CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Mierloseweg 28-38 Geldrop - Toelichting

Commissie Ruimte 22 mei 2024, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Mierloseweg 28-38 Geldrop16.213 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.1.2

Bodem In het kader van de Wro dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Bij de omzetting van de bedrijfs- en kantoorbestemming naar een woonbestemming is er sprake van een wijziging naar een gevoeligere bestemming waardoor een bodemonderzoek noodzakelijk is in het kader van de planologische procedure. Aangezien er binnen het plangebied verschillende bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden is in eerste instantie een vooronderzoek bodem (conform NEN5725) ui9tgevoerd. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten is een strategie voor het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek opgesteld. De volledige rapportages zijn bijgevoegd als separate bijlage III en IV. Onderstaand worden de conclusies en aanbevelingen uit het verkennend bodemonderzoek weergegeven.

In onderhavig rapport zijn vier deellocaties onderzocht: Deellocatie 1: gehele onderzoekslocatie Deellocatie 2: stalling auto’s bij autogarage Deellocatie 3: opslag jerrycans op klinkerverharding Deellocatie 4: opslag jerrycans op klinkerverharding Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn verspreid over de locatie zintuiglijk bijmengingen met baksteen waargenomen. Ter plaatse van boorpunt 09 zijn in de ondergrond sporen plastic waargenomen. Deellocatie 1: Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium, lood, zink, minerale olie, PAK en som PCB. De ondergrond is licht verhoogd met lood, zink en PAK. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium. Deellocatie 2: Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. 31

De ondergrond is licht verhoogd is met lood, zink, minerale olie, som PCB en sterk verhoogd met PAK. De Sterke verhoging met PAK blijkt zich in de laag van 0,5 – 1,75 meter -maaiveld. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium. Deellocatie 3 en deellocatie 4: Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond licht verhoogd is met lood, zink en PAK. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en cadmium. De resultaten van dit bodemonderzoek geven voor wat betreft het sterk verhoogde gehalte aan PAK in de ondergrond ter plaatse van boring 16 aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Voorafgaand aan de herontwikkeling dient vastgesteld te worden of het een lokale puntverhoging betreft van beperkte omvang. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt momenteel mogelijk een belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die erop toeziet dat nader onderzoek naar de bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd voordat kan worden begonnen met de beoogde herontwikkeling. Dit vormt geen belemmering ten aanzien van de (economische) haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

5.1.3

Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of er op het gebied van de luchtkwaliteit kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM. Hierbij is gekeken naar de concentraties fijn stof en stikstofdioxide.

Norm Concentratie

Concentratie stikstofdioxide (NO2) 40 µg/m3 13,26 µg/m3

Concentratie fijn stof (PM10) 40 µg/m3 15,07 µg/m3

Concentratie fijn stof (PM2,5) 25 µg/m3 8,646 µg/m3

Uit bovenstaande tabel blijkt dat ruimschoots kan worden voldaan aan de maximale normen voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5).

32

Daarnaast kunnen ontwikkelingen invloed hebben op de luchtkwaliteit door onder andere een toename in het aantal verkeersbewegingen. Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie met maximaal 342 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt.

Figuur 11: NIBM-tool

Middels de NIBM-tool van het RIVM is berekend of deze toename aanleiding geeft voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit. In figuur 12 is te zien dat de toename ‘niet in betekende mate’ is. Dat wil zeggen dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.

5.1.4

Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Er dient te worden bepaald of de geursituatie voor geurgevoelige objecten in het buitengebied acceptabel is. Zo dient er voor woningen sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

33

Figuur 12: Kaart achtergrondbelasting geur ODZOB met plangebied wit omcirkeld

Daarom is voor de beoogde locatie gekeken of er inderdaad sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Conform de actuele geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie tussen 0 en 3 ouE/m3 bedraagt (figuur 12). Op het gebied van geur wordt het woon- en leefklimaat als ‘zeer goed’ beoordeeld. Ten aanzien van geur zijn er dan ook geen belemmeringen.

