CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Verkabeling 150 kV verbinding Geertruidenberg_Toelichting-lr.pdf

Besluitvormende raad 7 oktober 2021, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Vaststelling BP verkabeling 150kV- verbinding11.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

VERKABELING 150 KV-VERBINDING GEERTRUIDENBERG Bestemmingsplan oktober 2021

1/7

2/7

DATUM IMRO-CODERING

oktober 2021 NL.IMRO.0779.Verkabeling150kV-on01

PROJECT PROJECTLEIDER

Verkabeling 150 kV-verbinding Geertruidenberg ing. J.A. van Broekhoven

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Geertruidenberg 20200237

AUTEUR STATUS

Niels Tiekstra Vastgesteld

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging en begrenzing van het gebied

7

1.3

Geldende bestemmingsplannen en planvorm

7

1.4

Leeswijzer

8

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

9

2.1

Scope van het project

9

2.2

Totstandkoming tracé

11

2.3

Definitief voorkeurstracé

17

Ruimtelijk beleid

23

3.1

Rijksbeleid

23

3.2

Provinciaal beleid

24

3.3

Gemeentelijk beleid

25

3.4

Conclusie

27

Hoofdstuk 4

Onderzoek

28

4.1

Inleiding

28

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

28

4.3

Bodem

31

4.4

Ecologie

32

4.5

Externe veiligheid

36

4.6

Magneetveldzones

38

4.7

Water

39

4.8

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

41

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

43

5.1

Planvorm

43

5.2

Toelichting op de bestemmingen

43

5.3

Plangebied van het bestemmingsplan

44

5.4

Toelichting op algemene regels

44

Uitvoerbaarheid

46

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 6

3/48

4/48

6.1

Economische uitvoerbaarheid

46

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

46

Toelichting

5/48

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Tussen 2009 en 2015 heeft TenneT verschillende alternatieven voor het traject van de nieuwe hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg ontwikkeld. De vaststelling van het voorkeursalternatief in 2014 heeft in delen van de regio tot veel onrust geleid. De minister van Economische Zaken heeft in 2016 partijen (gemeenten, actiecomités, organisaties, bewoners) in de regio de gelegenheid gegeven om suggesties te doen voor alternatieven en varianten. In de periode daarna heeft TenneT samen met de regio een set alternatieven met varianten ontwikkeld. Vervolgens zijn hiervan de effecten in kaart gebracht. De resultaten zijn eind maart 2017 gepubliceerd. De minister van Economische Zaken heeft vervolgens de samenwerkende overheden in West- en Midden Brabant gevraagd om, mede op basis van deze informatie, een advies te geven over het meest gewenste tracé. De samenwerkende overheden hebben gehoor gegeven aan dit verzoek. Naast een advies over het meest gewenste tracé hebben zij de minister geadviseerd mee te werken aan een drietal specifieke wensen, waar onder de verkabeling van de 150 kV-verbinding Geertruidenberg-Waalwijk over de kernen Geertruidenberg en Raamsdonksveer. De minister van Economische Zaken heeft het advies van de samenwerkende overheden overgenomen en in juli 2017 het voorgenomen tracé en drie aanvullende maatregelen vastgesteld.

Een van deze maatregelen is het ondergronds brengen van de bovengrondse 150 kV-verbinding in de woonkernen Geertruidenberg en Raamsdonksveer om de ruimtelijke druk in de gemeente Geertruidenberg te verminderen. In een brief van 15 februari 2018 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat aan TenneT verzocht om het gedeelte van de 150 kV-verbinding Geertruidenberg-Waalwijk dat door de kernen van Geertruidenberg en Raamsdonksveer loopt te verkabelen (Brief met kenmerk DGETM-EO / 17144417). In de brief is een aantal randvoorwaarden opgenomen voor de uitvoering van deze toezegging, zodat zo spoedig mogelijk de bovenstaande toegezegde ondergrondse verbinding in gebruik kan worden genomen. TenneT heeft het verzoek van de minister in samenspraak met de gemeente Geertruidenberg opgepakt. Inmiddels wordt aan alle randvoorwaarden voldaan. De verkabeling van de bestaande 150 kV-verbinding past niet binnen de vigerende bestemmingsplannen van de gemeente Geertruidenberg. Om de aanleg en de toekomstige bescherming van de nieuwe ondergrondse verbinding, en het wegbestemmen van de bestaande bovengrondse verbinding mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld.

6/48

1.2

Ligging en begrenzing van het gebied

Het bestemmingsplan heeft betrekking op het bestemmen van de toekomstige beschermingszone van de ondergrondse verbinding en het wegbestemmen van de bestaande bovengrondse verbinding. Het plangebied van het bestemmingsplan betreft dan ook twee lijnen rondom de kernen Geertruidenberg en Raamsdonksveer. In figuur 1.1 is de ligging van beide lijnen gelegen. De rode lijn betreft de bestaande verbinding, de paarse lijn is de nieuwe verbinding.

Figuur 1.1. Ligging plangebied

1.3

Geldende bestemmingsplannen en planvorm

Vanwege het feit dat dit bestemmingsplan een kabeltracé bestemd gelden ter plaatse veel verschillende bestemmingsplannen. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen: Bestemmingsplan Dongeoever Amerkant Geetruidenberg Noordwest Raamsdonksveer Noord Raamsdonksveer Zuid Gasthuiswaard Buitengebied Geertruidenberg Kom Geertruidenberg 2012 Achter de Hoeven Buitengebied 1e herziening

7/48

Vastgesteld op 30-08-1990 17-09-2007 10-05-2008 14-10-2008 28-10-2010 28-04-2011 29-11-2012 27-06-2013 17-12-2015

Parapluherziening geluidzone industrie Gasthuiswaard Gedeeltelijke reparatie bestemmingsplan Gasthuiswaard Paraplubestemmingsplan Parkeren - deel 1 Paraplubestemmingsplan Parkeren - deel 2 Periodieke planherziening 2018 Geertruidenberg

24-03-2016 26-05-2016 19-04-2018 19-04-2018 12-12-2019

Planvorm De verbinding wordt mogelijk gemaakt door middel van een dubbelbestemming waarin een ondergrondse 150 kV-verbinding toegestaan is. Deze dubbelbestemming komt te liggen op de bestaande bestemmingen in de andere bestemmingsplannen. Daarnaast is op een locatie met een enkelbestemming een nieuwe functie mogelijk gemaakt die de bestaande bestemming ter plaatse 'vervangt'. Deze enkelbestemming is opgenomen ter plaatse van het nieuwe 150 kV-opstijgpunt. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan ook in een aanduiding voor het verwijderen van de bestaande dubbelbestemmingen voor de te verwijderen bovengrondse verbinding.

