CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Paraplubestemmingsplan Wonen

De raad besluit 5 oktober 2023, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Herstelbesluit Paraplubestemmingsplan Wonen12.877 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Paraplubestemmingsplan Wonen Gemeente Geertruidenberg Vastgesteld

Paraplubestemmingsplan Wonen Gemeente Geertruidenberg Vastgesteld

Rapportnummer:

P04542

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0779.BPWonen-vs02

Datum:

10 maart 2023

Opdrachtgever:

Gemeente Geertruidenberg

Projectteam BRO:

JRi, JvdA, JEr

Concept:

februari 2022

Ontwerp:

maart 2022

Vaststelling:

juli 2022

Gewijzigde vaststelling:

maart 2023

Bron foto kaft:

BRO, abstract

Beknopte inhoud:

--

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Hoofdstuk 6

32

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 5

2. BELEIDSKADER 2.1 Rijksbeleid 2.2 Provinciaal beleid

6 6 6

2.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 2.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 2.3 Regionaal beleid

6 7 8

2.3.1 Afsprakenkader arbeidsmigranten regio West-Brabant 2.4 Gemeentelijk beleid

8 8

2.4.1 Omgevingsvisie Geertruidenberg 2.4.2 Woonvisie 2017 2.4.3 Beleidskader huisvesting internationale medewerkers

8 9 10

3. PLANBESCHRIJVING

11

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

16 16

4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid

16 16 17 17

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit

17 17 17 18

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering

18 18 18 19

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur agrarisch

19 19 20 20

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen

20 20 20 20

Inhoudsopgave

2

4.7 Externe veiligheid

21

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie

21 21 22 22

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Bodem

22 23 23 23

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water

23 23 24 24

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Archeologie

24 24 24 24

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Cultuurhistorie

24 25 25 25

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 M.e.r.-plicht

25 25 26 26

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Inhoud regels

27 27 27 28

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

30 30

6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

30 30

6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Vaststellingsprocedure 6.2.2 Beroepsprocedure en gewijzigde vaststelling

30 30 31

BIJLAGEN Bijlage 1: Nota van Zienswijzen

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Binnen de gemeente Geertruidenberg geldt een veelheid aan ruimtelijke plannen. De gemeente Geertruidenberg heeft geconstateerd dat de begrippen ‘wonen’, ‘woning’ en ‘huishouden’ in een aantal van deze bestemmingsplannen niet of niet duidelijk is gedefinieerd. Tevens heeft niet in alle ruimtelijke plannen een koppeling plaatsgevonden tussen deze begrippen. Het gevolg hiervan is dat niet duidelijk is hoe de woningen kunnen worden gebruikt en er daarmee geen eenduidige regels zijn om regie te voeren op de verhuur van woningen aan bijvoorbeeld internationale werknemers. Om verhuur van woningen aan personen die geen huishouden vormen te reguleren, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de huisvesting internationale medewerkers, is besloten tot het opstellen van onderhavig paraplubestemmingsplan. In dit paraplubestemmingsplan is een eenduidig begrippenkader opgenomen voor onder andere de begrippen ‘wonen’, ‘woning’ en ‘huishouden’. In dit paraplubestemmingsplan zijn zowel woningsplitsing als het gebruik van een woning door meer dan één huishouden expliciet aangemerkt als strijdig gebruik. De reden om ook woningsplitsing aan te merken als strijdig gebruik is dat ook ten gevolge van het splitsen van woningen ongewenste ruimtelijke effecten kunnen ontstaat. Verder dient te worden opgemerkt dat onder het begrip ‘huishouden’ geen kamerverhuur begrepen dient te worden.

In onderhavig paraplubestemmingsplan zijn geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheden als flexibiliteitsinstrument opgenomen. Vormen van gebruik van woningen die strijdig zijn met hetgeen bepaald is in onderhavig bestemmingsplan kunnen hiermee niet middels een omgevingsvergunning binnenplanse afwijking worden toegestaan. Dergelijk gebruik van bouwwerken kan in beginsel wel worden toegestaan middels de toepassing van de zogenoemde kruimelgevallenregeling ex artikel artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) jo. bijlage II, artikel 4, Besluit omgevingsrecht (Bor).

1.2 Plangebied Voorliggend bestemmingsplan betreft een overkoepelend paraplubestemmingsplan voor die delen van het plangebied waar op dit moment een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan van toepassing is. Het plangebied betreft om die reden het gehele grondgebied van de gemeente Geertruidenberg. In figuur 1 op de volgende pagina is de begrenzing van het plangebied indicatief weergegeven. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding, welke juridisch bindend is.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1: Indicatieve begrenzing plangebied in zwart kader, waarbij de begrenzing wordt gevormd door de gemeentegrenzen van de gemeente Geertruidenberg (bron: PDOK).

