240806 motivering TAM omgevingsplan Hoofdstuk 22a Oudvensestraat-Zuid
Tekst van het document
Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; De cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten.
Het zuidoostelijke deel van het plangebied is volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart gelegen binnen de contour ‘historisch zichtrelatie vlak: Molenbiotoop’. De aanwijzing ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ vloeit voort uit bestemmingsplan ‘Inbreidingslocaties’ van de gemeente Geldrop-Mierlo zoals te zien in figuur 6-7. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van zijn waarde als landschapsbepalend element. Tevens geldt dat voor zover gelegen op een afstand van 100 m tot en met 300 m gemeten van de voet van de molen, geen bouwwerken mogen worden opgericht met een grotere hoogte dan 1/50 van de afstand gemeten tussen het bouwwerk en de voet van de op de plankaart aangeduide molen, vermeerderd met 3,12 m. Dit betekent dat bouwwerken in het plangebied een maximale hoogte hebben van 11,75 m.
blad 47 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
Figuur 6-7 Uitsnede plangebied met plangrens in rood. Aanwijzing van de molen d.m.v. de rode pijl. Molenbiotopen aangeduid met gele cirkel. Molenbiotoop geldend in plangebied aangeduid met blauwe kleur.
De toelichting van bestemmingsplan ‘Inbreidingslocaties’ beschrijft dat de molenbiotoop een cirkelvormige zone is rondom windmolens, met een straal van 400 m vanaf de molen. Ook hanteert het bestemmingsplan de 400 m in de verbeelding, in tegenstelling tot de 300 m die wordt beschreven in de regels van ditzelfde bestemmingsplan. De zone is van belang voor de vrije windtoetreding tot en windafvoer van (en het zicht op) de molen. Deze zone dient met de nodige zorg te worden ingericht. Vanaf een afstand van 100 meter vanuit het middelpunt van de molenbiotoop, geldt de volgende formule: H=x/n+c*z. De beoogde ontwikkelingen voor onderhavig plan belemmeren de molenbiotoop niet, gelet op de al bestaande bebouwing binnen de molenbiotoop.
blad 48 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
Figuur 6-8 Uitsnede plangebied Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant met plangrens in rood
Binnen de grenzen van het plangebied bevinden zich geen MIP-panden (Monumenten Inventarisatie Project) of rijksmonumenten. Binnen de grenzen van het plangebied bevindt zich één gemeentelijk monument. Dit monument is gelegen aan de Oudvensestraat 1 in Mierlo. Het gaat hier om het hoofdgebouw van het perceel. Dit monument is in Figuur 6-8 aangegeven met een blauwe speld, binnen de lijnen van het plangebied. Het gemeentelijk monument wordt in de omgevingsplanwijziging wederom aangewezen als gemeentelijk monument. De Oudvensestraat is aangeduid als een lijn van redelijk hoge waarde. De Burgemeester Termeerstraat is aangeduid als een lijn van hoge waarde. De laanbeplanting met zomereiken en moeraseiken (overwegend daterend uit de periode 1850-1920), welke zich onder andere langs de Oudvensestraat, Burgemeester Termeerstraat en Geldropseweg bevindt, is aangeduid als redelijk hoge waarde. De laanbeplanting is in figuur 6¬8 zichtbaar middels de groene stroken. Het plangebied bevindt zich binnen ‘Landschap 30’. Dit is geclassificeerd als Archeologisch landschap en heeft de naam ‘Helmondse Akkers’. Landschap 30 kenmerkt zich door een zeer hoge dichtheid aan bekende vindplaatsen, hetgeen blijkt uit het hoge aantal waarnemingen per km2 en het relatief grote aandeel AMK-terreinen. Binnen dit gebied wordt ingezet op het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief.
Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan de waarden en kenmerken van de omgeving of het gemeentelijk monument. Het voorziet in een evenwichtige groei en ontwikkeling van Geldrop-Mierlo, waarbij de karakteristieke landschappen en historische elementen behouden blijven.
