CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

200923 VNG Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie_nieuwe versie 2020__243154__.pdf

Commissie Ruimte 22 juni 2022, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Verordening op de Adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Geldrop-Mierlo16.472 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad

Datum

23 september 2020 Kenmerk

TRE/U202000727 Lbr. 20/067 Telefoon

070-373 8393 Bijlage(n)

3

Onderwerp

VNG Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie (nieuw) Samenvatting Met deze ledenbrief bieden we u de nieuwe VNG Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie aan. De taken en bevoegdheden van de huidige monumenten- en welstandscommissies vervallen van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: wet). Ter continuering van de advisering moet de gemeente een nieuwe gemeentelijke adviescommissie (hierna: commissie) instellen. Het Rijk legt daarbij enkele wettelijke regels op. De wettelijke taak van de commissie is het uitbrengen van advies over vergunningaanvragen met betrekking tot rijksmonumenten (uitgezonderd archeologische rijksmonumenten) en over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, in door de raad aangewezen gevallen of als het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) daartoe aanleiding ziet. Enkele leden van de commissie moeten deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het college kan de commissie advies vragen over het ontwikkelen van beleid. Er is gekozen voor een modelverordening waarbij de bestaande adviescolleges en eventuele andere adviseurs op het gebied van de omgevingskwaliteit in één samenhangend adviesstelsel kunnen worden opgenomen.

Daarnaast biedt de Model Verordening op gemeentelijke adviescommissie de mogelijkheid om initiatiefnemers in de geest van de wet aan de voorkant van het proces te adviseren en uit te dagen om hun initiatieven binnen de door de raad vastgelegde kaders met zo veel mogelijk kwaliteit en consensus te realiseren. Om tot een goede implementatie te komen heeft de VNG samen met de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de ‘Handreiking Adviesstelsel Omgevingskwaliteit’ opgesteld (februari 2020).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl

U202000547

PROD

Aan de leden

Datum

23 september 2020 Kenmerk

TRE/U202000727 Lbr. 20/067 Telefoonnummer

070-373 8393 Bijlage(n)

3

Onderwerp

VNG Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie (nieuw) Geacht college en gemeenteraad, 1. Aanleiding Met deze ledenbrief bieden we u de nieuwe VNG Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie aan. De taken en bevoegdheden van de huidige monumenten- en welstandscommissies vervallen van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: wet). Ter continuering van de advisering moet de gemeente een nieuwe gemeentelijke adviescommissie (hierna: commissie) instellen. Het Rijk legt daarbij enkele wettelijke regels op. De wettelijke taak van de commissie is het uitbrengen van advies over vergunningaanvragen met betrekking tot rijksmonumenten (uitgezonderd archeologische rijksmonumenten) en over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, in door de raad aangewezen gevallen of als het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) daartoe aanleiding ziet. Enkele leden van de commissie moeten deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het college kan de commissie advies vragen over het ontwikkelen van beleid. Er is gekozen voor een modelverordening waarbij de bestaande adviescolleges en eventuele andere adviseurs op het gebied van de omgevingskwaliteit in één samenhangend adviesstelsel kunnen worden opgenomen.

Daarnaast biedt de Model Verordening op gemeentelijke adviescommissie de mogelijkheid om initiatiefnemers in de geest van de wet aan de voorkant van het proces te adviseren en uit te dagen om hun initiatieven binnen de door de raad vastgelegde kaders met zo veel mogelijk kwaliteit en consensus te realiseren. Om tot een goede implementatie te komen heeft de VNG samen met de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: FRK) en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de ‘Handreiking Adviesstelsel Omgevingskwaliteit’ (hierna: handreiking) opgesteld (februari 2020). De Model Verordening op gemeentelijke adviescommissie is tot stand gekomen in samenwerking met de FRK en de leden van de FRK. VNG heeft de modelverordening voorgelegd aan de

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl

U202000727

PROD

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de VNG Adviescommissie Gemeenterecht. Hun waardevolle inbreng is in de modelverordening verwerkt. 2. Handreiking Adviesstelsel Omgevingskwaliteit Niet alleen de letter van de wet, maar ook de geest van de wet en de wensen van de Tweede Kamer komen in de handreiking aan de orde. De handreiking ondersteunt gemeenten bij de keuzes die in het licht van de wet gemaakt kunnen worden en de vertaling daarvan in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie. In de bijlagen bij de handreiking is een was-wordt-lijst en een overzicht van nieuwe wettelijke bepalingen met toelichting opgenomen. 3. De Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Bij de Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie staat het doel van een goede omgevingskwaliteit centraal. Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Gemeenten hebben een grote vrijheid in de wijze waarop zij dit doel willen bereiken. Dat geldt ook voor de rol van de commissie daarbij. Een adequate invulling van de taak en de werkwijze van deze commissie draagt bij aan het doel van een goede omgevingskwaliteit. De commissie adviseert uitsluitend over aspecten van “een goede omgevingskwaliteit”.

Zij adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De wettelijke taak van de commissie is het uitbrengen van advies over vergunningaanvragen met betrekking tot rijksmonumenten (uitgezonderd archeologische rijksmonumenten), en over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit, in door de raad aangewezen gevallen of als het college daartoe aanleiding ziet. Het ligt voor de hand dat, waar de commissie adviseert over rijksmonumenten, zij ook adviseert over gemeentelijke monumenten. Het college kan de commissie advies vragen over het ontwikkelen van beleid. Gemeenten kunnen er – afhankelijk van hoe zij het doel van een goede omgevingskwaliteit willen bereiken – voor kiezen meer taken toe te delen aan de commissie. De Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie voorziet in de varianten die op grond van de wet mogelijk zijn, waaruit de raad kan kiezen. 4. Relatie met het omgevingsplan Volgens de wet stelt de raad het omgevingsplan vast dat voor het gehele grondgebied regels bevat die nodig zijn voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Deze regels worden gesteld met het oog op de doelen van de wet. Een van de doelen van de wet is het bereiken van een goede omgevingskwaliteit. Voor het omgevingsplan gelden er instructieregels van de Rijksoverheid.

