sanering (door gemeente aanvullend beschikbaar te stellen).
Geldrop-Mierlo I RO21050211
58
Ad a. VNG Basis Normtarief is basisniveau VNG. Ze gaan uit van een sober en doelmatig gebouw dat aan de wettelijke minimumeisen (Bouwbesluit) voldoet. Gasloos en BENG bouwen valt onder deze wettelijke verplichtingen. Kanttekening daarbij is dat deze bedragen meestal onvoldoende blijken om een kindcentrum te realiseren. Ad b. Stichtingskosten toekomst georiënteerd Dit normtarief (adviestarief) gaat uit van een modern, toekomst georiënteerd Kindcentrum. Daarbij gelden de volgende kwaliteitseisen: • Stichtingskosten Plus (b.) • Frisse Scholen Klasse B (in zijn breedte) • Energie Neutraal Gebouw Te overwegen is om met schoolbesturen afspraken te maken ten aanzien van een eigen bijdrage. Een schoolbestuur mag bij nieuwbouw geen financiële bijdrage leveren aan de basiskwaliteit. Schoolbesturen in Geldrop-Mierlo kunnen, binnen de wet- en regelgeving, investeren in het toevoegen van aanvullende kwaliteit (zoals flexibiliteit, duurzaamheid in gebruik, binnenklimaat, etc.). Een eventuele eigen bijdrage is altijd ten behoeve van extra’s bovenop de wettelijke basis en gekoppeld aan een terugverdienmodel. Dit betekent dat investeringen binnen een aanvaardbare tijd moeten worden terugverdiend. Het bedrag is door het schoolbestuur, in overleg met de gemeente, vast te stellen.
Renovatie als voorziening in het kader van Zorgplicht Verwachting is (zie hoofdstuk 4) dat renovatie voor een grootschalige en integrale aanpak van een bestaand gebouw een door de gemeente te financieren voorziening in het kader van zorgplicht wordt. Dit is dan te beschouwen als een volwaardig alternatief voor nieuwbouw. Intentie is dat na renovatie een gebouw voldoet aan het vigerende bouwbesluit en dat er sprake is van een levensduurverlenging van tenminste 25 jaar. Renovatie kan een goede en efficiënte oplossing zijn. Vooruitlopend op wettelijke maatregelen is het verstandig om in het IHP de afwegingen zakelijk te definiëren. Afspraak: Partijen onderzoeken in een businesscase of een levensduurverlengende renovatie gepland kan worden, die de kwaliteit van het gebouw op het niveau van de wettelijke eisen brengen. Renovatie wordt in overweging genomen bij het formuleren van een IHP-uitvoeringsprogramma en is altijd gebaseerd op een uitgewerkte businesscases. Ze geldt voor gebouwen, die minimaal 30 jaar oud zijn. Als uitgangspunt geldt dat renovatie verstandig is als het te gebouw het “waard” is.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
59
Uitwerking: • De gemeente en de schoolbesturen spreken af te kiezen voor Renovatie waar één van twee argumenten gelden: 1. Is het gebouw een monument of anderzijds waardevol? 2. Is transformatie economisch of kwalitatief een goede keuze? • Partijen spreken af dat ze een onafhankelijk bouwkundig bureau (door gemeente en schoolbesturen aan te wijzen) onderzoek laten doen naar renovatie. Uitgangspunt is dat het gebouw daarna moet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving voor nieuwbouw met een extra levensduur bovenop de oorspronkelijke afschrijvingstermijn van 25 jaar (tenzij dit voor bepaalde onderdelen lastig te realiseren is tegen aanvaardbare kosten) en op duurzaamheidsgebied ten minste ENG. Deze verlenging van de levensduur wordt contractueel vastgelegd en de gemeente brengt deze tot uitdrukking in een feitelijke verlenging van de afschrijvingstermijn. • Indien schoolgebouw een bepalend c.q. een monumentaal gebouw (punt 1) is dan wordt de maximale gemeentelijke bijdrage vastgesteld ter hoogte van (normatieve) nieuwbouw. Bouwrisico ligt bij schoolbesturen. • Voor renovatie op zakelijke gronden (punt 2) wordt gekozen als onderzoek aantoont dat de kosten lager zijn dan 80% van de (normatieve) nieuwbouw van de huisvestingsopgave (leerlingencapaciteit). Als bouwbudget geldt het bedrag dat werd vastgesteld in het onderzoek.