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Binnen het plangebied gelden momenteel diverse ruimtelijke plannen. Deze plannen zijn onderliggend aan onderhavig paraplubestemmingsplan en in beginsel nog steeds van toepassing. Onderhavig paraplubestemmingsplan betreft een partiële herziening van deze plannen op bepaalde onderdelen. In dit geval betreft het de regels rondom het gebruik van woningen. Hierbij worden de diverse ruimtelijke plannen welke gelegen zijn binnen de planbegrenzing van het paraplubestemmingsplan aangepast of aangevuld met specifieke regels en/of aanduidingen met betrekking tot de thema’s waarop dit paraplubestemmingsplan ziet. Voor het overige blijven de desbetreffende ruimtelijke plannen van kracht. Alleen die onderdelen van deze plannen waarover expliciet iets over wordt gezegd in de planregels van onderhavig paraplubestemmingsplan worden hierbij dus gewijzigd of aangevuld.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin relevant rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid wordt beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in diverse milieukundige en planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggend bestemmingsplan. In hoofdstuk 3 en 5 is de (juridische) toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

5

2.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

2.1 Rijksbeleid Met dit plan wordt namelijk geregeld dat woonvormen anders dan voor huisvesting van een huishouden en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan binnen het plangebied van dit paraplubestemmingsplan. Op grond van een deel van de bestemmingsplannen die onderliggend zijn aan onderhavig paraplubestemmingsplan waren alternatieve woonvormen anders dan een huishouden wel nog rechtstreeks toegestaan. Gelet op het voorgaande voorziet het plan, ten opzichte van de reeds vigerende bestemmingsplannen, niet in nieuwe planologische mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dat betekent dat met onderhavig plan ook niet wordt voorzien in extra mogelijkheden voor stedelijke ontwikkelingen. Daarom is het niet noodzakelijk om in het kader van dit plan een toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen. Gezien de aard van het plan zijn er geen rijksbelangen in het geding.

2.2 Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant heeft een belangrijk deel van haar ruimtelijke beleid en regelgeving vastgelegd in de ‘Omgevingsvisie Noord-Brabant’ en de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’. In onderstaande twee subparagrafen wordt aandacht besteed aan de relevantie van dit provinciale beleid en deze provinciale regelgeving voor onderhavig plan. 2.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 14 december 2018 de ‘Omgevingsvisie Noord-Brabant’ vastgesteld. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de visie officieel de juridische status van omgevingsvisie krijgen. Voor het handelen van de provincie zijn kernwaarden geformuleerd. Het gaat achtereenvolgens om de volgende kernwaarden:  gaan voor meerwaardecreatie;  gaan voor technische én sociale innovatie;  gaan voor kwaliteit boven kwantiteit;  gaan voor steeds beter;  gaan voor proactief en preventief boven gevolgbeperking en herstel. De provincie heeft tevens een basisopgave opgenomen in haar omgevingsvisie. Centraal hierbij staat het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Hoewel er gesproken wordt over één

Hoofdstuk 2

6

basisopgave, is deze opgave in feite tweeledig, aangezien voor zowel het jaar 2030 als voor het jaar 2050 een basisopgave geformuleerd is. Een en ander is als volgt geformuleerd:  Doel 2050: “Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal”.  Doel 2030: “Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak”. De basisopgave ligt – zoals al in de naam besloten ligt – aan de basis van vier hoofdopgaven. De volgende hoofdopgaven worden benoemd:  werken aan de Brabantse energietransitie;  werken aan een klimaatproof Brabant;  werken aan de slimme netwerkstad;  werken aan een concurrerende, duurzame economie. Doorwerking plangebied Met dit paraplubestemmingsplan worden in beginsel geen nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties) toegestaan.

Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Met dit plan wordt namelijk geregeld dat woonvormen anders dan een huishouden, niet zijnde woningsplitsing, en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan. Hiermee is ook huisvesting van arbeidsmigranten in beginsel niet meer toegestaan in woningen. Dergelijke huisvestingsvormen kunnen daarentegen wel worden toegestaan middels het toepassen van de kruimelgevallenregeling. Aangezien onderhavig plan hiermee zelf niet voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, is er geen sprake van strijdigheid met hetgeen is neergelegd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant. 2.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze die gevraagd wordt in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot de Interim omgevingsverordening. Er wordt expliciet gesproken over een interim omgevingsverordening, om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet.

De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving, moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen en dient ter vervanging van zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. Doorwerking plangebied Met dit paraplubestemmingsplan worden in beginsel geen nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties) toegestaan. Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Met dit plan wordt namelijk geregeld dat woonvormen anders dan een huishouden, niet zijnde woningsplitsing, en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan. Hiermee is ook huisvesting

Hoofdstuk 2

7

van arbeidsmigranten in beginsel niet meer toegestaan in woningen. Dergelijke huisvestingsvormen kunnen daarentegen wel worden toegestaan middels het toepassen van de kruimelgevallenregeling. Aangezien onderhavig plan hiermee zelf niet voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, is er geen sprake van strijdigheid met hetgeen is neergelegd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

