Bijlagenboek bij Bestemmingsplan Uitbreiding Sportpark Oudvensestraat Mierlo
Tekst van het document
Tijdelijke slaapplaatsen kunnen in dicht struweel aanwezig zijn, maar de vaste verblijfplaatsen van steenmarters bevinden zich in huizen, schuren en andere grotere structuren met veel schuilplaatsen. De gebouwen op het sportpark zijn daarvoor niet geschikt omdat deze niet toegankelijk zijn. Vaste verblijfplaatsen van steenmarter zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. De das komt in de wijde omgeving voor in het gebied Broekkamp ten zuidoosten van Mierlo en in het gebied ten noorden van het spoor bij Vaarle en Kranenbroek. Er leven dus geen dassen in het plangebied of de omgeving daarvan. De boommarter is uit de wijde omgeving niet bekend. De drie kleine marterachtigen, bunzing, hermelijn en wezel, zijn in veel provincies licht beschermd, maar in N-Brabant zijn deze soorten niet vrijgesteld. In de NDFF zijn geen waarnemingen uit het plangebied of de omgeving bekend. Deze dieren laten zich echter zelden zien en kunnen daarom niet bij het ontbreken van waarnemingen zonder meer als afwezig worden beschouwd. De zone langs het kanaal vormt wel een geschikt leefgebied en migratiezone en daarom zijn zwervende dieren bij de houtsingels in het plangebied niet uit te sluiten. Het plangebied heeft echter te weinig structuren en geschikte habitats om als leefgebied voor kleine marters te functioneren.
Van de licht beschermde soorten leven in ieder geval konijnen in het plangebied. Er is een waarneming in de NDFF bekend en bij het veldbezoek werden in een talud aan de noordwestrand van het gebied holen aangetroffen die zeer waarschijnlijk van konijnen zijn. De vos is als bewoner niet uit te sluiten, maar deze is ook licht beschermd. Verder zijn egel, bosmuis, bosspitsmuis en mogelijk rosse woelmuis in de houtsingels te verwachten. In de akkers leven mogelijk veldmuizen. Voor reeën is het gebied te klein, te open en te veel omsloten door bebouwing.
Notitie quickscan beschermde flora en fauna plangebied Oudvensestraat te Mierlo
Blad 10
Ecologisch advies en onderzoek
Figuur 10: De holen in het talud langs de akker aan de noordwestelijke grens van het plangebied. Zeer waarschijnlijk zijn deze van konijnen.
Vogels Bij broedvogels geldt een belangrijk onderscheid tussen soorten die elk jaar een nieuw nest maken en soorten die elk jaar van hetzelfde nest gebruik maken. Bij de eerste groep zijn de nestplaatsen nadat deze verlaten zijn, niet beschermd. Bij de tweede groep zijn de nestplaatsen jaarrond beschermd en mogen niet aangetast worden. Ook niet wanneer het nest tijdelijk niet bewoond is. In het plangebied kunnen diverse vogelsoorten broeden in de houtsingels en bomenrijen rond het sportpark. Op de akkers kunnen weide- en akkervogels zoals kievit, scholekster en patrijs nestelen. In de NDFF is slechts één waarneming van een kievit uit het plangebied bekend van april 2014 en een van patrijs in de zuidelijke paardenwei op 23-3 van het afgelopen jaar. De patrijs wordt in de ruimere omgeving ten westen van het plangebied op diverse plekken aangetroffen en heeft waarschijnlijk in het plangebied een leefgebied. Het lijkt er niet op dat weidevogels van de percelen gebruik maken om te nestelen, maar het is niet uit te sluiten. Het zodanig verstoren van broedende vogels dat deze het nest verlaten en het nest niet meer kan functioneren, is verboden. Het verwijderen van vegetatie en het uitvoeren van grondwerkzaamheden dient dan ook buiten het broedseizoen te gebeuren.
Het hoofdbroedseizoen loopt grofweg van 15 maart tot 15 juli, maar diverse vogelsoorten hebben meerdere broedsels in een seizoen en daarom zijn actieve nesten in de zomer niet uit te sluiten. Dit betreft vooral soorten die in struwelen, bomen en ruigtes nestelen. Van weide- en akkervogels zijn na juli geen kwetsbare jonge vogels meer te verwachten. Notitie quickscan beschermde flora en fauna plangebied Oudvensestraat te Mierlo
Blad 11
Ecologisch advies en onderzoek
Er zijn diverse vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in het plangebied waargenomen (NDFF), maar deze hebben geen betrekking op nestplaatsen. Het gaat bijvoorbeeld om overvliegende buizerds en foeragerende ooievaars. Opvallend is de waarneming van een dode kerkuil bij het schuurtje in de zuidelijke paardenwei in februari 2021. Kerkuilen hebben hun nest doorgaans in grote en hoge schuren, maar maken ook wel gebruik van kleinere gebouwen, zeker wanneer hier een nestkast voor kerkuil geplaatst is. Er is contact opgenomen met de waarnemer en deze liet weten dat de uil door de vorst was verzwakt en beschutting in de schuur had gezocht. Van een vaste rust of voortplantingsplaats is in de schuur echter geen sprake. De bewoners hadden hem verteld dat kerkuilen in een grotere schuur op het erf hebben gezeten (med. Martijn van der Weijde). Er is vervolgens geprobeerd contact met de bewoners op te nemen voor nadere informatie over de situatie, maar dat is niet gelukt. Aangezien kerkuilen in het algemeen zeer trouw aan hun leefgebied zijn, is het zeker niet uit te sluiten dat deze nog op de erven aan de Oudvenstestraat aanwezig zijn of terugkeren. Dit moet nader worden onderzocht. In het plangebied zelf zijn geen verblijfplaatsen aanwezig, maar dit maakt wellicht deel uit van het leefgebied waar de uilen foerageren.
Daarom moeten mogelijke effecten van veranderingen in dat gebied op de kerkuilen in dit nader onderzoek worden beoordeeld. Met de aanleg van sportvelden op agrarische percelen zal de oppervlakte foerageergebied afnemen, maar het is erg lastig om het effect daarvan op het broedsucces van de uilen concreet te bepalen omdat deze een grote homerange hebben waarin gefoerageerd wordt. Daarom wordt aanbevolen om ter compensatie foerageergebied van hoge kwaliteit in het gebied te realiseren. Daarbij kan vooral gedacht worden aan kruidenrijk en extensief beheerd grasland en hagen. Een ander belangrijk aandachtspunt is de geplande rondweg omdat de laag vliegende kerkuilen vaak slachtoffer worden van verkeer. Er moeten daarom maatregelen worden genomen die de kans op slachtoffers zoveel mogelijk verkleinen. Een andere uilensoort die wel in schuren nestelt is de steenuil. Deze is in de NDFF wel bekend van de omgeving van Luchen, maar niet uit het plangebied. Bij het veldbezoek zijn de bomen gecontroleerd op aanwezige roofvogelnesten. Deze zijn niet aangetroffen. Ook zijn de gebouwen op het sportpark geïnspecteerd op nestelmogelijkheden voor huismus en/of gierzwaluw. Deze zijn niet aangetroffen en in de bomen in het plangebied en de gebouwen op het sportpark zijn geen jaarrond beschermde nestplaatsen aanwezig. De situatie voor de kerkuil moet nader worden onderzocht.
Dit betreft de aanwezigheid in en nabij het gebied, functie van de agrarische percelen, effecten van de nieuwe inrichting met sportvelden en de rondweg en maatregelen om deze effecten te voorkomen of te verzachten. Wanneer dat laatste onvoldoende mogelijk is, kan een ontheffing nodig zijn. Voor overige vogelsoorten is aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag niet nodig.
Amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden Het plangebied is ongeschikt voor beschermde amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden. Algemene en licht beschermde soorten amfibieën zijn niet in de NDFF uit het gebied bekend, maar deze kunnen wel in de omgeving (tuinen) aanwezig zijn. De houtsingels en het populierenbosje zijn op zich geschikt landhabitat, maar omdat er geen geschikte voortplantingswateren zijn is het onwaarschijnlijk dat hier amfibieën leven. Strenger beschermde amfibieën zijn zeker niet te verwachten. Ook reptielen komen niet in het plangebied voor. De levendbarende hagedis is in de regio het meest algemene reptiel en deze is wel uit de wijdere omgeving bekend van de Collse heide en Molenheide, maar het plangebied ligt op te grote afstand en te geïsoleerd van deze natuurgebieden en is op zichzelf ongeschikt als leefgebied. Vissen zijn afwezig in verband met het ontbreken van oppervlaktewater. Voor beschermde insecten en andere ongewervelden is het plangebied ongeschikt en/of ligt ver buiten het verspreidingsgebied. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is voor deze soortgroepen niet nodig.
Notitie quickscan beschermde flora en fauna plangebied Oudvensestraat te Mierlo
Blad 12
Ecologisch advies en onderzoek
Planten Er zijn geen beschermde planten bekend of aangetroffen in het plangebied en deze worden ook niet verwacht. Het plangebied biedt geen geschikte standplaatsen voor beschermde plantensoorten. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is voor planten niet nodig.
Conclusie en aanbevelingen In het plangebied en de directe omgeving komen verschillende beschermde soorten voor of deze worden verwacht. Dit heeft de volgende consequenties: •
• • •
• • • •
•
In vrijwel alle gebouwen van het sportpark zijn mogelijk verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig. Eventueel te slopen of te verbouwen gebouwen dienen tijdig (mei – oktober 2022) op verblijfplaatsen van vleermuizen te worden onderzocht conform het meest recente Vleermuisprotocol. In het populierenbosje zijn mogelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig. Wanneer dit gekapt gaat worden dient tijdig (mei – september 2022) op verblijfplaatsen van vleermuizen te worden onderzocht conform het meest recente Vleermuisprotocol. Verstorende effecten voor vleermuizen in de zone langs het kanaal, zoals verlichting, moeten voorkomen worden. De situatie van de kerkuil in het gebied en de effecten van de nieuwe inrichting daarop moeten nader worden onderzocht. Op basis van de uitkomsten dienen maatregelen te worden bepaald die negatieve effecten voorkomen of verminderen. Daarbij wordt ook beoordeeld of een ontheffing noodzakelijk is. Andere jaarrond beschermde vogelnesten zijn niet in het plangebied aanwezig. Nader onderzoek is niet nodig. Strenger beschermde grondgebonden zoogdieren zijn hooguit als zwerver te verwachten en hebben in ieder geval geen verblijfplaatsen in het plangebied. Nader onderzoek is niet nodig. Strenger beschermde planten, amfibieën, reptielen, vissen, insecten en andere ongewervelden komen in het plangebied niet voor.
Nader onderzoek is niet nodig. Het verwijderen van begroeiing en het uitvoeren van graafwerkzaamheden dient te gebeuren buiten het broedseizoen of nadat verzekerd is dat er geen vogels broeden in de te verwijderen elementen. Op de akkerpercelen zijn na half juli geen nestelende vogels meer te verwachten. Bij bomen en struweel zijn in de zomer vervolgbroedsels niet uit te sluiten en kunnen ingrepen het beste in de periode oktober - februari worden uitgevoerd. Voor de uitvoering van de werkzaamheden dient gewerkt te worden conform de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. De zorgplicht geldt dus ook voor soorten zonder specifieke beschermingsstatus onder de Wet natuurbescherming.
Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Johan Zwanenburg
Notitie quickscan beschermde flora en fauna plangebied Oudvensestraat te Mierlo
Blad 13
Bijlage 4 Aanvullend onderzoek uilen en vleermuizen
50
Bestemmingsplan "Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo" (ontwerp)
Ecologica BV
0495 - 46 20 70
info@ecologica.eu
Rondven 22 6026 PX Maarheeze
0495 - 46 20 79
www.ecologica.eu
Gemeente Mierlo T.a.v. Hilko Ellerbroek Postbus 10101 5660 GA Geldrop Datum: Behandeld door: Ons kenmerk: Uw kenmerk:
15 november 2022 Stef Houben P2022/23
Aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming Deze notitie heeft betrekking op het aanvullende onderzoek naar in de omgeving van de Oudvensestraat te Mierlo. Uit een eerdere quickscan is naar voren gekomen dat aanvullend onderzoek naar kerkuil en vleermuizen noodzakelijk was1. In het kader van de Wet natuurbescherming is daarom zorgvuldig in kaart gebracht wat de huidige situatie van het onderzoeksgebied is ten aanzien van deze soort(groep)en. Deze notitie behandelt de resultaten van dit onderzoek.
Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt omsloten door de Oudvensestraat, het Eindhovens Kanaal en de Burgemeester Termeerstraat in Mierlo (zie Figuur 1). De woningen en bijbehorende tuinen aan beide wegen behoren niet tot het plangebied. Het gebied bestaat voor een groot deel uit (maïs)akkers en in het noordwesten ligt het sportpark Oudven met onder andere hockeyvelden. Aan de oostzijde liggen twee paardenweitjes (deels) in het plangebied. Aan de randen van het sportpark zijn houtsingels aanwezig en aan de oostzijde ervan ligt een klein bosje met hoge populieren. Tussen de akkers lopen enkele greppels met struweel. Het onderzoek betreft het plangebied, maar ook de directe omgeving voor zover daar effecten van de ingrepen te verwachten zijn.
1
Notitie QS Wnb Oudvenseweg Mierlo (Ecologica, 2021).
Blad 1 KvK Eindhoven: 17093881
BTW-nummer: NL818178346B01
Rekeningnummer: NL49 TRIO 0788 9202 35
Ecologisch advies en onderzoek
Figuur 1: Overzicht van het onderzoeksgebied.
Geplande maatregelen De planvorming is met de visie nog in een beginstadium en de uiteindelijke inrichting van het gebied is nog niet concreet bekend, maar in ieder geval is het streven om de sportvelden en parkeergelegenheid uit te breiden en een rondweg aan te leggen. In de onderstaande figuur is de schets van de visie weergegeven. Op deze schets zijn de houtsingels ten westen en oosten van het sportpark en de solitaire grote walnotenboom nabij de Oudvensestraat, als te behouden aangegeven. Ook de gebouwen van de gildevereniging en van korfbal/atletiek blijven gehandhaafd.
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 2
Ecologisch advies en onderzoek
Figuur 2: Deel van de visieschets (bron: gemeente Geldrop-Mierlo).
Aanpak veldonderzoeken Kerk- en steenuilonderzoek Het onderzoek naar kerkuil is uitgevoerd conform het kennisdocument kerkuil2. Er zijn drie bezoeken uitgevoerd in de periode februari – 30 april, zodanig dat het onderzoek ook voldoet aan de vereisten conform het kennisdocument steenuil3, aangezien deze soort niet volledig uitgesloten kon worden. Een overzicht van de data en weersomstandigheden van het veldbezoek zijn te vinden in Tabel 1. Tijdens de veldbezoeken is er in eerste instantie gezocht naar roepende dieren, maar overvliegende of
2 3
https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-011-Kennisdocument-Kerkuil-1.0.pdf https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 3
Ecologisch advies en onderzoek
foeragerende dieren zijn ook genoteerd indien waargenomen. Gedurende een avondonderzoek is er met de fiets rond het onderzoeksgebied gefietst en is er geluid van kerkuil en steenuil afgespeeld. Voordat de veldbezoeken van start gingen is er contact gelegd met het Netwerk Uilenbescherming Brabant om navraag te doen of zij kennis hebben van aanwezige dieren in het onderzoeksgebied. Tevens is er bij verschillende woningen aangebeld om duidelijkheid te verkrijgen van waarnemingen. Tabel 1: Overzicht en data van het kerk- en steenuilonderzoek. Datum Begintijd Eindtijd Temp (°C) Weer 10-03-2022 19:45 21:30 13 Helder, 1-2Bft 21-04-2022 20:10 22:30 17 Helder, 2-3Bft 26-04-2022 21:45 23:15 10 Helder, 1-2Bft
Waarnemer Stef Houben Stef Houben Stef Houben
Vleermuisonderzoek Protocol voor vleermuisonderzoek Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 20214. Inventarisaties die volgens deze richtlijnen worden uitgevoerd door een ervaren vleermuisonderzoeker, zowel in tijd als met het gebruik van de voorgeschreven apparatuur, voldoen aan de eisen die gesteld worden door de bevoegde gezagen. Gebiedsfuncties Vleermuisonderzoek is erop gericht om vast te stellen welke soorten in een onderzoeksgebied aanwezig zijn en hoe deze het betreffende gebied gebruiken (zogenaamde gebiedsfuncties). Elke soort benut op andere wijze zijn leefgebied. Dit wordt met behulp van veldwerk in kaart gebracht. Het leefgebied van vleermuizen beslaat tijdelijke en vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Zelden beslaat het leefgebied van een vleermuis alleen het onderzoeksgebied. Indien dit relevant was voor het onderzoek, is ook aanvullende informatie in aangrenzend gebied verzameld. Veldwerk Het veldwerk bij vleermuisonderzoek dat gericht is op het vaststellen van soorten en hun gebiedsgebruik, vindt hoofdzakelijk plaats tussen zonsondergang en zonsopkomst.