5.1.5

Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Een nieuwe woning is een geluidgevoelig object. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai en/of industrielawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengen voor de toekomstige bewoners van de beoogde appartementen. Wegverkeerslawaai In dit geval worden er binnen de invloedssfeer van de zoneplichtige wegen Johan Peijnenburgweg en Mierloseweg, waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt,

34

nieuwe geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit dit akoestisch onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage V. Ter plaatse van de gevels van complex 1, 2, 3, 4 en 5 wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de geluidbelasting afkomstig van de Mierloseweg inclusief correctie, wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Ter plaatse van de gevels van complex 2 bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de Johan Peijenburgweg inclusief correctie van artikel 110g ten hoogste 49 dB. Derhalve wordt daar niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Ter plaatse van de gevels van complex 1, 3, 4 en 5 bedraagt de geluidbelasting afkomstig van de Johan Peijenburgweg inclusief correctie van artikel 110g 48 dB of minder. Derhalve wordt daar voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Doormiddel van een gevelweringonderzoek dient bij de appartement complexen 1, 2, 3, 4 en 5 aangetoond te worden dat een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA,K) gerealiseerd kan worden om aan een binnenniveau van 33 dB te voldoen.

Ten aanzien van de buitenruimten van de gebouwen kan verondersteld worden dat er een tamelijk slecht tot slecht en matig tot goede geluidskwaliteit heerst ter hoogte van de buitenverblijven van de gebouwen. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere grenswaarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Spoorweglawaai en industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone(s) van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Een nader akoestisch onderzoek in het kader van de toets aan de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het geadviseerde gevelweringsonderzoek zal worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning ‘Bouwen’. Voor een dergelijk onderzoek zijn verdere bouwkundige gegevens nodig, die geen deel uit maken van deze bestemmingsplan herziening. Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

5.1.6

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide 35

begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen1.

een

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1

36

Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer sprake is van toename van groepsrisico of overschrijding van oriëntatiewaarde.

het de

In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde de veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 13 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

Figuur 13. Uitsnede EV-signaleringskaart met plangebied blauw omcirkeld

Risicovolle inrichtingen Ten zuidoosten van het plangebied is aan de Sluisstraat 134 een tankstation gelegen. Op het tankstation is een LPG-vulpunt, -reservoir en -afleverinstallatie aanwezig. De 37

risicocontouren behorende bij de LPG-afleverinstallaties bedragen ten hoogste 15 meter. De risicocontouren behorende bij het LPG-reservoir en -vulpunt bedragen ten hoogste 25 meter. Gezien de ligging van het plangebied op circa 530 meter van het tankstation, is het plangebied buiten de risicocontouren gelegen. Ten aanzien van het vulpunt en het reservoir is tevens sprake van een invloedsgebied. Deze invloedsgebieden reiken tot een afstand van 150 meter. Hier is het plangebied niet binnen gelegen waardoor het groepsrisico niet verantwoord hoeft te worden. Ten zuidwesten van het plangebied is aan de Nieuwendijk 45 een koekfabriek gelegen. Dit betreft een risicovolle inrichting met een ammoniakinstallatie waarbij geen sprake is van een risicocontour waardoor deze inrichting geen belemmering vormt. Ten westen van het plangebied is aan de Eindhovenseweg 6 een tankstation gelegen. Op het tankstation is een LPG-vulpunt, -reservoir en -afleverinstallatie aanwezig. De risicocontouren behorende bij de LPG-afleverinstallaties bedragen ten hoogste 15 meter. De risicocontouren behorende bij het LPG-reservoir en -vulpunt bedragen ten hoogste 25 meter. Gezien de ligging van het plangebied op circa 910 meter van het tankstation, is het plangebied buiten de risicocontouren gelegen. Ten aanzien van het vulpunt en het reservoir is tevens sprake van een invloedsgebied.

Deze invloedsgebieden reiken tot een afstand van 150 meter. Hier is het plangebied niet binnen gelegen waardoor het groepsrisico niet verantwoord hoeft te worden. Ten noorden van het plangebied is aan de Spaarpot 6 het afvalverwerkingsbedrijf Renewi Van Gansewinkel gelegen. Deze inrichting heet een invloedsgebied dat reikt tot een afstand 1555 meter. Aangezien de afstand van de planlocatie tot deze inrichting 1300 meter bedraagt en de locatie daarmee binnen het invloedsgebied gelegen is, dient een beperkte verantwoordingsplicht voor het groepsrisico uitgevoerd te worden. Risicovol transport over wegen De Rijksweg A67 ligt op ca. 1700 meter van de planlocatie. Het invloedsgebied bedraagt 4000 meter. Daarmee ligt de planlocatie binnen het invloedsgebied. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Risicovol transport over spoorwegen Het invloedsgebied van het spoor bedraagt 995 meter. De afstand van planlocatie tot spoor bedraagt ca. 1100 meter. Het spoor is derhalve niet relevant. Risicovol transport over water In de omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport over water plaats, waardoor dit niet voor een belemmering zorgt met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. Buisleidingen In de directe omgeving zijn geen buisleidingen gelegen waarin gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Beperkte verantwoording groepsrisico Voor de beperkte verantwoording van het groepsrisico kan worden aangesloten bij het standaard advies van de veiligheidsregio Brabant-Zuidoost. Deze is onderstaand opgenomen. 38

Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties (januari 2020). De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden, zodat het standaard advies kan worden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: - Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. - Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. - Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren. Reactie van gemeente op het standaard advies van de Veiligheidsregio - Voor een snelle alarmering zijn WAS-palen aanwezig (waarschuwings alarm systeem).

Ook kan gebruik gemaakt worden van NL-Alert. - De beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zullen worden toegepast. De bereikbaarheid van de locatie is goed. De locatie is vanuit twee verschillende kanten/wegen goed bereikbaar. De bluswatervoorziening zal worden getoetst aan de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening. - De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012. Zelfredzaamheid Het betreft de realisatie van nieuwe woningen. Aangenomen kan worden dat de woningen betrokken worden door zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.1.7

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.

39

De beoogde woningen betreffen geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woningen gevoelige objecten betreffen, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied zijn zowel woonbestemmingen als bedrijvigheid en voorzieningen gelegen. Daarnaast is de locatie gelegen nabij het centrum van Geldrop en aan de ontsluitingsweg Mierloseweg waardoor gesproken kan worden van een gemengd gebied.

De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In onderstaande tabel is getoetst of voldaan kan worden aan de VNG-afstanden. De richtafstanden zijn reeds met 1 stap verkleind.

Adres

Soort bedrijf

Richtafstand

De Bleekvelden 1 t/m 21 De Bleekvelden 26 De Bleekvelden 30 Mierloseweg 22

Bedrijven milieucat. 1 & 2 Sportcentrum Bouwmarkt Tandtechnisch laboratorium Rijwielhandel Garagebedrijf & tankstation, geen LPG

Mierloseweg 52 Mierloseweg 54

Voldaan?

10 meter

Werkelijke afstand 11 meter

10 meter 10 meter 0 meter

115 meter 0 meter 15 meter

Ja Nee Ja

0 meter 10 meter

90 meter 110 meter

Ja Ja

Ja

Aangezien de beoogde woonbestemming grenst aan de bestemming Detailhandelsdoeleinden uit het bestemmingsplan ‘Woongebieden Zuid Oost Geldrop’, bedraagt de afstand tussen beide bestemmingsgrenzen 0 meter. Zodoende kan niet worden voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Conform de VNG-publicatie gelden voor bouwmarkten de volgende richtafstanden in gemengd gebied: - Geur: 0 meter; - Stof: 0 meter; - Geluid: 10 meter; - Gevaar: 10 meter. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of enerzijds het woon- en leefklimaat van de beoogde woningen niet negatief wordt beïnvloed door de aanwezige bedrijfsactiviteiten en anderzijds de bedrijfsactiviteiten niet worden beperkt door de realisatie van de nieuwe woningen.

40

In de huidige situatie grenzen de woningen aan de Mierloseweg 24 en 26 direct aan het perceel van de bouwmarkt. Door het toevoegen van nieuwe woningen aan de Mierloseweg 28-38 worden de bedrijfsactiviteiten van de bouwmarkt derhalve niet verder belemmerd dan in de huidige situatie het geval is. De bedrijfsactiviteit die potentieel voor de meeste (geluids)hinder kan zorgen is het laden en lossen van vrachtwagens. Dit gebeurt ter hoogte van de rolpoort aan de noordoostelijke zijde van het pand. Deze rolpoort en bijbehorende laad- en loszone ligt op circa 15 meter vanaf het plangebied. Aangezien deze afstand groter is dan de richtafstand kan worden verondersteld dat het woon- en leefklimaat niet negatief wordt beïnvloed door de aanwezige bedrijfsactiviteiten. Ten aanzien van de overige bedrijven wordt aan de richtwaarden voldaan. Omliggende bedrijven worden zodoende niet in hun bedrijfsvoering gehinderd en het woon- en leefklimaat is niet in het geding. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt zodoende geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.1.8

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 5.1.6) komt naar voren dat er geen kabels in het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone in het kader van de te voeren planologische procedure hebben. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven. Aangezien er in onderhavige ontwikkeling een parkeergarage wordt gerealiseerd is verder onderzoek noodzakelijk. Er zal in een vroeg stadium naar het riool en de kabels en leidingen gekeken moeten worden i.r.t. de parkeerkelder (en toegang ervan).