De bijdrage van de gemeente is maximaal 80% van het renovatiebudget. Bouwrisico ligt bij schoolbesturen. Verduurzaming bestaand gebouw Verduurzaming van bestaande schoolgebouwen is in beginsel een verantwoordelijkheid van de eigenaar. Schoolbesturen worden geacht hun gebouw als goed huisvader te onderhouden en ze worden daar in hun materiële instandhoudingsvergoeding voor gecompenseerd door het ministerie. Verduurzaming is in beginsel voor rekening van schoolbesturen. Nb.: Ten aanzien van ingrijpende aanpassingen van een gebouw vindt in voorkomende gevallen meestal overleg plaats tussen gemeente en schoolbesturen. Deze taakverdeling laat overigens onverlet dat de wetgever in het perspectief van klimaatneutraliteit de komende jaren forse maatregelen zal eisen om bestaande gebouwen te verduurzamen. Investeringen door schoolbesturen zijn soms ook in eigen voordeel als ze leiden tot besparingen, bijvoorbeeld door het afstoten van leegstand of aanpassingen door energetische maatregelen. Maar grenzen tussen regulier onderhoud enerzijds en gemeentelijke voorzieningen vanuit zorgplicht anderzijds zullen vervagen. Het wordt dan relevanter dat gemeente en schoolbesturen in goed overleg op een reële manier naar de ontwikkelingen kijken en samen kansen op samenwerking op een zakelijke, op Total Cost of Ownership georiënteerde manier bespreken.
Werkwijze: De gemeente en schoolbesturen onderzoeken samen in een businesscase of in samenwerking levensduur verlengende investeringen (no-regret) gepland kunnen worden, die de kwaliteit van het gebouw substantieel dichter bij de wettelijke eisen brengen. Upgrade komt bij voorkeur aan de orde in het kader van de integrale zakelijke overwegingen rondom een IHP-uitvoeringsprogramma op grond van de uitwerking in businesscases. Indien sprake is van een ongeplande tussentijdse aanvraag dan is deze in ieder geval gebaseerd op een vastgesteld en bij de gemeente bekend Meerjaren Onderhoudsplan (MJOP).
Geldrop-Mierlo I RO21050211
60
Uitwerking: • Schoolbesturen en de gemeente spreken af om verduurzaming in gebouwen vanuit Total Cost of Ownership op een open en transparante manier te bespreken. Indien schoolbesturen in een bestaand schoolgebouw dat ouder is dan 20 jaar op grond van een Meerjaren Onderhoudsplan groot onderhoud plannen aan installaties, dak, muren of isolatie, dan treden schoolbesturen een jaar voorafgaand aan de investering actief in overleg met de gemeente. • Indien in een Integraal Huisvestingsplan blijkt dat de betreffende school en het gebouw voor de middellange termijn (30 jaar of meer) een belangrijke rol blijft spelen, dan kan het een zakelijke, bedrijfseconomische en / of kwalitatieve afweging zijn om de levensduur met een verdergaande huisvestingsmaatregel te verlengen. Indien gemeentelijke ambities als energietransitie gediend worden dan kan een gemeentelijke bijdrage aan een upgrade van het gebouw worden overeengekomen. • In een integrale businesscase doet een onafhankelijk bouwkundig bureau (door gemeente en schoolbesturen aan te wijzen) onderzoek naar de kosten van verduurzaming. Uitgangspunt is dat de exploitatie van een school met minimaal 10 jaar wordt verlengd ten opzichte van de officiële afschrijftermijn van het hoofdgebouw. Deze verlenging van de levensduur wordt contractueel vastgelegd en de gemeente brengt deze tot uitdrukking in een verlenging van de afschrijftermijn.
• De geplande verduurzaming moet leiden tot een substantiële kwalitatieve verbetering van het schoolgebouw, meetbaar door een verbetering van het energielabel van de school met minimaal twee stappen en een verhoging van de classificering volgens “Frisse Scholen” met betrekking tot minimaal het onderdeel CO2 van klasse C naar klasse B gaat. • De gemeente draagt maximaal 50% van het vastgestelde normbudget uit de onder punt 3 beschreven kostenberekening. Het bouwrisico ligt bij de schoolbesturen. Uitvoeringsagenda 2020-2026 en financiële consequenties Het huisvestingsplan voorziet in planmatige aanpassingen. Deze uitvoeringsagenda (zie tabel) biedt zicht op de fysieke maatregelen in de periode tot 2026. De ruimtelijke en financiële consequenties zijn normatief benaderd in aansluiting op bestaande lokale afspraken. Expliciet wordt aangemerkt dat op onderwijsinhoudelijke gronden (zie ook strategische thema’s, hoofdstuk 4) kan worden afgeweken van het normatieve uitgangspunt. Nadere uitwerking van de voorstellen op locatieniveau (door schoolbesturen ) is binnen de businesscases noodzakelijk. Schoolbesturen kunnen er voor kiezen om gelijktijdig aanvullende versterkende aanpassingen aan het gebouw te doen vanuit haar eigen verantwoordelijkheid. In voorliggend IHP 2021-2036 zijn maatregelen gedefinieerd.