6.6.3
Conclusie De huidige dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ alsmede de bestaande beperkingengebieden zijn in voorliggend wijziging omgevingsplan overgenomen waar nodig. Het gemeentelijk monument wordt in de omgevingsplanwijziging wederom aangewezen als gemeentelijk monument. Voorgaande zorgt voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden en de cultuurhistorie in het plangebied. Benodigde onderzoeken dienen plaats te vinden indien uitvoering wordt blad 49 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
gegeven aan de ontwikkelingen. Vanuit het aspect cultureel erfgoed zijn derhalve geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.7
Omgevingsveiligheid
6.7.1
Kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl. • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl. • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl). • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
blad 50 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
6.7.2
Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn diverse bronnen aanwezig die relevant zijn vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid. Figuur 6-9 toont deze bronnen. Op de hierna genoemde afstanden tot het plangebied zijn aanwezig: • Op 175 meter is het bedrijf Maref Metaalbewerking B.V. gelegen, waarbij een plaatsgebonden risico van één op de miljoen per jaar geldt. • Op 584 meter is het bedrijf GNT Nederland B.V. gelegen, waarbij een plaatsgebonden risico van één op de miljoen per jaar geldt. • Ten noordwesten van het plangebied is op 570 meter een Obragas gasdrukregel- en meetstation van de N.V. Nederlandse Gasunie gelegen, waarbij een plaatsgebonden risico van één op de miljoen per jaar geldt. Op 550 meter is een brandaandachtsgebied gelegen. Op 563 meter geldt een plaatsgebonden risico van één op de 100 miljoen per jaar en op 590 meter is een buisleiding gelegen. • Ten noordoosten van het plangebied is op 1,1 kilometer een brandaandachtsgebied gelegen. Op 1,2 kilometer geldt een plaatsgebonden risico van een op de 100 miljoen per jaar. Op 1,2 meter ligt een milieubelastende activiteit in de vorm van het hotel de Carlton de Brug. • Ten zuiden ligt op een afstand van circa 20 meter een tankstation.
Figuur 6-9 ligging diverse bronnen t.o.v. het plangebied
De milieubelastende activiteiten van de bedrijven ten oosten van het plangebied vormen geen beperkingen. De plaatsgebonden risico’s liggen niet over het plangebied heen en bevinden zich op een grote afstand tot het plangebied. Hetzelfde geldt voor de brandbeveiligingscontouren, welke zijn aangeduid in het paars, bij de leidingen ten noordwesten en ten oosten van het plangebied. Deze bevinden zich op een grote afstand van het plangebied en overlappen het plangebied niet. Bij deze leidingen bevinden zich ook plaatsgebonden risico’s van één op de 100 miljoen, welke zijn aangeduid in het groen. Ook deze overlappen het plangebied niet en bevinden zich op een dermate grote afstand dat er geen belemmering wordt verwacht. Gelet op de grote afstand van de bronnen tot aan het plangebied kan gesteld worden dat omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Het tankstation heeft op de plankaart een contour voor een plaatsgebonden risico, zoals weergegeven in figuur 6-10. Deze contour is niet gelegen in het plangebied. Hierdoor zijn er geen risico’s te verwachten voor het plangebied. Daarnaast is het tankstation in de praktijk geen verkooppunt met lpg vulpunt. Omgevingsveiligheid vormt hier dan ook geen belemmering.
blad 51 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
Figuur 6-10 plaatsgebonden risico tankstation ten zuiden van het plangebied, aangeduid met zwarte cirkel
6.7.3
Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.8
Waterbelang
6.8.1
Kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk, provinciaal en rijks beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een geohydrologisch onderzoek voor de waterhuishouding uitgevoerd. Vervolgens worden de verschillende waterhuishoudkundige belangen afgewogen. In de onderzoeken worden niet alleen de wateraspecten opgenomen, maar ook welke maatregelen genomen kunnen worden op het gebied van onder andere klimaatadaptatie.
6.8.2
Toetsing Voor onderhavig plan is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Dit waterhuishoudkundig is opgenomen als bijlage 10. Onderstaand wordt de conclusie van het waterhuishoudkundig plan beschreven. Oppervlaktewater
blad 52 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
Het gebied valt op de waterscheiding tussen twee stroomgebieden. Het stroomgebied van de Luchense Wetering in het westen. En in het oosten de B-watergang langs de Oudvensestraat. Deze B-watergang komt tot afstroming op het Eindhovense kanaal dat ten noorden van het plangebied is gelegen. Binnen het plangebied liggen enkele C-watergangen. Op basis van het ontwerp blijft de watergang vanuit het gebied naar de watergang langs de Oudvensestraat behouden en word de watergang in het midden van de ontwikkeling gedempt. Grondwater Op basis van het verkennend waterhuishoudkundig plan van Luchen 3B uit 2022 en de Dino database blijkt de GHG binnen het gebied van het plangebied Oudvensestraat Zuid circa NAP +18,6 m te bedragen. Het plangebied heeft een ontwateringsdiepten van tussen de 0,7 m en 2,15 m-mv. Infiltratie Binnen het plangebied zijn leemlagen aanwezig die invloed hebben op de infiltratie mogelijkheden binnen het gebied. Uit infiltratieonderzoek is gebleken dat de verticale en horizontale infiltratiesnelheid vrij laag is. Hierdoor zal lokale infiltratie middels wadi’s of infiltratiedrains (zonder verbetering van het hydraulisch contact) al snel leiden tot hoge grondwaterstanden en tot wateroverlast. Verhard oppervlak Het totale afvoerend verhard oppervlak welke afwatert is 1,44 ha. Hierbij is ook rekening gehouden met de bestaande watergang op binnen het plangebied.
