BP Broekstraat 58 Mierlo - Toelichting
Tekst van het document
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBMgrens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBM-project en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig.
De 3% is als volgt gekwantificeerd: Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor kantoren geldt dat de 1% grens is vastgesteld op 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De ontwikkeling van vijf nieuwe woningen op de locatie Broekstraat 58, in combinatie met de sanering van de intensieve veehouderij ter plaatse, valt ruimschoots binnen de NIBM-grens voor woningbouwlocaties. Het plan geldt dan ook als een NIBM-project. Bovendien is binnen de nieuwe bestemming het oprichten van een veehouderij niet (meer) mogelijk. Het plan leidt dus tot een verbetering van de luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling is niet nodig. Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
21
Huidige achtergrondconcentratie Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in het plangebied zelf. De bedrijfswoning wordt herbouwd en deze krijgt een woonbestemming. Daarnaast worden vijf nieuwe woningen gerealiseerd. Er is dus sprake van nieuwe gevoelige objecten. Woningen zijn gevoelige functies voor het aspect luchtkwaliteit. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. Met name de concentratie van fijnstof (PM 10) is bepalend voor de luchtkwaliteit. Sinds een aantal jaren wordt de achtergrondconcentratie van de luchtkwaliteit gemonitord door de (landelijke) overheid. Zowel de totale situatie, als de invloed van verschillende stoffen en componenten, worden hierbij in de gaten gehouden. Bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de kaarten ‘Fijnstof 2021 (PM10)’ en ‘Fijnstof 2021 (PM2,5) van de Atlas Leefomgeving. Uit de kaart blijkt dat ter plaatse sprake is van een jaargemiddelde concentratie PM10 van 16,52 µg/m³. Dit is lager dan de norm van 40 μg/m 3. Uit de kaart blijkt dat ter plaatse sprake is van een jaargemiddelde concentratie PM 2,5 van 9,98 µg/m³. Dit is lager dan de norm van 25 μg/m 3. De luchtkwaliteit ter plaatse is voldoende geschikt voor de functie wonen.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58.
geen
belemmering
vormt
voor
de
Figuur 4.4.1: Uitsneden kaarten Fijnstof 2021, PM10 en PM2,5 (bron: Atlas Leefomgeving)
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
22
4.5
Bodem
In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Door Bodeminzicht is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de toekomstige woonbestemming op de locatie Broekstraat 58. Het onderzoek bestaat uit een aantal onderdelen, namelijk een vooronderzoek, een verkennend bodemonderzoek voor de verdachte deellocaties (NEN5740), bodemonderzoek voor het overig terrein (NEN5740), bodemonderzoek voor de asbestverdachte terreindelen (NEN5707) en bodemonderzoek naar de druppelzones (NEN5740 en NEN 5707). De rapportage d.d. 10 oktober 2023 is toegevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting. Geconcludeerd is dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie geen belemmering vormt voor de beoogde bestemmingswijziging en de bouw van de woningen. Aangezien in het verkennend bodemonderzoek is vastgesteld dat het gewogen asbestgedeelte van de onderzochte halfverharding de grens voor nader onderzoek overschrijdt, is door Bodeminzicht tevens een nader asbestonderzoek van de aanwezige puinverharding uitgevoerd. De rapportage d.d. 16 juli 2024 is toegevoegd als bijlage 6 bij deze toelichting.
Ter plaatse van een gedeelte van de puinverharding is sprake van een asbestverontreiniging boven de interventiewaarde. De hoeveelheid puinverharding die met asbest verontreinigd is boven interventiewaarde wordt vastgesteld op 224 m 3. Geadviseerd wordt om dit puin te saneren op basis van de geldende wetgeving en veiligheidseisen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering vormt voor de bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58. De puinverharding met een asbestverontreiniging boven de interventiewaarde wordt gesaneerd.