Dit leidt tot een verplichting voor de gemeente om betreffende maatregelen te nemen en te financieren. Investeringen in onderwijs vragen een beslag op schaarse middelen. De beschikbaarheid van de noodzakelijke financiële middelen kan in voorkomende gevallen (mede) bepalend zijn voor het tempo waarmee overeengekomen investeringen gerealiseerd worden.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
61
Businesscase Mutatie 2024
Businesscase Puur Sang 1.961 m² bvo ruimtebehoefte
2025
Businesscase Restantvraag Mierlo
1.500 m² bvo ruimtebehoefte8 Businesscase Sint Jozef
2025
Nader te bepalen 9
n.t.b.
−
Kostenraming B (toekomstgericht)
€ 2.550
€ 2.765
€ 5,00 mln.
€ 5,42 mln.
€ 3,83 mln.
€ 4,15 mln.
PM
PM
Businesscase SBO Van der Putt
2024
−
Kostenraming A (VNG norm)
Businesscase De Vlinder en ’t Vijfblad Nader te bepalen
Bovenbeschreven investeringen betreffen enkel de onderwijsruimten (normatief). Investeringen in aanpalende kindfuncties of gemeenschapsfuncties zijn niet meegenomen in de ramingen. Bij verdere planontwikkeling dienen leerlingenaantallen en -prognoses getoetst te worden aan de actualiteit. In de businesscases zal voor elk individueel project een actuele stichtingskostenraming moeten worden opgesteld.
8 Leerlingeprognoses door Pronexus op te stellen. 9 Leerlingeprognoses door Pronexus op te stellen, met een splitsing in onder- en bovenbouw.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
62
9. Implementatie
9
Implementatie
Geldrop-Mierlo I RO21050211
63
Voorliggend Integraal Huisvestingsplan geeft op basis van gedegen onderzoek in een op draagvlak gericht proces een schets van de gewenste ontwikkelingen in onderwijshuisvesting binnen de gemeente Geldrop-Mierlo. Vanuit de eigen visies en wensen van partners is, langs wettelijke kaders en uitgangspunten, een beeld bepaald van de reële ontwikkelingen van de diverse locaties. Bij de implementatie van de genoemde huisvestingsmaatregelen is het ook belangrijk om rekening te houden met de onderstaande aspecten. Inhoud staat voorop Aan de basis van het IHP ligt de intentie om de positie van kinderen in de gemeente Geldrop-Mierlo te verbeteren. Gezamenlijke huisvesting kan samenwerking faciliteren om te komen tot een goede begeleiding van kinderen van 0 tot 13 jaar: in onderwijs, maar ook in aanvullende voorzieningen van opvang en zorg. In voorliggend plan wordt daar, waar mogelijk, de ruimte voor gerealiseerd. De strategische thema’s uit hoofdstuk 4 gelden niet alleen voor de bouwopgaven in het IHP. De geformuleerde ambities ten aanzien van samenwerking gaan inhoudelijk verder en vragen op onderdelen specifiek beleid. Dat vraagt van gemeente, onderwijsbesturen en partners in opvang en zorg om het gesprek aan te blijven gaan over de wijze waarop de gezamenlijke inhoudelijke ambities voor alle kinderen in de gemeente bereikt kunnen worden.
De gemeente maakt daar, vanuit haar regierol, met partijen bindende afspraken over. Intussen kunnen maatschappelijke partners op het niveau van de eigen kern de samenwerking actief verbeteren. Leerlingenontwikkelingen In het IHP zijn gegevens ten aanzien van de ontwikkeling van leerlingenaantallen gebruikt en verwerkt (zie hoofdstuk 6). De investeringsvoorstellen zijn gericht op het aansluiten van adequate huisvestingsruimte aan de meest waarschijnlijke ontwikkelingen. De situatie kan echter ontstaan dat een mismatch tussen vraag en aanbod ontstaat. Gemeente Geldrop-Mierlo en schoolbesturen spreken af dat zij op grond van de verordening in redelijkheid tot aanvullende maatregelen kunnen komen, waarbij het perspectief van de ordeningsprincipes in dit IHP overeind blijft. Om goed voorbereid te zijn adviseert RO groep de gemeente Geldrop-Mierlo om met regelmaat (bij voorkeur elke twee jaar) nieuwe leerlingenprognoses te laten opstellen. Op die wijze kan gemonitord worden of de prognoses in lijn blijven met het opgestelde IHP. Nb.: Van Rijkswege zijn verschillende wetwijzigingen doorgevoerd, voorgesteld en in voorbereiding. Dergelijke wijzigingen blijven van invloed op analyses en constateringen in de voorliggende visie en huisvestingsplan.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
64
10.