Hoogte plangebied Op basis van de GHG die op circa NAP +18,60m ligt en de ontwatergingseisen is het minimale straatpeil in de deelgebieden bepaald op ca. NAP +19,3m. Om aan te sluiten op de omgeving is het een aanbeveling om het maaiveld op te laten lopen naar NAP +19,50m. Waterberging In het plangebied is een beschikbare berging aanwezig van 1.350 m² wadi’s. Met een stijghoogte van 0,50 m is hier 941 m³ berging aanwezig rekening houdend met de taluds. Met een benodigde berging van 866 m³ op basis van het beleid van het waterschap is er ruim voldoende berging aanwezig. Bij een maximale peilstijging tot aan straatpeilniveau van 0,70m kan de worst-case benadering net niet binnen het huidige gereserveerde oppervlak worden geborgen. Vanuit het waterhuishoudkundig plan wordt geadviseerd rekening te houden met een stijghoogte van 0,5m. Conclusie Uit het waterhuishoudkundig plan blijkt dat de voorzieningen, zoals deze zijn opgenomen in het schetsontwerp, voorzien in voldoende waterberging. Op basis van gewenste ontwateringsnormen is er mogelijk op een enkele locatie ophoging nodig. Met de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels zijn de voorzieningen geborgd.
6.8.3
Conclusie Vanuit het aspect waterbelang zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.9
Ecologie
6.9.1
Kader In het Bkl zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Voorheen werd dit geregeld in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
blad 53 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en /of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling.
6.9.2
Toetsing Ten aanzien van de stikstofdepositie is een onderzoek verricht om na te gaan of de ontwikkeling tot significante effecten kan leiden op beschermde natuur. Ten behoeve van de ontwikkeling is tevens een natuurtoets uitgevoerd. De uitkomsten van deze onderzoeken worden hieronder beschreven. Stikstof De stikstofberekening is uitgevoerd voor een woningbouwontwikkeling en een mogelijke nieuwe ontsluitingsweg. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 11. Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator voor beide fasen geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie staat verdere besluitvorming derhalve niet in de weg. Natuurtoets Onderstaand wordt de uitkomst van de natuurtoets per onderdeel beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 12. Soortenbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels, vleermuizen en zoogdieren. Voor deze soortgroepen is nader onderzoek nodig. Door het nemen van maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
Het nader onderzoek is weergeven in volgende tabel. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Tabel 6-4: Beschrijving nader onderzoek
Soort(groep) Vogels met een jaarrond beschermd nest (huismus)
Onderzoeksmethode Om de aan- of afwezigheid van de huismus aan te kunnen tonen, is nader onderzoek noodzakelijk. Voor de huismus bestaat dit nader onderzoek uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens 3 gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12, 2023)
Vleermuizen (gebouwbewonende soorten)
Mochten de woningen aan Oudvensestraat 1 en/of 3 worden gesloopt of daken worden aangetast dan geldt het volgende: Om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis) aan te kunnen tonen, is nader onderzoek conform het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Dit onderzoek bestaat uit minimaal vijf bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober).
Vleermuzien (essentiële vliegroutes)
Bij verwijdering of aantasting van lijnvormige elementen (bomen- en struikenrijen) die aanwezig zijn in het plangebied dient nader onderzoek uit te worden gevoerd. Om de aan- of afwezigheid van essentiële vliegroutes aan te kunnen tonen, is nader onderzoek conform het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Dit onderzoek bestaat uit minimaal twee bezoeken verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen april en oktober).
In de volgende tabel is aangegeven dat een overtreding van de Ow voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Door het nemen van maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
blad 54 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo Tabel 6-5: Beschrijving maatregelen om overtreding van de Ow te voorkomen.
Soort(groep) Vogels met een jaarrond beschermd nest (huismus)
Maatregel Werken buiten het broedseizoen is een maatregel om overtreding te voorkomen.
Vleermuizen
Mochten de woningen aan Oudvensestraat 1 en 3 niet worden gesloopt en de daken niet worden aangetast dan geldt het volgende: Er wordt geadviseerd ’s avonds geen werkzaamheden uit te voeren zodat het gebruik van licht niet noodzakelijk is. Om tijdens de realisatiefase verstoring te voorkomen is het belangrijk dat, indien verlichting nodig is, het noodzakelijk is dat er geen verlichting of aangepaste vleermuizenverlichting richting de bebouwing wordt geplaatst. Ook tijdens de gebruiksfase wordt geadviseerd geen extra verlichting richting bestaande woning(en) te plaatsen.
Steenmarter
Het doden van dieren bij de kap- en graafwerkzaamheden kan worden voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen (ecologische werkprotocol) en het ecologisch begeleiden van de werkzaamheden
Zorgplicht In het plangebied kunnen soort(groep)en aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in de volgende figuur. Tabel 6-6: Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten.