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Bij ruimtelijke ingrepen dient de watertoets te worden doorlopen. Hierin dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

41

5.2.1

Nieuwe ontwikkelingen Onderhavig plan betreft de sloop van een bedrijfspand ten behoeve van de bouw van een complex met maximaal 81 appartementen. In de huidige situatie is reeds bebouwing en verharding aanwezig. Een gedeelte van het perceel is in de huidige situatie in gebruik als tuin en derhalve onverhard. Aangezien het beoogde appartementengebouw groen wordt ingepast zal de bebouwing en verharding in de nieuwe situatie een gelijkwaardige oppervlakte van het perceel beslaan vergeleken met de huidige situatie.

5.2.2

Waterparagraaf In het kader van de realisatie van het appartementencomplex aan de Mierloseweg 2838 te Geldrop is een onderbouwing van het wateraspect opgesteld. In deze paragraaf wordt eerst het planvoornemen i.r.t. het wateraspect toegelicht. Vervolgens worden de afwegingen, aandachtspunten en randvoorwaarden voor de ontwikkeling besproken. Planvoornemen en afwegingen Het planvoornemen betreft de realisatie van een appartementencomplex na sloop van de bestaande bebouwing aan de Mierloseweg te Geldrop. Onder het volledige complex zal een parkeerkelder aangelegd worden. Het plangebied ligt momenteel op circa 19,0 m +NAP en kent nauwelijks een hoogteverschil. De GHG heeft een verwachte hoogte van circa 18,1 m +NAP. Ter plaatse wordt derhalve net voldaan aan de benodigde ontwateringsdiepte. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. De parkeerkelder dient waterdicht uitgevoerd te worden en instroom vanaf openbaar gebied dient voorkomen te worden. Voor de aanleg zal een tijdelijke bronnering benodigd zijn. Afhankelijk van de duur dient hiervoor een melding of vergunning aangevraagd te worden (Lozing buiten inrichtingen).

Om het risico op instromend water in de parkeergarage te verminderen dient de drempel van de parkeergarage 20 centimeter boven de wegas van de aansluitende weg te liggen. De constructie moet zodanig vorm worden gegeven dat instroming over maaiveld niet mogelijk is. Voor afvoer van water vanaf dit lage niveau dient bij de realisatie van de ontwikkeling rekening gehouden te worden met een eigen pompinstallatie als noodmaatregel. Het vloerpeil van de onderste woonlaag mag beslist niet lager liggen dan nu het geval is en altijd ten minste 20 centimeter boven de kruin van de aangrenzende weg. De maatregelen om wateroverlast in de parkeerkelder te voorkomen zijn verwerkt in het beoogde bouwplan. De planlocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Binnen en nabij de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor is er geen direct nadelig effect te verwachten door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Door de bouw van een appartementencomplex wordt geen toekomstige (grond)waterverontreiniging verwacht door het voldoen aan de milieu hygiënische randvoorwaarden. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden. Door de bouw van 81 appartementen neemt de verwachte afvalwaterstroom beperkt toe. Naar verwachting

42

zal deze toename in het bestaande rioolstelsel van de gemeente verwerkt kunnen worden. Voor de wijziging aan de rioolaansluiting op het gemeentelijk stelsel dient te zijner tijd bij de gemeente Geldrop-Mierlo een aansluiting aangevraagd te worden. Het gescheiden gehouden hemelwater dient op eigen terrein verwerkt te worden. Vanuit het waterschap is gezien de bestaande situatie en het kleine plangebied van circa 3.366 m2 geen retentie vereist bij de afkoppeling. Volgens het beleid van de gemeente dient het gehele perceel minimaal afgekoppeld te worden en dient een bui van 60 mm op eigen terrein te worden verwerkt. Ter plaatse is weinig ruimte aanwezig om hemelwater te verwerken. Verwerking in de bodem is ter plaatse moeilijk toe- en inpasbaar door de gewenste nieuwbouw op basis van de huidige planinvulling. Rondom het pand kunnen kleine tuintjes aangebracht worden. Overige mogelijkheden voor een duurzame(re) herontwikkeling zijn de opvang en hergebruik van hemelwater als toiletspoeling (opvang in kelder, bijvoorbeeld onder oprit). Verder kan op het dak een groen/sedum dak of daktuin gerealiseerd worden. Naast een vertraagde (piek)afvoer van het hemelwater draagt het groene dak bij aan een verminderde hittestress en bevordert het de biodiversiteit in het stedelijk gebied. Aanvullend kan groen op de terrassen of gevels aangebracht worden.

