BP Bleekvelden 1-26 Geldrop - Toelichting
Tekst van het document
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geur: Het betreft een stedelijke locatie, veehouderijen of andere geurhinder veroorzakende inrichtingen zijn in de directe omgeving niet aanwezig. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 5.6.1): De appartementen worden ontsloten door De Bleekvelden en Johan Peijnenburgweg. Het aantal verkeersbewegingen zal afnemen. Er kan worden gesteld dat de wegen zijn berekend op het aantal 30
Risico van ongevallen
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: • gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, bergen bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) • gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de appartementen. Er is sprake van de ontwikkeling van appartementen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 5.5): binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Archeologie (zie ook paragraaf 5.5): het archeologisch belang is door middel van een archeologisch onderzoek betrokken in het plan.
Toets In de huidige situatie zijn de gronden waar de woningen zijn voorzien, bestemd ten behoeve van ‘Sportdoeleinden’. Onderzoeken wijzen uit dat de gronden geschikt zijn voor de functie wonen. N.v.t.
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 5.3 ‘Natuur’.
Nee.
N.v.t.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument Nee. Habitat en vogelrichtlijngebieden Nee, zie paragraaf 5.3 ‘Natuur’. 31
Watergebied van internationale betekenis Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS) Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden
Nee. Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie paragraaf 5.3 ‘Natuur’. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied. Nee, zie paragraaf 5.2 ‘Water’.
Conclusie De uitgevoerde onderzoeken (zie vervolg van dit hoofdstuk) onderbouwen de conclusie dat gelet op aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot het plangebied en de (directe) omgeving er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Op grond van voorgaande m.e.r.-beoordeling kan het college van B&W besluiten dat het opstellen van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is. De uitgevoerde onderzoeken tonen aan dat het realiseren van een woongebied op de projectlocatie voldoet aan de wettelijke eisen en er sprake is van een verantwoorde situatie vanuit milieuoogpunt. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies beschreven.
5.1.2
Bodem In het kader van de Wro dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Bij de omzetting van de sportbestemming naar een woonbestemming is er sprake van een wijziging naar een gevoeligere bestemming waardoor een bodemonderzoek noodzakelijk is in het kader van de planologische procedure. Op de locatie aan De Bleekvelden 26 is door Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd als separate bijlage III. Onderstaand worden de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn lichte bijmengingen met baksteen en beton aangetroffen. Deze bijmengingen worden niet gezien als zijnde verdacht voor asbest. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met lood, minerale olie en PAK. De ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan kobalt, kwik, minerale olie, PAK en PCB. Het grondwater afkomstig is licht verhoogd met barium ten opzichte van de streefwaarde.
De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (bouw van een appartementencomplex).
5.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet 32
milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of er op het gebied van de luchtkwaliteit kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM. Hierbij is gekeken naar de concentraties fijn stof en stikstofdioxide. Tabel 2 Normen en concentraties stikstofdioxide en fijn stof ter plaatse van plangebied
Norm Concentratie
Concentratie stikstofdioxide (NO2) 40 µg/m3 13,26 µg/m3
Concentratie fijn stof (PM10) 40 µg/m3 15,07 µg/m3
Concentratie fijn stof (PM2,5) 25 µg/m3 8,65 µg/m3
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ruimschoots kan worden voldaan aan de maximale normen voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Daarnaast kunnen ontwikkelingen invloed hebben op de luchtkwaliteit door onder andere een toename in het aantal verkeersbewegingen. Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie afneemt. Onderhavige ontwikkeling draagt derhalve niet bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
33
5.1.4
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Er dient te worden bepaald of de geursituatie voor geurgevoelige objecten in het buitengebied acceptabel is. Zo dient er voor woningen sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 11: Kaart achtergrondbelasting geur ODZOB
Daarom is voor de beoogde locatie gekeken of er inderdaad sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Conform de actuele geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de planlocatie tussen 0 en 3 ouE/m3 bedraagt (figuur 11). Op het gebied van geur wordt het woon- en leefklimaat als ‘zeer goed’ beoordeeld. Ten aanzien van geur zijn er dan ook geen belemmeringen.