Deze staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving en hebben onder meer betrekking op cultureel erfgoed en werelderfgoed. De gemeenten worden verplicht om in het omgevingsplan rekening te houden met cultureel erfgoed. Daar vallen naast archeologische monumenten, monumenten en stads- en dorpsgezichten ook cultuurlandschappen onder. De gemeenten zullen het cultureel erfgoed moeten inventariseren en waar nodig bescherming moeten bieden via het omgevingsplan, bijvoorbeeld door de toekenning van de functie van beschermd stads- of dorpsgezicht aan een locatie. De provincies kunnen ook instructieregels stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van de kernkwaliteiten van cultureel erfgoed of landschappen van bijzondere waarde, op grond van de provinciale omgevingsverordening.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

3/7

De verantwoordelijkheid voor andere elementen van de omgevingskwaliteit ligt op gemeentelijk niveau. De gemeente heeft de plicht de zorg voor de omgevingskwaliteit zelf in te vullen. Zij kan bij de invulling van de zorg voor de omgevingskwaliteit gebruik maken van wettelijke instrumenten, zoals de omgevingsvisie, het omgevingsplan, de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken (voorheen de welstandsnota), maatwerkregels en de advisering door de commissie. Daarnaast kan de gemeente andere instrumenten inzetten, zoals ontwerpend onderzoek, participatieve werkvormen, een kwaliteitsteam of een stads- of dorpsarchitect. De zorg voor de omgevingskwaliteit kan ook worden ingevuld door bijvoorbeeld goed opdrachtgeverschap of financiële instrumenten voor het behoud van monumenten. Bij het omgevingsplan kan worden bepaald wanneer de commissie in ieder geval in de gelegenheid wordt gesteld om advies uit de brengen over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Het is daarom raadzaam in het omgevingsplan, dan wel in de nota over het uiterlijk van bouwwerken, een helder onderscheid te maken tussen absolute criteria en criteria die naar hun aard een deskundigenadvies vergen. Ook is het mogelijk naar de aard van het gebied te kijken om te bepalen of de aanvragen al dan niet aan de commissie worden voorgelegd.

Zolang nog geen gevallen zijn aangewezen, kan het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voortzetten. De wet biedt de gemeente een kans om in het omgevingsplan te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van het uiterlijk van bouwwerken binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit moet worden gezien in samenhang met de andere doelen van de wet en andere aspecten van de fysieke leefomgeving. Om deze doelen te bereiken is het van belang dat de advisering door de commissie niet wordt beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie kan ook adviseren over de toepassing van beoordelingsregels in het omgevingsplan voor zover die te interpreteren open normen bevatten met betrekking tot de omgevingskwaliteit. Bijvoorbeeld over de toepassing van een bouwregel die bestaat uit de eis dat “de bestaande cultuurhistorische waardestelling niet wordt aangetast door wezenlijke veranderingen in het stedenbouwkundige en architectonische beeld, bepaald door situering, massa, kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling en gevelafwerking met kleur en materiaal gebruik, zulks met inbegrip van waardevolle details”1. 5. Adviesrollen De wet geeft gemeenten de mogelijkheden om meer te sturen op doelen en minder op basis van regels.

In de Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie kunnen vier adviesrollen worden herkend, die verbonden zijn aan de aard van de adviesvraag en de fase van de planvorming (zie voor een uitvoerige beschrijving de handreiking). Het belangrijkste onderscheid kan worden gemaakt tussen beleidsgerichte advisering en advisering over activiteiten. Beleidsgerichte advisering gaat over de algemene kaders, en advisering over activiteiten gaat over de interpretatie van die kaders bij een concreet initiatief. Bij de advisering over activiteiten wordt onderscheid gemaakt in advies over het formuleren van de opgave, advies over de ontwerpkwaliteit en advies over de beoordeling van de toelaatbaarheid van een activiteit. Het invullen van de adviesrollen biedt gelegenheid voor variatie op lokaal niveau. Per gemeente en zelfs per adviesvraag kan een passend en efficiënt adviesproces worden uitgestippeld, in samenhang met ambtelijke processen en participatie van betrokkenen. Aan de hand daarvan 1

Bestemmingsplan Beschermd Stadsgezicht Edam.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

4/7

kunnen de verschillende elementen in de eigen verordening worden opgenomen. De mogelijkheid bestaat om initiatiefnemers in de geest van de wet aan de voorkant van het proces te adviseren en uit te dagen om hun initiatieven binnen de door de raad vastgelegde kaders met zo veel mogelijk kwaliteit en consensus te realiseren. Adviesrollen in de modelverordening Adviesrol

Omschrijving

Beleidsgerichte advisering

Advies over de algemene kaders Advies over het formuleren van de planopgave in een bepaald gebied Advies over de ontwerpkwaliteit van plannen Beoordeling van de toelaatbaarheid van een activiteit

Opgavegerichte advisering Ontwerpgerichte advisering Beoordelingsgerichte advisering

Uitwerking in artikel 2, tweede lid, van de modelverordening Onderdelen b en c Onderdeel d Onderdeel e Onderdelen a, en f tot en met h

6. Integratie in één samenhangend adviesstelsel De Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie is zo opgezet, dat de gemeenten de bestaande adviescolleges en eventuele andere adviseurs op het gebied van omgevingskwaliteit kunnen overzetten naar het regime onder de nieuwe wet. Het bestaande palet aan adviseurs kan op grond van deze modelverordening in één samenhangend adviesstelsel worden opgenomen, zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van specifieke deskundigheid, wendbaarheid en efficiëntie. • De commissie kan geheel of gedeeltelijk worden gecombineerd met een regionale adviescommissie. Op deze wijze is het nog steeds mogelijk samen met andere gemeenten gebruik te maken van één commissie, al dan niet gefaciliteerd door een regionale adviesorganisatie. • De stadsbouwmeester kon op grond van de oude Woningwet door de gemeente worden aangesteld als eenpersoonscommissie in de plaats van een meerhoofdige welstandcommissie. De commissie op grond van artikel 17.9 van de wet kent die mogelijkheid niet. Wel is het mogelijk de werkzaamheden van de stadsbouwmeester aan een lid van de commissie op te dragen.