1.4

Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgedeeld in verschillende hoofdstukken. Na de inleiding in Hoofdstuk 1, wordt in Hoofdstuk 2 een beschrijving van het project, inclusief beschrijving van de totstandkoming van het tracé beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op de ruimtelijke beleidskaders. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 het project getoetst aan de relevante sectorale aspecten. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving waarin de juridische regeling van het bestemmingsplan wordt beschreven. Ten slotte gaat Hoofdstuk 6 in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, waarin onder meer participatie wordt beschreven.

8/48

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Scope van het project

Het project betreft het ondergronds brengen van de huidige 150 kV-verbinding Geertruidenberg-Waalwijk die op dit moment door de kernen van Geertruidenberg en Raamsdonksveer loopt. De nieuw aan te leggen verbinding zal niet hetzelfde tracé volgen als dat van de bestaande bovengrondse verbinding. Bestaande verbinding Het te verwijderen gedeelte van deze bestaande 150 kV-verbinding betreft het gedeelte vanaf mastnummer 021 (eerste mast ten oosten van de A27) van de bestaande verbinding tot aan het 150 kV-station Geertruidenberg. Tussen mast 021 en het opstijgpunt zal nog een bovengrondse verbinding worden gerealiseerd. Doordat er vanaf mast 001 (het bestaande opstijgpunt) al een kabeltracé loopt naar het 150 kV-station kan ook op dit bestaande stuk kabeltracé worden aangesloten. Na ingebruikname van de nieuwe ondergrondse verbinding worden de masten van de huidige 150kV-verbinding verwijderd. Onderstaande afbeelding geeft de bestaande situatie weer. Een overzicht van de bestaande situatie is ook weergegeven in Bijlage 1.

Figuur 2.1 Huidige situatie (Bron: TenneT) Beschrijving huidige situatie nieuwe verbinding Het tracé van de nieuwe verbinding is gelegen ten zuiden van de kern Raamsdonksveer. Het tracé loopt hier door de polder van de Gasthuiswaard. Dit gebied is momenteel in gebruik als agrarisch gebied. Een foto van de huidige situatie is opgenomen in figuur 2.2.

9/48

Figuur 2.2 Gasthuiswaard Vervolgens volgt het tracé de Monnikenweg en de Eendrachtsweg en snijdt door het agrarisch gebied richting de rijksweg A59. Een foto van dit gebied is opgenomen in figuur 2.3.

Figuur 2.3 Bestaande situatie tussen Raamsdonksveer en A59 Vanaf hier zal het nieuwe tracé de rijksweg A59 en vanaf het knooppunt Hooipolder de A27 volgen naar het nieuwe opstijgpunt bij mast 21. De verbinding wordt hierbij in het gebied tussen de snelweg en de dorpskern gepland. Ten behoeve van de aansluiting van de ondergrondse verbinding op de bestaande verbinding wordt een nieuw opstijgpunt gerealiseerd. Dit opstijgpunt wordt ten oosten van de rijksweg A27 gerealiseerd in het agrarisch gebied. In figuur 2.4 is een foto van de bestaande situatie hier weergegeven.

10/48

Figuur 2.4 Huidige situatie toekomstig opstijgpunt

2.2

Totstandkoming tracé

2.2.1 Opdracht van de minister Economische Zaken en Klimaat In de brief van 15 februari 2018 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat aan TenneT verzocht om het gedeelte van de 150 kV-verbinding Geertruidenberg-Waalwijk dat door de kernen van Geertruidenberg en Raamsdonksveer loopt te verkabelen (Brief met kenmerk DGETM-EO / 17144417, zie bijlage 1). In de brief is een aantal randvoorwaarden benoemd voor de uitvoering: De projectgroep onderzoekt samen met de omgeving welke ondergrondse alternatieven mogelijk zijn. De ondergrondse alternatieven moeten zich bevinden in het zoekgebied tussen het 150 kV-station Geertruidenberg en mastnummer 021 van de bestaande verbinding en kunnen zowel ten noorden als ten zuiden van de woonkernen Geertruidenberg en Raamsdonksveer lopen. Geschikte tracés zullen onderzocht moeten worden. De projectgroep bepaalt op basis van onderzoeksresultaten en in overleg met de omgeving een voorkeurstracé. Voor de socialisering van de kosten is het noodzakelijk de bestaande verbinding niet langer dan nodig als kabel aan te leggen. De kabel mag derhalve maximaal circa 7 kilometer lang zijn. Voor de verkabeling is een wijziging van het bestemmingsplan van de gemeente Geertruidenberg nodig. De gemeente Geertruidenberg is verantwoordelijk voor de aanpassing van het bestemmingsplan en TenneT is verantwoordelijk voor het vergunningentraject.

TenneT dient de voorbereiding, aanleg, exploitatie en onderhoud en de verwijdering van de buiten gebruik gestelde bovengrondse verbinding op zich te nemen. Advies om de planschade door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen TenneT en de gemeente Geertruidenberg te regelen.

11/48

2.2.2 Procesbeschrijving Om tot een definitief voorkeurstracé te komen is een aantal stappen doorlopen: 1. Verkenning van de zoekgebieden 2. Keuze voor een zoekgebied 3. Uitwerking van de tracé-alternatieven binnen het zoekgebied 4. Keuze voorkeurstracé Gedurende de fase van het uitwerken van tracé-alternatieven binnen het zoekgebied zijn de bewoners, (grond) eigenaren en gebruikers binnen het zoekgebied en direct aangrenzende bewoners uitgenodigd om te participeren in het proces. Hiervoor is een projectgroep ingesteld waarin de onderstaande processtappen zijn doorlopen: Verkenning van zoekgebieden (tweede helft van 2018) Tracéstudie en keuze VKA (eerste helft van 2019) Uitwerking VKA (tweede helft van 2019 en begin 2020)

2.2.3 Verkenning zoekgebieden In het kader van de tracéstudie zijn verschillende zoekgebieden gedefiniëerd. In figuur 2.5 zijn deze zoekgebieden weergegeven.

