Concept Verordening Leerlingenvervoer gemeente Geertruidenberg 2026
Tekst van het document
Verordening leerlingenvervoer
gemeente Geertruidenberg 2026 De raad van de gemeente Geertruidenberg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 oktober 2025 en nummer 20250308129192; gelet op:
- artikel 149 van de Gemeentewet;
- artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs; - artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en
- artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 28 augustus 2025 en de Reactienota van 13 oktober 2025,
besluit vast te stellen: de Verordening leerlingenvervoer gemeente Geertruidenberg 2026
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: In deze verordening wordt verstaan onder: -
-
aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer;
afstand: de afstand tussen de woning en de school, gemeten met een routeplanner langs de kortste
voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;
begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te
begeleiden;
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg;
deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig
deskundige;
eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of (elektrische) fiets dat onder eigen
verantwoordelijkheid plaatsvindt;
gehandicapte leerling: een leerling, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke
of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer is aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;
inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: de leerling die een school bezoekt;
-
openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waar iedereen al dan niet tegen
betaling gebruik van kan maken;
opstapplaats: de opstapplaats bedoeld in artikel 13, eerste lid;
ouders: met gezag over de leerling belaste ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de
leerling, groepsleiders en groepsopvoeders en alle meerderjarige handelingsbevoegde personen die op hetzelfde adres verblijven als de leerling of, indien van toepassing, de meerderjarige en
-
-
handelingsbekwame leerling;
reistijd in de ochtend: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van
de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal tien minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft,
reistijd in de middag: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van het gebouw dan wel de totale
tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de
woning minus tien minuten, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal tien -
minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;
samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair
onderwijs; school:
1°. basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of
-
3°. school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;
toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of
levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;
tweede ophaal- en/of brengadres: één adres anders dan de woning dat op de route ligt en waar de
leerling buiten de schooltijden structureel verblijft; vervoersvoorziening:
1°. vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;
2°. vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider; 3°. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling; -
4°. aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of
wet: Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra of Wet voortgezet onderwijs 2020; woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Artikel 2. Doelstelling Deze verordening heeft tot doel ten behoeve van het schoolbezoek aan de ouders van leerlingen op
aanvraag een vervoersvoorziening toe te kennen met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.
Artikel 3. Nadere regels Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.
Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 4. Aanvraag
1. Het college stelt een aanvraagformulier voor een vervoersvoorziening leerlingenvervoer vast.
2. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt ingediend voor een leerling die zijn woning in de
gemeente Geertruidenberg heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal aanvraagformulier leerlingenvervoer.
3. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.
4. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor het volgend schooljaar kan gedaan worden door indiening van het aanvraagformulier leerlingenvervoer vanaf 1 mei.
Artikel 5 Onderzoek en inzet deskundige 1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een
begeleider, kan het college de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school onderzoeken.
2. Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.
3. In het geval een deskundige om advies wordt gevraagd, verlenen ouders en de leerling medewerking aan het onderzoek van de deskundige.
Artikel 6. Beslistermijn 1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.
2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met een bij de verlening vast te stellen redelijke termijn verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.
Artikel 7. Ingangsdatum voorziening Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag;
b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum tenzij een aanvraag voor het nieuwe schooljaar na 30 juni wordt ingediend, dan dienen de ouders de eerste twee weken zelf voor het vervoer te zorgen.
Artikel 8. Besluit 1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.
2. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.
Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria Artikel 9. Algemene bepalingen 1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.
2. Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente
Geertruidenberg, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een
vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt de volgorde zoals genoemd in lid 5 van dit artikel gehanteerd.
3. De verantwoordelijkheid om, als dat nodig is, te zorgen voor een begeleider berust bij ouders.
4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders.
5. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:
a. per fiets;
b. per openbaar vervoer; c. met eigen vervoer;
d. met aangepast vervoer.
Artikel 10. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor:
a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; b. speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of
c. speciaal onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer.
2. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.