Bijlagen
10
Bijlagen
Geldrop-Mierlo I RO21050211
65
Bijlage 1. Informatiefundament Bijlage 2. Functionele en gebouwelijke scan (matrix) Bijlage 3. Algemeen kader
Geldrop-Mierlo I RO21050211
66
Bijlage 1. Informatiefundament
Bijlage 1 Informatiefundament Onderwijs & Opvang Geldrop-Mierlo
Geldrop-Mierlo I RO21050211
67
Bijlage 2. Functionele en gebouwelijke scan (matrix)
Bijlage 2 Functionele en gebouwelijke scan (matrix)
Geldrop-Mierlo I RO21050211
68
Bijlage 3. Algemeen kader
Bijlage 3 Algemeen kader
Geldrop-Mierlo I RO21050211
69
Bij het vormgeven van een IHP dient rekening te worden gehouden met algemene kaders en uitgangspunten en wet- en regelgeving. Dit hoofdstuk beschrijft achtereenvolgens de maatschappelijke, gemeentelijke en wettelijke kaders. Ontwikkelingen binnen een bepaald kader worden tevens toegelicht. De onderwerpen en vraagstukken zijn in willekeurige volgorde beschreven en geven geen mate van belangrijkheid aan. Maatschappelijk Naar participatiesamenleving en aanspreken vereende krachten De ‘participatiesamenleving’ zet de burgers, bedrijven en instellingen centraal. Zij worden betrokken bij het vormgeven van de maatschappij. De moderne burger wil niet door de overheid worden bevoogd, maar ruimte krijgen om zijn eigen leven vorm te geven. Inwoners zoeken elkaar actief op in laagdrempelige vormen van samenwerking: in zorg en positieve gezondheid, tot energie-coöperaties en deeleconomie. Vernieuwde aandacht voor het coöperatieve past daarin. Meer initiatief bij de burger Burgers willen actief betrokken zijn bij inrichting en beheer van de publieke ruimte en voorzieningen. Ze nemen initiatief en pakken dagelijks problemen in hun leefomgeving aan. Aan de basis daarvan ligt een mengeling van persoonlijke gedrevenheid, bewustzijn van de eigen expertise of onvrede met een bestaande situatie: burgers weten het soms echt beter.
Gemeenten realiseren zich dat en oefenen ‘loslaten’ door inwonersinitiatief actief te faciliteren. Verbinden Burgers raken in (nieuwe) verbanden flexibel met elkaar verbonden: een samenspel tussen mensen, verenigingen, maatschappelijke organisaties en ondernemers. Dit draagt bij aan de bestendigheid en duurzaamheid van activiteiten door het efficiënter benutten van expertise, inzet, faciliteiten en voorzieningen. Belangrijk element daarin is het hebben van een toegankelijke, liefst inclusieve maatschappelijke infrastructuur, die ruimte biedt aan alle mensen, ook voor anderstalige nieuwkomers of voor mensen met een beperking door bijvoorbeeld gedragsproblematiek, ziekte of handicap. Duurzaamheid breed gedragen Een belangrijk nieuw thema is duurzaamheid en klimaatadaptie. Overheden stellen voorwaarden in wetgeving, zoals in de Wet Milieubeleid en nieuwe wetgeving uit het Klimaatakkoord. Verduurzamen is ook een maatschappelijke trend, die niet zal keren: burgers willen hun leven duurzaam invullen, zorgvuldig naar natuur, zuinig met verbruik van materialen en kwalitatief hoogwaardig om langer gebruik mogelijk te maken. Dit levert voor nu en zeker in de toekomst een zeer bewuste generatie. Streven naar intensiever, efficiënter en gedeeld vastgoedbeleid voor maatschappelijke functies en (her)gebruik van bestaand vastgoed past in deze verduurzamingsrealiteit.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
70
Gemeentelijk Gemeente voelt zich verantwoordelijk De gemeente heeft enkele wettelijke taken op het gebied van onderwijs, zoals het handhaven van de Leerplichtwet, het inzetten van leerlingenvervoer, de zorgplicht voor onderwijshuisvesting in het funderend onderwijs en het uitvoeren van onderwijsachterstandenbeleid via bijvoorbeeld Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). Daarnaast moet de gemeenteraad voldoende algemeen toegankelijk openbaar onderwijs borgen. De bevoegdheden zijn beperkt, terwijl de effecten en resultaten van het onderwijs van immense invloed zijn op de manier waarop de maatschappij en lokale gemeenschap worden vormgegeven en (onderling) acteren. Relatie met sociaal domein De gemeente kreeg met de decentralisaties in het sociaal domein in 2015 een taakverruiming; WMO, Jeugdwet, Participatiewet. Het onderwijs valt formeel niet onder de gedecentraliseerde taken in het sociaal domein. Door de Wet Passend Onderwijs worden scholen echter via de samenwerkingsverbanden verplicht hun ondersteuningsplan af te stemmen op het beleidsplan jeugdhulp, met het doel dat alle kinderen een plek krijgen op een school die past bij hun kwaliteiten en mogelijkheden. Soms is het ook nodig dat onderwijs, jeugdhulp en gemeente afstemmen rondom individuele ondersteuning.