4.6
Geur
De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot veehouderij behorende dierenverblijven. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Nederland is opgesplitst in concentratie- en niet-concentratie gebieden. In deze gebieden wordt weer onderscheid gemaakt tussen objecten die liggen binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. De locatie Broekstraat 58 ligt in een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom. Het aspect geur wordt uitgedrukt als geurconcentratie in Europese odour units per kubieke meter lucht (OUe/m3). De geuremissiefactoren per diersoort zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De Wgv kent twee methoden voor de beoordeling van de geur van een veehouderij: Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Rgv een geuremissiefactor is opgenomen, moeten voldoen aan de wettelijke geurnorm. Veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, moeten voldoen aan de vereiste minimale afstand.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
23
Volgens de Wgv moet aan de in de volgende tabel vermelde normen/afstanden worden voldaan. Tabel 4.6.1: Normen/afstanden volgens de Wgv. Categorie geurgevoelig object
Wettelijke geurnorm (OUe/m3) buiten concentratiegebied
Wettelijke geurnorm (OUe/m3) binnen concentratiegebied
Binnen bebouwde kom
2
3
Buiten bebouwde kom
8
14
Categorie geurgevoelig object
Wettelijke vaste afstand (m)
Wettelijke vaste afstand (m)
Binnen bebouwde kom
100
100
Buiten bebouwde kom
50
50
De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om middels een gebiedsvisie, binnen bepaalde marges, af te wijken van de in de wet genoemde geurnormen. De gemeente Geldrop-Mierlo heeft geen eigen geurverordening vastgesteld, waarmee de wettelijke kaders maatgevend blijven. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wvg kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. De gemeente Geldrop-Mierlo heeft geen specifiek beleid, waarin toetswaarden zijn opgenomen voor de achtergrondbelasting. De toetswaarde die de provincie Noord-Brabant hanteert in de IOV is een maximaal hinderpercentage van 12% binnen de bebouwde kom en 20% buiten de bebouwde kom. Omdat de locatie Broekstraat 58 buiten de bebouwde kom ligt wordt het maximale hinderpercentage van 20% toegepast. Dit hinderpercentage staat in een concentratiegebied gelijk aan een achtergrondbelasting van 20 OUE/m³. Is de achtergrondbelasting hoger dan de toetswaarde, dan is er in beginsel geen sprake van een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’.
Beoordeling ontwikkeling Bij besluitvorming omtrent de herbestemming van de agrarische bedrijfslocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad (belangen veehouderij en derden)? Is ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd (belang geurgevoelig object)? Invloed ontwikkeling op omliggende veehouderijen Voorliggend bestemmingsplan maakt de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie mogelijk, waarbij vijf nieuwe woningen worden toegestaan. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de minimale afstand tussen veehouderijen en woningen (voormalige agrarische bedrijfswoningen) van 50 meter. Voor woningen behorende bij (voormalige) veehouderijen of ruimte voor ruimte woningen gelegen buiten de bebouwde kom geldt op basis van artikel 3 lid 2 van de Wvg een vaste afstand van minimaal 50 meter tussen een emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object. In dit geval wordt niet alleen gekeken naar de bestaande emissiepunten op het rundveebedrijf aan de Broekstraat 75. Tevens is gekeken naar de maximale planologische mogelijkheden van het rundveebedrijf. Binnen het agrarisch bouwvlak is het immers mogelijk om emissiepunten te verplaatsen of om nieuwe emissiepunten te realiseren.
Deze flexibiliteit binnen het agrarisch bouwvlak wordt echter door een aantal zaken beperkt: conform het geldende bestemmingsplan op de locatie Broekstraat 75 mag de zone tot 15 meter vanuit de as van de weg (Broekstraat) niet worden bebouwd; binnen een zone van 50 meter vanuit de gevel van de woning aan de Broekstraat 73 kan geen nieuw emissiepunt worden gerealiseerd; binnen een zone van 50 meter vanuit de gevel van de bedrijfswoning aan de Broekstraat 58 kan geen nieuw emissiepunt worden gerealiseerd. Vanuit de maximale planologische mogelijkheden van het rundveebedrijf aan de Broekstraat 75 is een geurcontour van 50 meter getrokken. De contour is opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan. In de regels is bepaald dat binnen de geurcontour het gebruik van gebouwen als een geurgevoelig object niet is toegestaan. Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
24
Figuur 4.6.1: Geurcontour van 50 meter (blauwe stippellijn), bepaald op basis van de maximale planologische mogelijkheden op de locatie Broekstraat 75 (bron: Bergs Advies).