Artikel 11. Afwijzingsgronden 1. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning dan wel de opstapplaats tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan zes (6) km. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.
2. Een vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet (speciaal) onderwijs, wanneer:
a. de leerling zelf kan fietsen naar het voortgezet speciaal onderwijs en verder weg woont van de school dan zes km;
b. er sprake is van voortgezet (speciaal) onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
Artikel 12. Andere oplossing
Als de leerling aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van
de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.
Artikel 13. Aanwijzing opstapplaats 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer.
2. De opstapplaats bevindt zich op een veilige locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider.
3. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling van en naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.
4. Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de
leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.
Artikel 14. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. In overeenstemming met de wet wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school.
2. Er wordt, overeenkomstig de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en:
a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het
samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of
b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband.
3. Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een voltijdse specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de
dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college
voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en
b. aan het college is door de ouders naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de
dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Tevens is door de ouders naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de school die op grotere
afstand is gelegen wel toegankelijk is door het kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.
Artikel 15. Schooltijden en wachttijden 1. Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het
college besluiten een wachttijd van één of meerdere klokuren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten.
3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de
aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. In elk geval moet de heen- of de terugrit aansluiten bij de standaard schooltijden.
Artikel 16. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; en
b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en
c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.
2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke
vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van het tijdelijk verblijf buiten de
gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.
3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijke verblijf het vervoer uitvoert.
Artikel 17. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in gastgezin of internaat
1. Met inachtneming van de artikelen 9 en 12 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die,
met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of gastgezin verblijft.
2. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het gastgezin waar de leerling
verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties.
3. Het college kent aan de ouders een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de
schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het gastgezin naar de ouders éénmaal aan het begin van de vakantie en éénmaal terug aan het einde van de vakantie.
4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. Het
college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
5. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken.
6. Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer: a. openbaar vervoer geheel ontbreekt; of
b. het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een internaat of
gastgezin, wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig en ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
Artikel 18. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres.
2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan al de volgende voorwaarden:
a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;
b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en
d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen maximale afstand van de woning of de school.
3. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats van de leerling en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.
Artikel 19. Tweede ophaal- en/of brengadres Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening van de woning naar een school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer van het tweede ophaal- en/of brengadres naar de school of terug.
Artikel 20. Vervoerstraining Het college kan, naast een vervoersvoorziening, ook een vervoerstraining inzetten ter versterking van de zelfredzaamheid van de leerling, waardoor deze na de training niet langer zal zijn aangewezen op een vervoersvoorziening, of door de training gebruik leert te maken van een zelfstandigere vervoersvoorziening: het openbaar vervoer of de fiets.
Artikel 21. Vervoersvergoeding voor de leerling 1. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een
vervoersvergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
2. Als aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders de vergoeding op basis van de kosten van het vervoer per fiets.
3. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt vijftig procent van de
wettelijk vastgestelde belastingvrije kilometervergoeding voor de auto (indien van toepassing wordt dit bedrag naar beneden afgerond).
Artikel 22. Vervoersvergoeding voor de begeleider 1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op
een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding van de kosten van het vervoer per fiets of het openbaar vervoer van een begeleider van de leerling als:
a. de leerling op één augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft jonger dan negen jaar is;
b. de leerling op één augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft
ouder dan negen jaar is en naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van de fiets of het openbaar vervoer gebruik te maken.
2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking.
3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.
4. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt vijftig procent van de
wettelijk vastgestelde belastingvrije kilometervergoeding voor de auto (indien van toepassing naar beneden afgerond).
Artikel 23. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer
1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.
2. Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren.
3. De vergoeding voor het door ouders zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van de wettelijk vastgestelde belastingvrije kilometervergoeding voor de auto, gebaseerd op twee retourreizen per dag.
4. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit en niet per leerling.
5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer al een vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt.
6. Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college, in afwijking van het derde lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren.