Soort(groep) (Grondgebonden) zoogdieren en amfibieën (egel en gewone pad).
Maatregel • Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort maaien. • Stapvoets rijden tijdens het maaien. • In één richting maaien zodat dieren tijdig kunnen vluchten, in de richting van een vluchtmogelijkheid. Bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een ruigte of bosschage. • Overdag werken en geen gebruik maken van kunstmatige verlichting. • Voorkom of beperk de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom het direct schijnen op groenelementen zoals bosschages en ruigtes. • Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen verblijven. • Voorkom het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april tot en met augustus).
Onder de Ow dient nadere aandacht te worden besteed aan soorten van de Rode Lijsten. Onder de Ow kunnen provincies beleidskaders opstellen over hoe en met welke soorten (van de Rode Lijsten) rekening dient te worden gehouden in het kader van de Zorgplicht. Vooralsnog zijn deze aanvullende beleidskaders nog niet opgesteld. In de voorliggende rapportage is daarom gekozen voor het opnemen van waarnemingen van de Rode Lijst soorten in de NDFF in het plangebied. Door middel van de maatregelen beschreven in tabel 3.4 kunnen op negatieve effecten worden gemitigeerd op (een deel van) de opgenomen Rode Lijst soorten. Gebiedsbescherming In de volgende tabel worden de conclusies ten aanzien van Natura2000-gebieden weergeven. Tabel 6-7: Conclusies Natura 2000-gebieden
Soort(groep) Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden?
Natura2000 Ja, Strabrechtse Heide & Beuven (op circa 2,7 kilometer afstand).
Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten?
Ja, er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie.
blad 55 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
Zijn er vervolgstappen aan de orde? Omgevingsvergunning Natura 2000activiteit of akkoord van de provincie noodzakelijk? Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden?
Ja, er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd.
Nog onbekend
In de volgende tabel worden de conclusies ten aanzien van NNB-gebieden weergeven. Tabel 6-8: Conclusies NNB-gebieden
Soort(groep) Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNB-gebied?
NNB
Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie?
Ja
Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde? Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNB-gebied?
Nee
Circa 150 meter.
Nee
Nee
Overig provinciaal beleid Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Groenblauwe Mantel of rust- en foerageergebieden van ganzen en smienten. Er zijn geen effecten aan de orde. Beschermde houtopstanden bebouwingscontour houtkap In (de directe omgeving van) het plangebied zijn bomen aanwezig. Mochten er als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden houtopstanden worden gekapt of mogelijk worden aangetast dan is een nadere toetsing beschermde houtopstanden noodzakelijk. In deze nadere toetsing wordt in eerste instantie bepaald of de houtopstanden beschermd zijn, en zo ja onder welk beschermingsregime (buiten de bebouwingscontour houtkap en/of Omgevingsplan). Daarnaast wordt in de nadere toetsing houtopstanden bepaald of eventuele vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij kap van bomen zijn: een melding houtkap (op basis van Bal – Omgevingswet) of een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid). Ook kan het noodzakelijk zijn een Boom Effect Analyse (BEA) op te stellen, waarbij wordt getoetst in hoeverre bomen in de invloedssfeer daadwerkelijk negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden ondervinden.
6.9.3
Conclusie De stikstofdepositie belemmert verdere besluitvorming niet. Uit de natuurtoets blijkt dat er nader onderzoek nodig is voor de percelen Oudvensestraat 1 en 3. Gelet hierop is een artikel opgenomen in de regels van dit plan ten aanzien van sloop-, verbouw- en grondwerkzaamheden. Vanuit het aspect ecologie zijn derhalve geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.10
Luchtkwaliteit
6.10.1 Kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. blad 56 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de emissie van stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. Dit is opgenomen in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl.
Uit de artikelen 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.
6.10.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de toevoeging van 49 woningen. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen'. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met het bepaalde in de Wet milieubeheer. In het kader van goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit getoetst. Met de NIBM-tool (versie 2022) is de maximale toename van de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 berekend als gevolg van het extra verkeer. De NIBM-tool gaat uit van de voor luchtkwaliteit meest ongunstige situatie en berekent daardoor het maximale effect. Onderstaand is de berekening met de NIBM-tool opgenomen.
Figuur 6-11: uitkomst van NIBM-tool
Op basis van de uitkomst van de NIBM-tool worden geconcludeerd dat er ten aanzien van de luchtkwaliteit de voorgenomen ontwikkeling in niet betekenende mate bijdraagt aan de toename van luchtverontreinigende stoffen.
6.10.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.11
Bedrijven en milieuzonering Het begrip “milieubelastende activiteit” (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu blad 57 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. Het Bal wijst in hoofdstuk 3 een aantal mba’s aan waarvoor het Rijk algemene regels stelt. Deze subgroep mba’s wordt verder aangeduid als ‘Bal-mba’s’. In deze paragraaf worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld “Milieubelastende activiteiten” en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van “activiteiten”. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee “milieubelastende activiteiten” worden bedoeld.