Een nacht kan hierbij worden onderverdeeld in drie perioden: de avondperiode (van een half uur voor zonsondergang tot twee uur na zonsondergang), de periode rond middernacht (van twee uur voor, tot twee uur na middernacht) de ochtendperiode (van twee uur voor tot een half uur na zonsopkomst). De avondperiode wordt gebruikt om uitvliegers en vliegroutes op te sporen; de ochtendperiode wordt gebruikt om naar zwermende en inkruipende vleermuizen bij een verblijfplaats te zoeken en de vliegroutes naar de verblijfplaats toe op te sporen. De periode rond middernacht is alleen van toepassing in het najaar, als de mannetjes baltsen. Het onderzoeksgebied is onderverdeeld in twee deelgebieden die door één persoon onderzocht konden worden, zijnde het populierenbosje en de gebouwen (zie Figuur 1). In het najaar zijn beide deelgebieden door één persoon onderzocht. Het veldwerk is onderverdeeld in een voorjaar-zomerperiode (half mei tot half juli) en een periode in het najaar (augustus tot eind september). De voorjaar-zomerperiode wordt gebruikt om kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes op te sporen. De periode in het najaar wordt gebruikt om naar paarverblijfplaatsen/-territoria, winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden te zoeken. Bij de vleermuisinventarisaties is gebruikgemaakt van een Pettersson D240X batdetector.
Deze batdetector zet voor mensen onhoorbare sonargeluiden van vleermuizen om in hoorbare geluiden. Aan de
4
https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 4
Ecologisch advies en onderzoek
hand van deze geluiden kunnen de vleermuizen op soort gebracht worden en kan ook hun terreingebruik goed worden geïnterpreteerd. Tevens is gebruik gemaakt van een Batscanner, Anabat Scout en een Hikmicro Owl OQ35 warmtebeeldcamera. Een batscanner geeft automatisch aan op welke frequenties vleermuisactiviteit is. Met een Anaba Scout kunnen continu opnamen gemaakt worden van vleermuisgeluiden. In Tabel 2 zijn de details van de verschillende bezoeken, evenals de weeromstandigheden te vinden. Tabel 2: Overzicht van de data en weersomstandigheden van het vleermuisonderzoek. Deelgebied Datum Zonsop- Zonson- BeginEind- Temp Weer komst dergang tijd tijd (°C) Gebouwen 21-05-2022 nvt 21:30 21:24 23:40 18->12 Helder->2/8 bewolkt, 2>1Bft Gebouwen 19-06-2022 05:20 nvt 03:19 05:20 15 Helder, 4Bft
Waarnemer Ben van der Wijden
Ben van der Wijden
Populierenbosje Populierenbosje
11-06-2022
05:20
nvt
03:02
05:20
16->14
Helder, 2Bft
Ben van der Wijden
03-07-2022
nvt
21:56
21:50
00:02
17->12
Helder, >1Bft
2-
Ben van der Wijden
Gebouwen + populierenbosje Gebouwen + populierenbosje
21-08-2022
nvt
20:50
01:00
03:07
13->12
Helder, 1Bft
Ben van der Wijden
10-09-2022
nvt
20:04
21:53
00:02
15
2/8 bewolkt->helder, 2Bft
Ben van der Wijden
Resultaten Kerk- en steenuil Voorafgaand de veldbezoeken is het Netwerk Uilenbescherming Brabant gevraagd of zij kennis hebben van kerkuilen en/of steenuilen in het onderzoeksgebied. Zij hadden geen gegevens van recente broedgevallen van beide soorten in het onderzoeksgebied, maar ten noorden van het kanaal, aan één van de boerderijen aan Stepekolk, was er in de vorige jaren telkens een broedgeval van kerkuil. Hier hangt ook een kast. Tijdens de veldonderzoeken zijn geen kerkuilen gehoord of waargenomen in het onderzoeksgebied. Wel is er tijdens ieder bezoek een roepende steenuil gehoord, waarvan tweemaal aan de Burgemeester Termeerstraat en éénmaal in de omgeving van Luchen (zie Figuur 3). Bij de adressen aan de Burgemeester Termeerstraat is aangebeld om te achterhalen of er eventueel een nestkast aanwezig was op het erf, maar er werd niet open gedaan. Conform het kennisdocument steenuil duiden waarnemingen op > 500 meter van elkaar op verschillende territoria, maar dat kan per gebied verschillen. De waarnemingen hier liggen ongeveer op 300-350 meter van elkaar. Tijdens de bezoeken zijn er nooit meerdere steenuilen gelijktijdig gehoord. Wellicht dat het hier één territorium betreft.
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 5
Ecologisch advies en onderzoek
Figuur 3: Overzicht van de waarnemingen van steenuil en de broedplaats van kerkuil.
Naast verblijfplaatsen is ook het leefgebied van beide soorten beschermd, in de zin dat dit van voldoende omvang en kwaliteit moet blijven om de functionaliteit van de nestplaats te behouden. Ingrepen in het leefgebied die leiden tot een verminderd broedsucces of zelfs het verlaten van een nest, zijn niet toegestaan. Volgens het kennisdocument kerkuil varieert het leefgebied van een kerkuil tussen de 60 ha in een voor de kerkuil heel goed gebied tot 1200 ha in een voor de kerkuil heel arm gebied. De grootte van het leefgebied wordt voornamelijk bepaald door het voedselaanbod. Bij een goed voedselaanbod hebben kerkuilen voldoende aan een gebied van 500 tot 1500 meter rondom de broedplaats. Voor steenuil geeft het kennisdocument aan dat territoria variëren tussen de 5 en 30 ha, ook afhankelijk van het voedselaanbod, maar daarnaast ook van de leeftijd van het mannetje. Jonge mannetjes hebben vaak een groter territorium dan oudere, ervaren mannetjes. Figuur 4 geeft een overzicht van de theoretische leefgebieden van kerkuil in steenuil ten opzichte van het onderzoeksgebied. Voor zowel kerkuil als steenuil valt het onderzoeksgebied geheel of gedeeltelijk binnen het mogelijke leefgebied, ongeacht welke grootte van het leefgebied van de soorten wordt aangehouden. De kans is aannemelijk dat beide soorten gebruik maken van het onderzoeksgebied.
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 6
Ecologisch advies en onderzoek
Figuur 4: Overzicht van het leefgebied van kerkuil en steenuil. Bij kerkuil is het leefgebied aangegeven in een straal van 500 en 1500 meter rondom de broedplaats conform het kennisdocument kerkuil. Bij steenuil is een leefgebied van 5 en 30 ha aangegeven rondom een centrale territoriumstip conform het kennisdocument steenuil. De centrale territoriumstip is bepaald obv de waarnemingen tijdens het veldbezoek en ligt centraal voor de drie waarnemingen.