12/48

Figuur 2.5 Zoekgebieden Tracé 150 kV Geertruidenberg (Bron: TenneT) Zoekgebied Noord Vanaf 150kV-hoogspanningsstation Geertruidenberg loopt het zoekgebied parallel aan de Amerweg ten westen en langs Geertruidenberg. Hierbij wordt de dijk aan de noordkant van Geertruidenberg langs de Amercentrale gevolgd tot de Donge. De rivier wordt gekruist en vervolgens zet het zoekgebied zich aan de overzijde van de rivier in Raamsdonksveer voort. In Raamsdonksveer concentreert het zoekgebied zich rondom de Zalmweg richting de A27. De Rijksweg wordt gekruist en vervolgens sluit het zoekgebied weer aan op Mast 021 van het bestaande net richting Waalwijk. Zoekgebied Midden Zoekgebied midden heeft als basis de huidige 150 kV-verbinding door de kernen van Geertruidenberg en

13/48

Raamsdonksveer. Vanaf 150 kV-hoogspanningsstation Geertruidenberg loopt het zoekgebied om de stadsvesting heen tot aan het bedrijventerrein langs de Donge. Het zoekgebied kruist vervolgens de Donge en loopt door Raamsdonksveer, deels parallel aan de Lindonklaan en Weegbree, richting de Rijksweg A27. De Rijksweg A27 kruist het zoekgebied welke aansluit op Mast 021. Vanaf dit laatste deel net voor de A27 valt dit zoekgebied samen met zoekgebied Noord. Een tracé binnen dit zoekgebied zal een lengte hebben van circa 4 km. Zoekgebied Midden-Noord Zoekgebied Midden-Noord verbindt de zoekgebieden Noord en Midden. Dit gebied ligt rondom de Donge, tussen de zoekgebieden Noord en Midden. Op figuur 14 is zoekgebied Midden-Noord weergegeven. In dit zoekgebied liggen het braakliggende terrein dat onderdeel uitmaakt van programma Donge Oevers en de strook parallel aan de Maasdijk. De woonwijk in Raamsdonksveer en scholengemeenschap Dongemond zijn hierin uitgezonderd. Zoekgebied Zuid Zoekgebied Zuid is voortgekomen uit onderzoek naar het gebied ten zuiden van de kernen Geertruidenberg en Raamsdonksveer. Vanaf 150 kV-hoogspanningsstation Geertruidenberg, kruist het zoekgebied de waterkeringen van de Donge en beslaat het een brede zone naar het zuiden tot de A59. Het zoekgebied volgt de A59 bovenlangs richting knooppunt Hooipolder.

Het zoekgebied loopt om het knooppunt heen en vervolgt in een brede zone rondom (vooral het oosten van) de A27 richting het noorden en sluit hier aan op Mast 021. Een tracé binnen dit zoekgebied zal een lengte hebben van circa 7 km. Met de randvoorwaarden van de minister als uitgangspunt aangevuld met de technische en planologische traceringsprincipes van TenneT en andere stakeholders en met inachtname van relevant beleid zijn door middel van een omgevingsproces met vertegenwoordigers van belangengroepen vier zoekgebieden tot stand gekomen. Hiervoor zijn twee ontwerpateliers georganiseerd en hebben aanvullende gesprekken met belanghebbenden plaatsgevonden. Naast de input van vertegenwoordigers in de ateliers konden mensen ook op een openbare informatieavond op het gemeentehuis input geven. Al deze informatie is verwerkt in de notitie verkenning zoekgebieden, waarin een globale maak- en haalbaarheid van de vier zoekgebieden en de effecten op basis van bureaustudies in beeld zijn gebracht. Een beschrijving van deze zoekgebieden is opgenomen in paragraaf 2.2.3. Op basis van de notitie verkenning zoekgebieden heeft de gemeenteraad van Geertruidenberg (raadsbesluit 29-11-18, Bijlage 2) de keuze gemaakt voor zoekgebied Zuid.

De belangrijkste overwegingen hiervoor waren een toekomstig zuidelijk tracé voorkomt een ondergronds tracé door of nabij woonkernen; zoekgebied Zuid heeft de meeste ruimte beschikbaar om voldoende afstand tot woonbebouwing aan te houden; met de keuze voor zoekgebied Zuid is relatief weinig of geen effect op bestaand ruimtegebruik en toekomstige ontwikkelingen.

14/48

2.2.4 Tracévarianten Gedurende de fase van het uitwerken van tracéalternatieven binnen het zoekgebied Zuid zijn direct betrokkenen binnen, en aangrenzend aan, het zoekgebied uitgenodigd om te participeren in het proces. Op 6 februari en 13 maart 2019 hebben twee ontwerpateliers plaatsgevonden. Aanvullend hierop hebben veldbezoeken met omwonenden bij de Diepenbrockstraat en mast 20 en extra informatieavonden plaatsgevonden. Naast de ontwerpateliers hebben gesprekken plaatsgevonden met verschillende bedrijven in het gebied die niet bij de ontwerpateliers aanwezig waren. Ook hebben gesprekken plaatsgevonden met Waterschap Brabantse Delta, Rijkswaterstaat, Gasunie en de Provincie Noord-Brabant. Met deze partijen is gesproken over de samenloop van de verkabeling van de 150 kV-verbinding met andere projecten die in de directe omgeving van het plangebied spelen. Met name de verbreding van en de nieuwe aansluiting op de rijksweg A27 en de daarmee samenhangende verplaatsing van de persleiding van het waterschap en de leiding van de Gasunie. Uit dit proces zijn een geel, blauw en rood tracéalternatief met een aantal varianten hierop ontstaan. Deze zijn onderzocht op hun maak- en haalbaarheid en samen met de effecten ervan in beeld gebracht in een tracéstudie. In figuur 2.6 zijn deze alternatieven weergegeven.

De effectbeschrijving van de verschillende tracévarianten is opgenomen in de tracéstudie, die is opgenomen in Bijlage 3.

15/48

Figuur 2.6 Tracéalternatieven (Bron: TenneT) Op 27 juni nam de gemeenteraad van de gemeente Geertruidenberg een besluit over het definitieve tracé voor de verkabeling en het opstijgpunt. De gemeenteraad stelde tracé Geel vast voor de verkabeling van de 150 kV-hoogspanningsverbinding. Bij dit tracé blijven de belemmeringen op gronden van derden beperkt, heeft dit tracé relatief weinig tot geen effect op bestaand ruimtegebruik en toekomstige ontwikkelingen en wordt voldoende afstand aangehouden tot gevoelige objecten (zoals woningen). Ook besloot de gemeenteraad om het opstijgpunt aan de oostkant van de A27 te realiseren en daarmee te kiezen voor het verwijderen van mast 20 in de wijk Hooipolder. Daarmee wordt de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse bevorderd en wordt voldaan aan de eerder gestelde doelstelling om de hoogspanningsverbinding over beide woonkernen te verwijderen.