6.11.1 Kader Onder de Omgevingswet is een nieuwe werkwijze geïntroduceerd, waarbij het werken met milieucategorieën voor bedrijven komt te vervallen en de regeling daarvoor wordt vervangen door direct milieuregels in het omgevingsplan op te nemen: ‘Milieuzonering nieuwe stijl’. Ook onder deze nieuwe regeling blijven de doelen van milieuzonering, zoals deze onder de Wro golden, gelden. Deze doelen betreffen de volgende: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen en het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Het toepassen van de ‘milieuzonering nieuwe stijl’ is echter vrijwillig. Er kan op een andere wijze getoetst worden aan de milieunormen. Er dient in ieder geval te worden onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden bereikt wanneer er voldoende afstand wordt gehouden tussen de milieubelastende activiteiten en de woonactiviteiten. Wat voldoende is, hangt af van de aard en omvang van de milieubelastende activiteiten. De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ biedt hierbij nog steeds een basis voor een indicatie voor de inpasbaarheid van de activiteit en kan nog steeds worden gebruikt.
De VNG-brochure bevat maat een onderscheid tussen “gemengde gebieden” en “rustige woonwijk”. Bij gemengde gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. Tabel 6- 9 toont de milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand. Tabel 6-9 Milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype Richtafstand tot rustige woonwijk gemengd gebied 10 m 0m 30 m 10 m 50 m 30 m 100 m 50 m 200 m 100 m 300 m 200 m 500 m 300 m 700 m 500 m 1.000 m 700 m 1.500 m 1.000 m
omgevingstype
6.11.2 Toetsing Het plangebied kan worden getypeerd als rustige woonwijk. Ten oosten van het plangebied bevinden zich meerdere bedrijven. Ten zuiden van het plangebied bevinden zich woningen, maar ook bedrijven, horeca en een verkooppunt motorbrandstoffen. Ten westen van het plangebied bevindt zich een woongebied, maar ook bedrijven. Tot slot bevindt zich ten noorden van het plangebied een sportvoorziening. Ten behoeve van de uitbreiding van deze sportvoorziening is op 13 december 2023 een ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.
blad 58 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
De bedrijven ten oosten van het plangebied betreffen bedrijven met een milieucategorie 2 of 3. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 tot 100 m. Tevens bevinden zich hier ook bedrijfswoningen. Een aantal bedrijven liggen binnen deze contour zoals te zien in tabel 6-5. De bedrijven worden echter reeds beperkt door de woningen aan de Oudvensestraat. De nieuw te bouwen woningen vormen daarmee geen nieuwe belemmering voor deze bedrijven. Tabel 6-10 Inventarisatie bedrijven ten oosten van het plangebied
Bedrijf Dier en Dokter Mierlo LICO Innovations Centillien Meerdere bedrijven By Acte Euroram-Rockmaster B.V. Rob Teller Handelonderneming/ Klaassens Custom Autobedrijf Stephen Schats
Adres Geldropseweg 8A Geldropseweg 8A Geldropseweg 8B Ambachtweg 75-75A Ambachtweg 73 Ambachtweg 71 Ambachtweg 61(a)
Circa afstand tot plangebied 79 m 79 m 79 m 42 m 90 m 79 m 41 m
Ambachtweg 53
129 m
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich volgens de planregels een verkooppunt motorbrandstoffen met LPG vulpunt. In de praktijk betreft dit een verkooppunt zonder LPG vulpunt. Hiervoor geldt een contour met een plaatsgebonden risico. Deze ligt niet binnen het plangebied. Ten westen van het plangebied vinden zich een aantal bedrijven. Het gaat daarbij om milieucategorie 2 en 3.1. Hiervoor gelden richtafstanden van respectievelijk 30 m en 50 m. Alleen de bedrijven aan de Geldropseweg 10 liggen op een kortere afstand van het plangebied, maar deze worden reeds beperkt door de woningen aan de Burgemeester Termeerstraat. Hierdoor werken de nieuw toe te voegen woningen niet belemmerend voor de bedrijven ten westen van het plangebied.
6.11.3 Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.12
Duurzaamheid
6.12.1 Kader De gemeente heeft het Programma duurzaamheid vastgesteld voor de jaren tot en met 2026. Dit programma bestaat uit een beleidsdeel en een uitvoeringsagenda. In de uitvoeringsagenda beschrijft de gemeente hoe het beleid concreet wordt uitgewerkt door het benoemen van onder andere onderzoeken en projecten. In het Programma stelde de gemeente een aantal ambities, opgaven en doelen vast. Deze zijn opgedeeld in drie thema’s, namelijk energie, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Klimaatadaptie wordt apart in paragraaf 6.14 beschreven. Om richting de ambities voor 2040 te bewegen, zijn er in de strategie 2023-2026 opgaven benoemd ten aanzien van duurzaamheid, klimaatadaptatie, circulariteit en biodiversiteit.
