CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Verordening Leerlingenvervoer gemeente Geertruidenberg 2026

De raad besluit 27 november 2025, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Verordening leerlingenvervoer gemeente Geertruidenberg 202614.084 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

voor een omslachtige belasting voor de leerling of zijn ouders en de gemeenten. Artikel 16 regelt hierom wat onder tijdelijk verblijf wordt verstaan en hoe het college daarin handelt.

Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en van gemeentewege al een vergoeding leerlingenvervoer kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf voor de duur van maximaal zes weken aangemerkt als verblijf in de

gemeente. Het college neemt dan de kosten voor vervoer voor de duur van maximaal zes weken voor zijn

rekening. Het college neemt hierover een afzonderlijk besluit, waarbij het oorspronkelijke besluit waarmee

een vervoersvoorziening was toegekend tijdelijk wordt opgeschort, zolang de tijdelijke situatie bestaat. Het college kan een maximale afstand bepalen tussen de woning van het tijdelijk verblijf van de leerling en de school die de leerling blijft bezoeken.

Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. In dat geval is geen sprake van een crisissituatie, maar van een keuze, waarbij ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer.

Artikel 17. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in gastgezin of internaat

In de verordening moet worden opgenomen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college aan in de gemeente wonende ouders van leerlingen die met het oog op het volgen van voor hen passend

speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of gastgezin verblijven, op aanvraag

een vergoeding verstrekt voor de kosten verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer. In dit artikel wordt dit uitgewerkt.

Dit artikel bevat twee belangrijke componenten:

1- Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een gastgezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de Wec.

Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of gastgezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen

vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan

volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden.

Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of gastgezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. Het college dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een gastgezin is geplaatst.

Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.

2- Het college verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders in de gemeente wonen en daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de Wec. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een gastgezin verblijft heeft hierin geen rol.

Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of gastgezin naar de

school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het gastgezin verblijft deze voorziening.

Vierde en vijfde lid

Het uitgangspunt is een vergoeding in geld voor de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer. Als dit goedkoper is voor het college, of als er sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan er een kilometervergoeding worden verstrekt.

Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens

zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Zesde lid

Het zesde lid geeft aan dat het aangepast vervoer, zoals beschreven in artikel 24 van de verordening, in

principe niet kan worden ingezet voor weekend- en vakantievervoer. Alleen in uitzonderlijke situaties is hierop een uitzondering mogelijk. Dit is het geval als: -

openbaar vervoer ontbreekt; of

de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Artikel 18. Vervoersvoorziening naar stageadres

Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. Ook een maatschappelijke stage kan onderdeel uitmaken van het

onderwijsprogramma. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht. Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te merken als

‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.

Aangezien stage in feite een verlenging van de schoolactiviteit is, moeten de dagen en tijden, waarvoor de vervoersvoorziening wordt verstrekt overeenkomen met de reguliere schooltijden.

Naar analogie van ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ wordt slechts een vervoersvoorziening verstrekt naar het dichtstbijzijnde toegankelijke stageadres en naar één stage-locatie. Om de vervoerskosten voor

de gemeente te kunnen beheersen, is in artikel 18 bepaald dat het stageadres op de route van de woning naar de school moet zijn gelegen, tenzij wordt aangetoond dat dit onmogelijk is. Hiervoor bepaalt het college een maximale afstand van de woning of de school.

Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres gelden verder dezelfde voorwaarden die ook gelden als de leerling of zijn ouders in aanmerking wil komen voor een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar wat passend

vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school van de leerling. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen.

Ter onderbouwing van de aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres kan het college het stagecontract opvragen. Zo kan ook gecontroleerd worden of er in de stageovereenkomst wellicht een regeling met betrekking tot de vervoerskosten is getroffen met het stagebedrijf.

Artikel 19. Tweede ophaal- en/of brengadres

In het speciaal basisonderwijs komt het steeds vaker voor dat kinderen voorafgaand of na afloop van de lestijd naar de naschoolse opvang, een oppas of familie gaan; kortom: een tweede ophaal- en/of

brengadres. Er komt ook steeds meer naschoolse opvang voor kinderen uit het speciaal onderwijs beschikbaar. Voor ouders wordt het makkelijker om de zorg te combineren met werk.

Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid dat de leerling, als er recht bestaat op een vervoersvoorziening, in afwijking van de Wpo, de Wec en de Wvo 2020, voorafgaand of na afloop van de schooldag niet bij de woning of de opstapplaats wordt opgehaald of afgezet, maar bij de buitenschoolse opvang of een door ouders aangewezen oppas of familie. Ouders zijn vervolgens zelf verantwoordelijk voor het brengen of ophalen van de leerling bij dit adres.

Vanuit kostenoogpunt zijn de mogelijkheden wel begrensd. Het moet gaan om: -

een opvangadres, waar voor- en na schooltijd structureel gebruik van wordt gemaakt; en

-

het tweede opstap- of brengadres moet in de gemeente Geertruidenberg zijn gelegen; en

-

het tweede opstap- of brengadres ligt op de bestaande route van de woning naar school van de

leerling.

Op het moment dat de reistijd door het vervoer naar het tweede adres met meer dan 5 minuten wordt verlengd, dan is dat een reden om het vervoer naar het tweede adres te weigeren.

Artikel 20. Vervoerstraining

Het doel van de vervoerstraining is om de leerling in staat te stellen alsnog zelfstandig te kunnen reizen, waarbij hij niet langer op een vervoersvoorziening is aangewezen. Als zelfstandig reizen voor de leerling nog niet mogelijk is dan wordt de leerling door middel van de vervoerstraining ondersteund in het zo

zelfstandig mogelijk reizen. Hierdoor kan hij gebruik maken van een goedkopere vervoersvoorziening, waarbij hij bijvoorbeeld niet langer afhankelijk is van een begeleider die met hem meereist.

Artikel 21. Vervoersvergoeding voor de leerling Eerste lid

Deze vergoeding kan worden verstrekt voor de leerling die een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs bezoekt.

De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende

betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand in

overweging genomen. Het is mogelijk een fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een

andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen. De fietsvergoeding is bedoeld als een voor het college goedkoper alternatief voor leerlingen die recht hebben op een vervoersvoorziening.

Derde lid

De hoogte van de vergoeding per fiets is 50% van de wettelijk vastgestelde belastingvrije

kilometervergoeding voor de auto. Indien oneven dan wordt het bedrag naar beneden afgerond.

Voorbeeld: bij een wettelijk vastgestelde belastingvrije kilometervergoeding voor de auto van € 0,23 is de vergoeding per fietskilometer € 0,11 (€ 0,23 : 2 = € 0,115 afgerond € 0,11).

Artikel 22. Vervoersvergoeding voor de begeleider Eerste lid

In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling die in aanmerking komt voor een

vervoersvoorziening niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets te reizen. In dat geval kan er een vergoeding worden verstrekt voor de vervoerskosten die de begeleider van de leerling moet maken om hem tijdens het vervoer te begeleiden. Het zorgen voor een begeleider is de verantwoordelijkheid van de ouders zelf (zie artikel 9, derde lid).

Leerling is ouder dan negen jaar

Als de leerling ouder dan negen jaar is, en de ouders op een voor het college bevredigende wijze kunnen aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, komen de ouders in aanmerking voor de vergoeding van de vervoerskosten voor een begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties: • • •

de leerling moet een of meerdere malen overstappen;

de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten;

het is voor de leerling door zijn handicap niet veilig om alleen naar school te fietsen.

In artikel 22 is het leeftijdscriterium in het basisonderwijs opgenomen als een van de – wettelijk toegestane – volumebeperkende middelen om al dan niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding. Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gekozen die geldt voor het gehele schooljaar.

Aangezien 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen. De bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de Verordening leerlingenvervoer het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.

Gehandicapte leerling

Ouders van leerlingen die door hun handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor een vergoeding van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.

Tweede lid

Wie de leerling ook begeleidt, de vergoeding vindt plaats aan de ouders van de leerling voor het deel van

de reis, dat de leerling begeleid wordt. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, worden

de reiskosten van de begeleider slechts één maal vergoed. Dit sluit aan bij de systematiek, dat in het aangepast vervoer ook alleen het deel van de reis betaald wordt, dat de leerling meereist.

Derde lid

De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende

betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.