2.3 Regionaal beleid 2.3.1 Afsprakenkader arbeidsmigranten regio West-Brabant In mei 2019 is in opdracht van de regio West-Brabant, waarvan ook de gemeente Geertruidenberg onderdeel uitmaakt, het ‘Afsprakenkader arbeidsmigranten regio West-Brabant’ opgesteld. Dit afsprakenkader is in juli 2021 ondertekend door de 16 West-Brabantse gemeenten en de provincie NoordBrabant. In het afsprakenkader zijn afspraken gemaakt over de huisvesting van arbeidsmigranten, de economie/arbeidsmarkt, welzijn en gezondheid en monitoring. Ingezet wordt op een verbetering in de omgeving met arbeidsmigranten. West-Brabant moet de naam krijgen voor arbeidsmigranten een aantrekkelijke en veilige vestigingsplaats te zijn, of het nu gaat om tijdelijke of permanente vestiging. In het afsprakenkader is vastgelegd dat het aan marktpartijen is om geschikte locaties voor de huisvesting van arbeidsmigranten te vinden. Gemeenten hebben hierin een voorwaardenscheppende rol. Geclusterde huisvesting vindt bij voorkeur niets plaats in de bestaande woningvoorraad in woonwijken. Wanneer kamerverhuur wordt toegestaan, wordt clustervorming in woonwijken in het kader van de leefbaarheid voorkomen. Doorwerking plangebied Middels onderhavig paraplubestemmingsplan worden de bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen nader ingekaderd.

Met dit plan wordt namelijk geregeld dat woonvormen anders dan voor huisvesting van een huishouden en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan. Hiermee wordt onder andere voorkomen dat clustervorming met betrekking tot huisvesting van arbeidsmigranten in woonwijken wordt voorkomen. Vanuit de inhoud van het ‘Afsprakenkader arbeidsmigranten regio West-Brabant’ bestaan hiervoor geen belemmeringen.

2.4 Gemeentelijk beleid 2.4.1 Omgevingsvisie Geertruidenberg Op 3 juni 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Geertruidenberg de ‘Omgevingsvisie Geertruidenberg’ vastgesteld. Tot het moment van invoering van de Omgevingswet heeft de visie de juridische status van structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro. De omgevingsvisie van Geertruidenberg heeft niet de vorm van document maar is daarentegen gepubliceerd in de vorm van een website 1. In de visie worden de gebiedskenmerken van verschillende deelgebieden binnen de gemeente beschreven. Ook wordt ingegaan op specifieke thema’s, waaronder ‘wonen’, ‘werk en ondernemen’ en ‘agrarische sector’. Er zijn ook concrete ambities geformuleerd, namelijk onder de volgende noemers: 1. toekomstbestendige en groene gemeente; 2. ondernemende gemeente;

1

https://omgevingsvisie.geertruidenberg.nl/.

Hoofdstuk 2

8

3. gezonde en veilige gemeente; 4. levendige gemeente. Doorwerking plangebied Met dit paraplubestemmingsplan worden in beginsel geen nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties) toegestaan. Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Met dit plan wordt namelijk geregeld dat woonvormen anders dan voor huisvesting van een huishouden en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan. Hiermee is ook huisvesting van arbeidsmigranten in beginsel niet meer toegestaan in woningen. Dergelijke woonvormen kunnen daarentegen wel worden toegestaan middels het toepassen van de kruimelgevallenregeling. Aangezien onderhavig plan hiermee zelf niet voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, is er geen sprake van strijdigheid met hetgeen is neergelegd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant. Dat wil zeggen dat middels onderhavig paraplubestemmingsplan enerzijds geen afbreuk wordt gedaan aan het behalen van de in de gemeentelijke omgevingsvisie neergelegde beleidsdoelen. Anderzijds betekent dit dat er, wanneer de beleidsuitgangspunten uit de gemeentelijke omgevingsvisie worden gehanteerd, geen sprake is van inconsistenties tussen beleid (omgevingsvisie) en regelgeving (onderhavig paraplubestemmingsplan). 2.4.2 Woonvisie 2017 De gemeente Geertruidenberg beschikt over de ‘Woonvisie 2017: Aangenaam en duurzaam wonen’.

Hierin is informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Ten opzichte van de eerdere woonvisie geeft de woonvisie uit 2017 zich ontwikkeld van een bouwvisie, waarin centraal stond welke woningen op welke locaties zouden moeten worden gerealiseerd, naar een bredere woonvisie. Zo is er een koppeling gemaakt met de beleidsvisie op het vlak van economische zaken. In de gemeentelijke woonvisie wordt een groei in het aantal een- en tweepersoonshuishoudens gesignaleerd. Dit segment kan niet enkel middels nieuwbouw van relatief kleine, betaalbare woningen worden bediend maar ook door de aanpassingen in de bestaande woningvoorraad. De behoefte aan goedkope koopwoningen volgt, zo staat te lezen in de woonvisie, onvoldoende uit de Woonmonitor. Door met name makelaars wordt echter wel een zekere behoefte aan goedkope koop en onderzijde middeldure koop gemeld. Uit later onder uit april 2021 blijkt dat er vanaf 2020 tot 2030 een grotere vraag is naar goedkope en bereikbare huur en koopwoningen. Doorwerking plangebied Middels onderhavig bestemmingsplan wordt geanticipeerd op hetgeen is opgenomen in de woonvisie met betrekking tot aanpassingen in de huidige woningvoorraad, in dit geval middels woningsplitsingen. Woningsplitsing wordt ingevolge onderhavig bestemmingsplan niet rechtstreeks toegestaan.