Geconcludeerd kan worden dat op deze manier voldaan wordt aan de minimale afstanden. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor het tegenovergelegen rundveebedrijf.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
25
Woon- en leefklimaat Om een uitspraak te doen over het woon- en leefklimaat op de locatie Broekstraat 58 is gekeken naar de achtergrondbelasting ter plaatse. Bij de beoordeling is gebruik gemaakt van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur maart 2022’, afkomstig van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. De achtergrondgeurbelasting op de locatie Broekstraat 58 ligt tussen de 0 en 3 Ou/m3. Het woon- en leefklimaat op de locatie kan dan ook als ‘zeer goed’ worden beoordeeld.
Figuur 4.6.2: Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur juni 2022’ met aanduiding locatie Broekstraat 58 (bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant).
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58. Wel is een geurcontour op de verbeelding opgenomen, waarbinnen het gebruik van gebouwen als een geurgevoelig object niet is toegestaan.
4.7
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); het gebruik van luchthavens; het gebruik van windturbines. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
26
Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor deze ontwikkeling. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a.
woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Uit de risicokaart van de Atlas Leefomgeving en het geldende bestemmingsplan blijkt dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van de locatie Broekstraat 58 aanwezig zijn, waarvan een risicocontour over de locatie ligt. Tevens zijn er geen buisleidingen, wegen, spoorwegen en vaarwegen in de omgeving aanwezig, waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, met een risicocontour over de locatie. In de omgeving van de locatie is derhalve ook geen sprake van een plaatsgebonden risico en/of groepsrisico. Ook wordt voldaan aan de veiligheidsafstanden uit overige wet- en regelgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
27
4.8
Kabels en leidingen
Uit de risicokaart van de Atlas Leefomgeving en het geldende bestemmingsplan blijkt dat er in en in de directe omgeving van de locatie Broekstraat 58 geen kabels en leidingen liggen die planologische bescherming behoeven. Geconcludeerd kan worden dat er geen kabels en leidingen zijn die een belemmering vormen voor de bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58.
4.9
Water
Bij elk ruimtelijk plan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat bij een toename van verharding voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voorheen. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.
Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Het plan aan de Broekstraat 58 betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie. Door de sanering van de agrarische bedrijfsbebouwing en verharding vindt een forse afname van het verhard oppervlak plaats. Conform het beleid van het waterschap is sprake van een hydrologisch neutraal plan. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Geldrop-Mierlo 2023-2027 is het beleid voor omgang met water bij nieuwbouw opgenomen. Alle nieuwbouw dient aangesloten te worden op de gemeentelijke riolering. Buiten de bebouwde kom betreft dit drukriolering.
Eigenaren moeten hun afvalwater altijd gescheiden aanleveren aan de perceelgrens, zodat ze voorbereid zijn op gescheiden riolen, die later kunnen worden aangelegd. De lozing van huishoudelijk afvalwater op oppervlaktewater en in de bodem is niet toegestaan. Bij bouwaanvragen wordt dit verankerd. Hierbij worden de regels in de aansluitverordening van de gemeente gevolgd. Bij alle ontwikkelingen en aanpassingen ten aanzien van de bovengrondse inrichting, weegt de gemeente de risico’s op wateroverlast mee. Bij nieuwbouw, ongeacht de toename van het verhard oppervlak, volgt de gemeente Geldrop-Mierlo het principe van ‘Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen’. Nieuwbouw (uitbreiding, inbreiding, bijgebouwen), herbouw of aanbouwen kan tot een toename leiden van afvoerend oppervlak en daardoor versnelde afvoer van hemelwater. Het risico op wateroverlast neemt hierdoor toe. Bij nieuwbouw is er vaak nog voldoende ruimte en flexibiliteit om water te bergen en de (openbare) ruimte klimaatbestendig in te richten. De gemeente streeft naar robuuste watersystemen, waarbij het hemelwater bij voorkeur bovengronds wordt geïnfiltreerd in de bodem. In deze situaties dienen initiatiefnemers binnen het plangebied de waterberging op te lossen en geldt een eis van 60 mm per m 2 verhard oppervlak.