16/48

2.3

Definitief voorkeurstracé

2.3.1 Tracébeschrijving Na vaststelling van het VKA is het tracé verder uitgewerkt voor de bepaling van de exacte ligging van de verbinding en de locaties van de open ontgravingen en boringen. Hiervoor zijn alle direct betrokken stakeholders benaderd om het tracé te bespreken en zijn tevens betredings-toestemmingen opgehaald bij de grondeigenaren en –gebruikers. Naar aanleiding van deze gesprekken zijn enkele optimalisatieverzoeken van rechthebbenden onderzocht en uitgewerkt. Dit heeft geleid tot een optimalisatie in het tracé bij het opstijgpunt, ten behoeve van minder belemmering op het perceel van de rechthebbende. Als input voor het basisontwerp, de ruimtelijke procedure en ter voorbereiding van de uitvoering zijn veld en bodemonderzoeken uitgevoerd. Doordat er vanaf mast 001 (het bestaande opstijgpunt) al een ondergronds kabeltracé naar het 150 kV-station Geertuidenberg loopt, kan op dit bestaande stuk kabeltracé worden aangesloten. Dit bestaande kabeltracé ligt tot aan het bestaande opstijgpunt op het perceel dat grenst aan de Centraleweg en de Amerweg. Vanuit hier loopt het nieuwe kabeltracé richting het zuiden. Via bedrijventerrein Gasthuiswaard kruist het kabeltracé rivier de Donge door een gestuurde boring. De boring eindigt op het agrarische perceel aan de zuidzijde van de Donge.

De begin- en eindpunten van de gestuurde boring zijn gelegen buiten de beschermingszones- en de waterstaatswerken met betrekking tot de Donge. Het ondergrondse kabeltracé loopt vervolgens in open ontgraving een stukje parallel aan de bestaande bovengrondse 380 kV-verbinding Geertruidenberg - Eindhoven, waarna deze afbuigt naar het oosten. Het kabeltracé volgt hier zoveel mogelijk de grenzen van de agrarische percelen richting de gemeente gronden nabij de Eendrachtsweg. Ter hoogte van de kruising van de Eendrachtsweg en de Monnikenweg is een gestuurde boring voorzien. Zowel het in- als het uittredepunt van de boring bevindt zich buiten de beschermingszones van het archeologisch monument de Kloosterhoeve en het historisch waterstaatswerk. Het kabeltracé bevindt zich ter hoogte van de Kloosterhoeve op ten minste 10 meter diepte, wat ruim beneden het archeologisch relevant niveau is. Het uittredepunt van de boring bevindt zich op het agrarisch perceel ten zuiden van de Kloosterweg en de Eendrachtsweg. Het kabeltracé loopt vanuit dit punt in een rechte lijn door middel van een open ontgraving richting het zuidoosten, om vervolgens parallel aan de A59 verder te lopen. Het kabeltracé is gelegen in de groenstrook tussen de A59 en de naastgelegen sportvelden, zodat de sportvelden niet doorkruist worden.

Ten zuiden van de sportvelden gaat het kabeltracé door als gestuurde boring onder de huidige op- en afrit van de A59 en de Oosterhoutseweg door. De boring komt uit op een open grasveld ten westen van de A27, in de groenstrook achter de tuinen. De boring ligt op dusdanige diepte dat de aanwezige bomen gelegen achter de Diepenbrockstraat behouden kunnen blijven en ook voldoende afstand wordt gehouden tot aan de woningen. Na een stukje open ontgraving op het open grasveld ten westen van de A27, volgt opnieuw een gestuurde boring. Deze boring loopt parallel aan de westzijde van de A27 en komt uit op het braakliggend terrein aan de Omschoorweg, ten noorden van de bedrijven aan de Julianalaan. Deze gestuurde boring is nodig vanwege het

17/48

kruisen van de Kerklaan, de beperkte ruimte tussen de A27 en de aanwezige bedrijven en het kruisen van de leiding van waterschap Brabantse Delta. Uiteindelijk volgt er nog een lange gestuurde boring van het braakliggende terrein naar de locatie van het toekomstige opstijgpunt ten oosten van de A27. Deze boring is grotendeels gelegen onder de groenstrook van de gemeente die ligt tussen de woonwijk en de A27. Doordat dit een diepe boring betreft kunnen de aanwezige bomen behouden blijven. Ook wordt voldoende afstand tot aan de woningen gehouden. De boring buigt af richting het oosten onder de A27 door en komt op het agrarische perceel naar boven. Hier wordt een opstijgpunt in de vorm van een portaal gerealiseerd. Vanuit dit portaal kan het kabeltracé worden aangesloten op de bestaande bovengrondse verbinding richting Waalwijk. Verbreding A27 Bij de totstandkoming van het tracé is rekening gehouden met de toekomstige verbreding van de A27 en de nieuwe aansluitingn op de A27. Daarnaast is rekening gehouden met de aanpassingen aan de bestaande leidingen die zijn gelegen langs de A27. Na ingebruikname van de nieuwe ondergrondse verbinding worden de masten van de huidige 150kV-verbinding en het portaal aan de Centraleweg verwijderd.

Figuur 2.7 Voorkeurstracé (bron: TenneT)

2.3.2 Open ontgraving In principe wordt de kabel aangelegd in open ontgraving. Dit is de aanlegmethode waarbij er een sleuf wordt gegraven waarin de kabels worden gelegd. Deze methode is alleen toepasbaar als er voldoende ruimte is om een sleuf te graven. Het uitgangspunt is dat de kabels in 'plat vlak' worden aangelegd. Dit betekent dat de kabels naast elkaar worden gelegd. Op figuur 2.8 is een impressie van een open ontgraving weergegeven.

18/48

Figuur 2.8 Impressie open ontgraving (bron: TenneT) In agrarisch gebied mag het land boven de kabel bewerkt worden, de kabel wordt met een gronddekking van 1,80 meter aangelegd. De twee circuits van ieder drie kabels worden in plat vlak naast elkaar aangelegd. In de afbeelding is naast de sleuf ook de werkweg en de grondopslag van de uitkomende grond weergeven. Onderstaand figuur geeft een impressie van de werkstrook tijdens een open ontgraving.

Figuur 2.9 Impressie werkstrook open ontgraving (bron: TenneT) 2.3.3 Boring Bij een horizontaal gestuurde boring (HDD) wordt elke hoogspanningskabel in een eigen mantelbuis aangelegd. Per circuit (drie kabels) wordt er één extra mantelbuis aangelegd voor de aanleg van de secundaire verbindingen en als reserve voor beschadigingen van mantelbuizen tijdens de aanleg. In tegenstelling tot een sleuf in open ontgraving zijn er bij deze aanlegmethode geen werkterreinen nodig over de gehele lijn van de boring. Alleen aan de in- en uittredepunten (daar waar de boring aan de oppervlakte komt) zijn werkterreinen nodig. Omdat de mantelbuizen als complete streng in de boring getrokken worden is de uitlegstrook voor deze bundel een aandachtspunt. Hier moet ruimte voor beschikbaar zijn. Boringen worden uitgevoerd:

19/48

ter plekke van kruisingen met (vaar)wegen; ter plekke van kruisingen met kabels en leidingen; daar waar onvoldoende ruimte beschikbaar is voor open ontgraving. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van het ruimtebeslag van een boring en de werkzaamheden tijdens een boring inclusief uitlegstrook. De exacte afmetingen verschillen per locatie.