Wel kan woningsplitsing worden toegestaan na toepassing van de kruimelgevallenregeling. Door woningsplitsing niet meer rechtstreeks toe te staan kan van geval tot geval worden beoordeeld in hoeverre een woningsplitsing past binnen de gemeentelijke woningbouwprogrammering. De gemeente Geertruidenberg kan zo meer sturing geven aan de samenstelling van de woningvoorraad binnen de gemeentegrenzen.

Hoofdstuk 2

9

2.4.3 Beleidskader huisvesting internationale medewerkers Op 8 april 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Geertruidenberg het ‘Beleidskader huisvesting internationale medewerkers’ vastgesteld. In dit beleidskader heeft de gemeente bepaald dat de huisvesting van short- en midstay internationale medewerkers wordt toegestaan op of aan de rand van bedrijventerreinen en in leegstaand of leegkomend vastgoed. In specifieke gevallen kan de huisvesting van short- en midstay internationale medewerkers ook worden toegestaan. De gemeente Geertruidenberg spreekt hiermee de voorkeur uit voor grootschaligere huisvestinglocaties. Huisvesting van short- en midstay internationale medewerkers wordt expliciet niet toegestaan in woonwijken en op vakantieparken. Onderdeel van het beleidskader zijn tevens kwalitatieve eisen voor de (grootschalige) huisvesting van internationale medewerkers. In het beleidskader is tevens verwoord dat een paraplubestemmingsplan wordt opgesteld om de vestiging van internationale medewerkers in woonwijken te voorkomen. Middels onderhavig bestemmingsplan worden bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen nader ingekaderd. Het gevolg hiervan is dat de gemeente sturing kan geven aan het gebruiken van woningen anders dan door één huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen.

Zo wordt verdere invulling gegeven aan de uitwerking van het Beleidskader huisvesting internationale medewerkers in een juridisch-planologisch kader.

Hoofdstuk 2

10

3.

PLANBESCHRIJVING Binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Geertruidenberg geldt een veelheid aan ruimtelijke plannen in de vorm van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen. Al deze ruimtelijke plannen zijn onderliggend aan onderhavig paraplubestemmingsplan. Bestemmingsomschrijving ‘wonen’ en definities ‘woning’, ‘wonen’ en ‘huishouden’ In niet alle bestemmingsplannen die onderliggend zijn aan onderhavig bestemmingsplan is een begripsomschrijving opgenomen voor het begrip ‘wonen’, terwijl binnen de woonbestemmingen die onderdeel uitmaken van dit plan wel ‘wonen in de vorm van woningen’ is toegestaan. Uit jurisprudentie van de ABRvS blijkt dat indien de term ‘wonen’ niet is gedefinieerd in een bestemmingsplan en voor de betekenis van deze term niet wordt verwezen naar enig voorschrift, aansluiting gezocht dient te worden bij het algemene spraakgebruik. Uitgaande van het algemene spraakgebruik valt onder ‘wonen’ niet enkel het wonen in een woning door maximaal één huishouden. Onder deze term kunnen ook volgens de Afdeling diverse uiteenlopende vormen van huisvesting worden begrepen 2. In dit geval dient aan ‘wonen’ en ruime uitleg te worden gegeven. In onderhavig paraplubestemmingsplan zijn begripsbepalingen opgenomen voor ‘woning’, ‘wonen’ en ‘huishouden’. Deze zijn van toepassing verklaard op alle onderliggende bestemmingsplannen.

Daarnaast is de bestemmingsomschrijving voor ‘wonen’ aangepast voor zover deze is opgenomen in de individuele onderliggende bestemmingsplannen. Hierbij heeft een koppeling plaatsgevonden van de begrippen ‘woning’, ‘wonen’ en ‘huishouden’. Het resultaat hiervan heeft een afbakening plaatsgevonden van welke concrete huisvestingsvormen rechtstreeks zijn toegestaan. Huisvesting andere woonvorm dan huishouden In lid 3.1.2 van onderhavig paraplubestemmingsplan wordt het gebruik van woningen door meer dan één huishouden aangemerkt als strijdig gebruik. De gemeente Geertruidenberg wenst vormen van huisvesting anders dan wonen in woningen door één huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen, echter niet in absolute zin uit te sluiten. Het gebruik van woningen op een andere manier dan hiervoor beschreven kan in beginsel worden toegestaan middels de toepassing van de zogenoemde kruimelgevallenregeling ex artikel artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) jo. bijlage II, artikel 4, Besluit omgevingsrecht (Bor). Hierbij zal onder andere worden getoetst andersoortig gebruik van woningen past binnen het gemeentelijke beleid.