De resterende waterhoeveelheid zal dan vertraagd afvoeren naar het gemeentelijk stelsel bij gebrek aan alternatieven. Indien rekening wordt gehouden met bovenstaande aanbevelingen en gezien het gegeven dat de oppervlakte van de bebouwing en bijbehorende verharding niet toeneemt is geen directe wateroverlast te verwachten. Bij de nadere planinvulling dient er zoveel mogelijk aandacht gegeven te worden aan bijkomende hemelwateropvang (desnoods in het nabijgelegen openbaar gebied) zodat piekafvoeren zoveel mogelijk afgevangen worden. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden middels het Omgevingsloket. Overige aandachtspunten en randvoorwaarden Afkoppelen/niet aankoppelen staat voor het scheiden van hemelwater- en afvalwaterafvoer, op een afgewogen manier zodat een duurzaam watersysteem ontstaat. Daarbij moet men rekening houden met de waterhuishouding, de inrichting van de openbare ruimte, de milieuhygiënische gevolgen en de zorg voor de volksgezondheid en welzijn.

Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden 43

gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: • • •

Hellende daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal of bekleed met (EPDM) rubber. Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium, bij voorkeur ook geen gecoate materialen. Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of nietuitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten.

Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet ten alle tijden worden voorkomen dat wateroverlast bij bebouwing en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen. Schade ,direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een infiltratie- en/of bergingsvoorziening worden aangesloten. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd.

Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB).

44

Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen gebied behorende bij Natura 2000 is ten zuiden van het plangebied op afstand van circa 1,75 kilometer gelegen en betreft Strabrechtse Heide & Beuven. Daarnaast is op 3,3 kilometer ten zuidwesten van het plangebied het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ gelegen. Gezien de relatief korte afstand tot de twee Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd om uit te sluiten dat voorgenomen ontwikkeling een negatief effect heeft op de Natura 2000-gebieden.

Indien de uitkomst geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. bedraagt, is sprake van een acceptabele ontwikkeling ten aanzien van het effect op natuurgebieden. In de berekening zijn zowel de aanlegfase (sloop bestaande panden en bouw nieuw pand) als de gebruiksfase (verkeersbewegingen en gebruik appartementen) meegenomen. De berekeningen en rapportage voor de aanleg- en gebruiksfase zijn bijgevoegd als bijlage VI bij deze toelichting. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling maakt deel uit van een transformatie van het gehele bedrijventerrein De Bleekvelden. Om te bepalen of deze transformatie een effect heeft op Natura 2000-gebieden is tevens een AERIUS-berekening opgesteld van de gebruiksfase van de gecombineerde ontwikkelingen aan Bleekvelden 24-26, Mierloseweg 28-38 en Mierloseweg 40. Uit deze berekening blijkt ook dat de gecombineerde ontwikkelingen geen significante negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening wordt verwezen naar bijlage VII Natuur Netwerk Brabant De planlocatie is tevens niet binnen een gebied gelegen behorend tot het Natuur Netwerk Brabant.

Het meest dichtbijgelegen gebied behorende tot het Natuur Netwerk Brabant is op een afstand van circa 110 meter ten westen van de planlocatie gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tussen het plangebied en de gronden die deel uitmaken van NNB vormt deze geen belemmering ten aanzien van het Natuur Netwerk Brabant.

45

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Om de reeds aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage VIII. Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop.

De voormalige panden dienen bij voorkeur gesloopt te worden buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Geldrop-Mierlo wordt het plangebied ingedeeld in categorie 2: Gebied van archeologische waarde (figuur 14).