Zowel kerkuil als steenuil hebben belang bij een leefgebied waarin elementen zoals houtwallen, grazige bermen, ruige overhoeken, struwelen, takkenrillen, kleinveeweiden e.d. aanwezig zijn. Het onderzoeksgebied bestaat voornamelijk uit (maïs)akkers, welke voor beide soorten als matig leefgebied geclassificeerd kan worden. Toch zijn belangrijke elementen voor beide soorten aanwezig, met name de houtwal in het noorden langs het kanaal met een wat ruigere onderbegroeiing. Tevens zijn er twee kleine paardenweitjes aanwezig in het oosten van het onderzoeksgebied. Ook enkele tuinen langs de Burgemeester Termeerstraat, buiten het onderzoeksgebied, zien er, voornamelijk voor steenuil, geschikt uit als leefgebied. Vleermuizen Verblijfplaatsen In het deelgebied ‘gebouwen’ zijn drie soorten vastgesteld die mogelijk verblijfplaatsen in gebouwen kunnen hebben, namelijk gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Er zijn geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van deze soorten vastgesteld. Tijdens de zomeronderzoeken was er vrij weinig activiteit van vleermuizen rond de gebouwen. Er zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen waargenomen, noch enig gedrag dat duidt op de aanwezigheid van een zomer- of kraamverblijfplaats. Wel is er één mogelijke paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld in het gildegebouw.
Tijdens beide najaarsonderzoeken liet er een mannetje gewone dwergvleermuis af en toe social calls horen tussen het gildegebouw en de begroeiing aan het kanaal. Mannetjes van de gewone dwergvleermuis gebruiken social calls in het najaar om hun territorium af te bakenen (baltsplaatsen) en wijfjes te
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 7
Ecologisch advies en onderzoek
lokken om te paren. In de buurt van de locaties waar ze hun social calls laten horen, zit vaak een paarverblijfplaats, maar soms liggen de paarplaatsen een stuk verderop. Paarverblijfplaatsen bevinden zich vrijwel uitsluitend in gebouwen, bij uitzondering in bomen. Hoewel er tijdens het onderzoek geen aanvliegpogingen zijn gedaan aan het gildegebouw, is een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis hier niet volledig uit te sluiten. In het deelgebied ‘populierenbosje’ zijn drie soorten vleermuizen waargenomen die mogelijk verblijfplaatsen in bomen kunnen hebben, namelijk gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Deze soorten zijn niet in- of uitvliegend waargenomen en vertoonden geen gedrag dat duidt op de aanwezigheid van een verblijfplaats in het populierenbosje. Er zijn geen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen vastgesteld. Foerageergebied en vliegroutes In beide deelgebieden samen zijn vijf soorten vleermuizen waargenomen. Het gaat om de soorten gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Gewone dwergvleermuizen zijn verspreid over beide deelgebieden waargenomen. De meeste activiteit was langs het kanaal, waar meerdere individuen foerageerden boven het kanaal en tussen de opgaande begroeiing op het talud.
Er is verder een vliegroute, van oost naar west, van de soort vastgesteld waarbij minimaal zeven individuen zijn geteld, maar waarvan de werkelijke aantallen wellicht hoger liggen. Op deze vliegroute vormt het populierenbosje een soort van foerageerstop voordat de dieren zich verder in westelijke richting verspreiden. Er is in het najaar één waarneming van een foeragerende gewone grootoorvleermuis gedaan aan de oostzijde van het populierenbosje. Laatvliegers zijn voornamelijk foeragerend waargenomen langs het kanaal en af en toe rondom het populierenbosje. Er is tevens een vliegroute, van oost naar west, vastgesteld waarbij minimaal negen individuen zijn geteld. De laatvliegers gebruiken het jaagpad en de begroeiing daar rondom als geleiding. Rosse vleermuis is éénmaal waargenomen tijdens het zomeronderzoek. Het betrof een hoog overvliegend exemplaar zonder enige binding met het onderzoeksgebied. Van ruige dwergvleermuizen zijn meerdere waarnemingen gedaan van foeragerende dieren, voornamelijk langs het kanaal. Er is één waarneming van een foeragerend individu langs het hoofdgebouw.
Effecten op beschermde soorten Kerk- en steenuil Door de geplande ingrepen worden er geen verblijfplaatsen van kerkuil en steenuil vernietigd. Negatieve directe effecten op verblijfplaatsen van beide soorten zijn uitgesloten. Wel is het mogelijk dat er effecten zijn op het leefgebied van zowel kerk- als steenuil. Omdat op dit moment nog niet bekend is wat de uiteindelijke inrichting van het gebied wordt, is het moeilijk in te schatten of er negatieve effecten gaan plaatsvinden op het leefgebied van kerkuil en steenuil. Toch kan verwacht worden dat negatieve effecten op het leefgebied van kerkuil minimaal gaan zijn, aangezien kerkuilen een veel groter leefgebied hebben dan steenuilen. Tevens zijn grote delen van het onderzoeksgebied slechts matig geschikt leefgebied. Wanneer een klein deeltje van dat matig geschikte leefgebied (tijdelijk) ongeschikt wordt, zullen negatieve effecten beperkt blijven, omdat de kerkuil nog veel ander matig geschikt tot geschikt leefgebied voorhanden heeft rondom zijn broedplaats. Voor steenuil is het wat lastiger omdat deze een veel kleiner territorium heeft, waardoor relatief gezien een groter gedeelte van zijn territorium mogelijk (tijdelijk) ongeschikt wordt. Het is belangrijk dat in ieder geval de nu geschikte delen van zijn leefgebied behouden blijven. Dat zijn de tuinen
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 8
Ecologisch advies en onderzoek
van de woningen aan de Burgemeester Termeerstraat, de houtwal langs het kanaal met ruige onderbergroeiing, maar ook de landschapsinrichting met houtwallen, akkers, wadi en graslanden tussen de Burgemeester Termeerstraat en Luchen. Als daarnaast bij de planvorming voor het onderzoeksgebied geschikte elementen worden ingepast, zoals kruidenrijke bermen, grazige vegetaties, ruigtes en ruige overhoeken e.d., dan zijn negatieve effecten op het leefgebied van steenuil niet te verwachten. Als laatste is het de bedoeling dat er een rondweg wordt aangelegd. Het is aan te bevelen om hier een snelheidsbeperking van maximaal 50 km/u (liefst minder) op te leggen om aanrijdingen met zowel kerkuil als steenuil te verkleinen. Beide soorten worden regelmatig aangereden. Vleermuizen Door de geplande ingrepen gaan geen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. De mogelijke paarverblijfplaats in het gildegebouw blijft gehandhaafd, aangezien in de visieschets is aangegeven dat dit gebouw behouden blijft. Verder is er een vliegroute van gewone dwergvleermuis en laatvlieger vastgesteld van oost naar west langs het kanaal. Het is belangrijk dat de begroeiing langs het kanaal behouden blijft en, waar mogelijk, wordt versterkt. Deze vegetatie zorgt voor windluwte en schermt de vliegroute af van de verlichting van de sportterreinen.
Indien de vegetatie behouden blijft, zijn er geen negatieve effecten te verwachten op de vliegroute van gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Tevens is het aan te bevelen om geen aanvullende verlichting te plaatsen met uitstraling richting het kanaal.
Conclusies Het onderzoeksgebied maakt naar alle waarschijnlijkheid deel uit van het leefgebied van kerkuil en steenuil. Daarnaast is een mogelijke paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aanwezig in het gildegebouw, welke blijft behouden, en is er een vliegroute van gewone dwergvleermuis en laatvlieger van oost naar west langs het kanaal. Negatieve effecten op het leefgebied van kerkuil en steenuil zijn te voorkomen door tijdens de inrichting de nu geschikte delen van het leefgebied te behouden. Verder moet er bij de inrichting van het gebied rekening gehouden worden met habitateisen van beide soorten. In de planvorming moet ruimte komen voor kruidenrijke bermen, grazige vegetaties, ruigtes, ruige overhoeken e.d. (zie kennisdocumenten van beide soorten voor meer voorbeelden). Negatieve effecten op de vliegroute van gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn te voorkomen door de vegetatie langs het kanaal te behouden en, waar mogelijk, te versterken. Daarnaast is aan te bevelen om geen aanvullende verlichting te plaatsen met uitstraling richting het kanaal. Indien de genoemde maatregelen, om negatieve effecten op de aanwezige beschermde soorten te voorkomen, worden genomen, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming niet nodig. Indien dat niet kan, moet er een ontheffing worden aangevraagd voor de betreffende soort(en).