Woningsplitsing Het splitsen van woningen zorgt voor ruimtelijke effecten, bijvoorbeeld op het vlak van verkeer (toename van het te verwachten aantal verkeersbewegingen) en parkeren (toename van parkeerbehoefte), privacy en overlast. Daarom is het wenselijk om woningsplitsing te reguleren. Zo kan meer regie gevoerd worden met betrekking tot de splitsing van woningen. In onderhavig paraplubestemmingsplan is woningsplitsing daarom aangemerkt als strijdig gebruik van gronden en bouwwerken.

2

Zie bijvoorbeeld ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7013.

Hoofdstuk 3

11

’Woningsplitsing in onderhavig paraplubestemmingsplan als volgt gedefinieerd: Woningsplitsing Het verbouwen van een woning tot twee of meer woningen, dan wel het zodanig inrichten, gebruiken of laten gebruiken van een deel van de woning dat er feitelijk twee of meer woningen ontstaan. Uit de opgenomen definitie blijkt dat onder woningsplitsing ook het zodanig inrichten, gebruiken of laten gebruiken van een deel van de woning dat er feitelijk twee of meer woningen ontstaan. Er is dus niet enkel sprake van woningsplitsing ingeval van een verbouwing. Kamerverhuur Zoals reeds eerder beschreven in dit hoofdstuk zijn in onderhavig paraplubestemmingsplan begripsbepalingen opgenomen voor ‘woning’, ‘wonen’ en ‘huishouden’. Deze zijn van toepassing verklaard op alle onderliggende bestemmingsplannen. Daarnaast is de bestemmingsomschrijving voor ‘wonen’ aangepast voor zover deze is opgenomen in de individuele onderliggende bestemmingsplannen. Uit de nieuwe definitie voor ‘woning’ kan worden afgeleid dat inwoning in een woning door maximaal 2 personen is toegestaan. Bij inwoning van maximaal 2 personen is, mede gelet op de definitie van ‘kamerverhuur’ die is opgenomen in onderhavig paraplubestemmingsplan’, geen sprake van kamerverhuur.

Kamerverhuur, zijnde “het al dan niet bedrijfsmatig verhuren of aanbieden van één of meerdere kamers binnen een woning, niet zijnde inwoning 3”, is niet (meer) rechtstreeks toegestaan. Voor de bestemming ‘Wonen’ geldt namelijk dat de bestemmingsomschrijving zodanig gewijzigd wordt dat niet ‘wonen’ maar ‘wonen in woningen’ in toegestaan, waarbij de begrippen ‘wonen’ en ‘woning’ als volgt gedefinieerd zijn: Wonen Het gehuisvest zijn in een woning. Woning Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen. In de hierboven weergegeven en in de planregels opgenomen definitie van het begrip ‘woning’ is opgenomen dat een woning een (gedeelte) van een gebouw is dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen. Het begrip huishouden, dat voorkomt in deze definitie, is zelf ook gedefinieerd in onderhavig paraplubestemmingsplan. De definitie van dit begrip luidt als volgt: Huishouden Een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit 2 of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kamerverhuur valt niet onder het begrip 'huishouden'.

3

Artikel 1.5 van onderhavig paraplubestemmingsplan.

Hoofdstuk 3

12

Kamerverhuur in bestaande situaties In een aantal vigerende bestemmingsplannen is kamerverhuur niet uitgesloten. Wanneer een perceel bestemd is voor ‘wonen’ en van dit begrip geen definitie in de planregels is opgenomen, dan moet er volgens de jurisprudentie van worden uitgegaan dat diverse woonvormen zijn toegestaan, waaronder ook verhuur van kamers aan individuele huurders. 4 Hierdoor kan er in bestaande situaties sprake zijn van een legale situatie. Met de hiervoor beschreven nieuwe regeling in onderhavig paraplubestemmingsplan zou een dergelijk gebruik onder het gebruiksovergangsrecht worden geplaatst. Volgens vaste jurisprudentie moet bestaand legaal gebruik, met het oog op de rechtszekerheid, in beginsel echter als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd en mag dit niet zonder meer onder het overgangsrecht worden geplaatst.5 Gewijzigde planologische inzichten kunnen echter aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Hierbij kunnen ook alternatieven voor het algemene overgangsrecht worden overwogen, zoals een uitsterfregeling of persoonsgebonden overgangsrecht. Gebleken is dat er op twee locaties binnen het plangebied van bestaande legale kamerverhuursituaties sprake is, namelijk aan de Graaf Willem I Straat 33 en de Van Colsterstraat 29 te Geertruidenberg. Hier is het bestemmingsplan ‘Geertruidenberg Noordwest’ van toepassing.