Groene daken worden in basis als verhard beschouwd maar tellen wel mee in de waterberging voor het aantal mm dat op het dak kan worden geborgen. Verhard oppervlak dat voorheen aanwezig was wordt niet in mindering gebracht op deze waterbergingsnorm. Enkel in geval van hoge grondwaterstanden kan worden afgeweken.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
28
Het erf centraal in het plangebied heeft een oppervlak van 415 m². De exacte hoeveelheden verharding per woning zijn nog niet bekend, maar er is rekening gehouden met 200 m² per woning. Het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied bedraagt 1.615 m². Dit betekent dat er een hemelwaterberging gerealiseerd dient te worden met een minimale inhoud van 96,9 m³. De GHG ligt op een diepte van 0,7 m. Dit vormt de maximale diepte voor de hemelwaterberging. De sloot rondom het plangebied is al deels bestaand en krijgt een lengte van 254 meter. Met een diepte en bodembreedte van 0,5 meter en taluds van 1:1 heeft deze sloot een capaciteit van 0,5 m³ per strekkende meter. Dit komt uit op een totaal van 127 m³ aan bergingscapaciteit. Dit geeft een overcapaciteit van 30,1 m³. Met een noodoverloop op het maaiveld blijft het hemelwater binnen het perceel en wordt de veiligheid gegarandeerd. Om de bergingsopgave te waarborgen is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Het archeologisch beleid van de gemeente Geldrop-Mierlo is doorvertaald in de regels van het geldend bestemmingsplan. Op de locatie Broekstraat 58 zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde - Archeologie 3’ van toepassing. Ter plaatse van deze dubbelbestemmingen gelden beperkingen ten aanzien van bouw- en grondwerkzaamheden. Op de locatie Broekstraat 58 is reeds enige tijd geleden door ArcheoPro een archeologisch onderzoek verricht. De rapportage d.d. 22 november 2011 is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgt de conclusie.
Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied hooguit een middelhoge verwachting voor resten van (jacht) kampjes uit de steentijd, evenals voor nederzettingsresten of grafvelden uit het neolithicum, de bronstijd, de ijzertijd en de Romeinse tijd en voor resten van huisplaatsen en bijgebouwen uit de middeleeuwen. Om de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken zijn binnen het plangebied zestien boringen gezet met behulp van een zandguts en een megaboor. Uit de resultaten van het met de zandguts verrichte onderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied van oorsprong uit podzolbodems bestaat, waarvan de toplaag ongeveer op dezelfde hoogte moet hebben gelegen als het huidige maaiveld. De bovenste veertig centimeter van de podzolbodems is ten gevolge van langdurige akkerbouw en bemesting vanuit de nabijgelegen boerderijen opgenomen in een veertig centimeter dikke bouwvoor. Mogelijk bedraagt de dikte van de bouwvoor in de nabije omgeving van het plangebied plaatselijk 50 cm en kwalificeert deze hierdoor net als enkeerdgrond. Binnen het plangebied kwalificeren de bodems echter hooguit als laarpodzolgronden en is geen sprake van een esdek dat is ontstaan ten gevolge van potstalbemesting. Deze bodemopbouw is op slechts twee boorpunten op het weiland ten noorden van het plangebied, aangetroffen.
Op alle overige delen van het plangebied is de bodem tot minimaal zeventig centimeter beneden het maaiveld verstoord. De gemiddelde verstoringsdiepte bedraagt ongeveer tachtig centimeter. Tijdens het zeven van het met de megaboor opgeboorde zand zijn slechts moderne insluitsels gevonden. In verband met het volledig ontbreken van archeologische indicatoren binnen het plangebied, is het KNAonderdeel Waardestelling, in het rapport niet nader uitgewerkt.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
29
Gezien het ontbreken van een esdek, het verloren gaan van de oorspronkelijke podzolbodems tot (diep) in de C-horizont, alsmede in verband met het ontbreken van archeologische indicatoren, geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. De SRE Milieudienst heeft ingestemd met de conclusie van het archeologisch rapport en onderschrijft het voorstel van de rapporteurs geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren vanwege de aangetoonde verstoorde bodem, waardoor de kans op waardevolle archeologisch vindplaatsen erg klein is. Dit selectieadvies heeft geresulteerd in een selectiebesluit d.d. 27 april 2012. Een zone aan de wegzijde van het plangebied maakt geen deel uit van het onderzoeksgebied van het verrichte archeologisch onderzoek. Voor deze zone is een archeologisch inventariserend veldonderzoek verkennende fase (booronderzoek) verricht door KSP Archeologie. De rapportage d.d. 4 april 2024 is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgt de conclusie: Uit het booronderzoek is gebleken dat er geen podzolbodem aanwezig is, maar dat de oorspronkelijke bodem zeer waarschijnlijk een beekeerdgrond is geweest.