5.1.5
Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Een nieuwe woning is een geluidgevoelig
34
object. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai en/of industrielawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengen voor de toekomstige bewoners van de beoogde appartementen. Wegverkeerslawaai In dit geval worden er binnen de invloedssfeer van de Johan Peijnenburgweg en Mierloseweg, waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt, nieuwe geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Er is dan ook een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit dit akoestisch onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage IV. Uit de resultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Mierloseweg en de 30 km/uur wegen niet wordt overschreden. De voorkeursgrenswaarde wordt wel overschreden, als gevolg van het wegverkeer op de Johan Peijnenburgweg, aan de zuid- en westgevel. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Om het plan te realiseren is een hogere waarden besluit nodig. Er wordt voldaan aan de eisen van het hogere waarden beleid, met uitzondering dat een aantal balkons aan de geluidbelaste zijde zijn gelegen. Hiervoor worden in het rapport compenserende maatregelen voorgesteld. Bij de omgevingsvergunningsaanvraag voor het aspect bouwen moet inzichtelijk worden gemaakt hoe met deze compenserende maatregelen moet worden omgegaan.
Ter hoogte van de zuidwestzijde van het plangebied is sprake van een matige tot slechte milieukwaliteit. Aan de noordoostzijde van het plangebied en ter hoogte van de patio is sprake van een goede milieukwaliteit. Aangezien de woningen een geluidluwe zijde hebben, in voldoende mate geïsoleerd kunnen worden en compenserende maatregelen mogelijk zijn, kan in voldoende mate worden verondersteld dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uitwerking van compenserende maatregelen zal plaatsvinden in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen. Concluderend kan worden gesteld dat het onderdeel wegverkeerslawaai de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg hoeft te staan. Spoorweglawaai en industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone(s) van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein. Een nader akoestisch onderzoek in het kader van de toets aan de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
5.1.6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: 35
• • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
36
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen1.
een
Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer sprake groepsrisico of oriëntatiewaarde.
het de
is
van toename van overschrijding van
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit to vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde de veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de EV-Signaleringskaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 12 is een uitsnede van de Signaleringskaart EV weergegeven.
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1
37
Figuur 12: Uitsnede EV-Signaleringskaart met plangebied blauw omcirkeld
Risicovolle inrichtingen Ten zuidoosten van het plangebied is aan de Sluisstraat 134 een tankstation gelegen. Op het tankstation is een LPG-vulpunt, -reservoir en -afleverinstallatie aanwezig. De risicocontouren behorende bij de LPG-afleverinstallaties bedragen ten hoogste 15 meter. De risicocontouren behorende bij het LPG-reservoir en -vulpunt bedragen ten hoogste 25 meter. Gezien de ligging van het plangebied op circa 460 meter van het tankstation, is het plangebied buiten de risicocontouren gelegen. Ten aanzien van het vulpunt en het reservoir is tevens sprake van een invloedsgebied. Deze invloedsgebieden reiken tot een afstand van 150 meter. Hier is het plangebied niet binnen gelegen waardoor het groepsrisico niet verantwoord hoeft te worden. Ten zuidwesten van het plangebied is aan de Nieuwendijk 45 een koekfabriek gelegen. Dit betreft een risicovolle inrichting met een ammoniakinstallatie waarbij geen sprake is van een risicocontour waardoor deze inrichting geen belemmering vormt. Ten westen van het plangebied is aan de Eindhovenseweg 6 een tankstation gelegen. Op het tankstation is een LPG-vulpunt, -reservoir en -afleverinstallatie aanwezig. De risicocontouren behorende bij de LPG-afleverinstallaties bedragen ten hoogste 15 meter. De risicocontouren behorende bij het LPG-reservoir en -vulpunt bedragen ten hoogste 25 meter.