46

Figuur 14: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Geldrop-Mierlo met plangebied blauw omcirkeld

In gebieden die als categorie 2 worden aangemerkt is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij categorie 1 en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden. Het gaat hier ook om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projecten die grote zijn dan 100 m2 en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld. Het witte vierkantje in figuur 15 geeft aan dat het bestaande bedrijfsgebouw een pand betreft dat na 1980 is gebouwd. Bij de (huizen)bouw vanaf 1980 gaat de gemeente ervan uit dat er standaard tot in het gele zand of de vaste bodem werd uitgegraven, waardoor mogelijk archeologische sporen hier als verloren beschouwd mogen worden.

Aangezien per locatie het niet geheel duidelijk is wat de aard en omvang van de verstoringen zijn, kunnen deze niet zonder meer gevrijwaard worden van archeologisch onderzoek. De specifieke kenmerken van deze verstoringen moeten, indien er sprake is van bodemingrepen, gecontroleerd worden.

47

Onderhavige ontwikkeling betreft een ingreep in de bodem welke groter is dan 100 m2 waardoor er een onderzoeksplicht voor het plangebied geldt. Daarom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage IX. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het grotendeel van het plangebied bestaat uit een AC-bodemprofiel. Hieruit blijkt dat het grootste deel van het plangebied in een natte omgeving ligt. Echter, in het noordoostelijk deel van het plangebied is een (deels) intact bodemprofiel aangetroffen. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het plangebied op een gradiëntzone ligt. Hierdoor is de kans groot dat in het plangebied archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting ((middel)hoog voor laat-paleolithicum – nieuwe tijd) blijft dan ook gehandhaafd. Om deze redenen wordt er een vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit vervolgonderzoek kan plaatsvinden in de vorm van een karterend booronderzoek plaats en/of een proefsleuvenonderzoek. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Geldrop-Mierlo).

Ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden is, conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Geldrop-Mierlo de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’ opgenomen in dit bestemmingsplan.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Geldrop-Mierlo uit 2012 en binnen het bestemmingsplan zijn geen cultuurhistorische elementen of bebouwing weergegeven op of nabij het plangebied. Zo bezitten de te slopen woningen en bedrijfsgebouwen geen cultuurhistorische waarde waardoor voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor het aspect landschap en cultuurhistorie.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

48

5.6.1

Mobiliteit In de huidige situatie zijn er verkeersbewegingen ten behoeve van het bedrijfsverzamelgebouw van en naar de planlocatie. Door het toevoegen van 81 appartementen zal het aantal verkeersbewegingen dus toenemen. Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, wordt de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Aantal/oppervlakte Norm Huidige situatie Kantoor (zonder 829 m2 5,9 tot 7,7 * baliefunctie) Bedrijf (arbeidsintensief, 1269 m2 7,7 tot 9,4 * bezoekersextensief) Woningen (vrijstaand 2 7,6 tot 8,4 koop) Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal huidige situatie Nieuwe situatie Appartement (koop, 49 5,0 tot 5,8 ** midden) Appartement (koop, duur) 32 6,5 tot 7,3 ** Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal beoogde situatie Verschil huidige / toekomstige situatie

Totaal 49 tot 64 98 tot 119 15 tot 17 162 tot 200 245 tot 284 208 tot 234 453 tot 518 273 tot 318

* verkeersbewegingen per 100 m2 (bvo) per etmaal ** verkeersbewegingen per woning per etmaal

Uit tabel 4 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal in de nieuwe situatie toeneemt met 273 tot 318 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Deze toename zal voornamelijk plaatsvinden ter hoogte van de primaire ontsluiting (De Bleekvelden – Johan Peijnenburgweg) aangezien de parkeerkelder aan de zijde van De Bleekvelden is gesitueerd. De toename van het aantal verkeersbewegingen is relatief gering, waardoor kan worden aangenomen dat de huidige infrastructuur deze minimale toename zonder problemen kan verwerken. Het aspect mobiliteit levert dan ook geen belemmeringen op.