Namens de belanghebbenden van deze adressen is beroep ingesteld tegen de vaststelling van onderhavig paraplubestemmingsplan. Naar aanleiding van dit beroep heeft de gemeente hangende het beroep onderzocht welke wijze van bestemmen het meest passend wordt geacht voor deze specifieke situaties. Daarbij is gekozen voor een maatwerkoplossing in de vorm van een uitsterfregeling. In de jurisprudentie zijn criteria geformuleerd ten aanzien van de mogelijkheid om een uitsterfregeling op te nemen: 6 1. De raad acht het als zodanig bestemmen van legaal gebruik niet langer in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening; 2. Het belang van de beoogde andere bestemmingsregeling weegt zwaarder dan de gevestigde rechten en belangen; en 3. Het is niet aannemelijk dat er op termijn zicht bestaat op beëindiging van het bestaande gebruik. Hierna wordt toegelicht waarom de gemeente van mening is dat aan deze criteria wordt voldaan voor de onderhavige twee situaties. Ad 1: gebruik niet langer in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening De gemeente is in beginsel van mening dat de aanwezigheid van kamerverhuur niet wenselijk is in woonwijken en zet daarom ook in op grootschalige huisvesting nabij bedrijventerreinen. Hieraan ten grondslag liggen ruimtelijk motieven, zoals het voorkomen van teveel overlast op het gebied van onder meer verkeer, parkeren en geluid.

Om dit te voorkomen heeft de gemeente dan ook beleid opgesteld ten aanzien van kamerverhuur en huisvesting arbeidsmigranten, waarin het voornoemde uitgangspunt is opgenomen. Zie over dit beleid ook par. 2.4.3. De twee locaties aan de Graaf Willem I Straat 33 en de Van Colsterstraat 29 liggen beide in een woonomgeving, waar een gebruik voor kamerverhuur ruimtelijk en functioneel naar huidige inzichten dus niet wenselijk wordt geacht. Deze situaties zijn dan ook in strijd met het huidige beleid van de gemeente.

4 5 6

O.a. ABRvS 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2383. O.a. ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1030. ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1030, r.o. 10.4.

Hoofdstuk 3

13

Omtrent deze situaties zijn meerdere klachten en meldingen bij de gemeente binnengekomen. Het gaat hierbij om klachten over onevenredige parkeeroverlast en geluidsoverlast als gevolg van de kamerverhuur op deze locaties. Er zijn door de gemeente op beide adressen ook controles uitgevoerd in 2019. Hieruit is gebleken dat er sprake is van een hoge parkeerdruk als gevolg van de kamerverhuur. De gemeente is van mening dat vanwege de hoge parkeerdruk in combinatie met andere klachten over de leefbaarheid in de omgeving, de functie van kamerverhuur ter plaatse van beide locaties een onevenredig negatief effect op het woon- en leefklimaat heeft. Het bestaande gebruik wordt daarom niet langer in overeenstemming met het beginsel van een goede ruimtelijke ordening geacht. Concluderend kan worden gesteld dat met het oog op het huisvestingsbeleid en huidige planologische inzichten het niet wenselijk is om de twee genoemde bekende situaties zonder meer positief te bestemmen in onderhavig paraplubestemmingsplan. Ad 2: het gebruik van de beoogde bestemmingsregeling weegt zwaarder dan de gevestigde rechten en belangen Een goed woon- en leefklimaat is in zijn algemeenheid en specifiek in een bestaande woonwijk van groot belang.

Aan de borging van het behouden dan wel bereiken van een goed woon- en leefklimaat wordt dan ook veel belang gehecht, hetgeen door de gemeente in haar huidige beleid is verankerd (reeds besproken ad 1.). In de onderhavige twee gevallen dient het belang om dit beleid in volle omvang uit te voeren te worden afgewogen tegen het belang van de eigenaar van de twee betrokken panden om deze zonder enige beperking (conform het huidige bestemmingsplan en dus bij recht) voor kamerverhuur te mogen blijven gebruiken. De gemeente vind dat het algemeen belang van het behouden en bereiken van een goed woon- en leefklimaat in deze bestaande woonomgevingen dient te prevaleren boven de individuele gevestigde primair economische belangen van de eigenaar van de twee panden. Door te kiezen voor een uitsterfregeling met voorwaarden wordt voorkomen dat de huidige onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat verder verslechtert. Anderzijds worden de belangen van de eigenaar niet onevenredig aangetast, omdat het gebruik in de huidige vorm en omvang vooralsnog bij recht mag worden voortgezet. Hierdoor wordt op evenwichtige wijze rekening gehouden met alle belangen. Ad 3: het is niet aannemelijk dat er op termijn zicht bestaat op beëindiging van het bestaande gebruik Beëindiging van het gebruik is op dit moment niet concreet aan de orde c.q.

te verwachten en er zijn geen omstandigheden aan de orde die aannemelijk maken dat het gebruik binnen afzienbare termijn zal worden beëindigd. Toepassing en uitwerking uitsterfregeling De uitsterfregeling is een bijzondere vorm van positief bestemmen. Deze heeft tot gevolg dat het bestaande gebruik mag worden voortgezet, maar na beëindiging niet meer mag worden hervat. Hierbij kan een maximale duur van onderbreking worden opgenomen, al is dat niet verplicht. De gemeente kiest er vanuit rechtszekerheidsoogpunt voor om hiervoor een termijn op te nemen van één jaar. Hierdoor vallen kortstondige onderbrekingen, zoals seizoensgebonden fluctuaties in de behoefte aan arbeidsmigranten, niet onder de werking van de uitsterfregeling. Een termijn van één jaar wordt daarvoor voldoende geacht. Daarnaast is het niet wenselijk dat het aantal personen mag toenemen. Ook hieraan is daarom een restrictie gesteld. De peildatum is het moment van ter visielegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Hoofdstuk 3