Figuur 2.10 Impressie boring (bron: TenneT)

Figuur 2.11 Impressie werkterrein boring (bron: TenneT)

20/48

2.3.4 Opstijgpunt Om de ondergrondse verbinding weer aan te sluiten op de bestaande bovengrondse 150kV-verbinding is een opstijgpunt nodig. Zo blijft de verbinding tussen het 150kV-station en Waalwijk in stand. Het inlussen gaat via een zogenaamd 'opstijgpunt'. In dit geval wordt dit opstijgpunt gerealiseerd in de vorm van een portaal, zoals op onderstaande afbeelding is weergegeven. Via dit portaal worden de kabels ondergronds gebracht. In de uiteindelijke situatie komt er rondom dit portaal een hekwerk te staan om de overgang tussen kabel en lijn af te schermen van de omgeving. Dit portaal wordt gerealiseerd aan de oostzijde van de A27.

2.3.5 Verwijderen bestaande masten Op het moment dat de ondergrondse kabelverbinding in gebruik is, kan worden gestart met het weghalen van de bestaande masten. Eerst worden de geleiders uit de masten getrokken. Dit zijn de draden die de energie transporteren. Vervolgens blijven de 'kale' masten over die gesloopt kunnen worden. De wijze waarop de masten worden gesloopt verschilt mogelijk per locatie. Dit komt doordat de masten in de woonkern staan, waardoor niet overal evenveel ruimte beschikbaar is. Ook worden de funderingen verwijderd, waarvoor werkterreinen met bouwputten worden gerealiseerd, hierbij is tevens bemaling noodzakelijk. Op het moment dat de aannemer zijn plannen heeft uitgewerkt, worden de werkzaamheden en impact met de omgeving besproken.

21/48

Figuur 2.12. Verwijderen bestaande masten (bron: TenneT)

22/48

Hoofdstuk 3

3.1

Ruimtelijk beleid

Rijksbeleid

3.1.1 Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) (2009) De ruimtebehoefte voor de elektriciteitsvoorziening is op 22 juni 2009 vastgesteld en vastgelegd in een aparte nota: het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (hierna: SEV III). SEV III heeft de status van nationale structuurvisie. Een nationale structuurvisie is niet bindend voor lagere overheden, maar wel voor de rijksoverheid zelf. Voor lagere overheden is de structuurvisie richtinggevend. In het SEV III worden de locaties aangewezen voor elektriciteitsproductie vanaf 500 megawatt en hoger en voor nieuwe hoogspanningsvoorzieningen vanaf 220kV en hoger. Het plan valt niet in de categorie hoogspanningsvoorzieningen zoals hiervoor beschreven. Het SEVIII vormt geen belemmering of kader ten aanzien van het plan omdat het een 150kV kabelverbinding betreft. 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is aangegeven dat voor een aantal onderwerpen algemene regels door het Rijk moeten worden gesteld. Deze regels zijn concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) door te werken in de ruimtelijke besluitvorming van provincies en gemeenten.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is deze algemene maatregel van bestuur waarin de nationale belangen uit de SVIR juridisch zijn geborgd. De ministeriële regeling die bij het Barro hoort (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) is gelijk met het Barro in werking getreden. De onderwerpen, relevant voor het onderzoeksgebied, waar het Rijk in het Barro ruimte voor vraagt is de bescherming van de waterveiligheid in en rond de grote rivieren. Op 1 oktober 2012 is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de volgende relevante onderwerpen (Barro, eerste aanvulling): Veiligheid rond rijksvaarwegen Ecologische hoofdstructuur Bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament Met de aanleg van de hoogspanningsverbinding wordt voorzien in een robuust hoogspanningsnet voor de regio. Waarbij tevens een bestaande bovengrondse verbinding wordt gesaneerd. Bij de aanleg van de ondergrondse verbinding wordt rekening gehouden met de aankomende verbreding van de A27 en het rivierbed van de Donge. Daarmee past de ontwikkeling binnen de regels van het Barro en het beleid in de SVIR.

23/48

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven te onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. Met de aanleg van de nieuwe 150 kV-verbinding en het verwijderen van de bestaande verbinding wordt het leefklimaat ter plaatse van de bestaande verbinding verbeterd. De effecten van de verkabeling van de nieuwe verbinding leiden niet tot een aantasting van het bestaande woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe verbinding.

3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B) vastgesteld. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Iov N-B is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Iov N-B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een

24/48

veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Natuurnetwerk Brabant In de Interim omgevingsverordening is de Donge aangewezen als Natuurnetwerk Brabant en ecologische verbindingszone. Met de aanleg van de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding wordt de bestaande verbinding boven de Donge verwijderd. Bij de aanleg wordt de nieuwe verbinding onder de Donge gerealiseerd door middel van een boring. De in- en uittredingspunten worden buiten de oevers van de Donge gesitueerd, waardoor de werkzaamheden buiten NNB plaatsvinden.

Figuur 3.1 Natuurnetwerk Brabant (Interim Omgevingsverordening Brabant) De rivier de Donge is daarnaast in de verordening aangeduid als rivierbed en ten behoud en herstel van watersystemen. Ook hiervoor geldt dat met de boring onder de rivier de verbinding geen effect heeft op de rivier De Donge.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Geertruidenberg De Structuurvisie Geertruidenberg 2030 heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente. De structuurvisie geeft een beeld van de gewenste toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente, met als achterliggend doel behoud en ontwikkeling van een aantrekkelijke gemeente, zowel om te wonen, als te werken en recreëren.

25/48

Figuur 3.1 toont een uitsnede van de structuurvisiekaart.