Samenvatting mitigatie om overtreding te voorkomen
Behouden van de nu geschikte delen van het leefgebied van kerkuil en steenuil tijdens de inrichting van het gebied. Inpassen van habitateisen van kerkuil en steenuil in de planvorming van het gebied. Begroeiing langs het kanaal behouden en, waar mogelijk, te versterken ten behoeve van de vliegroute van gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Indien bovenstaande maatregelen, of enkele daarvan, niet mogelijk zijn moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor de betreffende soort(en) worden aangevraagd. Er dient bij de werkzaamheden zorgvuldig gehandeld te worden (wettelijke Zorgplicht). Het is van belang om eventuele begroeiing te verwijderen vóór het broedseizoen van het jaar van de werkzaamheden, zijnde vóór maart. Vanaf begin maart kunnen sommige vogels (zoals turkse tortel, houtduif, merel) met nestbouw en eileg beginnen. Deze vogelsoorten kunnen tot in oktober late legsels grootbrengen. Indien begroeiing voor maart wordt verwijderd, dan
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 9
Ecologisch advies en onderzoek
vindt er geen verstoring of vernietiging van nesten van broedvogels plaats en bijgevolg geen overtreding van de Wet natuurbescherming. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet,
Stef Houben
Notitie aanvullend onderzoek kerkuil, steenuil en vleermuizen Oudvensestraat te Mierlo
Blad 10
Bijlage 5 Verkennend waterhuishoudkundig plan
Bestemmingsplan "Uitbreiding sportpark Oudvensestraat Mierlo" (ontwerp)
61
RAPPORT Verkennend waterhuishoudkundig plan Luchen deelgebied 3B te Mierlo
Klant:
Gemeente Geldrop-Mierlo
Referentie: BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001 Status:
Definitief/00
Datum:
26 augustus 2022
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Larixplein 1 5616 VB Eindhoven Water & Maritime Trade register number: 56515154 +31 88 348 42 50 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Verkennend waterhuishoudkundig plan Luchen deelgebied 3B te Mierlo
Referentie: BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001 Status: 00/Definitief Datum: 26 augustus 2022 Projectnaam: Uitwerking principe waterhuishouding ontwikkeling Luchen-Oudven Projectnummer: BI4321 Auteur(s): Marieke Gijsbers en Gerard Dijkhuis Opgesteld door: Marieke Gijsbers Gecontroleerd door: Hilde van Daal Datum: 26 augustus 2022 Goedgekeurd door: Vincent de Bont Datum: 26 augustus 2022
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
ii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
2
Bestaande situatie
2
2.1
Ligging plangebied
2
2.2
Bestaande hoogteligging
3
2.3
Oppervlaktewater
4
2.3.1
Huidige afwatering
5
2.4
Bestaande riolering
7
2.5
Bodemopbouw
8
2.6
Grondwaterstanden
9
2.7
Ontwateringsdiepte, afkoppeling en infiltratie
11
3
Uitgangspunten
14
3.1
Uitgangspunten vuilwaterafvoer
14
3.2
Uitgangspunten hemelwaterafvoer
15
3.3
Uitgangspunten grondwater
15
3.4
Uitgangspunten compensatie waterberging
16
4
Toekomstige situatie
18
4.1
Schetsontwerp
18
4.2
Bepaling verhard oppervlak
18
5
Verkennend ontwerp waterhuishouding
20
5.1
Hoogte en inrichting plangebied
20
5.2
Vuilwaterafvoer
21
5.2.1
Systeembeschrijving vuilwaterafvoer
21
5.3
Hemelwaterafvoer
23
5.3.1 5.3.2
Afwateringsstructuur globaal Systeembeschrijving hemelwaterafvoer
23 24
5.4
Ontwerp waterberging
26
5.4.1 5.4.2 5.4.3
Systeembeschrijving waterberging Benodigde berging en afvoer Beschikbare berging in plangebied
26 27 28
6
Conclusies
29
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
26 augustus 2022
Locaties boringen en boorstaten Situering TNO boringen en boorstaten Hydraulische karakteristieken van de ondergrond
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
iii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
Na de planuitwerking Luchen 3A is de gemeente Geldrop-Mierlo gestart met het voorbereiden van de ontwikkeling Luchen 3B. Het plan ligt ten noorden van Luchen 3A en is ingeklemd tussen De Burgemeester Termeerstraat, de Oudvensestraat en het Eindhovens kanaal. In figuur 1.1 is het plangebied weergegeven. Ook voor dit plangebied dient een waterhuishoudkundig plan te worden opgesteld. In eerste instantie op hoofdlijnen omdat het stedenbouwkundig plan nog niet definitief is vastgesteld. De gemeente heeft Royal HaskoningDHV opdracht gegeven om voor dit plan een verkennend waterhuishoudkundigplan op te stellen.
Figuur 1.1
26 augustus 2022
Schetsontwerp van ontwerpbureau BRO d.d. 27-07-2021
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
1
Projectgerelateerd
2
Bestaande situatie
2.1
Ligging plangebied
In figuur 2.1 is een overzicht gegeven van de ligging van het plangebied. Het plangebied is gelegen in de gemeente Geldrop-Mierlo en aan de noordzijde begrensd door het Eindhovens Kanaal, aan de zuidzijde door de Burgemeester Termeerstraat en aan de oostzijde door de Oudvensestraat. Het gebied heeft hoofdzakelijk een agrarische functie met aan de oostzijde aangrenzend het huidige sportpark Oudven.
Figuur 2.1
26 augustus 2022
Ligging plangebied Luchen 3B te Mierlo
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
2
Projectgerelateerd
2.2
Bestaande hoogteligging
In figuur 2.2 is de globale hoogteligging van het plangebied weergegeven. Op basis van de AHN4 heeft het plangebied een hoogteligging die varieert tussen NAP +19,00m tot NAP +20,20m. Het noordelijke gedeelte loopt op van NAP +19,00m tot NAP +20,20m. In het midden ligt een perceel met een maaiveldhoogte variërend van NAP +19,25m tot NAP +19,10m dat naar het zuiden toe oploopt tot NAP +19,70m. De oostelijke tak langs de Oudvenseweg heeft een maaiveldhoogte van NAP +19,50m tot NAP +19,70m.
Figuur 2.2
26 augustus 2022
Hoogteligging plangebied, de rode lijn is het plangebied (bron: AHN-viewer, AHN4)
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
3
Projectgerelateerd
2.3
Oppervlaktewater
In figuur 2.3 is de ligging van het oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt op de waterschapsgrens van waterschap de Dommel en waterschap Aa en Maas. Ten westen van het plangebied nabij de Sint Catharinaweg begint de Luchense Wetering. Deze watergang stroomt in noordelijke richting en daarbij kruist de watergang aan de noordkant van het plangebied het Eindhovens kanaal. Het oppervlaktewaterpeil wordt geregeld door een stuw net ten noorden van de kruising met het Eindhovens kanaal. Hier ligt het streefpeil op NAP +17,10m in zowel de zomer als de winter. Door het grote verval in de Luchense Wetering staat de bovenloop vooral in de zomer droog. De A-watergang die vanuit de ontwikkeling Luchen 3A op de Luchense Wetering afwatert komt te vervallen en wordt overkluisd. De afstroming van het achterliggend gebied blijft gewaarborgd. Ten oosten van het plangebied ligt aan de westelijke zijde van de Oudvenseweg een secundaire of Bwatergang. Deze komt tot afstroming op het Eindhovens kanaal. Deze watergang wordt niet gestuwd en valt in droge periodes naar verwachting droog. Ten noorden van het plangebied ligt het Eindhovens kanaal. Het kanaal heeft een vast waterpeil van NAP +18,50m (blijkt uit metingen). Het waterpeil is afhankelijk van de Zuid-Willemsvaart waarmee het Eindhovens kanaal, verderop in Helmond, mee is verbonden.