Het onderwijs en de lokale overheid hebben elkaar als partners nodig om invulling te kunnen geven aan hun (gezamenlijke) opgaven in het belang van kinderen. Samen werken aan duurzame samenleving Het onderwijs heeft een belangrijke functie in het creëren van kansen voor de kernen in de gemeente. Door talenten te herkennen en te benutten én vroegtijdig zicht te krijgen op wat stimuleert, draagt onderwijs bij aan vitale participerende burgers en daarmee aan een sterke innovatieve gemeenschap. Het onderwijs moet blijven anticiperen op de veranderende behoeften in de maatschappij, van de kinderen en jongeren, van de ouders en ontwikkelingen in de omgeving. De komende jaren wordt van de gemeente als regisseur in het jeugddomein, en van de onderwijsinstellingen en andere partners eveneens inspanning gevraagd voor het vasthouden van een sterke, duurzame, inclusieve samenleving. Samenwerking biedt daarbij mogelijkheden om kinderen en jongeren kwalitatief hoogwaardige leer- en ontwikkellijnen te bieden in goede voorzieningen. Deze samenwerking vraagt een gezamenlijke visie op inhoud en vorm. Wettelijk (wet- en regelgeving) Gedeelde verantwoordelijkheid Het wettelijk kader van onderwijshuisvesting kent een gedeelde verantwoordelijkheid tussen gemeenten en schoolbesturen. De gemeente heeft de zorgplicht om voldoende en adequate huisvesting beschikbaar te stellen voor het PO, (V)SO en VO.
De gemeente is (ook financieel) verantwoordelijk voor nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. De verantwoordelijkheid van renovatie is in de huidige wetgeving nog niet vastgelegd, maar de verwachting is dat deze aan het gemeentelijke voorzieningenpakket van onderwijshuisvesting wordt toegevoegd.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
71
Het schoolbestuur heeft de verantwoordelijkheid de huisvesting goed te beheren en te exploiteren. Zij draagt de kosten voor de exploitatie van het gebouw (energie, water, en schoonmaak), alsmede voor klein en groot onderhoud van het gebouw en de tuin gedurende de gebruikstermijn van het gebouw. Door de gedeelde verantwoordelijkheid in onderwijshuisvesting zijn de belangen tussen schoolbesturen en gemeente soms tegengesteld. De gemeente heeft er baat bij investeringen zo laag mogelijk te houden. De keuze om investeringen in nieuwbouw uit te stellen of te verwijzen naar leegstand is soms verleidelijk, ondanks dat onderhoudskosten of energiekosten (verantwoordelijkheid schoolbestuur) daardoor juist hoger kunnen zijn. Schoolbesturen hebben tegelijkertijd behoefte aan een gebouw dat goed te exploiteren is: passend bij de omvang van de school, modern en efficiënt, en energievriendelijk. Zij kan er baat bij hebben om onderhoud te verminderen om eerder in aanmerking te komen voor een nieuw schoolgebouw. Het juridisch eigendom, en daarmee de juridische aansprakelijkheid, ligt in beginsel bij het schoolbestuur. Daardoor mag het schoolbestuur een gedeelte van het gebouw verhuren of in medegebruik geven, mits dit medegebruik is voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.
Bij verhuur dient het schoolbestuur aan het college van B&W toestemming te vragen voor het onttrekken van de onderwijsbestemming van het gebouwdeel. Omdat de gemeente het gebouw en de ondergrond bekostigt, heeft zij het economisch claimrecht als het schoolbestuur het gebouw, of een gebouwdeel niet langer gebruikt. In die situatie krijgt de gemeente ook het juridisch eigendom van het betreffende gebouw. Een gemeente of schoolbestuur kan tevens het initiatief nemen om delen van het schoolgebouw aan de onderwijsbestemming te onttrekken. In dat geval gaat voor dit gebouwdeel het eigendom over naar de gemeente. Gemeentelijke verordening als vangnet Gemeenten zijn op grond van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), Wet op het voortgezet Onderwijs (WVO) en Wet op Expertisecentra (WEC) verplicht om samen met schoolbesturen in Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) een Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs te ontwikkelen en vast te stellen. Daarin zijn op basis van gemeentelijk onderwijshuisvestingsbeleid kaders, uitgangspunten en inhoudelijke voorwaarden geregeld. Ook worden de procedures voor het aanvragen van voorzieningen in de huisvesting, toegespitst op specifieke gemeentelijke voorwaarden, vastgelegd. Voorzieningen in de huisvesting zijn: • •
• •
Voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen10; Herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; Herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; Huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening.