Vierde lid

Als de begeleider de leerling op de fiets begeleidt bedraagt de hoogte van de vergoeding 50% van de

wettelijk vastgestelde belastingvrije kilometervergoeding voor de auto. Indien oneven dan wordt dit bedrag naar beneden afgerond. Voorbeeld: bij een belastingvrij kilometertarief voor de auto van € 0,23 is de vergoeding per fietskilometer € 0,11 (€ 0,23 : 2 = € 0,115 afgerond € 0,11).

Artikel 23. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer

Artikel 23 geeft nadere regels voor de vergoeding van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerling zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.).

Eerste en tweede lid

Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming is of de vergoeding van het vervoer door de ouders voor de

gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een taxibus die toch al rijdt.

Het college kan ouders ook vragen of zij bereid zijn leerlingen van andere ouders naar school te vervoeren. Verplichten is echter niet toegestaan.

Derde lid

Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening en zij met toestemming van- of op verzoek van het college de leerling zelf vervoeren, wordt een vergoeding per kilometer verstrekt.

Aangesloten wordt bij de algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding voor het betreffende

jaar, gerekend over de kortste afstand tussen de woning en de school. Ook de retourreis ’s morgens en de heenreis ’s middags van de chauffeur moeten vergoed worden. Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.

Ouders kunnen ervoor kiezen om de leerling zelf te vervoeren tegen een lagere vergoeding, om te voldoen aan de in het eerste lid genoemde eis dat er sprake moet zijn van een goedkoper vervoersalternatief.

Vierde lid

Het vierde lid bepaalt dat ouders aanspraak maken op een vergoeding per rit op basis van een

kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk vervoeren. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt.

Vijfde lid

Het vijfde lid bepaalt, in het verlengde van het vierde lid, dat er geen vergoeding wordt verstrekt aan

ouders van de leerling die met een andere ouder meerijdt, die daar al een vergoeding op grond van deze verordening voor ontvangt. Daarmee wordt voorkomen dat er in deze situatie dubbel wordt betaald voor dezelfde rit.

Zesde lid

Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het

college, bij wijze van uitzondering, een andere vergoeding vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.

Artikel 24. Aangepast vervoer

Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in

uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 24 vastgelegd.

Onderdeel a

Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel. Er kan aangepast vervoer worden aangeboden, wanneer de

reistijd door inzet van aangepast vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht ten opzichte van de reistijd met het openbaar vervoer. Van belang is dat via een individuele meting die conclusie kan worden getrokken. Overigens is het niet zo dat de ouders in voorkomend geval van het college kunnen eisen dat

de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht. Het aangepast vervoer wordt

veelal voor meerdere leerlingen tegelijk georganiseerd. De reistijd is dan meestal langer, dan gemeten op individuele basis.

De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n

tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de

schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd

nodig om de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) uit te sluiten bij de berekende duur van de rit.

Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis een vergoeding op basis van openbaar vervoer.

Onderdeel b

Het kan voorkomen dat het openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of terug.

Onderdeel c

De ouders dienen op een voor het college bevredigende wijze aan te tonen dat het voor hen onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is.

Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.

Onderdeel d

Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het

openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer.

Artikel 25. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening

Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te reizen, dan de

reeds beschreven vervoerswijzen, als hij daarvoor een geschikt vervoermiddel heeft. Artikel 25 maakt het

mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten aansluiten bij de mogelijkheden van de leerling en/of de ouders. Het kan er tevens toe bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd.

Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een handbike, elektrische fiets, of bakfiets.

Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten

Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd. Deze bijdrage kan worden verrekend met de eventuele vergoeding. Een wijziging in het inkomen van deze

ouders heeft in principe geen invloed op de vergoeding van de vervoerskosten voor datzelfde jaar. Indien

echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de vergoeding aanpassen.

Artikel 26. Drempelbedrag Eerste en tweede lid

Artikel 4, zevende lid, van de Wpo biedt de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te

brengen. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel.

Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een

drempelbedrag geheven. Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook

wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week.

Bij het drempelbedrag is de vergoeding in geld gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde

kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen.

De kosten van het openbaar vervoer worden berekend op basis van de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden

gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruik maakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruik maakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer

over de afstand tot aan de door deze gemeente gestelde kilometergrens van 6 kilometer zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied.

Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of

speciale scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens

uitkomt. Een uitzondering geldt voor leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden.