Afhankelijk van de specifieke invulling door de raad kan de commissie bijvoorbeeld bestaan uit een aantal leden dat deskundig is op het gebied van monumenten of breder cultureel erfgoed en een stadsbouwmeester, wiens adviestaak vooral betrekking heeft op de andere aspecten van de omgevingskwaliteit. De stads- of dorpsbouwmeester kan – indien de raad daarvoor kiest – tevens voorzitter van de commissie zijn. • Ook andere adviseurs ten behoeve van de ontwerpkwaliteit van de ruimtelijke planontwikkeling, zoals supervisoren, kwaliteitsteams en ambtelijke adviseurs, kunnen in het stelsel worden opgenomen. 7. De te verwachten effecten van de verordening Bijdrage aan een zorgvuldige besluitvorming • De Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie draagt bij aan de mogelijkheid voor de gemeente om een initiatief op basis van integraal beleid te beoordelen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

5/7

•

•

•

Hoe opener en uitnodigender de kaders en regels zijn, hoe meer behoefte er is aan interpretatie bij concrete ruimtelijke activiteiten. Daarbij kan een onafhankelijk, deskundig kwaliteitsadvies niet in alle gevallen worden gemist. Deskundigheid en onafhankelijkheid kunnen een rol spelen in procedures van bezwaar en beroep. De verwachting is dat een goede verankering van deze beginselen in de verordening – in lijn met de bestaande jurisprudentie over welstandsadviezen – zal leiden tot een terughoudende toets van de rechter van het commissieadvies in bezwaar en beroep. Uiteindelijk zullen de keuzes die de gemeente maakt in het omgevingsplan mede bepalend zijn of de commissie veel om advies wordt gevraagd. In het omgevingsplan kan ervoor gekozen worden om te werken met open normen met toetsing per individueel geval, eventueel aan de hand van het advies van de commissie (waarvoor een vergunningplicht noodzakelijk is). In het plan kunnen ook vooraf bepaalde algemene regels (gesloten normen) zijn opgenomen, in dat geval zal minder vaak om een advies gevraagd worden voor een individueel geval. Wel is er dan minder ruimte voor maatwerk. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar wetsinterpreterende beleidsregels (voorheen de welstandsnota). Afhankelijk van het feit of in deze beleidsregels open of gesloten normen zijn gesteld, zal een advies meer of minder worden gevraagd.

Uiteindelijk is het ook aan het college, hoe vaak zij voor specifieke gevallen het advies van de commissie inroept. De frequentie van de adviesvragen wordt met deze verordening niet bepaald, wel de wijze waarop advies wordt gegeven. De Tweede Kamer heeft, in een vrijwel unaniem aangenomen motie, aangedrongen op een commissie met een brede adviestaak, die zoveel mogelijk aan de voorkant van ruimtelijke processen adviseert, en initiatiefnemers uitdaagt en inspireert. De verschillende in de modelverordening onderscheiden adviesrollen kunnen worden ingezet om initiatiefnemers aan de voorkant van het proces te adviseren en uit te dagen om hun plannen met zo veel mogelijk kwaliteit en consensus te realiseren. Als het proces aan de voorkant goed wordt doorlopen is de verwachting dat de beoordelingsgerichte advisering als sluitstuk soepel zal verlopen. De werkwijze om vroeg in het proces te streven naar consensus, zal naar verwachting minder aanleiding geven tot bezwaar en beroep.

Lasten voor burgers, bedrijven, instellingen en overheid De Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie is zo opgezet, dat de gemeenten de bestaande adviesstelsels kunnen overzetten naar het regime onder de nieuwe wet. De lasten voor de burger en de gemeentelijke overheid, zullen bij zo’n overzetting naar verwachting niet toenemen. Integratie van de huidige monumenten- en welstandscommissies kan met name in het ondersteunend apparaat schaalvoordelen opleveren. Gemeenten kunnen de advieskosten verder beheersen, door een scherp beleid te voeren over in welk geval een advies aan de commissie wordt gevraagd. Zo kan bijvoorbeeld in geval in het omgevingsplan of in de beleidsnota criteria zijn opgenomen die voor één uitleg vatbaar zijn, afdoening zonder advies van de commissie plaatsvinden. Ook is ambtelijke afdoening bij niet-monumenten mogelijk bij plannen waar gelet op meer dan één vergelijkbaar geval de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om de adviestaken uit te breiden, met name waar het gaat om de opgavegerichte en de ontwerpgerichte advisering. De kosten zullen als gevolg daarvan aanvankelijk toenemen, maar er zijn inverdieneffecten te verwachten. De Tweede Kamer heeft zelfs de verwachting uitgesproken dat als de gemeentelijke adviescommissies erin slagen om

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

6/7

initiatiefnemers aan de voorkant van het proces te adviseren en uit te dagen, het mogelijk wordt het klassieke beoordelingsgerichte welstandstoezicht geleidelijk af te bouwen.2 8. Bijlagen Deze ledenbrief bevat 3 bijlagen: Bijlage 1 - Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie. Bijlage 2 - Tekst van de Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie: Opgemaakt in Word 2.0-format (DROP) voor publicatie, zonder toelichting. Bijlage 3 - Implementatiehandleiding: nadere toelichting van de te maken keuzes. 9. Informatie De geconsolideerde teksten van de VNG modellen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via Kennisbank Decentrale Regelgeving. De VNG modelverordeningen (zonder de toelichtingen) staan ook in Modellen Decentrale Regelgeving. Voor vragen over deze ledenbrief kunt u terecht bij het Informatiecentrum van de VNG (070-373 8393 of e-mail: info@vng.nl). Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Mr L.K. Geluk Algemeen directeur

Deze ledenbrief staat ook op www.vng.nl onder ‘Producten’ - ‘Brieven’.