Daarnaast heeft men de grond opgehoogd met een humeus zandpakket om geen last te krijgen van de hoge grondwaterstand, veroorzaakt door de van oorsprong ondiep aanwezig leemlaag. Hoewel het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont nog intact aanwezig is, zal het plangebied vanwege de oorspronkelijke ondiepe grondwaterstand ongeschikt zijn geweest voor bewoning, waardoor de kans klein is dat hier archeologische resten aanwezig zijn. Op basis van bovenstaande is zowel de middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd naar laag bijgesteld. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. Op basis van de bevindingen adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Het rapport is beoordeeld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (Advies Archeologische Monumentenzorg 2024 - nr. 8, mevr R. Berkvens). Het advies van KSP Archeologie om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren is niet overgenomen. Geadviseerd is om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
Op 17 juni 2024 is door RAAP een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. De rapportage d.d. 12 juli 2024 is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgt de conclusie. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het plangebied vijf proefsleuven aangelegd met een totaal oppervlak van ca. 270 m 2. Dit komt neer op een dekkingsgraad van 8% van het totale plangebied. Het onderzoek heeft een beperkt aantal sporen en vondsten opgeleverd. De sporen bestaan uit een aantal greppels en een grondverbeteringsspoor (een kuil waarin vruchtbare grond werd aangebracht). Hoewel er weinig dateerbaar materiaal uit de sporen is ingezameld is een vermoedelijke datering te plaatsen in de nieuwe tijd. Door de beperkte gaafheid en informatiewaarde van de aangetroffen resten is er geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats. De diepgaande bodemverstoring en het gebrek aan een vindplaats geeft aanleiding om voor het plangebied de archeologische verwachting uit het vooronderzoek over te nemen. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat het terrein niet van archeologische waarde is. Op basis van het onderzoek wordt door RAAP aanbevolen het onderzoeksgebied vrij te geven voor verdere werkzaamheden. Dit advies betreft een selectieadvies.
Op 12 juli 2024 heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant aangegeven dat ze instemmen met de vrijgave van het plangebied voor de geplande werkzaamheden (Advies Archeologische Monumentenzorg 2024 nr. 170, mevr R. Berkvens). Het plangebied is afgeschaald naar een terrein zonder archeologische verwachting. Er is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen ter plaatse van het plangebied.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
30
Cultuurhistorie De locatie Broekstraat 58 maakt volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie NoordBrabant deel uit van buurtschap Het Broek. Dit wordt als volgt omschreven: “Buurtschap met driehoekige pleinen en lintbebouwing. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500), toen de oudtijds verspreide bewoning zich verplaatste naar de randen van de akkercomplexen en oude alleen gelegen hoeven of "einzelhöfe" werden opgesplitst en uitgroeiden tot buurtschappen. Het bebouwingsbeeld met overwegend langgevelboerderijen dateert met name uit de periode 1800-1920. De weg door het buurtschap en het kleine onverharde driehoekige plein kennen een beplanting met eiken. Deels aangewezen als beschermd dorpsgezicht.”. Het deel van de buurtschap direct ten zuiden van de locatie Broekstraat 58 is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. De Broekstraat zelf is op de CHW aangeduid als ‘lijn van redelijk hoge waarde’. De herbestemming van de locatie Broekstraat 58 leidt niet tot aantasting van de karakteristiek van de buurtschap. Het plan zorgt juist voor een versterking van de karakteristiek, door de realisatie van een langgevelboerderij met hoogstamboomgaard en de landschappelijke inpassing van het woonerf. Met het plan verandert er niets aan het beloop van de Broekstraat.
De bestemmingswijziging heeft geen gevolgen voor cultuurhistorische waarden in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen zijn voor de bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58.
4.11
Natuur
Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en nationaal beschermde soorten. De Wet natuurbescherming is, door de samenvoeging van de wetten, zowel gericht op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moeten worden getoetst op hun effect op de Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot Natura 2000-gebieden dient getoetst te worden op relevantie en effect van een 20-tal storingsfactoren, te weten stikstofdepositie en 19 overige effecten (geluid, licht, etc.). Dit dient te gebeuren voor het projecteffect en bij bestemmingsplannen ook voor het planeffect. Voor de locatie Broekstraat 58 geldt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, ‘Strabrechtse Heide & Beuven’, op circa 4 km afstand ligt.