Artikel 24. Aangepast vervoer
Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als: a. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 21 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur
van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;
b. aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 21 en openbaar vervoer ontbreekt;
c. aanspraak bestaat op een vergoeding op grond van artikel 22 en naar het oordeel van het college
voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden;
d. de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van de fiets of het openbaar vervoer gebruik te maken.
Artikel 25. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening.
Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten Artikel 26. Drempelbedrag 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer
bedraagt dan het in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag van € 17.700,-, de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 10
bepaalde afstand van zes kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouders in rekening gebracht.
2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 1999 jaarlijks
aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-.
3. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.
4. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
5. Dit artikel is niet van toepassing op de periode waarin er een fietsvergoeding wordt verstrekt.
Artikel 27. Draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor
basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de ouders verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de
financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.
2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen
van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie bedragen:
1.
Inkomen in euro’s vanaf tot
3.
€ 0-42.000
5.
€ 42.000-50.000
7.
€ 50.000-58.000
9.
€ 58.000-65.000
11.
€ 65.000-74.500
13.
€ 74.500-81.500
15.
€ 81.500 en verder
2.
Eigen bijdragen in euro’s per gezin
4.
Nihil
6.
€ 185
8.
€ 820
10.
€ 1.520
12.
€ 2.230
14.
€ 2.990
16.
Voor elke extra € 5.000: € 715 erbij
3. De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari 2026
aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.
4. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari
2026 aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.
5. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.
6. Het drempelbedrag genoemd in artikel 26 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan het gezin.
7. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
8. Wanneer ouders een bekostiging ontvangen voor eigen vervoer en ouders vervoeren meer leerlingen binnen één gezin dan wordt slechts één keer de draagkrachtafhankelijke bijdrage geheven.
Hoofdstuk 5 Rechtmatigheid Artikel 28. Doorgeven van wijzigingen De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.
Artikel 29. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening
1. Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien of intrekken, als het vaststelt dat:
a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening;
b. beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;
c. de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;
d. ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 26 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;
e. ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 27 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;
f. sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling, ouders of begeleider tijdens het instappen/uitstappen of gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of
g. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.
2. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de
meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen Artikel 30. Beslissing in gevallen waarin de regeling niet voorziet In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 31. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders
gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.
Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer gemeente Geertruidenberg 2026.
Artikel 33. Intrekking oude verordening 1. De Verordening bekostiging leerlingenvervoer Geertruidenberg 2022 wordt per 1 januari 2026 ingetrokken.
2. De Verordening leerlingenvervoer gemeente Geertruidenberg 2026 geldt voor alle aanvragen die vanaf de datum van inwerkingtreding worden ingediend.
3. Leerlingen met een lopende voorziening op basis van de ingetrokken Verordening bekostiging
leerlingenvervoer Geertruidenberg 2022, behouden deze voorziening ook na de ingangsdatum van deze verordening. De voorziening loopt door totdat het college een nieuw besluit neemt over die voorziening.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2025, De raad van de gemeente Geertruidenberg,
de griffier,
de voorzitter,
G. Brunsveld
M. Witte
Bijlage: Toelichting bij Verordening leerlingenvervoer Geertruidenberg 2026
Toelichting bij de Verordening leerlingenvervoer gemeente Geertruidenberg 2026 Algemeen
Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of
kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening leerlingenvervoer. Ook meerderjarige leerlingen kunnen, nadat zij meerderjarig zijn geworden, een beroep doen op de verordening. Wettelijke plicht
De raad heeft de wettelijke plicht een verordening vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: Wpo), artikel 4, eerste lid, van de Wet op de
expertisecentra (hierna: Wec) en artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: Wvo 2020), heet het: een vergoeding van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal
basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs, als om instellingen voor
cluster 1 (voor leerlingen met een visuele beperking) en cluster-2 (voor dove, slechthorende leerlingen en leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis).
De Verordening leerlingenvervoer geeft uitvoering aan de taakstelling van het gemeentebestuur.
Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders en meerderjarige leerlingen de aanvraag kunnen
indienen, bevat deze verordening criteria aan de hand waarvan het college kan beoordelen of de ouders of
de meerderjarige leerling aanspraak maken/maakt op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.
De Verordening leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vervoersvoorziening wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke voorziening wordt verstrekt. Vervoersvoorziening
In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van een fiets of openbaar vervoer.
Wanneer de leerling door zijn handicap geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen. Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.
Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het
college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten of als de toestemming leidt tot een aantasting van de instandhouding van het aangepast vervoer. Zelfstandigheid en zelfredzaamheid
De Verordening leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen
door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren kan de aanvraag met ouders worden besproken. Artikelsgewijs
Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Aangepast vervoer
Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat
verzorgen. Het kan dan gaan om vervoer per besloten (school)busvervoer, maar ook om bijvoorbeeld taxivervoer in groepsverband. Afstand
De afstand dient consequent volgens de kortste afstand te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen
toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer. Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg. Deskundige
Een deskundige beschikt over specifieke expertise op basis van zijn opleiding of functie. Dit kan een arts, psychiater, pedagoog of psycholoog zijn, die inzicht kan geven in de mate waarin de leerling door een handicap is beperkt, maar ook bijvoorbeeld een politiefunctionaris die als verkeersdeskundige kan beoordelen of een route voldoende begaanbaar en veilig is. Gehandicapte leerling
Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet
zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Verordening leerlingenvervoer. ‘Centraal staat het feit dat de leerling vanwege een handicap niet in staat is om zelfstandig naar school te reizen, de aard van de handicap is daarbij ondergeschikt’.
Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de
zin van de Verordening leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan zes maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze
verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is. Leerling
Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar
moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de Wpo). In het
derde lid van artikel 39 van de Wpo is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.
Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten
tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.
Openbaar vervoer
Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor een ieder openstaand
personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor een ieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd.
De definitie in deze verordening is daarmee ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1, Wet personenvervoer 2000. Opstapplaats
Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het
instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een
dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door het college aangewezen opstapplaats. Vervoersvoorziening
De wet bepaalt dat de gemeente het vervoer zelf kan verzorgen, dan wel doen verzorgen. Ook kan zij een
vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling van de verordening onder ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt in verschillende varianten. Woning
Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Deze plaats kan ook in meer dan één gemeente zijn.
Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, moet een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening Artikel 4. Aanvraag
Als ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling moet dit zelf doen. De
aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de
leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. Het college stelt hiervoor een papieren of digitaal aanvraagformulier beschikbaar.
Bij de aanvraag kunnen gegevens worden gevraagd. Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele
toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, of een verklaring van de rijksinspecteur van de belasting. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee.
Ouders zijn verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de
aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.
Als het aanvraagformulier aangevuld of gecorrigeerd moet worden, stuurt het college het
aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt
hiervan geen gebruik gemaakt, dan zal het college moeten afwegen of de aanvraag in behandeling wordt
genomen. In een voorkomend geval zal aan de aanvrager bekend worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.
Artikel 7. Ingangsdatum voorziening
Een vervoersvoorziening wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. De vergoeding is bedoeld om de leerling in staat te stellen (in de toekomst) de school te bezoeken. Het is geen inkomensvoorziening. Dit
past ook bij de primaire verantwoordelijkheid van de ouders van de leerling om het schoolbezoek zelf te organiseren en te faciliteren. Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, voor de
praktische organisatie van het vervoer enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder andere om het
inroosteren van de leerling en het eventueel aanpassen van de vervoersroute, zodat de leerling mee kan. Artikel 8. Besluit Eerste lid
Een besluit moet voorzien zijn van een deugdelijke motivering. In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in het besluit moet worden opgenomen.
Om enige beleidsruimte te creëren is bepaald dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking moet deze termijn aangegeven worden. Per geval wordt de termijn bepaald. Tweede lid
Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo kan worden bepaald dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode
aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het
openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel.
Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria Artikel 9. Algemene bepalingen Eerste lid
De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In dit lid is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze
verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Ouders kunnen er dus niet van uit gaan dat zij altijd een vervoersvoorziening krijgen of dat deze altijd wordt voortgezet. Van ouders wordt ook verwacht dat zij de noodzakelijke keuzes maken om hun
verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Daarbij kan gedacht worden aan het aanpassen van werktijden en het verkeersveilig maken van de leerling. Tweede lid
In deze verordening zijn verschillende voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. Op het moment dat een leerling voldoet aan die
voorwaarden en er meerdere vervoersvoorzieningen zijn waarvan de leerling (in redelijkheid) gebruik zou kunnen maken, dan zal de keuze vallen op de voor het college goedkoopste oplossing. Ook als dit
betekent dat die oplossing meer van ouders (bijvoorbeeld extra begeleiding) of de leerling (meer reistijd) vraagt. Dit past binnen het uitgangspunt dat ouders en de leerling in de basis zelf verantwoordelijk zijn voor het schoolbezoek en is nodig om het vervoersstelsel toegankelijk en betaalbaar te houden.
Het college kan op grond van deze bepaling bijvoorbeeld weigeren een vervoersvergoeding te verstrekken als de leerling gebruik kan maken van het aangepast vervoer, waarbij de kosten voor het college gelijk
blijven omdat er toch al een taxibus rijdt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Dit ongeacht het feit of de leerling vervolgens daadwerkelijk van dit aangepast vervoer gebruik wenst te maken. Derde lid
Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat primair een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of
anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om
begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen al dan niet tijdelijk, geheel of gedeeltelijk kan overnemen. Vierde lid
De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de
leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te
begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag beïnvloedbaar is door de leerling te laten begeleiden, is er geen reden om de leerling individueel te vervoeren.
Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder
onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven
omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging
van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is.
In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer. Vijfde lid
Bij het verstrekken van de vervoersvoorziening staat de zelfredzaamheid en de eigen verantwoordelijkheid van de leerling en zijn ouders voorop. Bij de bepaling van de aard van de vervoersvoorziening wordt hier
dan ook naar gekeken. Zelf fietsen heeft daarbij bijvoorbeeld de voorkeur boven aangepast vervoer in de vorm van een door het college georganiseerde taxibus. Artikel 10. Afstandsgrens
De in het artikel genoemde afstandsgrens van 6 kilometer geldt voor basisonderwijs, speciaal
basisonderwijs en het speciaal onderwijs. De afstandsgrens van 6 kilometer tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school wordt niet toegepast bij gehandicapte leerlingen. Artikel 11. Afwijzingsgronden Eerste lid
De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald.
Leerlingen die voortgezet onderwijs volgen en geen handicap hebben, komen niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Voor hen is deze bepaling dan ook niet van toepassing.
Tweede lid
Voor het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs zijn de ouders of de leerling, ongeacht de
afstand, zelf verantwoordelijk. Leerlingen komen alleen in aanmerking voor leerlingenvervoer als zij gezien hun handicap niet in staat zijn om zelfstandig naar school te komen met het openbaar vervoer. Om te
kunnen beoordelen of een leerling door zijn handicap beperkt is om zelfstandig te reizen, is in een aantal
gevallen onafhankelijk advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken. Het kan ook gaan over een deelaspect van het
vervoer, bijvoorbeeld over de vraag of een bepaalde route door de betreffende leerling veilig kan worden afgelegd.
Artikel 12. Andere oplossing
De mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening in het kader van deze
verordening is niet bedoeld voor situaties waarin leerlingen of hun ouders voor dit vervoer al (gedeeltelijk) gebruik kunnen maken van een andere regeling of vergoeding. Dit artikel voorkomt dat er een (deels) dubbele vergoeding kan worden ontvangen.
Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) een vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school of de stage, mag het
college die vergoeding aftrekken van de vergoeding die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van
de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat.
Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening.