Binnen het plangebied zijn geen A of B watergangen aanwezig. In de huidige situatie zal het onverharde agrarisch gebied hoofdzakelijk via de ondergrond tot afstroming komen op de westelijk gelegen Luchense Wetering.
Figuur 2.3
26 augustus 2022
Ligging oppervlaktewater in de omgeving
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
4
Projectgerelateerd
2.3.1
Huidige afwatering
Tijdens een veldbezoek is een inventarisatie uitgevoerd hoe de afwatering van het plangebied van de ontwikkeling Luchen 3B is voorzien in de huidige situatie. Hiermee is de huidige situatie vastgelegd. Tijdens het veldbezoek is gelet op de volgende onderdelen: Watergangen; Greppels; Aanwezigheid van duikers t.b.v. afvoeren van water; Oppervlakkige afstroming over maaiveld. De volgende punten zijn naar voren gekomen uit het veldbezoek. De nummers, greppels, watergangen en afstromingsrichting zijn hieronder aangeduid in figuur 2.4. 1. De hockeyvelden en atletiekbaan wateren af naar de watergang en afvoerende greppel aan de zuidzijde van het huidige sportpark in oostelijke richting naar de B-watergang van waterschap Aa en Maas; 2. Het perceel ten zuiden van het huidige sportpark heeft zijn afwatering in zuidelijke richting naar de greppel die aangesloten is op de B-watergang langs de Oudvensestraat; 3. Het laaggelegen perceel in het midden van het plangebied is voorzien van twee greppels. Deze greppels hebben geen water afvoerende functie. Het water blijft in het gebied en infiltreert. In de zuidelijke greppel is zichtbaar dat het water zich hier verzameld door aanwezigheid van water en riet; 4. Het perceel aan de noordzijde van het plangebied heeft een oppervlakkige afstroming over maaiveld in noordelijke richting.
Aan de noordzijde is een greppel aanwezig die dichtgegroeid is met bramenstruiken. Deze greppel heeft geen water afvoerende functie. Het water blijft in het gebied en infiltreert; 5. Het perceel in het zuiden heeft zijn afwatering in zuidwestelijke richting naar de B-watergang ten noorden van de Burgemeester Termeerstraat met een afvoerende functie richting de Luchense Wetering; 6. De B-watergang aan de noordzijde van de Burgemeester Termeerstraat is middels een rond 400mm verbonden met de B-watergang die naar de Luchense wetering tot afstroming komt. De afvoerende functie van de watergang ten noorden van de Burgemeester Termeerstraat is niet geheel op orde. Niet alle duikers zijn traceerbaar, o.a. van de lange duiker (aangeduid op kaart) is de doorgang niet op orde. Indien er een nood afvoer gaat plaatsvinden vanuit de nieuwe ontwikkeling naar deze watergang, is het een randvoorwaarde dat het systeem op orde gebracht wordt; 7. De gemeente is verantwoordelijk voor de afwatering van deze watergang. Er is een open verbinding (duiker rond 500mm of 600mm) met het kanaal waardoor er altijd water in deze watergang staat op het kanaal peil niveau (waterpeil bovenkant duiker). Vlak voor de lozing op het kanaal komt deze watergang samen met een watergang die vanuit het oosten komt met daarop een overstort.
Deze overstort zorgt voor opstuwing richting het plangebied tijdens neerslag situaties. De B-watergang langs de Oudvensestraat is daarnaast voorzien van een aantal obstakels: a. De watergang is verbonden middels duikers met voornamelijk afmetingen rond 300mm; b. Op twee locaties ligt een soort drempel/dam in de watergang tot halverwege de insteek van de watergang. Dit in verband met nutsvoorzieningen en huisaansluitingen van de riolering; c. Verderop in de watergang ligt met regelmaat (snoei)afval van het volkstuinen complex.
26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
5
Projectgerelateerd
Afstroming huidige situatie De waterscheiding van beide waterschappen is redelijk logisch gelegd. Ca. 50% van het plangebied komt niet oppervlakkig tot afstroming, maar infiltreert in de ondergrond/bodem. Het oostelijke gedeelte van het plangebied (nieuwe bestemming sportpark en woningen aan Oudvensestraat) komt tot afstroming richting het gebied van waterschap Aa en Maas. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied komt tot afstroming in de richting van waterschap de Dommel.
Figuur 2.4
26 augustus 2022
Uitkomsten veldbezoek plangebied Luchen 3B
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
6
Projectgerelateerd
2.4
Bestaande riolering
In het plangebied is geen bestaande riolering of riooltransportleiding aanwezig. Wel ligt er in de Geldropseweg en de Burgemeester Termeerstraat een vuilwaterriolering (ø900mm). Dit is de afvoerroute van het vuilwaterstelsel van Mierlo richting de randvoorziening (BBB). Overstort 1117 loost via een randvoorziening op de Luchense wetering. De watergang waar deze randvoorziening op loost zal worden overkluisd, de afstroming van het achterliggende gebied blijft gewaarborgd. Verderop in de Burgemeester Termeerstraat ligt een vuilwaterriolering met een diameter ø300mm, in de Oudvensestraat ligt drukriolering die aantakt op de rotonde. Met de uitwerking van het plan zal Luchen 3B zal de Oudvensestraat en het rioolstelsel daar aangepast moeten worden. Dit dient in een ontwerp van de boven- en ondergrond van de Oudvensestraat te worden uitgewerkt. In figuur 2.5 is een overzicht weergegeven van de bestaande riolering.
Figuur 2.5
26 augustus 2022
Bestaande riolering
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
7
Projectgerelateerd
2.5
Bodemopbouw
Regionale bodemopbouw In figuur 2.6 is de bodemopbouw weergegeven. De deklaag (de bovenste 24m van de ondergrond) wordt gevormd door de Formatie van Boxtel. De Formatie van Boxtel bestaat uit overwegend fijne zanden die doorsneden worden door leemlagen. Onder de deklaag zijn de Formaties van Beegden en Sterksel gelegen. De Formaties van Beegden en Sterksel vormen het eerste watervoerende pakket en worden gekenmerkt door een hoge doorlatendheid. Het eerste watervoerende pakket heeft een dikte van circa 60m en wordt op een diepte van circa NAP -47m doorsneden door een kleilaag van 1m dikte. De Formatie van Sterksel wordt aan de onderkant begrensd door de kleien van de Formatie van Stramproy (Stramproy klei 1). Tussen NAP -73m en NAP -83m wordt een tweede watervoerend pakket aangetroffen. Het tweede watervoerende pakket is opgebouwd uit matig fijne zanden. De dieper gelegen eenheden zijn, gezien de slechte doorlatendheid van de kleien, niet relevant voor deze studie en worden niet verder beschouwd.
Figuur 2.6
Verticale REGIS II v2.2 doorsnede door plangebied
Tabel 2.1
Regionale bodemopbouw.
Diepte
Formatie
Sediment
Maaiveld tot -4.7
Deklaag (Formatie van Boxtel)
Fijn tot matig fijn zand, leem, veen
-4.7 tot -10.5
WVP 1 (Formatie van Beegden)
Grof grindhoudend zand
-10.5 tot -47
WVP 1 (Formatie van Sterksel)
Matig fijn tot grof zand
-47 tot -48
SDL (Formatie van Sterksel)
Klei
-48 tot -65
WVP 1 (Formatie van Sterksel)
Grof zand
-65 tot -73
SDL (Formatie van Stramproy)
Klei
-73 tot -83
WVP 2 (Formatie van Stramproy)
Matig fijn zand
> -83
SDL (Formatie van Waalre)
Klei
[m+NAP]
WVP = watervoerend pakket, SDL = slecht doorlatende laag 26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
8
Projectgerelateerd
Ondiepe bodemopbouw Vanuit de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse van het plangebied voornamelijk uit hoge zwarte enkeerdgronden met een textuur, gevormd door lemig fijn zand (bodemcode zEZ23-V). Hoge zwarte enkeerdgronden zijn ontstaan door gebruik van heideplaggen binnen het potstalsysteem, waarbij de grond werd bemest met dierlijke mest en plaggen. De toplaag heeft minstens een dikte van 0,5 m en heeft een zwarte kleur. Ten einde meer inzicht te krijgen in de ondiepe bodemopbouw zijn de beschikbare boorstaten in het plangebied verzameld. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 1 (bron: Aeres Milieu, 2015) en bijlage 2 (bron: dinoloket.nl). Uit de boorstaten is op te maken dat de bodem tot circa 3,5 m-mv voornamelijk is opgebouwd uit zwak tot sterk siltig zeer fijn zand, lokaal wordt ook matig fijn zand aangetroffen. De zanden worden doorsneden door één of meerdere leemlagen met een dikte van 0,20 tot 0,50m. De leemlagen worden op wisselende dieptes aangetroffen. In het algemeen liggen de leemlagen minimaal 0,9m beneden het maaiveldniveau, lokaal kunnen de leemlagen echter ondieper liggen. Hydraulische karakteristieken De grondwaterstroming wordt met name bepaald door de bodemopbouw en de eigenschappen van de bodemlagen.