Figuur 3.1: Structuurvisie 2030 Raamsdonksveer en Geertruidenberg liggen elk aan één oever van de rivier de Donge die hier in de Bergse maas en de Amer uitmondt. Om tot ontwikkeling van de oevers te komen is de afgelopen tijd ingezet om voorheen verwaarloosde terreinen te ontwikkelen tot hoogwaardige woningbouwlocaties. Naast woningbouw biedt de Donge en aanliggende gebieden ook volop kansen voor natuurontwikkeling (ontwikkeling EVZ) en recreatie. Momenteel wordt dit potentieel niet benut. Voor de locaties Slikpolder, Rivierkade en Achter de Hoeve zijn inmiddels in het kader van programma Donge Oevers een aantal locatieconcepten opgesteld met als doel om Geertruidenberg lokaal, regionaal en landelijk meer op de kaart te zetten als toeristische en recreatieve gemeente en betekenis geeft aan Geertruidenberg als vestingstad aan de Biesbosch. Goed bereikbaar zijn en blijven is ook één van de uitgangspunten. Ingezet wordt op de verbreding van de A27 en het reconstrueren van het knooppunt Hooipolder, met op beide snelwegen een volwaardige aansluiting. Inmiddels is Rijkswaterstaat voornemens om de A27 tussen Houten en Hooipolder te verbreden en de op- en afritten aan te passen. 3.3.2 Ontwerp-omgevingsvisie Geertruidenberg In voorbereiding op de Omgevingswet heeft de gemeente een omgevingsvisie opgesteld. Hiervan is eind december 2020 het ontwerp van gepubliceerd.

In de omgevingsvisie komen de verschillende opgaven, die spelen per thema samen in integrale ambities voor de komende 10 à 20 jaar. Met de ambities geven we duidelijk aan waar we voor staan en waar we voor gaan. We

26/48

maken keuzes en geven prioriteit aan de opgaven, waar we mee aan de slag willen, omdat we niet alle opgaven tegelijk én overal op kunnen pakken. Een toekomstbestendige en groene gemeente. Een ondernemende gemeente. Een gezonde en veilige gemeente. Een levendige gemeente. In de omgevingsvisie wordt niet specifiek ingegaan op de hoogspanningsverbinding. De verkabeling van de hoogspanningsverbinding past binnen een gezonde en veilige gemeente. Door de ontwikkeling wordt ter plaatse van de te verwijderen bovengrondse hoogspanningsverbinding de leefbaarheid verbeterd. De verwachting is dat de omgevingsvisie in de loop van 2021 zal worden vastgesteld.

3.4

Conclusie

Van het hiervoor besproken beleidskader zijn in het bijzonder (maar niet uitsluitend) het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen en magneetvelden van belang voor de tracering en inpassing van de hoogspanningsverbinding. Ook geldt een aantal uitgangspunten uit het Barro zoals het belang van de ecologische hoofdstructuur en bescherming van (primaire) waterkeringen. Belangrijk provinciaal/gemeentelijk beleid betreft de bescherming van Natuurnetwerk Brabant, de verdere ontwikkeling van de Donge Oevers en de aanpassing knooppunt Hooipolder. Bij de bepaling van het tracé en de uitvoering van het tracé is rekening gehouden met de randvoorwaarden die volgen uit het (ruimtelijk) beleid.

27/48

Hoofdstuk 4 4.1

Onderzoek

Inleiding

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de effecten van het voorkeurstracé en worden deze effecten getoetst aan de sectorale wet- en regelgeving. Per milieuthema wordt een beschrijving gegeven van het toetsingskader, de referentiesituatie en de effecten van het nieuw tracé.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1 Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.

Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Archeologische verwachtingskaart Geertruidenberg De gemeente Geertruidenberg heeft haar eigen specifieke archeologisch beleid. In de gemeente zijn locaties aanwezig met een zeer hoge kans op het aantreffen van archeologische resten. Om de archeologische resten op een goede wijze te beschermen heeft de gemeente haar eigen beleid opgesteld. De archeologische verwachtingswaarden zijn hierbij per locatie op kaart aangegeven. Het archeologisch beleid van de gemeente wordt vastgelegd in een parapluplan Archeologie. Hiervoor heeft inmiddels een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen.

28/48

4.2.2 Onderzoek Bureauonderzoek In het kader van de nieuwe verbinding en het verwijderen van de bestaande verbinding is archeologisch onderzoek gedaan. Hiervoor is eerst archeologisch bureau uitgevoerd, dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. De resultaten van het bureauonderzoek bevestigen de aanduidingen op de verwachtingskaart van de gemeente Geertruidenberg. Tracédeel met open ontgraving Delen van het nieuwe tracé die worden aangelegd met open ontgraving liggen in zones met een hoge, middelhoge of lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Gezien de archeologische verwachting en de diepte van de voorgenomen bodemingrepen bij de open ontgravingen is geadviseerd in de zones met een hoge en/of middelhoge verwachting een aanvullend archeologisch onderzoek te laten verrichten in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (IVO), bestaande uit een booronderzoek verkennende en karterende fase. Hiervoor zijn twee onderzoeken uitgevoerd. Tracédeel dmv boring Voor de delen die door middel van een boring worden aangelegd geldt dat de boring op meer dan 10 m diepte wordt gedaan, onder de archeologisch waardevolle lagen. De in- en uittredingspunten zijn gelegen in de locaties waarvoor in nader onderzoek wordt uitgevoerd voor de locaties met open ontgraving.

Te verwijderen masten Voor de te verwijderen mastlocaties geldt voor mastlocatie 004 en 005 het advies om het aanleggen van de werkterreinen en het verwijderen van de hoogspanningsmasten en bijbehorende fundering te laten plaatsvinden onder archeologische begeleiding. Deze mastlocaties zijn gelegen nabij de voormalige vestingsgracht van Geertruidenberg en er kunnen mogelijk resten van de oorspronkelijke gracht en vondsten die verband houden met de vesting aangetroffen worden. Hiervoor dient een Programma van Eisen te worden opgesteld en dat ter goedkeuring dient te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid, in deze de gemeente Geertruidenberg. Verkennend onderzoek door middel van boringen Kabeltracé Voor het kabeltracé dat wordt aangelegd met een open ontgraving is een verkennend onderzoek door middel van boringen uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7. Er is onderzoek gedaan naar de deelgebieden 03, 04, en 05 die op basis van het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben.