Globaal zie de gemeente de volgende opgaven op het gebied van duurzaamheid: • Versnellen van de verduurzaming van woningen en bedrijfspanden (energiebesparing, zon op dak) • Verduurzamen van welzijns-, onderwijs- en sportaccommodaties • Benutten van kansen voor grootschalige energiewinning in de vorm van zonneparken • Het optimaliseren van afvalscheiding om het percentage restafval tot nagenoeg 0% terug te dringen • Realiseren van een passende kosten- en opbrengstenverdeling ten aanzien van respectievelijk de afvalinzameling en -verwerking en de productie en verkoop van grondstoffen • Gebieden die onderdeel zijn van Natuur Netwerk Brabant omvormen naar natuur om het aandeel natuur in Geldrop-Mierlo te vergroten • Opheffen van barrières in het (regionale) natuurnetwerk, zodat diersoorten zich vrijer kunnen bewegen zonder verstoring door menselijke activiteiten
blad 59 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
• •
Bij gebiedsontwikkelingen sterker onderscheiden van natuur met en zonder recreatie, versterken van de biodiversiteit en verbeteren van het vasthouden van gebiedseigen water Vergroten van hoeveelheid groen binnen de bebouwde kom ten behoeve van biodiversiteit, klimaatadaptatie en vitaal leven.
6.12.2 Toetsing Met onderhavig planvoornemen kan de gemeente inzetten op een duurzamere leefomgeving door de ontwikkeling te laten aansluiten op de ambities ten aanzien van duurzaamheid. Naast de geldende vereisten voor energieneutraal bouwen, kan de gemeente met de komst van nieuwe woningen hier nog meer richting aan geven. Nieuwbouwprojecten kunnen energie efficiënt worden ontworpen door gebruik te maken van hoogwaardige isolatie, energiezuinige apparaten en systemen en hernieuwbare energiebronnen zoals zonnepanelen of warmtepompen. Het doel is om de energiebehoefte te minimaliseren en zoveel mogelijk energie lokaal en duurzaam op te wekken. De nieuwe wijkontsluiting en nieuwbouwprojecten dragen bij aan de biodiversiteit door groene ruimtes te integreren in het ontwerp van het project. Dit kan bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken of gevels, het creëren van leefgebieden voor lokale flora en fauna of het gebruik van inheemse plantensoorten in de landschapsarchitectuur. Met de realisatie van de ontwikkeling zet de gemeente zoveel mogelijk in op het behouden van bestaand groen. De bestaande landschapsstructuren en patronen zijn de basis voor een goede structuur. Groen raamwerk dient zoveel mogelijk te worden behouden. Met het behouden van groen raamwerk draagt de gemeente bij aan leefbaarheid, kwaliteiten duurzaamheid.
Groen raamwerk is onderverdeeld in ‘bomenstructuur’ en ’groenstructuur’. Dit raamwerk is vastgelegd in het ‘Groenbeleidsplan 2014-2024’. In figuur 6-12 is de bomen- en groenstructuur in Mierlo afgebeeld, waarbinnen het plangebied valt.
Figuur 6-12 Bomen- en groenstructuur Mierlo
blad 60 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
Bomenstructuur De bomenstructuur vormt het groene raamwerk zelf. Dit is opgebouwd uit bomenlanen. Het zijn op zichzelf staande elementen die met elkaar in verbinding staan en die een verbinding vormen tussen de grotere groenvlakken. Het zijn de groene aders van de gemeente. Ook het groen waar de structuurbomen in staan, zoals bermen of beplantingsstroken, behoort tot de structuur, zelfs als dit niet op kaart is ingetekend (omdat dit onduidelijk is op de gebruikte schaal). Groenstructuur De grotere groenvlakken vormen de groenstructuur en zorgen voor de invulling en versteviging van het raamwerk. Het zijn vlakken die voor een dorp of wijk van belang zijn. Ze vormen de groene dooradering van de wijken. Daarnaast zijn ook groene accentpunten opgenomen in de groenstructuur. Hierbij kan het gaan om oriëntatiepunten zoals rotondes maar ook om solitaire bomen of een groepje van een aantal bomen bij elkaar. Vaak markante plekken, maar omgekeerd kan ook: een plek wordt juist markant door het groen dat er staat. Er is gekozen om de groenstructuur per dorp en vervolgens per wijk te beschrijven. Overig groen Het overige groen valt buiten het raamwerk en wordt bestempeld als overig groen. Overig groen is belangrijk voor de direct omwonenden en dus wordt in de overige modules beschreven hoe de gemeente hiermee omgaat als het gaat om bijvoorbeeld inrichting of bescherming.