Gezien de ligging van het plangebied op circa 910 meter van het tankstation, is het plangebied buiten de risicocontouren gelegen. Ten aanzien van het vulpunt en het reservoir is tevens sprake van een invloedsgebied. Deze invloedsgebieden reiken tot een afstand van 150 meter. Hier is het plangebied niet binnen gelegen waardoor het groepsrisico niet verantwoord hoeft te worden.
38
Ten noorden van het plangebied is aan de Spaarpot 6 het afvalverwerkingsbedrijf Renewi Van Gansewinkel gelegen. Deze inrichting heeft een invloedsgebied dat reikt tot een afstand 1555 meter. Aangezien de afstand van de planlocatie tot deze inrichting circa 1600 meter bedraagt en de locatie daarmee buiten het invloedsgebied gelegen is, hoeft het groepsrisico niet verantwoord te worden. Risicovol transport over wegen De Rijksweg A67 ligt op ca. 1600 meter van de planlocatie. Het invloedsgebied bedraagt 4000 meter. Daarmee ligt de planlocatie binnen het invloedsgebied. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Risicovol transport over spoorwegen Het invloedsgebied van het spoor bedraagt 995 meter. De afstand van planlocatie tot spoor bedraagt ca. 1000 meter. Het spoor is derhalve niet relevant. Risicovol transport over water In de omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport over water plaats, waardoor dit niet voor een belemmering zorgt met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. Buisleidingen In de directe omgeving zijn geen buisleidingen gelegen waarin gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Beperkte verantwoording groepsrisico Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties (januari 2020).
De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden, zodat het standaard advies kan worden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: - Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. - Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. - Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren. Reactie van gemeente op het standaard advies van de Veiligheidsregio - Voor een snelle alarmering zijn WAS-palen aanwezig (waarschuwings alarm systeem). Ook kan gebruik gemaakt worden van NL-Alert.
39
-
-
De beleidsregels ‘bereikbaarheid en bluswatervoorziening’ zullen worden toegepast. De bereikbaarheid van de locatie is goed. De locatie is vanuit twee verschillende kanten/wegen goed bereikbaar. De bluswatervoorziening zal worden getoetst aan de beleidsregels ‘bereikbaarheid en bluswatervoorziening’. De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012.
Zelfredzaamheid Het betreft de realisatie van nieuwe woningen. Aangenomen kan worden dat de woningen betrokken worden door zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.1.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde woningen betreffen geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woningen gevoelige objecten betreffen, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In dit geval is de locatie gelegen binnen een ‘gemengd gebied’. Derhalve kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken.
Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. Met dit uitgangspunt is gekeken welke omliggende functies relevant zijn in het kader van het aspect bedrijven- en milieuzonering. In bijlage V wordt nader ingegaan op de omliggende functies en hoe deze zich verhouden tot het plangebied. Onderstaand zijn de conclusies uit de rapportage opgenomen. Ten opzichte van vrijwel alle bedrijfsmatige functies in de omgeving van het plangebied wordt voldaan aan de richtafstanden uit de handreiking Bedrijven en milieuzonering. De bouwmarkt aan De Bleekvelden 30 ligt op een afstand van 5 meter van het appartementengebouw, waarmee formeel niet wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter. In dit geval is het bouwplan gesitueerd aan de luwe zijde van de inrichting.