5.6.2

Parkeren Huidige situatie In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied twee vrijstaande woningen, een kantoorgebouw (829 m2) en een garagebedrijf (1402 m2) aanwezig. Op basis van de huidige parkeerkencijfers (afkomstig uit de Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo (dd. 111-2022) bedraagt het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de bestaande woningen (matig stedelijk gebied, schil centrum) 1,35 x 2 = 2,7 parkeerplaatsen. Voor het bestaande kantoorgebouw aan de Mierloseweg 30: 8,29 x 1,7 = 14,1 parkeerplaatsen. Voor het autobedrijf zijn de normen van een arbeidsintensief bedrijf aangehouden, er zijn 14,02 x 1,7 = 23,8 parkeerplaatsen noodzakelijk. In totaal zouden er binnen het plangebied 40,6 (afgerond 41) parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Aangezien er in de huidige situatie niet op eigen terrein in dit benodigde aantal parkeerplaatsen kan worden voorzien, wordt er op dit moment al gebruik gemaakt van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte.

49

Figuur 15: Gebiedsindeling parkeernormen Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo met plangebied rood omcirkeld

Parkeervoorzieningen benodigd Op basis van de huidige parkeerkencijfers uit de Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo (dd. 1-11-2022) is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor voorgenomen ontwikkeling aan de Mierloseweg 28-38 (matig stedelijk gebied, schil centrum) inzichtelijk gemaakt. Uitgangspunt is dat de eigen parkeerbehoefte van bewoners op eigen terrein wordt opgelost. De parkeer-behoefte van bezoekers van deze bewoners wordt in het openbaar gebied opgelost. Het bestemmingsplan Mierloseweg 28-38 Geldrop voorziet in de realisatie van maximaal 81 koopappartementen: • 49 middel dure appartementen; • 32 dure appartementen. Totaal 81 appartementen. De te hanteren parkeernorm (excl. bezoekers) bedraagt: • Middel dure appartementen: 0,90 parkeerplaats/appartement; • Dure appartementen: 1,00 parkeerplaatsen/appartement. 50

Dit resulteert in een theoretische parkeerbehoefte van 49 x 0,90 + 32 x 1,00 = 76,1 parkeerplaatsen voor bewoners. In de parkeerkelder is een specifieke parkeerplaats voor een deelauto voorzien. Conform de Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo, vervangt iedere deelauto maximaal 5 reguliere auto’s. Door de inzet van een deelauto zijn 4 parkeerplaatsen minder nodig. Na aftrek van deze parkeerplaatsen bedraagt de totale parkeerbehoefte 72,1 (afgerond 73) parkeerplaatsen Voor bezoekers geldt een parkeernorm van 0,15 parkeerplaats per appartement. In totaal bedraagt de parkeerbehoefte voor bezoekers (0,15 x 81 =) 12,15 parkeerplaatsen. Parkeervoorzieningen beschikbaar Het aantal beschikbare parkeerplaatsen dat redelijkerwijs naar dit plan kan worden toegerekend, rekening houdend met andere deelplannen binnen Bleekvelden: • •

•

In de parkeerkelder zijn 74 reguliere parkeerplaatsen voorzien. Met deze parkeerplaatsen wordt voorzien in de parkeerbehoefte van de bewoners. Aan de zijde van de Mierloseweg kunnen de reeds aanwezige parkeerplaatsen, die direct aan het plangebied grenzen, worden toegekend aan dit bouwpan. Er grenzen in totaal 11 parkeerplaatsen aan het plangebied. Na herinrichting van het gebied kunnen drie parkeerplaatsen aan De Bleekvelden worden toegekend aan dit bouwplan.

Op eigenterrein kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van de bewoners. De parkeerbehoefte van de bezoekers wordt ingevuld in de openbare ruimte. Hiervoor zijn (na herinrichting van het openbaar gebied) voldoende parkeerplaatsen aanwezig. Fietsparkeren Het benodigd aantal fietsparkeerplaatsen wordt bepaald per woning. De fietsparkeernormen zijn in de Nota Parkeernormen opgenomen. Voor woningen kleiner dan 75m2 zullen minimaal 2 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Voor woningen tussen de 75 en 125 m2 zijn dit 3 fietsparkeerplaatsen en voor woningen groter dan 125 m2 moeten 4 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd worden. Onderhavige ontwikkeling bevat de realisatie van 65 woningen die kleiner zijn dan 75 m2 en 16 woningen die 75 m2 of groter zijn. Zodoende dienen er (2 x 65 + 3 x 16) 178 parkeerplaatsen voor fietsen aanwezig te zijn. Deze fietsparkeerplaatsen zullen op eigen terrein in een fietsenberging gerealiseerd worden. Conclusie De ontwikkeling aan de Mierloseweg 28-38 voldoet aan de eisen voor de te verwachten parkeerbehoefte op basis de parkeerkencijfers uit de Nota Parkeernormen GeldropMierlo, mits in het openbaar gebied extra parkeervoorzieningen worden aangebracht. Deze zijn redelijkerwijs ruimtelijk inpasbaar door een herinrichting van het gebied. Er zijn derhalve bijkomende kosten te maken voor de parkeerplaatsen in het openbaar gebied.