10 (Vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, (gedeeltelijk) in gebruik nemen van bestaand gebouw,
verplaatsing van bestaande noodlokalen, terrein voor het realiseren van voorgaande voorzieningen. Inrichting met onderwijsleerpakket en/of meubilair (mits niet eerder bekostigd). Medegebruik ander onderwijsgebouw.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
72
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het aanvragen voor de voorziening in de huisvesting (binnen de vastgestelde procedures). Schoolbestuur is volgens de wet aangewezen als bouwheer voor de realisatie. De gemeente stelt bouwrijpe grond en middelen beschikbaar. Indien schoolbestuur het bouwheerschap niet wenst kan het aan de gemeente verzoeken om dit bouwheerschap over te nemen. Gemeente kan dan een andere partij zoeken. De gemeente heeft de bekostigingsverantwoordelijkheid voor realisatie, instandhouding en exploitatie van gymnastiekvoorzieningen (lokaal bewegingsonderwijs). De gemeente ontvangt hiervoor via het gemeentefonds een vergoeding. Wanneer een school gebruik maakt van een gemeentelijke sportvoorziening, dient de gemeente de accommodatie om niet in gebruik te geven voor het vastgestelde aantal klokuren. Het financieel risico van de exploitatie ligt dan bij de gemeente. Indien de gymnastiekvoorziening, na realisatie door gemeente, eigendom is van het schoolbestuur, ontvangt zij voor het vastgesteld aantal klokuren een (vastgestelde) vergoeding. De resterende kosten voor exploitatie en instandhouding dienen via medegebruik opgevangen te worden. In het amendement dat in februari 2020 aangenomen is door de Tweede Kamer, worden scholen verplicht minimaal twee uur per week bewegingsonderwijs te geven.
Er staan geen klokuren of lesuren in het amendement en daarover zijn ook geen afspraken c.q. bepalingen aangepast. De KVLO gaat er daarom vooralsnog vanuit dat de huidige afspraken c.q. bepalingen met betrekking tot de bekostiging en gemeentelijke facilitering van de accommodatie blijven gelden (artikel 117 WPO). Investeren in huisvesting ten behoeve van kinderopvang (kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang) valt niet onder de zorgplicht van de gemeente en is daarmee ook geen onderdeel van de verordening. Organisaties voor kinderopvang worden op andere wijze gefinancierd en dienen zelf te investeren in hun huisvesting of een passende huur te betalen voor de huisvesting waar zij gebruik van maken. Maatschappelijke vraagstukken Onderwijshuisvesting dient bij nieuwbouw te voldoen aan de wettelijke bouweisen (bouwbesluit). Aan bestaande onderwijsgebouwen stelt de wetgever slechts beperkte wettelijke eisen. Belangrijkste voorwaarde is dat gebruik als schoolgebouw vergunbaar is en dat dus aan minimale eisen met betrekking tot gezondheid en veiligheid wordt voldaan. Dat is te begrijpen, omdat gebouwen een levens en gebruiksduur hebben van vele jaren (minimaal 40 jaar). Inhoudelijke veranderingen in het onderwijs kunnen aanleiding zijn voor gemeente en schoolbestuur om naar deze accommodaties te kijken.
Tegelijkertijd vragen maatschappelijke ontwikkelingen als klimaat, energieneutraliteit, Frisse Scholen en duurzaamheid aandacht bij zowel nieuwbouw als bestaande bouw. Deze ontwikkelingen vinden stap voor stap ook hun plek in bouwregelgeving. PO Raad, VO Raad, VNG en rijk werken samen aan het verbeteren van het wettelijke kader. Momenteel ligt wetgeving voor die de schoolbesturen en gemeente meer gezamenlijke en gelijkwaardige verantwoordelijkheid geeft in de voorzieningen voor de huisvesting. Belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is een wettelijk kader rondom renovatie, waarbij renovatie als levensduurverlenging van tenminste 25 jaar een volwaardig alternatief wordt voor nieuwbouw.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
73
De uitdaging voor gemeenten is om intussen keuzes te maken, die daar soms op vooruit lopen. Een beter gebouw leidt tot een hogere kwaliteit van het onderwijs (door betere verblijfscondities) en een efficiëntere exploitatie voor het schoolgebouw (waardoor meer geld beschikbaar blijft voor onderwijs). Maar grotere huisvestelijke ambities leiden ook tot een hogere investering. Elke aanscherping van kwaliteitsafspraken voor nieuwbouw kost geld; bouwkosten worden immers hoger. Belangrijke maatschappelijk ontwikkelingen zijn: •
Energie en CO2-neutraliteit De wetgever ontwikkelt beleid op weg naar energie-efficiëntie. De eerste stap naar deze verduurzaming werd gezet in het Energieakkoord uit 2013. Daarna zijn op wereldschaal in Parijs afspraken gemaakt en deze worden via klimaattafels in publiek-private samenwerking tussen overheid, instellingen, bedrijven en burgers vertaald naar concrete doelstellingen en een praktische aanpak voor Nederland: het Klimaatakkoord. Ook voor onderwijshuisvesting (utiliteitsbouw) komt binnenkort een vast te stellen routekaart PO en VO, die tot een aanscherping van het beleid leidt. Dit heeft consequenties voor zowel nieuwbouw in de vorm van verscherpte bouweisen als een verplichte aanpak van bestaand vastgoed met als doel het bereiken van CO2-neutraliteit in 2050. Vooruitlopend op de routekaarten is het een verplichting om bij nieuwbouw gasloos en bijna energie neutraal (BENG) te bouwen.