14

Aangezien aan de gestelde criteria wordt voldaan, kan in de onderhavige situaties in redelijkheid worden gekozen voor een uitsterfregeling. Het opnemen van een uitsterfregeling is in onderhavige twee gevallen de meest passende regeling, die enerzijds voldoende rechtdoet aan de bestaande rechten van de betrokken gebruikers en anderzijds voortkomt dat het naar huidige inzichten minder wenselijke gebruik in de woonomgeving zonder meer kan worden voortgezet. De beide locaties worden hiertoe specifiek aangeduid op de verbeelding van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van het beroep heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan in deze zin gewijzigd vastgesteld met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 3

15

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze elementen getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden. Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties of bebouwing). De bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Met dit plan wordt namelijk geregeld dat vormen van huisvesting anders dan wonen in woningen door één huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen, en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan. Dergelijk gebruik van woningen kan in beginsel wel worden toegestaan middels het verlenen van een omgevingsvergunning. De voorwaarden waaronder deze vergunning verleend kan worden zijn opgenomen in de regels van onderhavig paraplubestemmingsplan. Gelet op het vorengaande voorziet onderhavig plan niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De aard van het plan is dan ook consoliderend.

Dit betekent dat op voorhand kan worden gesteld dat het optreden van belemmeringen met betrekking tot omgevingsaspecten relatief gezien onwaarschijnlijk is, vergeleken met ruimtelijke plannen die dergelijke ontwikkelingen wel mogelijk maken.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening 7 dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om zelf parkeernormen vaststellen. De gemeente Geertruidenberg heeft dat gedaan in de nota "Parkeren doen we zo!" Parkeerbeleidsplan Gemeente Geertruidenberg (29 december 2015). 4.1.2 Onderzoek Verkeer Onderhavig plan voorziet niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De aard van het plan is dan ook consoliderend. Hieruit volgt dat onderhavig plan niet voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die zorgen voor extra verkeersgeneratie. Daarom kan een verdere kwantitatieve onderbouwing ten aanzien van het deelaspect verkeer achterwege blijven.

7

Bestemmingsplannen dienen te worden vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening (zie artikel 3.1, eerste lid, Wro).

Hoofdstuk 4

16

Parkeren Onderhavig plan voorziet niet in functies die, ten opzichte van wat mogelijk is onder het huidige planologische regime, een toename in de parkeerbehoefte binnen het plangebied met zich meebrengen. Door het nader inkaderen van het gebruik van woningen kunnen potentiële parkeerproblemen juist worden voorkomen. Een nadere toetsing aan het parkeerbeleid kan derhalve achterwege blijven. 4.1.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect verkeer en parkeren.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek naar wegverkeer, railverkeer in industrielawaai vanwege gezoneerde terreinen te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein;  de aanleg van een nieuwe weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein;  de reconstructie van een bestaande weg of spoorweg of wijziging van de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. 4.2.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties of bebouwing). De bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Met dit plan wordt namelijk geregeld dat vormen van huisvesting anders dan wonen in woningen door één huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen, en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan. Dergelijk gebruik van woningen kan in beginsel wel worden toegestaan middels het verlenen van een omgevingsvergunning. Er worden ook geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden.

In vergelijking met het huidige planologische regime is daarmee geen sprake van een verruiming met betrekking tot de mogelijkheden tot realisatie van geluidsgevoelige objecten. Om die reden kan akoestisch onderzoek achterwege blijven in het kader van dit paraplubestemmingsplan. 4.2.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geluid.

Hoofdstuk 4

17

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek NIBM Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Dit betekent dat onderhavig plan niet voorziet in functies die, ten opzichte van wat mogelijk is onder het huidige planologische regime, een verslechtering van de luchtkwaliteit tot gevolg kunnen hebben. De NIBM-tool kan daarom buiten toepassing blijven. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Aangezien onderhavig plan niet voorziet in ontwikkelingen die zorgen voor extra verkeersgeneratie, kan op voorhand aangenomen worden dat er ten gevolge van deze ontwikkelingen geen verandering zal optreden in de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat en in rondom het projectgebied.

Tevens wordt ten opzichte van het huidige planologische regime niet voorzien in nieuwe functies die het noodzakelijk maken om de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat (opnieuw) te beoordelen. 4.3.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 4

18

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’8. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd.