Watervoerende pakketten worden gekenmerkt door een hoge doorlatendheid en in deze lagen vindt met name horizontale grondwaterstroming plaats. Slecht-doorlatende lagen (scheidende lagen) worden gekenmerkt door een lage doorlatendheid (ook wel uitgedrukt in weerstand) waarin de grondwaterstroming gering is en met name in verticale richting plaats vindt. Op basis van de hydraulische karakteristeken kan de ondergrond onderverdeeld worden in watervoerende pakketten en slecht doorlatende lagen. De hydraulische karakteristieken van de door TNO onderscheiden lagen zijn opgenomen in bijlage 3 en tabel 2.2. Tabel 2.2
Hydraulische karakteristieken bodemlagen
Diepte
Kh [m/d]
Formatie
Sediment
Maaiveld tot -4.7
Deklaag (Formatie van Boxtel)
Fijn tot matig fijn zand, leem, veen
4.9
-4.7 tot -10.5
WVP 1 (Formatie van Beegden)
Grof grindhoudend zand
62
-10.5 tot -47
WVP 1 (Formatie van Sterksel)
Matig fijn tot grof zand
39
-47 tot -48
SDL (Formatie van Sterksel)
Klei
-48 tot -65
WVP 1 (Formatie van Sterksel)
Grof zand
-65 tot -73
SDL (Formatie van Stramproy)
Klei
-73 tot -83
WVP 2 (Formatie van Stramproy)
Matig fijn zand
> -83
SDL (Formatie van Waalre)
Klei
[m+NAP]
Kv [m/d]
0.024 61 0.021 9.5 0.0058
WVP = watervoerend pakket, SDL = slecht doorlatende laag
2.6
Grondwaterstanden
Ten einde meer inzicht te krijgen in de grondwaterstanden is de Dino database geraadpleegd (TNO, 2022). In de directe omgeving van het plangebied worden vijf TNO-peilbuizen aangetroffen waarin de grondwaterstand wordt gemonitord. In de omgeving van het plangebied zijn tevens drie peilbuizen aanwezig die deel uitmaken van het gemeentelijke grondwatermeetnet. Figuur 2.7 geeft de situering van de peilbuizen weer. Tabel 2.3 geeft een overzicht van de stamgegevens en de stijghoogtekarakteristieken van de peilbuizen.
26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
9
Projectgerelateerd
Figuur 2.7
Situering peilbuizen
Tabel 2.3
Grondwaterkarakteristieken peilbuizen. Top filter
Basis filter
GLG
Gem. GWS
GHG
[m+NAP]
[m+NAP]
[m+NAP]
[m+NAP]
[m+NAP]
B51G0714
n.b.
n.b.
Oktober 1973 – heden
17.53
17.93
18.29
B51H0315
n.b.
n.b.
Maart 1992 – heden
17.55
18.24
18.77
B51H1901
20.83
18.88
Februari 2020 – heden
17.40
17.94
18.53
B51H1902
20.21
19
Februari 2020 – heden
17.47
18.03
18.55
B51H1904
21.53
18.74
Februari 2020 – heden
17.35
17.86
18.37
GM13
2.43
1.43
Februari 2020 – heden
17.24
17.60
18.07
GM12
2.6
1.6
Februari 2020 – heden
17.39
17.90
18.43
MIE62
14.73
13.73
Maart 2019 – heden
17.08
17.53
18.01
Peilbuis
Meetperiode
n.b. niet bepaald
Uit de metingen is op te maken dat de jaarlijkse grondwaterstandsfluctuatie minimaal 1m bedraagt en dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) lokaal ca. NAP +18,6m bedraagt (ca. 0,5m tot 1,6m -mv). Gley-kenmerken Bij het uitvoeren van de boringen in het kader van het infiltratieonderzoek (Aeres Milieu, 2015) is specifiek aandacht besteed aan het voorkomen van gley-kenmerken. In de zone waar de grondwaterspiegel fluctueert vinden afwisselend oxidatie - en reductieprocessen plaats. Deze processen leiden tot het oplossen en neerslaan van met name ijzerverbindingen en tot de vorming van roestvlekken (horizonten) waar de ijzerverbindingen zich concentreren. Aan de hand van deze horizonten kan ook de natuurlijke grondwaterstandsfluctuatie, en daarmee de GHG, indicatief worden vastgesteld. Tabel 2.4 geeft een overzicht van de waargenomen gley-afzettingen. De afgeleide GHG’s passen in het beeld dat op basis van de grondwaterstandsmetingen verwacht mag worden.
26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
10
Projectgerelateerd
Tabel 2.4 Boring
Gley-kenmerken van de boringen (locaties opgenomen in bijlage 1) Top gley afzettingen [m+NAP]
B9
18.70
B13
18.20
B14
18.60
B18
18.10
B19
18.60
2.7
Ontwateringsdiepte, afkoppeling en infiltratie
Ontwateringsdiepte De grondwaterstand mag niet te hoog zijn omdat dit tot grondwateroverlast kan leiden. Ten einde grondwateroverlast te voorkomen wordt binnen stedelijk gebied naar een minimale ontwateringsdiepte gestreefd. Voor stedelijk gebied zijn in de literatuur verschillende waarden te vinden (CIW, 2001, zie figuur 2.8). Veelal wordt, afhankelijk van de gebruiksfunctie, een minimale ontwateringsdiepte van 0,5 tot 1m gehanteerd: Aan het plangebied zijn de volgende ontwateringseisen gesteld:
Minimale ontwateringsdiepte onder woning: 0,7m; vloerpeil 0,2m boven straatpeil Minimale ontwateringsdiepte onder straatpeil: 0,7m; Minimale ontwateringsdiepte groenvoorzieningen en tuinen: 0,5m.
Figuur 2.8
Civieltechnische termen (CIW. 2014).
Om de ontwateringsdiepten in het onderzoeksgebied te kunnen visualiseren dienen de grondwaterstanden afgezet te worden tegen het maaiveldniveau (het maaiveldniveau is ontleend aan het actuele hoogtebestand). Hiertoe is voor het onderzoeksgebied een modelgrid gegenereerd (zie figuur 2.9). Het grid is opgebouwd uit elementen van 2m (in totaal 81688 elementen). De gemiddeld hoogste grondwaterstanden die op basis van de metingen en de gley-kenmerken zijn afgeleid, zijn middels interpolatie voor het gehele modelgebied berekend en aan elk individueel modelelement toegekend. Figuur 2.10 geeft een overzicht van de berekende GHG.
26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
11
Projectgerelateerd
Figuur 2.9
Modelgrid
Figuur 2.10
Berekende GHG [m +NAP].
Figuur 2.11 geeft de berekende ontwateringsdiepte weer. De berekende ontwateringsdiepte varieert tussen 0,4m en ruim 2m. In grote delen van het gebied bedraagt de ontwateringsdiepte minimaal 0,7m waarmee voldaan wordt aan de ontwateringseisen. In de lagergelegen gebieden kan niet uitgesloten 26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
12
Projectgerelateerd
worden dat het gebied licht moet worden opgehoogd om aan de ontwateringseisen te kunnen voldoen. In de lagergelegen gebieden kan ook gekozen worden om kruipruimteloos te bouwen.