Hierdoor zijn gezien de aard, de omvang, het effectbereik en de afstand, significant negatieve effecten door de 19 overige effecten op voorhand uit te sluiten. Significant negatieve effecten door stikstofdepositie zijn in principe nooit op voorhand uit te sluiten vanwege de overbelaste situatie in Nederland. In dit geval is de varkenshouderij gestaakt en wordt de agrarische bestemming veranderd in een woonbestemming. Door staking van de agrarische bedrijfsvoering is de belasting op Natura 2000-gebieden verlaagd. In het kader van het nieuwe plan vinden zowel sloop als bouwwerkzaamheden plaats. Er is een tweetal Aerius-berekeningen gemaakt om te beoordelen of het plan geen significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Hierbij is gekeken naar de sloopfase, aanlegfase en gebruiksfase. De Aeriusberekeningen zijn opgenomen als bijlage 10 en 11 bij deze toelichting. Uit de resultaten van de berekeningen kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Op de locatie Broekstraat 58 worden geen houtopstanden gekapt die vanuit de Wet natuurbescherming bescherming behoeven.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
31
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Op de locatie Broekstraat 58 vinden sloop- en bouwwerkzaamheden plaats. Er wordt weinig tot geen beplanting verwijderd. In dit kader wordt door het bevoegde gezag een toets aan de soortenbescherming noodzakelijk geacht. Door Exlan is een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage d.d. 13 juli 2023 is als bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden de resultaten weergegeven. Het plan en de daarbij behorende werkzaamheden zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn wel (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Hier dient met de sloop en de bouw rekening mee te worden gehouden. De sloopwerkzaamheden dienen tussen september en maart plaats te vinden (buiten het broedseizoen), nadat de (tijdelijke) huismuskasten zijn opgehangen. Daarnaast wordt geadviseerd geen vogelschroot toe te passen.
Mocht dit wel worden toegepast, dan het vogelschroot plaatsen op de derde panlat van onder vast te maken, zodat er voor de huismussen in de nieuwe woningen ook mogelijkheden zijn om te broeden. Tenslotte moet het dak van de nieuwe woningen voorzien worden van een dakgoot. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren- of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen zijn voor de bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
32
4.12
Verkeer en parkeren
De woningen op de locatie Broekstraat 58 worden ontsloten op de Broekstraat. Dit is een verharde weg, die wordt gebruikt door zowel bestemmingsverkeer als doorgaand verkeer. De weg wordt aan de noordkant ontsloten via Helmond (de wijk Brandevoort) en Nuenen en aan de zuidzijde via de Burgemeester Termeerstraat naar de Geldropseweg in Mierlo. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen af te wikkelen. Er zullen in de nieuwe situatie immers voornamelijk auto’s van en naar de woonlocatie bewegen. De verkeersbewegingen van en naar de locatie zullen beduidend minder zijn dan dat het geval is bij een agrarisch bedrijf. Volgens het ‘Parapluplan Parkeren Geldrop-Mierlo’ dient er tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij het gemeentelijk parkeerbeleid uit de ‘Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo (1 november 2022)’. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een norm van 2,0-2,8 parkeerplaatsen per woning. Voor een twee-onder-één-kap woning geldt een norm van 1,8-2,6 parkeerplaatsen per woning. Bij elk van de woningen is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in twee tot drie privé parkeerplaatsen. Daarnaast is er informeel ruimte op het woonerf om te parkeren.
De parkeerregeling is opgenomen in de regels van het plan ter borging van de parkeerplaatsen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen zijn voor de bestemmingswijziging op de locatie Broekstraat 58.
4.13
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden gemaakt. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt opgenomen. Beoordeling In dit geval is het voorliggend bestemmingsplan het kaderstellend plan.
Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de oprichting van activiteiten die genoemd worden in onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Het initiatief valt dus niet onder het Besluit m.e.r.. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is gedaan aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Hierna wordt kort op deze criteria ingegaan. 1. De kenmerken van het project: Het project voor de herbestemming van de agrarische bedrijfslocatie aan de Broekstraat 58 betreft een kleinschalig plan. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat op de locatie zelf en in de omgeving. 2. De plaats van het project: De locatie en de omgeving hebben geen bijzondere kenmerken, waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
33
3. De kenmerken van de potentiële effecten: De milieuthema’s zijn getoetst in voorgaande paragrafen. Voor alle milieuthema’s geldt dat er in de beoogde situatie geen sprake is van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. De ontwikkeling heeft geen effect op de algehele milieubelasting en de leefomgeving. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten vanwege het plan kunnen worden uitgesloten. De wijze van bestemmen zorgt ervoor dat nadelige milieugevolgen worden voorkomen. Het opstellen van een plan-m.e.r. is dan ook niet noodzakelijk.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
34
5
Economische uitvoerbaarheid
De herbestemming van de locatie Broekstraat 58 betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer, die eigenaar is van de gronden die een woonbestemming krijgen, fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente Geldrop-Mierlo beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk. Met de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten voor het verhalen van de plankosten, waaronder leges voor het bestemmingsplan. Ook wordt vastgelegd dat eventuele kosten als gevolg van tegemoetkoming in planschade op de initiatiefnemer worden verhaald.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
35
6
Juridische planopzet
6.1
Planstukken
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting.
6.2
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Geldrop-Mierlo hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied.
6.3
Toelichting op de regels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels. Bestemmingsregels. Algemene regels. Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Geldrop-Mierlo’ en enkele recente bestemmingsplannen voor woonlocaties in het buitengebied. Waar mogelijk zijn de regels uit dit plan ongewijzigd overgenomen.
6.3.1
Inleidende regels
In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc..
6.3.2
Bestemmingsregels
Voor de locatie Broekstraat 58 gelden de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’. De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. De bouwregels worden gevolgd door specifieke gebruiksregels.
6.3.3
Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 5: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
36
Artikel 6: Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt aangegeven welk gebruik voor het gehele plangebied in elk geval als strijdig gebruik wordt beschouwd. Artikel 7: Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Artikel 8: Overige regels In dit artikel is een aantal overige regels opgenomen, zoals regels met betrekking tot de verwijzingen naar andere wettelijke regelingen, regels omtrent parkeren en laden en lossen en regels die van toepassing zijn ter plaatse van de geurzone.
6.3.4
Overgangs- en slotregels
In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
37
7
Overleg en procedure
7.1
Dialoog
De bestemmingswijziging aan de Broekstraat 58 vindt plaats op één kadastraal perceel, dat geheel in eigendom is van initiatiefnemer. Initiatiefnemer heeft de direct omwonenden reeds geïnformeerd over het plan op de locatie. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn de direct omwonenden nogmaals geïnformeerd over het plan. De resultaten van deze dialoog zijn (geanonimiseerd) opgenomen als bijlage 13 bij de toelichting.
7.2
Vooroverleg
Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’ is overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de provincie Noord-Brabant en Waterschap Aa en Maas. De provincie heeft in haar reactie aangegeven dat de ontwikkeling in de basis voorstelbaar is. De sanering van een locatie voor intensieve veehouderij is op deze plek een wenselijke ontwikkeling. Er is echter gevraagd om het plan verder uit te werken om zodoende aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied en volledig is gericht op versterking van de omgevingskwaliteit. Naar aanleiding van deze reactie is het inrichtingsplan verder uitgewerkt. In het inrichtingsplan is een analyse van de buurtschap Het Broek opgenomen, evenals een plan voor de inrichting van de locatie, een voorstel voor de landschappelijke inpassing en beeldkwaliteitseisen voor de bebouwing. In de regels van het bestemmingsplan is daarnaast een aantal specifieke bepalingen opgenomen, om deze kwaliteit te waarborgen. Denk aan eisen met betrekking tot beeldkwaliteit en specifieke bepalingen met betrekking tot uitbouwen, aanbouwen en bijgebouwen. De provincie had daarnaast nog enkele opmerkingen met betrekking tot de berekening van de fysieke tegenprestatie. Die opmerkingen zijn verwerkt. Het waterschap stemt in met de watertoets.
Gevraagd is wel om de waterbergingsopgave nog in de toelichting op te nemen, evenals informatie over de dimensionering van de infiltratievoorziening. De informatie is toegevoegd aan zowel het inrichtingsplan in bijlage 1 als aan de toelichting (paragraaf 4.9).
7.3
Zienswijzen
Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’ heeft de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend door de provincie Noord-Brabant. De zienswijze is samengevat en van een reactie voorzien in de Nota zienswijzen, die als bijlage 14 bij de toelichting is gevoegd. De zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan op 28 oktober 2024 vastgesteld.
Bestemmingsplan ‘Broekstraat 58, Mierlo’
38