•
Frisse Scholen en Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting Kwaliteit van onderwijshuisvesting is van invloed op de prestaties van de leerlingen en het onderwijzend personeel. Het waarborgfonds & Kenniscentrum Ruimte-OK heeft in overleg met de PO-Raad en de VNG het Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting ontwikkeld, waarin gebouwen worden beoordeeld op verschillende aspecten op de thema’s Beleving, Gebruik en Techniek. Het laat ook zien waar deze basiskwaliteit uitstijgt boven de wettelijke minimumeisen uit het Bouwbesluit. Het Waarborgfonds Kinderopvang heeft een soortgelijk kader opgesteld voor de kinderopvang: Kwaliteitskader Huisvesting Kinderopvang. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft als onderdeel van het programma Energiebesparing in de Gebouwde Omgeving van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een Programma van Eisen opgesteld met minimale eisen voor een goed binnenmilieu en een lage energierekening; PvE Frisse Scholen. Frisse Scholen is een kwaliteitskader, waarmee wetgever, gemeenten en onderwijs streven naar verbetering van de kwaliteit van zowel nieuwbouw als ook bestaande scholen, gericht op de verbetering van de verblijfsaspecten Energie, Lucht, Temperatuur, Licht en Geluid. Voor alle thema’s zijn prestatie-eisen voor drie kwaliteitsniveaus omschreven; C, B A.
Op de thema’s energie en lucht dient bij nieuwbouw minimaal voldaan te worden aan klasse B, om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit. Gemeente, schoolbestuur en kindpartners zoeken samen op lokaal niveau een balans in de ambities en investeringen in gebouwkwaliteit.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
74
•
Duurzaamheid Onderwijshuisvesting moet de gebruiksfunctie duurzaam ondersteunen. Daarbij zijn neutraliteit in energiegebruik alsmede kwaliteit en hergebruik van materialen voor de hand liggende thema’s. Maar daarnaast moet ook aandacht zijn voor de continuïteit van geschiktheid van een schoolgebouw. Goede, relevante schoolgebouwen kunnen onderwijs, en vooral de te verwachten veranderingen daarin, op lange termijn meemaken. Gemeenten, schoolbesturen en kindpartners moeten ook vanuit dat inhoudelijke perspectief samen beoordelen of investeren in onderwijsgebouwen zinvol is met een blik, die verder gaat dan vandaag en morgen.
Een eerlijke balans De taakverdeling tussen gemeente en schoolbesturen voor adequate huisvesting kan problemen opleveren. Partijen hebben immers niet altijd gelijke belangen. Gemeente heeft er baat bij als schoolbestuur een gebouw goed exploiteert en lang actief onderhoudt tot bij voorkeur zelfs na het einde van de gebruiksduur. Schoolbestuur ziet graag dat een gemeente proactief (vroeg) investeert in nieuwbouw van een efficiënt te exploiteren gebouw. De eerder geschetste maatschappelijke ontwikkelingen maken het gecompliceerder om tot afspraken te komen binnen het bestaande wettelijk kader. Daarbij zijn verschillende thema’s relevant: •
•
•
•
De discussie over duurzaamheid heeft een nieuwe dimensie gekregen door de snel scherper wordende eisen met betrekking tot energiegebruik. Vanuit duurzaamheidseisen wordt het onderscheid tussen exploitatie/onderhoud en investering minder relevant. Om die reden wordt het voorstel gedaan om renovatie, naast nieuwbouw c.q. opwaardering tot nieuwbouwvoorwaarden van een bestaand gebouw, een onderdeel van het voorzieningenpakket te laten worden (met als uitgangspunt dat dit leidt tot een levensduurverlenging van tenminste 25 jaar). Het wordt relevanter dat vanuit Total Cost of Ownership een verband wordt gelegd tussen investeringen vanuit wettelijke zorgplicht en onderhoudsplannen van schoolbesturen op de middellange en lange termijn. Onderhoudsgelden kunnen dan immers samengevoegd worden met investeringsmiddelen om tot efficiënte maatregelen te komen. Om dit te verbinden is kan het helpen als schoolbesturen ruimte krijgen om mee te investeren in huisvesting vanuit hun materiële instandhoudingsvergoeding. Tot nu is dat ingewikkeld en slechts beperkt toegestaan voor het Voortgezet Onderwijs; enkel voor co-investeren in maatregelen, die in exploitatie terug verdiend kunnen worden.