29/48

Figuur 4.1 Locaties archeologisch onderzoek (Bron: Sweco) Dit verkennend vooronderzoek heeft de bodemopbouw in het plangebied vastgesteld. In het plangebied komen kleiige getijdeafzettingen voor. Deze zijn afgezet op een veenpakket dat het onderliggende dekzand afdekt. De getijdeafzettingen zijn afgezet in de Middeleeuwen toen het gebied onder toenemende invloed kwam van de zee en de nabijgelegen Maas. In deze jonge bodems heeft zich nog weinig bodemontwikkeling voorgedaan. Het onderliggende veenpakket is door de vloeden grotendeels geërodeerd en/of door de mens ontgonnen. Met name in deelgebied 02, dat nabij de Donge is gelegen, is het veenpakket bijna volledig verdwenen. In deelgebied 03 is het veenpakket plaatselijk nog redelijk intact en ook het onderliggende dekzandoppervlak is hier waarschijnlijk nog intact aanwezig. Binnen deelgebied 03 is tevens een dekzandkop/flank aanwezig waarin restanten van een podzolprofiel zijn aangetroffen (restanten van een E- en/of B-horizont). Dit duidt er op dat binnen het snel vernattende dekzandlandschap mogelijk toch locaties (dekzandkoppen- en ruggen) aanwezig waren die droog genoeg waren en geschikt waren voor bewoning. In deelgebied 02 wijst de zandige humeuze klei mogelijk op de aanwezigheid van een oeverwal. In deelgebied 04 is de bodem tot in de C-horizont verstoord.

Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek wordt aanbevolen om ter plaatse van deelgebieden 02 en 03 vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van karterend booronderzoek (IVO-O, karterende fase) conform methode A3. Het doel van dit onderzoek is het vast stellen van de aan- of afwezigheid van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum -Neolithicum. Karterende booronderzoeken d.m.v. boringen In aansluiting op de eerdere onderzoeken zijn karterende booronderzoeken uitgevoerd voor de locatie van het genoemde opstijgpunt (deelgebied 6) (rapport Sweco 2292) en voor de genoemde deelgebieden 2 en 3 van het kabeltracé (rapport Sweco 2293). Het gemeentelijk standpunt over deze twee rapporten, op basis van nader archeologisch advies, luidt dat er bij de beoogde plannen verder geen archeologisch onderzoek wordt vereist voor deze locaties, met uitzondering van deelgebied 03b van het kabeltracé. Vanwege de kans op het archeologische resten in deelgebied 03b (een flank van een dekzandrug) vereist de gemeente dat

30/48

bodemverstorende werkzaamheden tussen de locaties van de boringen 316 en 327 door een erkend bureau archeologisch worden begeleid. Opstijgpunt Ter plaatse van het opstijgpunt is een apart onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Het door Sweco uitgevoerde verkennend booronderzoek heeft de bodemopbouw in het plangebied vastgesteld. In het plangebied komen getijdeafzettingen voor. Dit zandige kleipakket is afgezet op een veenpakket dat zich op het dekzand uit het Weichselien heeft kunnen ontwikkelen. De getijdeafzettingen zijn afgezet in de Middeleeuwen toen het gebied onder toenemende invloed kwam van de zee en de nabijgelegen Maas. In deze jonge bodems heeft zich nog weinig bodemontwikkeling voorgedaan. In de top van het dekzand is een B-horizont waargenomen. Dit duidt er op dat binnen het snel vernattende dekzandlandschap de locatie geschikt was voor bewoning. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek wordt aanbevolen om ter plaatse van het nieuwe Opstijgpunt/deelgebied 06 vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van karterend booronderzoek. Het plangebied heeft een verwachting ten aanzien van de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum. Doel van het karterend booronderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting ten aanzien van vondsten en sporenniveaus uit deze periode.

4.2.3 Conclusie Op basis van de conclusies van het uitgevoerde onderzoek wordt voor de mastlocaties 004 en 005 geadviseerd de aanleg van de werkterreinen en het verwijderen van de masten onder archeologische begeleiding te laten plaatsvinden. Voor de beoogde plannen wordt geen archeologisch onderzoek vereist voor de deelgebieden 2, 3 en 6 (opstijgpunt) van het kabeltracé, met uitzondering van deelgebied 03b, waarvoor een archeologische begeleiding van grondwerkzaamheden wordt vereist. Archeologie wordt waar nodig beschermd via de planregels.

4.3

Bodem

4.3.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

31/48

4.3.2 Onderzoek en conclusies In het kader van de tracékeuze is een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 9) uitgevoerd naar de bodemkwaliteit ter plaatse. Hieruit blijkt dat voor een aantal locaties niet de conclusie kan worden getrokken dat de bodemkwaliteit ter plaatse onverdacht is. In het kader van bodemroerende werkzaamheden die uitgevoerd moeten worden en het mogelijk hergebruik van gronden op andere locaties is nader onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd, hieruit blijkt dat sprake is van een verontreiniging die gesaneerd kan worden door middel van een BUS-melding. Uitvoering van de werkzaamheden zal plaatsvinden met milieutechnische begeleiding. Het aspect bodem heeft geen consequenties voor de aanleg van de nieuwe verbinding en de verwijdering van de bestaande verbinding. Omdat een hoogspanningsverbinding niet wordt aangemerkt als een gevoelige functie. Bij de uitvoerbaarheid is rekening gehouden met aanvullende kosten voor nader bodemonderzoek.

4.4

Ecologie

4.4.1 Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

32/48

soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Noord-Brabant In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.

4.4.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Het plangebied is niet gelegen in Natura 2000 gebied. Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Biesbosch. De Biesbosch is gelegen aan de overzijde van de Bergsche Maas, zie figuur 4.2. In verband met de effecten van de nieuwe verbinding is gekeken naar de stikstofdepostie die vrijkomt bij de aanleg van de nieuwe verbinding en de verwijdering van de bestaande verbinding. Hiervoor is een stikstofonderzoek, inclusief AERIUS-berekening uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 10. Uit dit onderzoek blijkt dat de aanlegfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jr. De verkabeling van de 150 kV-verbinding heeft dan ook geen significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied.

33/48

Figuur 4.2 Ligging Natura 2000-gebied (Bron: AERIUS-calculator) Natuurnetwerk Brabant De nieuwe verbinding kruist de Donge ter hoogte van de Gasthuiswaard. De Donge is in het provinciale natuurbeheerplan aangewezen als Natuurnetwerk Brabant (figuur 4.3). De aanleg en het gebruik van de nieuwe verbinding heeft geen effect op het Natuurnetwerk. De Donge wordt ter plaatse gekruist door middel van een boring op 10 m onder maaiveld. De in- en uittredingslocatie van de boring zijn gelegen op ruimte afstand van de oevers van de Donge.