40
De grootste bronnen van hinder zullen het parkeren en het laden en lossen zijn. De parkeervoorziening van de bouwmarkt is op meer dan 20 meter van het bouwplan gelegen en het laden en lossen ten behoeve van de bouwmarkt vindt aan de noordzijde van het parkeerterrein plaats, op een afstand van meer dan 45 meter van het bouwplan. Dit is ruim meer dan de richtafstand van 10 meter.. Derhalve kan toch in voldoende mate kan worden gesteld dat de activiteiten de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat niet negatief zullen beïnvloeden en dat de activiteiten van de bouwmarkt niet zullen worden beperkt door de komst van het appartementengebouw. Ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling wordt daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd en worden omliggende bedrijven niet (onevenredig) in hun belangen geschaad. Bij de bestemmingsplanwijziging van ‘Sportdoeleinden’ naar ‘Wonen’ aan De Bleekvelden 26 te Geldrop is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
5.1.8
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de EV-risicokaart (paragraaf 5.1.6) komt naar voren dat er geen kabels in het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone in het kader van de te voeren planologische procedure hebben. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven. Aangezien er in onderhavige ontwikkeling een parkeergarage wordt gerealiseerd is verder onderzoek noodzakelijk. Er zal in een vroeg stadium naar het riool en de kabels en leidingen gekeken moeten worden i.r.t. de parkeerkelder (en toegang ervan). Binnen het plangebied is een trafohuisje aanwezig. Deze zal worden verplaatst.
5.1.9
Privacy
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Bij ruimtelijke ingrepen dient de watertoets te worden doorlopen. Hierin dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. 41
5.2.1
Nieuwe ontwikkelingen Onderhavig plan betreft de sloop van een bedrijfspand ten behoeve van de bouw van een complex met 51 appartementen. In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg volledig bebouwd. De bebouwing en verharding zullen in de nieuwe situatie een vergelijkbaar oppervlakte van het perceel beslaan. De ontwikkeling zal niet gepaard gaan met een toename van het oppervlakte aan verharding.
5.2.2
Waterparagraaf In het kader van de realisatie van het appartementencomplex aan De Bleekvelden 26 is een onderbouwing van het wateraspect opgesteld. In deze paragraaf wordt eerst het planvoornemen i.r.t. het wateraspect toegelicht. Vervolgens worden de afwegingen, aandachtspunten en randvoorwaarden voor de ontwikkeling besproken. Planvoornemen en afwegingen Het planvoornemen betreft de realisatie van een appartementencomplex na sloop van de bestaande bebouwing aan De Bleekvelden 26 te Geldrop. Onder het volledige complex zal een parkeerkelder aangelegd worden. Het plangebied ligt momenteel op circa 19,0 m +NAP en kent nauwelijks een hoogteverschil. De GHG heeft een verwachte hoogte van circa 18,1 m +NAP. Ter plaatse wordt derhalve net voldaan aan de benodigde ontwateringsdiepte. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. De parkeerkelder dient waterdicht uitgevoerd te worden en instroom vanaf openbaar gebied dient voorkomen te worden. Voor de aanleg zal een tijdelijke bronnering benodigd zijn. Afhankelijk van de duur dient hiervoor een melding of vergunning aangevraagd te worden (Lozing buiten inrichtingen).