Figuur 2.11
Berekende ontwateringsdiepte tijdens GHG [m].
Afkoppeling en infiltratie Ten einde het rioolstelsel niet te veel te belasten wordt gestreefd naar het afkoppelen en lokaal infiltreren van hemelwater. Lokale infiltratie gaat echter gepaard met veranderingen in het hydrologische systeem en is niet in alle gevallen mogelijk. Infiltratie leidt tot een lokale verhoging van de grondwaterstand en kan in ongunstige gevallen leiden tot grondwateroverlast. Daarnaast wordt de infiltratie capaciteit sterk bepaald door de aanwezigheid van scheidende lagen en de doorlatendheid van de bodemlagen. Uit het infiltratieonderzoek dat is uitgevoerd door Aeres Milieu (2015), is gebleken dat de verticale infiltratiesnelheid en horizontale infiltratiesnelheid vrij laag is. Met name in de siltigere bodemlagen is infiltratie niet goed mogelijk. Met betrekking tot de scheidende lagen kan geconcludeerd worden dat vrijwel overal in het plangebied leemlagen aanwezig zijn. Gezien de geringe doorlatendheid van de leemlagen kan aangenomen worden dat infiltrerend water stagneert op de leemlaag en tijdelijk leidt tot hogere grondwaterstanden. Vanwege de geringe diepte van de lagen zal lokale infiltratie middels wadi’s of infiltratiedrains al snel leiden tot hoge grondwaterstanden (<0,5 m-mv) en tot grondwateroverlast.
De mate van grondwaterstandsverhoging kan beperkt worden door het hydraulisch contact tussen het freatisch pakket en dieper gelegen watervoerende eenheden te verhogen. Dit kan door lokaal de leemlaag te verwijderen of door grindpalen aan te brengen. Zonder het treffen van deze mitigerende maatregelen wordt lokale infiltratie in het onderzoeksgebied, waar de leemlaag aanwezig is, kansarm geacht.
26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
13
Projectgerelateerd
3
Uitgangspunten
3.1
Uitgangspunten vuilwaterafvoer
In tabel 3.1 zijn de uitgangspunten voor het ontwerp opgenomen met betrekking tot de vuilwaterafvoer in het plangebied. Tabel 3.1: Uitgangspunten vuilwaterafvoer Luchen deelgebied 3B Aspect
Uitgangspunt
Opmerkingen
Bestaande maaiveldhoogte
Variërend tussen NAP +19,00m en NAP +20,20m
Op basis van AHN4
Toekomstig maaiveld
Ophogen voor minimale ontwatering
Afhankelijk van de gewenste grondbalans
Stelseltype
Gescheiden stelsel
Afvoer
Ondergronds, onder vrij verval op stelsel gemeente
Aansluitpunten op bestaande riolering
Put 1107 in de Burgemeester Termeerstraat en put 150281 in de Oudvensestraat.
Minimale dekking
1,3 m
Minimale leidingdiameter
ø250 mm
Materiaal vrijvervalleidingen
PVC, PE/PP
Verhang leidingen
4‰ - 2‰
Maximale putafstand
50m
Ligging leidingen
Zoveel mogelijk in hart van rijbaan
Maximale diepte dwa-riolering
4 m-mv
Maximale ontwerpvullingsgraad
50 %
Waterverbruik woningen
0,010 m3/h (10l/h per inwoner)
Woningbezetting
2,4 inwoners
Minimale afstand tussen leidingen bij kruisingen
0,15 m
Maximale afstand tussen woning en vuilwaterriolering
Ca.15 m
26 augustus 2022
LUCHEN 3B
Vuilwaterstelsel wordt op één of twee punten aangesloten op gemeentelijke vuilwaterstelsel. Voor de riolering van de Oudvensestraat dient bij de verdere uitwerking van het plan een ontwerp gemaakt te worden.
Het landelijk verbruik per inwoner ligt tussen 10 en 15 liter per uur gedurende een tijdsbestek van 10 uur.
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
14
Projectgerelateerd
3.2
Uitgangspunten hemelwaterafvoer
In tabel 3.2 zijn de uitgangspunten voor het ontwerp opgenomen met betrekking tot de hemelwaterafvoer in het plangebied. Tabel 3.2
Uitgangspunten hemelwaterafvoer Luchen deelgebied 3B
Aspect
Uitgangspunt
Opmerkingen
Stelseltype
Gescheiden stelsel
Afvoer verhardingen openbaar gebied
Bovengrondse afwatering, indien niet mogelijk ondergronds.
Afvoer verharding daken
100 %
Afvoer overige verharding
100 %
Minimale leidingdiameter
Ø250 mm
Materiaalkeuze leidingen
< of gelijk aan ø315 mm PVC > ø315 mm beton
Minimale dekking
1,3 m
Verhang leidingen
2‰-1‰
Maximale putafstand
80 m
Ligging leidingen
Zoveel mogelijk in hart van rijbaan
Minimale afstand tussen leidingen bij kruisingen
0,15 m
Indien de minimale afstand tussen de leidingen niet mogelijk is, worden er sifons aangebracht om het vuilwater te kruisen
Hydraulische controle hemelwaterstelsel
Conform de kennisbank Stichting Rioned met een neerslaggebeurtenis bui 09
Hydraulische capaciteit leidingen dient te voldoen aan: - Geen water-op-straat bij bui 09 (T=5) - Toetsing van een extreme neerslaggebeurtenis doorrekenen en inzichtelijk maken wat er gebeurd. Dimensionering en hydraulische controle van de leidingen valt buiten de scope. Er zal wel een verwachting worden uitgesproken wat er gebeurd.
3.3
Uitgangspunten grondwater
In tabel 3.3 zijn de uitgangspunten voor het ontwerp opgenomen met betrekking tot grondwater in het plangebied. In dit geval zijn het de kenmerken van het grondwater in de bestaande situatie die gehanteerd zullen worden voor het ontwerp. Tabel 3.3
Uitgangspunten grondwater Luchen deelgebied 3B
Aspect
Uitgangspunt
Opmerkingen
Bodemopbouw
Zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand
Op 0,9 tot 1,5m beneden maaiveld zijn leemlagen aanwezig bestaande uit leem en zwak- en sterk zandige leem.
Grondwater
GHG op NAP +18,60m
Op basis van eerder uitgevoerd geohydrologisch onderzoek en op basis van geohydrologische analyse van de grondwaterstanden in paragraaf 2.6.
26 augustus 2022
LUCHEN 3B
BI4321-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
15
Projectgerelateerd
Aspect
Uitgangspunt
Opmerkingen
Ontwateringsdiepte t.o.v. GHG
Ter plaatse van: - Woning: 70 cm - Tuinen en openbaar groen: 50cm - Rijbanen: 70cm
Vloerpeil ca. 20cm aanleggen boven straatpeil (nog af te stemmen met gemeente)
Beschermingsgebied waterwingebied
Valt niet binnen grenzen van beschermingsgebied
Verontreiniging
Er is geen verontreiniging bekend
Huidige grondwateroverlast
Er is geen grondwateroverlast bekend
3.4
Uitgangspunten compensatie waterberging
In tabel 3.4 zijn de uitgangspunten voor het ontwerp opgenomen welke gehanteerd worden voor de compensatie waterberging in het plangebied. Het waterbeleid van de Brabantse waterschappen (Dommel en Aa en Maas) is van toepassing. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Uit het uitgevoerd onderzoek blijkt dat infiltratie mogelijk is. Tabel 3.4
Uitgangspunten compensatie waterberging Luchen deelgebied 3B
Aspect
Uitgangspunt
Huidige situatie
Volledig onverhard gebied
Toekomstige situatie
Aanname % van perceel dat verhard kan worden:
Opmerkingen
Vrijstaande woningen 70% Aaneengesloten (rij/senior) 90% Patiowoningen 95% Woon-werkkavels 90% Wegen 100% Parkeren 100% Groen 10% Wadi’s 0% Waterbeleid waterschap