2

Kamerstukken II 2014-2015, 33962, nr. 120 (motie van de leden Veldman en Albert de Vries over geleidelijk afbouwen van het welstandstoezicht achteraf).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

7/7

Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie (nieuw model, september 2020) Leeswijzer modelbepalingen - […] of (bijvoorbeeld) [iets] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld artikel 1. - [iets] = facultatief, zie bijvoorbeeld artikel 2, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen, zie bijvoorbeeld artikel 6. - [(iets)] = een duiding ter illustratie of uitleg voor gemeente, zie bijvoorbeeld artikel 4, vijfde lid. - Combinaties zijn ook mogelijk, zie bijvoorbeeld artikel 5, vierde lid, dat facultatief is en waarbij door gemeente keuzes gemaakt moet worden (uiteraard alleen als besloten wordt het lid over te nemen). Nadere uitleg is opgenomen in de VNG ledenbrief (zie ook de implementatiehandleiding, bijlage bij de VNG ledenbrief).

Besluit van de raad van de gemeente [naam gemeente] tot vaststelling van de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie [naam gemeentelijke adviescommissie, naam gemeente en eventueel jaartal] (Verordening op de gemeentelijke adviescommissie [naam gemeentelijke adviescommissie, naam gemeente en eventueel jaartal]) De raad van de gemeente [naam gemeente]; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikelen 108 en 149 van de Gemeentewet en afdeling 17.2 van de Omgevingswet; gezien het advies van de [naam commissie]; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de gemeentelijke adviescommissie [naam gemeentelijke adviescommissie, naam gemeente en eventueel jaartal] Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - commissie: gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de wet, genaamd [naam gemeentelijke adviescommissie]; - goede omgevingskwaliteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.3 van de wet; [- stadsbouwmeester: het lid van de commissie aan wie door de raad op grond van deze verordening specifieke taken zijn opgedragen;] - wet: de Omgevingswet. Paragraaf 2. Adviestaak Artikel 2. Taak en werkzaamheden 1.

De commissie heeft als taak de raad en burgemeester en wethouders te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. [Daaronder wordt in elk geval begrepen het geven van voorlichting over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en over de werkzaamheden van de commissie.] 2. Ter uitvoering van haar taak: Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

a. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor: 1 ̊. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument; 2 ̊. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument; 3 ̊. een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen; 4 ̊. een andere activiteit in geval burgemeester en wethouders een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit; b. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanwijzen van een onroerende zaak als rijksmonument ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Erfgoedwet of over het aan een locatie geven van de functie-aanduiding gemeentelijk monument op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de wet; c. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders [of uit eigen beweging] over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan en maatwerkregels voor de omgevingskwaliteit; [d.

adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders in een geval van een verkenning als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de wet en in andere gevallen waarin burgemeester en wethouders een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving;] [e. informeert en begeleidt de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces;] [f. voert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders vooroverleg met planindieners over een in te dienen aanvraag om een omgevingsvergunning;] [g. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over: 1 ̊. het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed [en werelderfgoed] en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen; 2 ̊. […];] [h. adviseert de commissie op verzoek van burgemeester en wethouders over het geven van beschikkingen op grond van regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten, te weten [… (bijvoorbeeld regels over reclame in de openbare ruimte, voorwerpen op of aan de weg, standplaatsvergunning, exploitatievergunning horecabedrijven en ligplaatsvergunning)].] [3.

De raad kan werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid aanwijzen die door de stadsbouwmeester worden uitgevoerd. De stadsbouwmeester werkt onder de verantwoordelijkheid van de commissie. Dit lid is niet van toepassing op de advisering als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, onderdelen 1 ̊ en 2, ̊en onder b.] Paragraaf 3. Aanwijzing van besluiten waarover verplicht advies moet worden gevraagd Artikel 3. Verplichte advisering Burgemeester en wethouders winnen advies van de commissie in omtrent een te nemen beslissing als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, onderdelen 1 t̊ ot en met 3 ̊, en onder b. Paragraaf 4. Samenstelling en inrichting Artikel 4. Samenstelling Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

1. De commissie bestaat uit maximaal [aantal] leden, de voorzitter [en ondervoorzitter[s]] daaronder begrepen. De raad kan daarnaast maximaal [aantal] plaatsvervangers benoemen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 2. De leden en de plaatsvervangers worden benoemd op persoonlijke titel op grond van de professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering, alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. [3. In afwijking van het tweede lid kunnen maximaal [aantal] burgerleden en hun plaatsvervangers worden benoemd. Zij worden benoemd op persoonlijke titel op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.] 4. De commissie telt gelet op artikel 17.9, eerste lid, van de wet enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. 5. De disciplines die de leden in gezamenlijkheid vertegenwoordigen zijn: [disciplines (bijvoorbeeld cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw, architectuur en archeologische monumentenzorg)]. [6. De leden en de plaatsvervangers zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur.] Artikel 5. Benoeming 1. De leden en de plaatsvervangers kunnen voor een termijn van ten hoogste [aantal] jaar worden benoemd. 2. Herbenoeming van leden kan eenmaal voor ten hoogste [aantal] jaar plaatsvinden. Dit is niet van toepassing op de plaatsvervangers. 3.

Afgetreden leden zijn [aantal] jaar na hun aftreden weer benoembaar. [4. De voorzitter[, de ondervoorzitters, de stadsbouwmeester en de plaatsvervangers] [wordt OF worden] in functie benoemd.] 5. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door burgemeester en wethouders worden geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. [Artikel 6. Ondersteuning van de commissie 1. De commissie heeft een ambtelijk secretaris. 2. De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. 3. De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers, die voor hun werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris. 4. De secretaris noch de medewerkers zijn lid van de commissie. OF Artikel 6. Ondersteuning van de commissie 1. Het secretariaat van de commissie berust bij [naam regionale adviesorganisatie]. 2. Het secretariaat wordt bij de uitoefening van zijn taak rechtstreeks aangestuurd door de voorzitter.] Paragraaf 5. Advisering en standpuntbepaling Artikel 7. Adviestermijn 1. Burgemeester en wethouders kunnen aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. 2. In geval burgemeester en wethouders geen termijn hebben gesteld brengt de commissie advies uit binnen een termijn van vier weken.