Om het risico op instromend water in de parkeergarage te verminderen dient de drempel van de parkeergarage 20 centimeter boven de wegas van de aansluitende weg te liggen. De constructie moet zodanig vorm worden gegeven dat instroming over maaiveld niet mogelijk is. Voor afvoer van water vanaf dit lage niveau dient bij de realisatie van de ontwikkeling rekening gehouden te worden met een eigen pompinstallatie als noodmaatregel. Het vloerpeil van de onderste woonlaag mag beslist niet lager liggen dan nu het geval is en altijd ten minste 20 centimeter boven de kruin van de aangrenzende weg. De maatregelen om wateroverlast in de parkeerkelder te voorkomen zijn verwerkt in het beoogde bouwplan. De planlocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Binnen en nabij de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Hierdoor is er geen direct nadelig effect te verwachten door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Door de bouw van een appartementencomplex wordt geen toekomstige (grond)waterverontreiniging verwacht door het voldoen aan de milieu hygiënische randvoorwaarden. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden. Door de bouw van 51 appartementen neemt de verwachte afvalwaterstroom beperkt toe. Naar verwachting zal deze toename in het bestaande rioolstelsel van de gemeente verwerkt kunnen
42
worden. Voor de wijziging aan de rioolaansluiting op het gemeentelijk stelsel dient te zijner tijd bij de gemeente Geldrop-Mierlo een aansluiting aangevraagd te worden. Het gescheiden gehouden hemelwater dient op eigen terrein verwerkt te worden. Vanuit het waterschap is gezien de bestaande situatie en het kleine plangebied van 1855 m2 geen retentie vereist bij de afkoppeling. Volgens het beleid van de gemeente dient het gehele perceel minimaal afgekoppeld te worden en dient een bui van 60 mm op eigen terrein te worden verwerkt. Ter plaatse is weinig ruimte aanwezig om hemelwater te verwerken. Verwerking in de bodem is ter plaatse moeilijk toe- en inpasbaar door de gewenste nieuwbouw op basis van de huidige planinvulling. De gewenste buitenruimte kan tot op zekere hoogte hemelwater verwerken. Overige mogelijkheden voor een duurzame(re) herontwikkeling zijn de opvang en hergebruik van hemelwater als toiletspoeling (opvang in kelder, bijvoorbeeld onder oprit). Verder kan op het dak een groen/sedum dak of daktuin gerealiseerd worden. Naast een vertraagde (piek)afvoer van het hemelwater draagt het groene dak bij aan een verminderde hittestress en bevordert het de biodiversiteit in het stedelijk gebied. Aanvullend kan groen op de terrassen of gevels aangebracht worden.
De resterende waterhoeveelheid zal dan vertraagd afvoeren naar het gemeentelijk stelsel bij gebrek aan alternatieven. Indien rekening wordt gehouden met bovenstaande aanbevelingen en gezien het gegeven dat de oppervlakte van de bebouwing en bijbehorende verharding niet toeneemt is geen directe wateroverlast te verwachten. Voor een waterneutrale tot duurzame ontwikkeling dienen aanvullende maatregelen ingepast te worden. Bij de nadere planinvulling dient er zoveel mogelijk aandacht gegeven te worden aan bijkomende hemelwateropvang (desnoods in het nabijgelegen openbaar gebied) zodat piekafvoeren zoveel mogelijk afgevangen worden. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden middels het Omgevingsloket. Overige aandachtspunten en randvoorwaarden Afkoppelen/niet aankoppelen staat voor het scheiden van hemelwater- en afvalwaterafvoer, op een afgewogen manier zodat een duurzaam watersysteem ontstaat.
Daarbij moet men rekening houden met de waterhuishouding, de inrichting van de openbare ruimte, de milieuhygiënische gevolgen en de zorg voor de volksgezondheid en welzijn. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden 43
gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: • • •
Hellende daken: dakpannen van natuurlijk, beton of keramisch materiaal of bekleed met (EPDM) rubber. Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium, bij voorkeur ook geen gecoate materialen. Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of nietuitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten.
Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet ten alle tijden worden voorkomen dat wateroverlast bij bebouwing en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen. Schade ,direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een infiltratie- en/of bergingsvoorziening worden aangesloten. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd.
Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht. Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB).
44
Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen gebied behorende bij Natura 2000 is ten zuiden van het plangebied op afstand van circa 1,65 kilometer gelegen en betreft Strabrechtse Heide & Beuven. Daarnaast is op 3,2 ten zuidwesten van het plangebied het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ gelegen. Gezien de relatief korte afstand tot de twee Natura 2000gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd om uit te sluiten dat voorgenomen ontwikkeling een negatief effect heeft op de Natura 2000-gebieden.