Met dit plan wordt namelijk geregeld dat vormen van huisvesting anders dan wonen in woningen door één huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen, en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan. Gelet op de inhoud van onderhavig plan ontstaan er ten opzichte van wat het geval is onder de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen geen nieuwe mogelijkheden voor het toevoegen van milieugevoelige bestemmingen. Ook is uitgesloten dat de vaststelling van het paraplubestemmings-

8

Bedrijven en Milieuzonering, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

19

plan tot beperkingen voor milieubelastende functies leidt. Met het plan worden tevens geen extra mogelijkheden geboden tot vestiging van milieubelastende functies ten opzichte van wat reeds mogelijk is onder het huidige planologische regime. 4.4.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond:  Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en  veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad. 4.5.2 Onderzoek Middels dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van geurgevoelige objecten dan wel nieuwe geurbronnen (veehouderijen). 4.5.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.6 Kabels en leidingen Binnen het plangebied is een aantal planologisch relevante kabels en (hoogspannings)leidingen gelegen. Omdat onderhavig plan echter niet voorziet in nieuwe bebouwingsmogelijkheden, kan aangenomen dat het aspect kabels in leidingen reeds voldoende beschouwd is in de bestemmingsplannen die onderliggend zijn aan onderhavig plan. Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen. De bestaande beschermingsregimes en belemmeringenstroken blijven gehandhaafd.

Hoofdstuk 4

20

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.7.2 Onderzoek In het plangebied zijn diverse risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Ten opzichte van wat al toegestaan is op grond van de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen worden met dit bestemmingsplan echter geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan. Aangezien dit plan niet voorziet in extra gebruiksmogelijkheden van woningen ten opzichte van wat het geval is onder het huidige planologische regime, hoeven in het kader van dit plan geen nieuwe afwegingen te worden gemaakt ten aanzien van externe veiligheid.

Hoofdstuk 4

21

Aangenomen kan worden dat dergelijke afwegingen reeds in voldoende mate gemaakt zijn in het kader van de vigerende bestemmingsplannen. 4.7.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Hoofdstuk 4

22

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. 4.8.2 Onderzoek Ten opzichte van de bestaande mogelijkheden onder het huidige planologische regime worden er met dit plan geen (extra) ingrepen mogelijk gemaakt die tot negatieve effecten voor beschermde soorten kunnen leiden. Voorts is er geen sprake van toevoeging van nieuwe functies anders dan reeds is toegestaan volgens de vigerende bestemmingsplannen. Bestaande planologische mogelijkheden worden juist verder ingekaderd. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden, waaronder effecten vanwege een toename van stikstofdepositie, zijn daarom op voorhand uitgesloten. 4.8.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect ecologie.

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen nader ingekaderd. Met dit plan wordt namelijk geregeld dat vormen van huisvesting anders dan wonen in woningen door één huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen, en woningsplitsing niet meer recht-

Hoofdstuk 4

23

streeks zijn toegestaan. Er bestaat dientengevolge geen noodzaak tot het uitvoeren van bodemonderzoek. In het kader van concrete ruimtelijke ontwikkelingen zal moeten worden vastgesteld of bodemonderzoek al dan niet noodzakelijk is. 4.9.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bodem.

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. De resultaten uit de watertoets landen vervolgens in een waterparagraaf. Verschillende overheden hebben beleidskaders opgesteld aan de hand waarvan ze streven naar een duurzaam watersysteem. Dat gebeurt op Europees, rijks- provinciaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. De beleidskaders op waterschaps-, provinciaal en gemeentelijke niveau worden hieronder geschetst. 4.10.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen nader ingekaderd. Met dit plan wordt namelijk geregeld dat vormen van huisvesting anders dan wonen in woningen door één huishouden, al dan niet in combinatie met inwoning door maximaal 2 personen, en woningsplitsing niet meer rechtstreeks zijn toegestaan. Derhalve kan worden aangenomen dat het aspect water reeds in voldoende mate verantwoord is in de bestemmingsplannen die onderliggend zijn aan onderhavig paraplubestemmingsplan.

4.10.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het omgevingsaspect water.

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen.

Hoofdstuk 4

24

De gemeente Geertruidenberg heeft een beleidsplan opgesteld waarin het gemeentelijk beleid is opgenomen ten aanzien van archeologie, namelijk de ‘Nota Archeologie Gemeente Geertruidenberg’ (vastgesteld door de raad op 30 september 2017). Hierbij horen ook de gemeentelijke archeologische (verwachtings)waardenkaart en het bijbehorende overzicht van de normen die bepalen of archeologisch onderzoek nodig is. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.11.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende bouwmogelijkheden geboden of anderszins activiteiten mogelijk gemaakt met potentieel negatieve invloed op archeologische waarden. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Aangenomen kan worden dat het aspect archeologie reeds voldoende verantwoord is in de bestemmingsplannen die onderliggend zijn aan onderhavig paraplubestemmingsplan. 4.11.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect archeologie.

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.12.2 Onderzoek Aan de hand van de verbeeldingen van de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen en op basis van de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart’ (CHW) van de provincie Noord-Brabant9 kan worden bepaald of in en rondom het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een dergelijke analyse kan in dit geval achterwege blijven, aangezien met onderhavig plan niet voorzien wordt in nieuwe (bouw)mogelijkheden. Bestaande mogelijkheden voor het gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd.

Hiermee voorziet onderhavig plan niet in ontwikkelingen die cultuurhistorische waarden nadelig kunnen beïnvloeden.

9

Zie https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html

Hoofdstuk 4

25

4.12.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect cultuurhistorie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=6365e34c-5ee9-4d2d-bb12-dd49862c8915