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

Artikel 8. Beraadslaging en standpuntbepaling 1. De vergaderingen waarin een of meer adviezen over aanvragen om omgevingsvergunning door of namens de commissie worden vastgesteld zijn openbaar. De agenda voor de vergadering van de commissie wordt tijdig op een geschikte wijze bekendgemaakt. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. [2. De aanvrager van de omgevingsvergunning of zijn gemachtigde heeft de mogelijkheid tot toelichting van de aanvraag ten overstaan van de commissie. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht. OF 2. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht in door de commissie gehouden openbare vergaderingen. Tijdens de beraadslagingen is er geen spreekrecht.] 3. Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste [aantal] leden. Over een advies over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument wordt niet besloten dan in aanwezigheid van ten minste twee leden met deskundigheid op het gebied van de monumentenzorg. 4.

Leden die als opdrachtgever, ontwerper of anderszins betrokken zijn bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is gedaan waarover de commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig. 5. De geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de commissie en de daarvoor werkzame personen. Artikel 9. Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie De commissie kan onverminderd het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de wet [en artikel 2, derde lid,] de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden, of een subcommissie. Artikel 10. Adviseurs 1. De commissie kan zich voor het inwinnen van inlichtingen wenden tot daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. 2. De commissie kan zich doen bijstaan door [burgemeester en wethouders aangewezen] andere personen, voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen op uitnodiging van de commissie als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Artikel 11.

Verwerking van het advies [1. Burgemeester en wethouders kunnen eenmaal per activiteit een second opinion inwinnen bij een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente. Zij stellen de commissie van het voornemen tot het plaatsen van die opdracht op de hoogte.] 2. In geval burgemeester en wethouders een beschikking geven in afwijking van het door de commissie uitgebrachte advies verzenden zij een afschrift van die beschikking aan de commissie. Paragraaf 6. Werkwijze Artikel 12. Reglement van orde Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

1. De commissie stelt haar werkwijze binnen de kaders van deze verordening nader vast in een reglement van orde. 2. In het reglement van orde komt ten minste aan de orde: [a. de werkwijze bij de advisering zoals genoemd in artikel 2, tweede lid, onder b, respectievelijk onder c;] [b. de inrichting van het vooroverleg zoals genoemd in artikel 2, tweede lid, onder f;] c. de wijze waarop de agenda openbaar wordt gemaakt en belanghebbenden worden uitgenodigd; d. het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, de vergaderorde en orde van de beraadslaging, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht tussen de toelichtende fase waarin het spreekrecht wordt uitgeoefend en de beraadslagingen; e. de notulering en dossiervorming; f. de wijze waarop de adviezen openbaar worden gemaakt; g. de instelling van subcommissies; [h. de werkwijze van de stadsbouwmeester;] i. de werkwijze bij afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie als bedoeld in artikel 9; j. de selectie en voordracht van kandidaat-leden. 3. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor bekendmaking van het door de commissie vastgestelde reglement van orde in het gemeenteblad. Artikel 13.

Relatie met andere adviseurs Bij het aanstellen van een supervisor, een kwaliteitsteam of een andere adviseur op het gebied van de omgevingskwaliteit, niet zijnde een lid of een adviseur van de commissie dragen burgemeester en wethouders zorg voor een goede afstemming tussen de werkzaamheden van deze adviseur en de commissie. Artikel 14. Vergoeding De leden en de adviseurs als bedoeld in artikel 10, tweede lid, ontvangen een vergoeding op grond van de regeling [naam vergoedingsregeling]. Paragraaf 7. Jaarverslag Artikel 15. Jaarverslag 1. De commissie brengt jaarlijks voor [datum (bijvoorbeeld 1 april)] verslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de wet uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar. 2. In het jaarverslag komt ten minste aan de orde: a. de wijze waarop toepassing is gegeven aan de kaders als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de wet; b. de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen. Paragraaf 8. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 16. Overgangsrecht [1. De op grond van de [citeertitel Bouwverordening] en de [citeertitel Erfgoedverordening] benoemde leden worden geacht te zijn benoemd op grond van dit besluit.

De termijn van ten hoogste [aantal] jaar als bedoeld in artikel 5, eerste lid, loopt vanaf de datum van de benoeming op grond van de [citeertitel Bouwverordening] en de [citeertitel Erfgoedverordening].] 2. Als voor de inwerkingtreding van de wet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de [naam gemeentelijke adviescommissie] wordt geacht de in artikel Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

8 van de Woningwet, dan wel de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bedoelde commissie te zijn. Artikel 17. Vervallen [en intrekking] oude regeling 1. De regels met betrekking tot de commissie in de artikelen […] van de [citeertitel Bouwverordening] en de artikelen [...] van de [citeertitel Erfgoedverordening] vervallen. [2. De [citeertitel gecombineerde Verordening op de gemeentelijke adviescommissie] wordt ingetrokken.] Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt tegelijk met de Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet) in werking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op de gemeentelijke adviescommissie [naam gemeentelijke adviescommissie, naam gemeente en eventueel jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,

Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

Toelichting NB Deze toelichting is geschreven met de (mogelijke) keuzes die in de Model Verordening op de gemeentelijke adviescommissie gemaakt zijn in gedachten. Als een individuele gemeente op punten andere keuzes maakt, dan sluit deze toelichting mogelijk niet aan. Wel kan ze uiteraard als basis dienen voor een door de gemeente zelf op te stellen toelichting. Voor een goed beeld dient deze toelichting in samenhang met de hierbij behorende VNG ledenbrief gelezen te worden. Algemeen Met de Omgevingswet (hierna: de wet) die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking treedt, wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien. De wet bundelt de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Belangrijk verbeterdoel van de nieuwe wet is een kader te bieden dat overheden meer afwegingsruimte biedt om doelen voor de leefomgeving te bereiken. “Decentraal, tenzij” is een belangrijk principe van de wet. Dit betekent dat taken en bevoegdheden in principe bij het lokale bestuur, zoals de gemeente liggen. Alleen indien het gaat om een nationaal of internationaal belang of als dat doelmatiger of doeltreffender is, stelt het Rijk regels. Eén van de doelen van de wet is het bereiken van een goede omgevingskwaliteit (artikel 1.3 van de wet).

Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Gemeenten hebben een grote vrijheid in de wijze waarop zij het doel van een goede omgevingskwaliteit willen bereiken. Dat geldt ook voor de rol van de gemeentelijke adviescommissie (hierna: commissie) daarbij. Een adequate invulling van de taak en de werkwijze van deze commissie draagt bij aan het doel van een goede omgevingskwaliteit. Artikelsgewijs Artikel 1. Definities Commissie Dit is de gemeentelijke adviescommissie op grond van artikel 17.9 van de wet. Goede omgevingskwaliteit "Een goede omgevingskwaliteit" is naast veiligheid en gezondheid opgenomen in de maatschappelijke doelstelling van de wet (artikel 1.3 van de wet). Dit geeft aan dat aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden (Kamerstukken II 2013-2014, 33962, nr. 3). De gemeente heeft de plicht de zorg voor de omgevingskwaliteit zelf in te vullen, inclusief het adviesstelsel op het gebied van de omgevingskwaliteit.

Burgers kunnen, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, ten aanzien van de het doel van een goede omgevingskwaliteit een beroep doen op de algemene zorgplicht. [Stadsbouwmeester De stadsbouwmeester (in sommige gemeenten dorpsbouwmeester of rayonarchitect genoemd) is een lid van de commissie met een eigen door de raad aangewezen takenpakket. Dit takenpakket wordt onder verwijzing naar de taken genoemd in artikel 2, tweede lid, aangewezen in het besluit van de raad waarin de stadsbouwmeester als lid van de commissie wordt benoemd.] Artikel 2. Taak en werkzaamheden Eerste lid Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de raad en het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. [De commissie geeft ook voorlichting over de doelstelling van een goede omgevingskwaliteit en over de werkzaamheden van de commissie zelf. De commissie baseert de voorlichting (net als haar concrete adviezen) op de vastgestelde beleidskaders (zoals de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken, bedoeld in artikel 4.19 van de wet).] Tweede lid Onderdeel a Dit betreft de advisering over aanvragen om een omgevingsvergunning of de advisering over een ontwerpbesluit als het college geen bevoegd gezag is. De commissie adviseert op verzoek van het college over een aanvraag voor: 1 ̊. een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument De wet definieert een rijksmonumentenactiviteit als volgt: “een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht”.

De commissie adviseert niet over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot archeologische rijksmonumenten. De commissie brengt advies uit met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Uitgangspunten daarbij zijn: - het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; - het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist is voor het behoud van die monumenten; - het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en - het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Dit volgt uit artikel 8.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) dat de beoordelingsregels voor de rijksmonumentenactiviteit bevat. Voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische rijksmonumenten is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) aangewezen als advies- en instemmingsorgaan in de gevallen dat het college het bevoegd gezag is. Dit in verband met zijn verantwoordelijkheid voor de archeologische rijksmonumenten en met het landelijk overzicht en de vereiste specialistische kennis en ervaring die aanwezig zijn bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Ook is de Minister van OCW (mede) bevoegd tot toezicht en handhaving waar het gaat om archeologische rijksmonumenten. Behoud in situ (in de bodem) is hierbij het uitgangspunt. De gemeenten spelen desalniettemin in de archeologie een cruciale rol. De afweging om archeologische monumenten in situ (in de bodem) dan wel ex situ (door ze op te graven) te behouden, wordt meestal door de gemeente gemaakt in het kader van het opstellen van het omgevingsplan en de belangenafweging bij de specifieke omgevingsplanactiviteiten waaraan een archeologische onderzoeksplicht is gekoppeld. De gemeente is op grond van artikel 5.130 van het Bkl verplicht om bij het opstellen van het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder (aantoonbaar te verwachten) archeologische monumenten. Daarbij kan de (aantoonbaar te verwachten) aanwezigheid van archeologische monumenten van invloed zijn op onder meer de toedeling van functies aan locaties – bijvoorbeeld de keuze om geen parkeergarage toe te staan op een locatie met hoge archeologische waarde – of op Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

de inhoud van in het omgevingsplan op te nemen beschermende regels of beoordelingsregels. De commissie kan hierover op grond van de andere onderdelen van dit artikel adviseren. Voor als gemeentelijk monument beschermde archeologische monumenten is de commissie wel het aangewezen adviesorgaan. 2 ̊. een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument De bescherming van monumenten of archeologische monumenten als gemeentelijk monument gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functieaanduiding gemeentelijk monument te geven. Met een voorbereidingsbesluit kan voorbescherming worden geboden aan een locatie waarvoor wordt overwogen deze de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Overgangsrecht gemeentelijke monumenten Het overgangsrecht in de wet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt dat er bij het in werking treden van de wet een vergunningplicht geldt voor activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten die nog op grond van de [citeertitel Erfgoedverordening] zijn aangewezen. De regels uit die verordening blijven gelden tot het moment dat dit onderwerp in het nieuwe deel van het omgevingsplan is geregeld.

Dit volgt uit de artikelen 22.4 en 22.8 van de wet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet in samenhang met artikel 22.2 van het omgevingsplan (bruidsschat). De in de [citeertitel Erfgoedverordening] opgenomen vergunningplicht geldt als een verbod op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. 3 ̊. een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen De raad kan op grond van artikel 16.15, tweede lid, van de wet in het nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen in welke gevallen een advies verplicht is. Dit kan per gebied of per type activiteit of bouwwerk verschillen. Zolang nog geen gevallen zijn aangewezen, zet het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voort. Omdat het omgevingsplan ook bij een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit kan worden gewijzigd, brengt dit mee dat ook Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het Waterschap en de Minister van OCW de commissie als adviseur in het omgevingsplan kunnen aanwijzen. Regels over de aanwijzing van de commissie als adviseur kunnen ook onderdeel zijn van de voorbeschermingsregels waarmee een voorbereidingsbesluit het omgevingsplan wijzigt.