Indien de uitkomst geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. bedraagt, is sprake van een acceptabele ontwikkeling ten aanzien van het effect op natuurgebieden. In de berekening zijn zowel de aanlegfase (sloop huidig pand en bouw nieuw pand) als de gebruiksfase (verkeersbewegingen en gebruik appartementen) meegenomen. De berekeningen en rapportage voor de aanleg- en gebruiksfase zijn bijgevoegd als bijlage VI. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling maakt deel uit van een transformatie van het gehele bedrijventerrein De Bleekvelden. Om te bepalen of deze transformatie een effect heeft op Natura 2000-gebieden is tevens een AERIUS-berekening opgesteld van de gebruiksfase van de gecombineerde ontwikkelingen aan Bleekvelden 24-26, Mierloseweg 28-38 en Mierloseweg 40. Uit deze berekening blijkt ook dat de gecombineerde ontwikkelingen geen significante negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening wordt verwezen naar bijlage VII Natuur Netwerk Brabant De planlocatie is tevens niet binnen een gebied gelegen behorend tot het Natuur Netwerk Brabant.
Het meest dichtbijgelegen gebied behorende tot het Natuur Netwerk Brabant is op een afstand van circa 35 meter ten westen van de planlocatie gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling vormt deze geen belemmering ten aanzien van het Natuur Netwerk Brabant.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild
45
levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Door Exlan is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage VIII. Het planvoornemen en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten.
Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Geldrop-Mierlo wordt het plangebied ingedeeld in categorie 2: Gebied van archeologische waarde (figuur 12). In gebieden die als categorie 2 worden aangemerkt is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden.
De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij categorie 1 en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden. Het gaat hier ook om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van
46
historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projecten die grote zijn dan 100 m2 en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld.
Figuur 13: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Geldrop Mierlo met plangebied blauw omcirkeld
Het witte vierkantje in figuur 13 geeft aan dat het bestaande bedrijfsgebouw een pand betreft dat na 1980 is gebouwd. Bij de (huizen)bouw vanaf 1980 gaat de gemeente ervan uit dat er standaard tot in het gele zand of de vaste bodem werd uitgegraven, waardoor mogelijk archeologische sporen hier als verloren beschouwd mogen worden. Aangezien per locatie het niet geheel duidelijk is wat de aard en omvang van de verstoringen zijn, kunnen deze niet zonder meer gevrijwaard worden van archeologisch onderzoek. De specifieke kenmerken van deze verstoringen moeten, indien er sprake is van bodemingrepen, gecontroleerd worden. Onderhavige ontwikkeling betreft een ingreep in de bodem welke groter is dan 100 m 2 waardoor er een onderzoeksplicht voor het plangebied geldt. Door Aeres Milieu is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage IX. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het plangebied te nat zal zijn geweest voor bewoning. Er is sprake van een zogenaamd A-C profiel, waarbij de bovenste 180 tot 240 cm van het plangebied bestaat 47
uit een (sub)recentelijk opgebracht puinhoudend zandpakket. Deze zal zijn aangebracht om het plangebied, oorspronkelijk gelegen in het beekdal van de Dommel, geschikt te maken voor agrarische doeleinden en later ten behoeve van het gebruik als bedrijfsruimte en parkeerplaats. Onder de (sub)recente antropogeen opgebrachte zandpakketten bevindt zich een veenlaag. Er is nergens sprake van een oude Ahorizont. Deze veenlaag heeft zich onder erg natte omstandigheden gevormd. Gezien de erg natte omstandigheden en de slechte ontwatering binnen het hele plangebied zal het plangebied nooit aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning. Op basis van het natte karakter, het dikke (sub)recent opgebrachte ophoogpakket en de afwezigheid van aanwijzingen van bewoning worden de middelhoge verwachtingen voor alle perioden voor zowel bewonings- en als off site resten bijgesteld naar laag. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant en binnen het bestemmingsplan zijn geen cultuurhistorische elementen of bebouwing weergegeven op of nabij het plangebied. Zo bezit het te slopen bedrijfsgebouw geen cultuurhistorische waarde waardoor voorgenomen ontwikkeling geen belemmering vormt voor het aspect landschap en cultuurhistorie.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit In de huidige situatie zijn er verkeersbewegingen ten behoeve van het fitnesscentrum en de aanwezige dienstwoning van en naar de planlocatie. Door het toevoegen van 51 appartementen zal het aantal verkeersbewegingen mogelijk toenemen. Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, wordt de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. De planlocatie ligt in de schil rond het centrum in een matig stedelijk gebied. Tabel 4 Aantal verkeersbewegingen huidige en nieuwe situatie (conform CROW publicatie) Aantal/oppervlakte
Norm
Totaal
1600 m2 (bvo)
21,7 tot 27,2 *
347,2 tot 435,2
Huidige situatie Fitnesscentrum
48
Appartement, koop, midden
1
5,0 tot 5,8 **
Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal huidige situatie
5,0 tot 5,8 352,2 tot 441,0
Nieuwe situatie Appartement (koop, midden)
40
5,0 tot 5,8 **
200,0 tot 232,0
Appartement (koop, duur)
11
6,5 tot 7,3 **
71,5 tot 80,3
Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal nieuwe situatie
271,5 tot 312,3
Verschil huidige / toekomstige situatie
-80,7 tot -128,7
* verkeersbewegingen per 100 m2 (bvo) per etmaal ** verkeersbewegingen per woning per etmaal
Uit tabel 4 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal in de nieuwe situatie afneemt met afgerond 81 tot 129 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Er kan derhalve worden verondersteld dat de verkeersbewegingen zonder problemen kunnen worden verwerkt door de reeds aanwezige infrastructuur. Het aspect mobiliteit levert dan ook geen belemmeringen op.
5.6.2
Parkeren Huidige situatie In de huidige situatie is er binnen het plangebied een fitnesscentrum (1.600 m2) met een dienstwoning (155 m2) met een gezamenlijke oppervlakte van circa 1.755 m2 aanwezig. Op basis van de huidige parkeerkencijfers afkomstig uit de Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo (dd. 1-11-2022) bedraagt het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het bestaande fitnesscentrum aan De Bleekvelden 26 (matig stedelijk gebied, schil centrum, figuur 14): 16,0 x 4,0 = 64 parkeerplaatsen. Het benodigd aantal parkeerplaatsen voor de dienstwoning (koop appartement middelduur, schil centrum) bedraagt 2 parkeerplaatsen. In de huidige situatie zijn 13 parkeerplaatsen binnen het plangebied aanwezig. Aangezien er in de huidige situatie niet op eigen terrein in het benodigde aantal parkeerplaatsen kan worden voorzien, wordt er op dit moment al gebruik gemaakt van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Parkeervoorzieningen benodigd Op basis van de huidige parkeerkencijfers afkomstig uit de Nota Parkeernomen Geldrop Mierlo (dd. 1-11-2022) is het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de voorgenomen ontwikkeling aan De Bleekvelden (matig stedelijk gebied, schil centrum) inzichtelijk gemaakt. Het uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte op eigen terrein wordt ingevuld. Parkeren voor bezoekers kan worden ingevuld in de openbare ruimte.
Het bestemmingsplan De Bleekvelden 26 Geldrop voorziet in de realisatie van 51 koopappartementen: • 40 middel dure appartementen; • 11 dure appartementen. Totaal 51 appartementen. De te hanteren parkeernorm (excl. bezoekers) bedraagt: • middel dure appartementen: 0,90 parkeerplaats/appartement; • dure appartementen: 1,00 parkeerplaatsen/appartement. Dit resulteert in een theoretische parkeerbehoefte van 40 x 0,90 + 11 x 1,00 = 47 parkeerplaatsen voor bewoners. 49
Voor bezoekers geldt een parkeernorm van 0,15 parkeerplaats per appartement. Voor bezoekers bedraagt de parkeerbehoefte derhalve (0,15 x 51) = 7,65 parkeerplaatsen. In totaal bedraagt de parkeerbehoefte derhalve 54,65 parkeerplaatsen.