Deze kosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. In een anterieure overeenkomst zullen afspraken worden gemaakt over de in rekening te brengen kosten voor de aan te leggen parkeerplaatsen in openbaar gebied. Het parkeeraspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 51

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid Alle kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een ruimtelijk plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is sprake van (het mogelijk maken van) een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro en wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd in de vorm van een anterieure overeenkomst die tussen gemeente en initiatiefnemer is gesloten.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijksen provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij de voorbereiding is overleg geweest met de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap De Dommel. Het Waterschap Waterschap De Dommel heeft per e-mail van 23 oktober 2023 laten weten in te stemmen met het (concept)bestemmingsplan. Het waterschap heeft enkele (technische) opmerkingen gemaakt. Deze zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Provincie Het vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant is verlopen door middel van het invullen van het formulier ‘Inventarisatie RO belangen’. De uitkomst van dit formulier geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen waardoor het wettelijke vooroverleg dan ook als afgerond beschouwd kan worden. Omgevingsdialoog Vooruitlopend op de formele procedure heeft de initiatiefnemer zijn plannen kenbaar gemaakt aan de directe omgeving.

Dit is gebeurd in de vorm van een bewonersbijeenkomst waarbij de omwonenden aan de Mierloseweg 21-37, Mierloseweg 22-26, IJsvogel (alle adressen) en Wulp 2 zijn geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling. Bij de bijeenkomst waren in totaal 16 omwonenden aanwezig. Tijdens de bijeenkomst zijn geen bezwaren geuit die voor aanpassing van 52

het plan hebben gezorgd (een verslag van de bijeenkomst is opgenomen in bijlage X). Wel is gevraagd inzicht te geven in de schaduwwerking van het bouwplan. Derhalve is een bezonningsstudie opgesteld. Deze is besproken met de omwonenden en bijgevoegd in bijlage XI bij dit bestemmingsplan. Procedure Onderhavig bestemmingsplan is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzagetermijn zijn een aantal zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van de zienswijzen is het plan op een aantal punten aangepast. Voor een overzicht van de zienswijzen en de doorgevoerde wijzigingen wordt verwezen naar bijlage XII. Enkele zienswijzen hebben betrekking op een verlies van privacy als gevolg van mogelijke inkijk vanuit de appartementen en bijbehorende balkons. Om de inkijk vanaf het plangebied in kaart te brengen is een inkijkstudie opgesteld. Deze studie is opgenomen als bijlage XIII bij deze toelichting. Uit de inkijkstudie volgt dat vanuit geen enkele woning zicht zal zijn op private tuinen. Het zicht wordt immers geblokkeerd door de hoofdmassa van de bestaande bebouwing.

Aanvullend op de eerder uitgevoerde bezonningsstudie is een bezonningsstudie uitgevoerd voor de gehele ontwikkeling langs de Mierloseweg (hierin zijn de ontwikkelingen van Mierlosweweg 22-26, 28-38 en 40 meegenomen). In de bezonningsstudie is gekeken naar het verschil in bezonning ten opzichte van de huidige situatie voor de woningen aan de overzijde van de weg. Deze bezonningsstudie is opgenomen als bijlage XV. Uit de rapportage blijkt dat het aantal zonuren per dag met een gering aantal afneemt. Derhalve kan niet worden gesteld dat er sprake is van onredelijke afbreuk van het woongenot van de bewoners van de onderzochte woningen. Tevens volgen uit de gevelstudie, studie naar het rieten dak en studie naar de zonnepanelen geen belemmeringen ten opzichte van de beoogde ontwikkeling. Tenslotte is ook een bezonningsstudie uitgevoerd ten opzichte van de bestaande bebouwing aan Mierloseweg 22-26. Hieruit blijkt dat de nieuwe planologische situatie geen extra schaduw werpt over de gevels op de adressen Mierloseweg 22 t/m 26 (bijlage XVI).

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=5c80f90e-c6d2-4e09-9f70-30769e80d335