Overigens betekent dit niet dat de commissie daarmee ook formeel adviesorgaan van die andere bestuursorganen wordt. Als het college geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van het bevoegd gezag (artikel 4.22 van het Omgevingsbesluit). 4 ̊. een andere activiteit in geval burgemeester en wethouders een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit Dit onderdeel is gelijkwaardig aan de huidige zogenoemde “kan-bepaling” over de welstandsadvisering in artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Het college kan – voor zover dat in het omgevingsplan niet anders is geregeld – op grond daarvan zelf bepalen of zij een advies inwinnen bij de commissie. De beoordeling van de omgevingsplanactiviteit bouwen door de commissie Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

Bij het beoordelen van een bouwplan volgt de commissie de beoordelingsregels die in het omgevingsplan staan. De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend of geweigerd. Het gaat hierbij om regels over het bouwwerk zelf als wel zijn relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Bijvoorbeeld de bouwhoogte, de bouwmassa, het maximale bebouwingsoppervlak, de aanwijzing van bouwvlakken, de situering op de bouwvlakken, de karakteristiek van de bebouwing, en het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in de beleidsnota. De wet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie adviseert zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de mogelijkheid tot “binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit.

Onderdeel b De Minister van OCW vraagt ingevolge de Erfgoedwet altijd advies aan het college van de gemeente waar een monument of archeologisch monument zich bevindt, alvorens te besluiten het aan te wijzen als rijksmonument. In dat geval is de commissie adviseur van het college. De commissie is ook adviseur in geval het college het voornemen heeft een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument (door de locatie de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven). Onderdeel c Dit onderdeel geeft invulling aan de mogelijkheid als bedoeld in artikel 17.9, tweede lid, van de wet om de commissie in te schakelen bij het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zoals hierboven vermeld gaat het uitsluitend om beleid op het gebied van de omgevingskwaliteit. [Onderdeel d Dit onderdeel betreft de opgavegerichte advisering in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave. In geval van een verkenning in het kader van een projectprocedure of projectbesluit als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de wet onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. Door de verkenning kan het bevoegd gezag inzichten verkrijgen in: - de aard van de opgave, - de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving, en - de mogelijke oplossingen voor die opgave.

Hieronder vallen ook de oplossingen die anderen aandragen en waarvan het bevoegd gezag na beoordeling ervan besluit deze mee te nemen in de verkenning. Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen van het Rijk en de provincie die een mogelijke oplossing hebben aangedragen, kunnen aan het college vragen een deskundige instantie als de commissie over hun oplossing te raadplegen. Het college kan ook zelf advies vragen over de aangedragen oplossingen voor de opgave. De laatste zinsnede van dit onderdeel geeft aan dat ook als er geen sprake is van een projectprocedure of projectbesluit het college aan de commissie advies kan vragen in het kader van een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving.] [Onderdeel e Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

Dit onderdeel betreft de ontwerpgerichte advisering. Deze taak heeft geen betrekking op het adviseren over door het college op aanvraag te nemen besluiten, maar op het informeren en begeleiden van planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces, met het doel een hoogstaande stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit te bereiken. Dit onderdeel biedt de mogelijkheid om in een specifiek geval de commissie of een lid van de commissie te belasten met of te betrekken bij deze taak.] [Onderdeel f Vooroverleg bij een vergunningaanvraag wordt in de wet niet gereguleerd. De bestaande praktijk kan op grond van dit onderdeel worden voortgezet. Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) niet is overgenomen in de wet. De initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat zij of hij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan de initiatiefnemer om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen. Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang.] [Onderdeel g In dit onderdeel is bepaald dat de commissie ook adviseur kan zijn bij het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen.

De aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet in geval van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, is opgenomen in de bruidsschat als bedoeld in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Dit in de vorm van een bevoegdheid tot stellen van maatwerkvoorschriften (zie artikel 22.7 in samenhang met artikel 22.4 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan). De specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten verplicht initiatiefnemers om maatregelen te nemen om het beschadigen of vernielen van (voorbeschermde) rijksmonumenten te voorkomen. Een activiteit hoeft daarbij niet gericht te zijn op een rijksmonument. Het is voldoende dat een activiteit in de fysieke leefomgeving effect heeft op dat rijksmonument. Een voorbeeld hiervan is het bouwen van een tunnel, waardoor een rijksmonument kan verzakken. De regels voor de specifieke zorgplicht staan in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente kan op grond daarvan maatwerkvoorschriften opleggen.] [Onderdeel h De meeste regels over de fysieke leefomgeving uit de gemeentelijke verordeningen komen niet in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het gaat bijvoorbeeld om de [citeertitel Ligplaatsenverordening] of de regels over objecten in de openbare ruimte in de [citeertitel Algemene plaatselijke verordening].

De gemeente kan deze regels tot het einde van de overgangsfase (2029) omzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Op grond van dit onderdeel kan het college ook op basis van deze verordeningen advies vragen aan de commissie, ook al zijn de regels nog niet omgezet naar het omgevingsplan.] [Derde lid Dit lid ziet toe op de werkzaamheden van de stadsbouwmeester (zie de toelichting onder artikel 1).] Artikel 3. Verplichte adviezen Dit artikel sluit aan op de verplichte adviezen op grond van artikel 17.9 van de wet en het op grond van de [citeertitel Erfgoedverordening] verplichte advies bij gemeentelijke monumenten. Artikel 4. Samenstelling Eerste lid Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

Dit lid geeft invulling aan artikel 17.7, eerste lid, van de wet, waarin is bepaald dat de raad het aantal leden vaststelt. [Er worden ook plaatsvervangers benoemd, zodat de commissie ook kan functioneren wanneer één of meer vaste leden zijn verhinderd.] Tweede lid Dit lid geeft aan dat de leden als deskundigen en dus op persoonlijke titel en op grond van hun persoonlijke kwalificaties worden benoemd. Hun lidmaatschap is niet afhankelijk van het bekleden van een bepaalde functie of het hebben van een bepaalde hoedanigheid. De leden vertegenwoordigen geen bijzondere belangen. Dat betekent bijvoorbeeld dat belangenorganisaties op het gebied van de omgevingskwaliteit geen vertegenwoordigers in de commissie hebben. De leden zullen hun functie onafhankelijk dienen uit te oefenen. Daartegenover staat dat benoeming niet achterwege zal blijven enkel vanwege het lidmaatschap van een bepaalde groepering of het bekleden van een bepaalde bestuurlijke of maatschappelijke functie. Daarnaast beschikken de leden over inzicht in maatschappelijke verhoudingen op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. [Derde lid Dit lid voorziet in de mogelijkheid om burgerleden te benoemen.