Figuur 14: Gebiedsindeling centrum Geldrop conform Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo dd. 1-11-2022 met plangebied rood omcirkeld
Parkeervoorzieningen beschikbaar Het aantal beschikbare parkeerplaatsen dat redelijkerwijs naar dit plan kan worden toegerekend, rekening houdend met andere deelplannen binnen Bleekvelden: • •
In de parkeerkelder zijn 39 parkeerplaatsen voorzien (figuur 15). In de beoogde situatie zijn er in openbaar gebied 16 parkeerplaatsen aanwezig welke kunnen worden toegewezen aan het nieuwe appartementengebouw (figuur 16). In totaal zijn er 55 parkeerplaatsen beschikbaar. Het plan voldoet daarmee aan de te verwachten parkeerbehoefte.
50
Figuur 15: Inrichting van de parkeerkelder Bleekvelden 26.
51
Figuur 16: Parkeerplaatsen in openbaar gebied. Parkeerplaatsen aangegeven in roze worden toegerekend aan de Bleekvelden 26.
Fietsparkeren Het benodigd aantal fietsparkeerplaatsen wordt bepaald per woning. De fietsparkeernormen zijn in de Nota Parkeernormen opgenomen. Voor woningen kleiner dan 75m2 zullen minimaal 2 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Voor woningen tussen de 75 en 125 m2 zijn dit 3 fietsparkeerplaatsen en voor woningen groter dan 125 m2 moeten 4 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd worden. Onderhavige ontwikkeling bevat de realisatie van 33 woningen die kleiner zijn dan 75 m 2 en 18 woningen die 75 m2 of groter zijn. Zodoende dienen er (2 x 33 + 3 x 18) 120 parkeerplaatsen voor fietsen aanwezig te zijn. Deze fietsparkeerplaatsen zullen op eigen terrein in een fietsenberging gerealiseerd worden. Conclusie De ontwikkeling aan De Bleekvelden 26 kan conform de Nota Parkeernormen GeldropMierlo voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeeraspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
52
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid De gemeente is eigenaar van de locatie. Alle kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is op deze wijze voldoende aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijksen provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij de voorbereiding is overleg geweest met de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap De Dommel. Het Waterschap Waterschap De Dommel heeft per e-mail van 27 juli 2023 laten weten in te stemmen met het (concept)bestemmingsplan. Provincie Het vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant is verlopen door middel van het invullen van het formulier ‘Inventarisatie RO belangen’. De uitkomst van dit formulier geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen waardoor het wettelijke vooroverleg dan ook als afgerond beschouwd kan worden. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden voordat het plan formeel in procedure is gebracht. Middels het organiseren van een omgevingsgesprek zijn omwonenden en eventuele andere belanghebbenden geïnformeerd over de beoogde ontwikkelingen.
Procedure Onderhavig bestemmingsplan is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzagetermijn zijn enkele zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijzen is het plan op punten aangepast dan wel aangevuld. Voor een overzicht van de zienswijzen en wijzigingen wordt verwezen naar de nota van zienswijzen, opgenomen in bijlage X.
53
Een van de zienswijzen heeft betrekking op een verlies van privacy als gevolg van mogelijke inkijk vanuit de appartementen en bijbehorende balkons. In figuur 17 is het uitzicht vanaf de 5e etage van het nieuw te bouwen complex richting De Doelen weergegeven.
Figuur 17: Uitzicht vanaf 5e bouwlaag richting De Doelen.
Naar aanleiding van bovenstaande afbeelding kan worden vastgesteld dat vanuit geen enkele woning zicht zal zijn op private tuinen. Het zicht wordt immers geblokkeerd door de hoofdmassa van de bestaande bebouwing. Er is derhalve geen sprake van een verlies van privacy door onderhavige ontwikkeling.
54