Voor het Primair Onderwijs en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs zijn de beperkingen stringenter en uitbreiding van de mogelijkheden behoort tot de aan het Rijk aangereikte voorstellen voor een wetsaanpassing van PO Raad, VO Raad en VNG. Een heldere en bindende planning op de middellange en lange termijn (tot 20 jaar) is noodzakelijk. Het is daarom waarschijnlijk dat het instrument Integrale Huisvestingsplanning (IHP) een wettelijke verankering krijgt en voor elke gemeente een verplichting wordt. Ook de procedures ten aanzien van jaarlijkse aanvragen dienen daarbij aangepast te worden aan de nieuwe werkelijkheid.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
75
Goede financiële randvoorwaarden Bouwprijzen zijn in de afgelopen jaren gestegen door verschillende ontwikkelingen. In de eerste plaats was er een correctie op forse prijsdalingen uit de recessie van 2008. Daarnaast ontstonden capaciteitsproblemen, met name in bouwmaterialen. En tenslotte namen de kwaliteitseisen voor duurzaamheidsvragen toe, vooruitlopend op wettelijke verankering. Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG) werd een verplichting in de aanloop naar ENG of zelfs klimaatneutraal. Als reactie daarop heeft de VNG in 2018 verhoging van de normbedragen van nieuwbouw geadviseerd. De gemeenten hebben gezamenlijk aan het Rijk gevraagd om deze prijswijziging aan te passen in de berekeningen voor het gemeentefonds. De reeds verhoogde normen gaan uit van ‘sober en doelmatig bouwen’ en zijn gebaseerd op het oude bouwbesluit. Hiermee kan nog geen invulling gegeven worden aan BENG of andere kwaliteitsvoorwaarden. Het is aan de gemeente om, in overleg met schoolbesturen, een balans te zoeken tussen deze kwaliteitseisen en de financiële ruimte. Daarbij zijn verschillende aandachtspunten relevant: •
•
•
•
•
Betaalbaarheid in relatie tot opgave: Toegekende bouwbudgetten in de uitvoeringsplanning moeten leiden tot uitvoerbare plannen. Dit vraagt van gemeente en schoolbesturen om in goed overleg een balans te zoeken tussen het toekennen van voorzieningen in het kader van zorgplicht en de soms beperkte financiële ruimte van de gemeente. Kwaliteitsvoorwaarden: Hogere eisen vertalen zich in een hogere bouwprijs. De kwaliteitseisen zullen de komende jaren verder toenemen vanwege stappen in de richting van energieneutraliteit. Extra eisen leiden vaak tot grotere prijsstijgingen en later vlakken die dan af. Er moet daarom gestreefd worden naar een balans tussen kwaliteitseisen en het beschikbaar te stellen bouwbudget. Eigen bijdrage van schoolbesturen: Schoolbesturen in het Voortgezet Onderwijs mogen vanuit Total Cost of Ownership (TCO)benadering mee-investeren in nieuwbouw of renovatie van een school als deze extra investeringen (in duurzaamheid) binnen een aanvaardbare tijd kunnen worden terugverdiend. De verwachting is dat deze mogelijkheden worden uitgebreid voor het Primair en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs. Lokale marktomstandigheden: De VNG baseert de normbedragen op een algemeen beeld van de prijsontwikkeling in de bouw. In verschillende delen van het land gelden vaak andere voorwaarden en het is aan een gemeente zelf om daar in IHP of verordening keuzes in te maken.
Continuïteit: Bouwprijzen kunnen binnen korte termijn sterk fluctueren. Met het oog op de te verwachten veranderingen in eisen de komende tijd, lijkt het voor de hand te liggen om in IHP en verordening afspraken te maken over hoe met prijsstijgingen kan worden omgegaan. Dit met het oog op de langjarige realiseerbaarheid van een gedragen, vast te stellen uitvoeringsprogramma.
Geldrop-Mierlo I RO21050211
76
RO groep Zuid Postbus 3086, 6202 NB Maastricht Wilhelminasingel 58, 6221 BK Maastricht T 043 – 350 00 50, F 043 – 325 72 12 info@rogroep.nl, www.rogroep.nl