Voor deze leden geldt de eis van inzicht in maatschappelijke verhoudingen op grond van maatschappelijke kennis en ervaring.] Vierde en vijfde lid Deze leden zien toe op de deskundigheidsgebieden die in de commissie vertegenwoordigd moeten zijn. De wet schrijft voor dat binnen de commissie enkele leden deskundig dienen te zijn op het gebied van de monumentenzorg, en dat die in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. Volgens de Memorie van toelichting dient de commissie ten minste over deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap en stedenbouw te beschikken (Kamerstukken II 2014-2015, 33962 nr. 3, p. 581). In aanvulling hierop is de deskundigheid aangevuld met [… (aanvullende deskundigheidsgebieden noemen)]. Het is mogelijk dat één persoon meerdere disciplines in zich verenigt. [Zesde lid Dit lid zorgt voor een aanscherping van de wettelijke eis van onafhankelijkheid ten opzichte van het gemeentebestuur. Artikel 17.8 van de wet stelt slechts als eis, dat de leden van het gemeentebestuur geen lid zijn van een gemeentelijk adviesorgaan.] Artikel 5. Benoeming Eerste tot en met derde lid Deze leden hebben betrekking op de benoemingstermijn als bedoeld in artikel 17.7, eerste lid, van de wet.

Het eerste lid regelt de benoeming voor de eerste termijn. Het tweede lid ziet toe op de herbenoeming. De regels voor de herbenoeming zijn logischerwijs alleen van toepassing op de leden, niet op hun plaatsvervangers. In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om leden [aantal] jaar na hun aftreden opnieuw te benoemen. De vraag kan worden gesteld of het benoemen van leden en instellen van de commissie een bevoegdheid is die gemandateerd kan worden aan het college. Mandaatverlening is niet geoorloofd indien de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. In dit geval is het de vraag of de aard van de bevoegdheid zich verzet tegen mandaatverlening als bedoeld in artikel 10:3, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Onder de Woningwet is overwogen dat de raad een centrale rol moest spelen in het welstandstoezicht, mandatering was daarom niet mogelijk. Uit de toelichting bij artikel 17.7 van de wet volgt dat “in navolging van de bestaande regeling voor de welstandscommissie (..) die bevoegdheid is neergelegd bij de gemeenteraad.” (Kamerstukken II, Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

2013-2014, 33962, nr. 3, p. 580). Op grond daarvan mag worden aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich tegen mandatering aan het college verzet. [Vierde lid Dit lid voorziet in de mogelijkheid dat de voorzitter, de ondervoorzitters, de stadsbouwmeester en de plaatsvervangers in functie worden benoemd.] Vijfde lid Dit lid regelt schorsing en ontslag. De wet bepaalt dat de raad de leden benoemt en ontslaat (artikel 17.7, tweede lid, van de wet). Het is vanzelfsprekend dat leden op eigen aanvraag worden ontslagen. Zij kunnen verder worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. [Artikel 6. Ondersteuning van de commissie De commissie wordt in ieder geval bijgestaan door een ambtelijk secretaris die voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig is aan de commissie. De secretaris wordt dus niet door bestuurlijke belangen geleid. Datzelfde geldt voor de medewerkers die eventueel aan de secretaris worden toegevoegd en die door de secretaris worden aangestuurd. OF Artikel 6. Ondersteuning van de commissie Ingevolge het eerste lid wordt de commissie bijgestaan door een secretariaat dat berust bij [naam regionale adviesorganisatie]. Het tweede lid borgt dat het secretariaat slechts door de belangen van de commissie wordt geleid.] Artikel 7.

Adviestermijn In de wet is geen termijn gesteld waar binnen de commissie moet adviseren. Daarom kan het college op grond van het eerste lid aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. Deze termijn mag volgens artikel 3:6 van de Awb niet zodanig kort zijn, dat de commissie zijn taak niet meer kan vervullen. In het tweede lid is bepaald dat het college ook kan afzien van het stellen van een termijn. In dat geval geldt een termijn van vier weken. Die is gelijk aan de termijn die in de [citeertitel Bouwverordening] voor een advies op een aanvraag voor een omgevingsvergunning was opgenomen. Indien geen advies wordt uitgebracht binnen de genoemde adviestermijn, staat dit de besluitvorming door het college niet in de weg (artikel 3:6, tweede lid, van de Awb). Artikel 8. Beraadslaging en standpuntbepaling Eerste lid Dit lid is een nadere regeling van uitwerking van de wettelijke eis van openbaarheid als bedoeld in artikel 17.9, vijfde lid, van de wet. Tweede lid [Uit artikel 4:7 van de Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van de commissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. Anderen hebben geen spreekrecht.

OF Uit artikel 4:7 van de Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van de commissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. Daarnaast hebben andere belanghebbenden spreekrecht. De kring van spreekgerechtigden is beperkt tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb). Bijlage 1/3 bij VNG ledenbrief, september 2020

Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van de commissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen recht van spreken hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.] Het spreekrecht is van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de commissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. De regeling van dit spreekrecht wordt opgenomen in het reglement van orde (zie artikel 12). De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het advies op de aanvraag voor een omgevingsvergunning of op een voorgenomen beschikking formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg of bij de beleidsgerichte, opgavegerichte of ontwerpgerichte advisering. De potentiële initiatiefnemer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte planprocedure vooroverleg stimulering verdient. Derde lid Dit lid ziet erop toe dat in de vergadering voldoende leden aanwezig zijn, zodat een deskundig oordeel kan worden gevormd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=edb0d94b-d4c3-458f-9b6a-17990fb05637