Voor deze structureel gehandicapte leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening.

Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de Wec deze mogelijkheid niet biedt.

Indexatie

Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te raadplegen via:

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82838NED/table https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83131NED/table?searchKeywords=consumentenprijsindexcijfer %20%20vervoersdiensten

Aantonen van het inkomen

Als het college zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst.

Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt de

beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de

daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten de

aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.

Structurele daling van inkomen

Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer.

Wanneer aan meerdere kinderen van een gezin een vervoersvoorziening is toegekend, en daarbij het

inkomen van de ouders relatief laag is, kan het drempelbedrag een grote financiële belasting betekenen. Het college kan bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer per gezin geheven wordt.

Vierde lid

Het drempelbedrag is niet van toepassing op de ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen.

Artikel 27. Draagkrachtafhankelijke bijdrage

Artikel 4, elfde lid, van de Wpo biedt de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan twintig kilometer. Deze

bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.

Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele

handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.

Indexatie

Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te raadplegen via:

https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82838NED/table https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83131NED/table?searchKeywords=consumentenprijsindexcijfer %20%20vervoersdiensten

Structurele daling van inkomen

Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer.

Hoofdstuk 5. Rechtmatigheid Artikel 28. Doorgeven van wijzigingen

Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het college. Zij moeten dit zo snel mogelijk doen.

Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:

- wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;

- verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs); - wijziging van het adres van de school; - wijziging van de schooltijden;

- verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer;

- wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen. Als de wijziging daartoe aanleiding geeft neemt het college een passend besluit tot beëindiging, opschorting, herziening of intrekking van de verstrekte vervoersvoorziening (artikel 29).

Artikel 29. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht informatie met betrekking tot wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende

vervoersvoorziening direct door te geven aan het college (artikel 28). Het college kan, zonder dat de

ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf ook wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op het recht op de vervoersvoorziening. Het college neemt op basis van deze doorgegeven of geconstateerde informatie een passend besluit. Beëindigen

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op deze voorziening te beëindigen. Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening. Opschorten

Als er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, kan het college de werking van het toekenningsbesluit door

middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De vervoersvoorziening wordt dan tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek. Herzien

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen. Intrekken

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken. Overig

Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie kan het college een leerling de toegang tot het aangepast vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij

herhaling is gebleken dat de leerling of de ouder/begeleider door onaangepast gedrag of anderszins de

orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig of inzittenden in gevaar brengt. Dit kan ook aan de orde zijn indien de zorgvraag van de leerling dermate hoog is dat die niet van een reguliere

chauffeur kan worden gevergd. Ook de weigering om de eigen bijdrage te betalen of nalatig zijn in de betaling kan een reden zijn dat de vervoersvoorziening wordt ingetrokken. Tweede lid

Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben

doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte een vergoeding is verstrekt. Het tweede lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde vergoeding terug te vorderen of in mindering te brengen bij een eventueel nieuw te verstrekken vergoeding. Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 30. Beslissing in gevallen waarin de regeling niet voorziet

In de Verordening leerlingenvervoer zijn de hoofdlijnen voor het verstrekken van een vervoersvoorziening ten behoeve van schoolbezoek vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt hierbij aan gemeenschappelijke afspraken met andere

gemeenten, combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer, varianten in het gebruik van eigen vervoer etc. Artikel 30 bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het

uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en de verordening gehandeld te worden. Artikel 31. Hardheidsclausule

Artikel 31 stelt dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening. Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van de

vergoeding van openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, vergoeding van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school. De hardheidsclausule maakt het

mogelijk om van alle bepalingen in de verordening af te wijken. De ouders dienen aan te tonen dat er

sprake is van een bijzondere situatie. In dit verband kan met alle omstandigheden rekening gehouden worden. Hierbij kan gedacht worden aan medische, pedagogische en sociale factoren.

Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs, niet voor een bezoek ten behoeve van een medische behandeling bijvoorbeeld.

Advies van deskundigen

Het college vraagt zo nodig advies vraagt van deskundigen ter zake. Precedentwerking

Ter voorkoming van – ongewenste – precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben.

Artikel 33. Intrekking oude verordening

De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=e9f31669-5b1a-4783-8f3b-57816cfd28b4