6.12.3 Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.13
Gezondheid
6.13.1 Kader Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving: • In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
• In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. • In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. • In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.
blad 61 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
De GGD geeft een praktische invulling aan dit kader door middel van verschillende kernwaarden met bijbehorende gezondheidsadviezen. De GGD heeft de volgende kernwaarden opgesteld: 1. rookvrije omgeving; 2. aantrekkelijke plekken; 3. gezond gewicht; 4. wonen en druk verkeer; 5. voorzieningen dichtbij; 6. actief vervoer; 7. fiets- en ov-verbindingen; 8. gezond binnenklimaat; 9. prettig wonen 10. geschikte woningen. Verder stelt de GGD dat het voldoen aan de wettelijke normen niet automatisch betekent dat er geen gezondheidseffecten kunnen optreden. In het GGD omgevingsadvies zijn daarom gezondheidskundige advieswaarden opgenomen. De GGD heeft gezondheidskundige advieswaarden voor de thema’s luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem, elektromagnetische velden (straling), veehouderijen en akkerbouw.
6.13.2 Toetsing Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp van de onderliggende motivatie tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid. De beoogde ontwikkelingen bevorderen de leefomgeving van bewoners. De waterberging zorgt voor het opvangen van overtollig regenwater. Nieuwbouwwoningen kunnen bijdragen aan de groei van de gemeenschap door het aantrekken van nieuwe bewoners, maar zorgen ook voor de doorstroming van doelgroepen. Dit kan leiden tot een toename van de economische activiteit, nieuwe banen en een grotere diversiteit binnen de gemeenschap. De wijkontsluiting zorgt ervoor dat de woningen alsmede het sportpark aan de Oudvensestraat, zoals gepland in het voorstel, adequaat toegankelijk zijn. Bovendien zorgt de ontsluiting voor een evenredige verdeling van de verkeersdrukte. Voorgaande draagt bij aan het welzijn van (toekomstige) bewoners. Extreme hitte wordt door klimaatverandering een steeds groter probleem. De extreme hitte heeft ook effect op hoe men zicht voelt (de productiviteit neemt bijvoorbeeld af), maar is ook gevaarlijk. RIVM geeft aan dat hitte een gezondheidsrisico kan vormen voor ouderen, chronisch zieken en mensen met overgewicht en kinderen, maar ook andere mensen die niet goed voor zichzelf kunnen zorgen.
Uit het onderzoek “de hittebestendige stad” van de HvA blijkt dat schaduw de beste manier is om de gevoelstemperatuur omlaag te brengen en dat toename van verdamping door het aanleggen van zoveel mogelijk groene en blauwe oppervlakken op stadsschaal de effectiefste manier is om de luchttemperatuur naar beneden te krijgen. Daarom wordt de gemeente zo in dat het ook in hete periodes aantrekkelijk is om buiten te zijn. Dit wordt gedaan door meer groen en water in het bebouwd gebied in te passen, om zo groene wijken te creëren. Dit worden ook wel ‘koele plekken’ genoemd. Een koele plek is een plek van minstens 200m 2 die koeler is dan de dorpskernen. zorgen dat er koele plekken in de directe omgeving zijn (binnen 100 meter) voor zorginstellingen, woningen zonder tuin en basisscholen. Voor woningen met tuin en bedrijventerreinen hanteert de gemeente een afstand 300 meter. De locaties waar onze prioriteit ligt voor koele plekken zijn weergeven in figuur 6.13. Hoewel het plangebied niet valt binnen de locaties voor koele plekken, betekent dit niet dat de gemeente niet inzet op verkoeling buiten deze locaties en dus onderhavig planvoornemen. Hiermee draagt de gemeente voor een gezonde leefomgeving. Uit ons Programma Duurzaamheid vloeit ook de ambitie voort om meer in te zetten op het vergroten van de hoeveelheid groen voor onder andere ten aanzien van vitaal leven.