34/48

Figuur 4.3 Natuurnetwerk Brabant (Bron: Provincaal natuurbeheerplan Brabant) Soortenbescherming In het kader van de soortenbescherming is een onderzoek (Bijlage 11) uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek dat nader onderzoek uitgevoerd dient te worden naar jaarrond beschermde nesten en de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Daarom is een nader veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 12. Uit het aanvullend veldonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Er is in 2019 geen sprake van aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in de te amoveren masten en de te kappen bomen. Ook zijn geen nest- of roestplaatsen van ransuil in bomen nabij de masten aanwezig. Vervolgonderzoek naar het gebruik van nesten is niet nodig omdat deze niet zijn aangetroffen De werkzaamheden leiden niet tot verlies van jaarrond beschermde nesten en roestplaatsen van ransuil. Er zijn in 2019 in de te kappen bomen geen holtes aangetroffen die geschikt zijn als vleermuisverblijf. De kap leidt ook niet tot verlies van vliegroutes en foerageergebied. Vervolgonderzoek conform het vleermuisprotocol naar het gebruik door vleermuizen van holtes in te kappen bomen is niet nodig omdat holtes niet zijn aangetroffen.

Vervolgonderzoek naar het gebruik van bomenrijen als vliegroute is niet nodig omdat het beperkte kap van bomen betreft die geen impact heeft op bestaande vliegroutes en/of er voldoende alternatieve vliegroutes aanwezig zijn. Negatieve effecten op vleermuizen treden niet op. Voor werkterrein 3 en 4 geldt dat het uitgangspunt is dat geen bomen hoeven te worden gekapt. Mocht de uitvoerende partij kap van een enkele boom toch noodzakelijk vinden, dient deze zorg te dragen voor aanvullend onderzoek (holtes, jaarrond beschermde nesten, en bij werkterrein 4 ook marters). Op de locaties waar masten verwijderd worden en waar gegraven gaat worden zijn op basis van de bronnen (NDFF en Tauw, 2019) en het veldbezoek geen beschermde planten te verwachten. Er treden geen negatieve effecten op beschermde planten op. Op de locaties waar masten verwijderd worden en waar gegraven gaat worden. zijn op basis van de bronnen (NDFF en Tauw, 2019) en het veldbezoek geen essentieel leefgebied en / of verblijfplaatsen van beschermde

35/48

dieren te verwachten. Er treden geen negatieve effecten op beschermde dieren op. Er zijn in 2019 geen exoten op de werkterreinen aangetroffen.

Bij voorgaande conclusies gelden de volgende uitgangspunten: De werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Als dit niet mogelijk is, dient voorafgaande aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden of in de nabijheid van de werkzaamheden geen vogels broeden. Als wel vogels broeden, moet met de werkzaamheden gewacht worden tot het einde van het broedseizoen. Hoewel op basis van waarnemingen uit NDFF en de ongeschiktheid van de landbouw-sloten geen beschermde vissen en amfibieën zijn te verwachten, wordt geadviseerd om bij werkzaamheden in de sloot de gevoelige periode van deze soortgroepen te mijden (maart-augustus). Verder geldt de zorgplicht, wat voornamelijk inhoudt dat de op het werkterrein aanwezige of passerende exemplaren van dieren, de gelegenheid moet worden geboden het terrein te verlaten. Natuurcompensatie A27 De nieuwe verbinding kruist ter hoogte van het knooppunt Hooipolder, tussen de afrit van de A27 en de woningen aan de Beethovenlaan, de locatie voor de natuurcompensatie die is opgenomen in het tracébesluit. De functie van het perceeel ten behoeve van natuurcompensatie levert geen belemmering op voor de aanleg van de hoogspanningsverbinding. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal rekening worden gehouden met de toekomstige functie van het perceel als natuurcompensatie.

In het bestemmingsplan is de bestemming Bos opgenomen, die is toegewezen in het tracébesluit voor het deel van het perceel dat ligt binnen het tracé van de hoogspanningsverbinding. 4.4.3 Conclusie Er is op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek geen sprake van strijdigheid met de Wet natuurbescherming. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de

36/48

oriëntatiewaarde wordt overschreden.

4.5.2 Onderzoek en conclusies Op basis van de (professionele) risicokaart is in beeld gebracht welke risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn. Zie hiervoor figuur 4.4. Op basis van de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het beoogde tracé een beperkt aantal risicobronnen (in rood aangegeven) aanwezig is. De nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding heeft geen invloed op deze risicobronnen. Het aspect externe veiligheid levert dan ook geen belemmeringen op ten aanzien van de aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding. De in de risicokaart aangegeven gasleiding (rode stippellijn) ten oosten van de A27 zal worden verlegd. Bij de tot standkoming van het tracé is rekening gehouden met de werkzaamheden aan de gasleiding. De nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding heeft geen effect op de gasleiding. In het kader van de nieuwe verbinding is een beïnvloedingsonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is onderzocht of de nieuwe verbinding mogelijk leidt tot beïnvloeding van bestaande kabels en leidingen. Uit dit onderzoek blijkt dat de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding niet leidt tot beïnvloeding van aanwezige kabels en leidingen.

Figuur 4.4. Uitsnede Risicokaart

37/48

4.6

Magneetveldzones

Overal waar stroom doorheen loopt ontstaat een magnetisch veld. Zo ook rond hoogspanningsverbindingen. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Ook is er uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan of er gezondheidseffecten bij mensen te verwachten zijn door blootstelling aan laagfrequente magneetvelden zoals die bij hoogspanningsverbindingen voor komen. Op basis van dit wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband blootstellingslimieten aanbevolen voor magneetvelden. Deze houden in dat blootstelling aan een magneetveldsterkte van meer dan 100 microtesla wordt afgeraden. Dit blootstellingslimiet wordt ook in Nederland gehanteerd. In bestaande situaties nabij hoogspanningsinfrastructuur van TenneT op voor publiek toegankelijke plaatsen wordt deze blootstellingslimiet volgens het RIVM nergens overschreden. De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen.

Ondanks dat er in wetenschappelijke onderzoeken geen oorzakelijk verband is aangetoond, heeft de Rijksoverheid op advies van de Gezondheidsraad in 2005 een beleidsadvies uitgebracht voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarin wordt geadviseerd zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden met een jaargemiddelde veldsterkte van meer dan 0,4 microtesla. Dit komt er op neer dat het advies is om bij nieuwe situaties gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) zo veel als redelijkerwijs mogelijk binnen de magneetveldzone van 0,4 microtesla te voorkomen. Bovengenoemd beleidsadvies van de rijksoverheid ziet op langdurige blootstelling en is van toepassing op nieuwe situaties bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Voor alle hoogspanningsverbindingen geldt daarnaast te allen tijde de blootstellingslimiet van 100 microtesla conform de aanbeveling van de Europese Unie. Advies bij ondergrondse stations en verbindingen, opstijgpunten en stations In 2018 heeft de Gezondheidsraad een nieuw advies uitgebracht over mogelijke gezondheidseffecten van magneetvelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=a377acdd-c833-40b9-a855-c7fd51738ee4