blad 62 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
Figuur 6-13 Kaart waarin de plekken voor de ambities t.a.v. Hittestress zijn opgenomen waarbij het plangebied rood is omcirkeld (bron: Klimaatadaptieplan Uitvoeringsagenda 2023 Geldrop-Mierlo)
6.13.3 Conclusie Vanuit het aspect Gezondheid zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.14
Klimaatadaptatie
6.14.1 Kader Het klimaat verandert: het wordt warmer er natter. Ook zijn er vaker lange periodes van droogte en neemt de kans op overstromingen toe. Inspelen op de gevolgen van klimaatverandering wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is een opgave voor én door iedereen. De gevolgen van klimaatverandering zijn opgedeeld in vier thema’s: hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen. We hebben ambitieuze doelen op het gebied van klimaatadaptatie. Ons Programma Duurzaamheid en Klimaatadaptatieplan & Uitvoeringsagenda beschrijft de uitdagingen en onze ambities voor klimaatadaptatie en de vier gerelateerde thema’s. In onze gemeente zijn de thema’s hitte, droogte en wateroverlast vooral relevant. Overstromingen zijn beperkt gezien de waterstand van de rivier de Dommel. de gemeente heeft een aantal belangrijke klimaatadaptatie-uitdagingen geïdentificeerd en pakken deze als volgt aan: 1. Wateroverlast: Water in gebouwen en water op straat bij extreme neerslag voorkomen en de bereikbaarheid van ontwikkelingen langs hoofdwegen en andere wegen waarborgen. 2. Hitte: Voldoende koele plekken in de openbare ruimte creëren en zorgen voor ruimte voor groen en water in bebouwde gebieden. 3. Droogte: Schade aan infrastructuur, groenvoorzieningen, waardevolle bomen en negatieve effecten op de waterkwaliteit, natuur en landbouw voorkomen.
blad 63 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
4.
Ruimtelijke aanpassingen: Klimaatadaptief ruimtegebruik in het centrum bevorderen en klimaatadaptieve nieuwbouw stimuleren.
6.14.2 Toetsing Dit plan is een goed voorbeeld van een kans om meerdere doelen te bereiken. Door de voorgestelde waterbergingskelders in dit plan aan te leggen, wil de gemeente ervoor zorgen dat water wordt vastgehouden en de straten minder snel overstromen. Waterberging is belangrijk voor overstromingsbeheer, bescherming van infrastructuur, bescherming van ecosystemen, beheer van droogte en verbetering van de waterkwaliteit. Door de realisering van een nieuwe wijkontsluiting kunnen direct inzetten op het begaanbaar houden van wegen tijdens hevige regenbuien. Vergroening zorgt voor verkoeling bij extreme hitte en betere afwatering bij extreme regenval. Het zorgt er ook voor dat water beter wordt vastgehouden. Meer groen biedt voordelen bij extreme hitte, omdat planten minder warmte opnemen en uitstralen dan bijvoorbeeld tegels. Zoals al beschreven in paragraaf 6.14, zet de gemeente ook in op koele plekken vanwege toenemende hitte. Door het behouden en toevoegen van vergroening in het plangebied kunnen de risico’s van extreme hitte beperkt worden en kan de afwatering bij extreme regenval verbeterd worden. Daarom zet de gemeente ook in op klimaatadaptieve nieuwbouw. de gemeente is voornemens de ‘Landelijke maatlat Groene klimaatadaptieve bebouwde omgeving’ toe te passen.
Bij bouwplannen is reeds het uitgangspunt dat voor elke vierkante meter verhard oppervlak compensatie moet worden geboden met regenwaterberging (60 mm per vierkante meter). Met dit plan streeft de gemeente naar een water robuuste en klimaatbestendige ontwikkeling.
6.14.3 Conclusie Vanuit het aspect klimaatadaptatie zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
6.15
Infrastructuur en/of kabels en leidingen
6.15.1 Kader Kabels en leidingen vervullen verschillende functies. De omvang en inhoud, en daarmee het risico bij beschadiging, verschilt hierdoor ook. Daarnaast kunnen kabels en leidingen in zowel openbare als gronden gelegen zijn, waardoor verschillende belangen geraakt worden. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de bestaande regels met betrekking tot de bescherming van kabels en leidingen opgenomen. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels (beheersverordeningen en bestemmingsplannen) en de bruidsschat. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger (art. 22a Elektriciteitswet 1998); b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 5.18 en 5.135 Bkl, tevens art. 3.101 Bal); c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 3.101 Bal); d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom (art. 3.135 en art. 3.101 Bkl); e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken (art. 3.101 Bal). 2
6.15.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling wordt beoordeeld via de regels in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan. In het omgevingsplan is te zien dat binnen en in de nabijheid van het projectgebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Hieronder worden ook de kabels en leidingen uit artikel 3.101 Bal verstaan.
2
Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
blad 64 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
6.15.3 Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling te verwachten.
blad 65 van 66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Oudvensestraat-Zuid' projectnummer 0492152.100 6 augustus 2024 revisie vast te stellen Gemeente Geldrop-Mierlo
7.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van een wijkontsluiting, waterberging en woningbouw. De gewenste ontwikkelingen zijn op basis van het geldend ruimtelijk kader niet mogelijk. In deze motivatie is duidelijk gemaakt hoe het omgevingsplan juridisch houdbaar is en voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voornemen heeft geen negatieve effecten op milieu-en/of omgevingsaspecten. Waar nodig worden maatregelen getroffen die voortvloeien uit de onderzoeken. Op basis van voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
blad 66 van 66
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1700 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Beneluxweg 125 4904 SJ Oosterhout Postbus 40 4900 AA Oosterhout
Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.
www.anteagroup.nl