Artikel 13. Aanwijzing opstapplaats Eerste lid
Om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, voorziet deze bepaling in een
bevoegdheid aan het college om opstapplaatsen aan te wijzen, vanwaar leerlingen met de taxi of bus
worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar moeten zij, al dan niet onder begeleiding, naar de door het college aangewezen opstapplaats, vanwaar zij worden opgehaald.
Tweede lid
De aan te wijzen opstapplaats moet voldoende veilig zijn voor de, indien nodig door een begeleider
begeleide, leerling om van het aangepast vervoer gebruik te maken. Het feit dat de opstapplaats aan een
drukke verkeersweg ligt is op zichzelf niet voldoende om de locatie als onvoldoende veilig te beoordelen.
Van ouders mag in dergelijke situaties verwacht worden dat zij voor begeleiding zorgen tot ten minste het moment dat hun kind is ingestapt.
De opstapplaats moet ook binnen een redelijke afstand van de woning van de leerling zijn gelegen. Het is aan het college om te beoordelen wat in een individuele situatie redelijk is. Een reisafstand van twee kilometer is in elk geval alleszins redelijk.
Derde lid
Het uitgangspunt is dat ouders zelf zorgdragen voor de voor de leerling noodzakelijke begeleiding.
Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de leerling naar de opstapplaats te (laten) begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Nu van ouders een redelijke mate van inzet verwacht mag worden zal hier niet snel sprake van zijn. Het is aan het college om te beoordelen of ouders voldoende hebben
aangetoond dat het (laten) bieden van begeleiding naar en op de opstapplaats voor hen, door individuele omstandigheden, onmogelijk is.
Artikel 14. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Eerste lid
In de Wpo, de Wec en de Wvo 2020 is bepaald dat de raad bij het vaststellen van de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen.
Tevens is bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of
levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk
de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking.
Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare, veilige weg.
Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer van en naar de dichtst bij de woning gelegen school.
Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen
school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt),
kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.
Richting
Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs,
protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs,
(orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn
gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De keuze van de leerling of zijn ouders voor één van de hiervoor genoemde erkende richtingen bepaalt dus (mede) of een school kan worden aangemerkt als toegankelijke school voor de betreffende leerling.
Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc. De
voorkeur van de leerling of zijn ouders voor een bepaalde onderwijskundige methode is niet van invloed bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
Instellingen voor cluster 1 en cluster 2
Als de commissie van onderzoek heeft geoordeeld dat de leerling toelaatbaar is tot of aangewezen is op
begeleiding vanuit een instelling voor cluster 1 of cluster 2 onderwijs, dan bepaalt dit (mede) of sprake is van een toegankelijke school.
Dislocaties en nevenvestigingen
Als een school die een leerling bezoekt meer dan één locatie heeft, rijst de vraag of slechts de
hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de Verordening leerlingenvervoer moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiële
instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht kan worden aangemerkt als ‘school’. Tweede lid
Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Wanneer het gaat om speciale scholen voor
basisonderwijs, moet het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet persé de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te
zijn. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband, dichterbij de woning is gelegen.
Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband. Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het
samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband. Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteunings-voorzieningen, die op elke school aanwezig zijn.
In het tweede lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is de
dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Daarnaast geldt, bij toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.
Derde lid
Binnen het leerlingenvervoer wordt een vergoeding verstrekt naar de (qua afstand) dichtstbijzijnde
toegankelijke school, rekening houdend met de onderwijsbehoefte en de richting. In de praktijk komt het voor dat dit niet de school is waarnaar de leerling door het samenwerkingsverband wordt verwezen.
Het derde lid beschrijft de voorwaarden waaronder het college tóch kan besluiten om een vergoeding te
verstrekken naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke (en door het samenwerkingsverband geadviseerde) school. •
De noodzaak van het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school moet overtuigend
worden aangetoond aan het college. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een onderbouwing door het samenwerkingsverband of door een intelligentie-onderzoek wanneer er onderwijs nodig is als gevolg van de hoogbegaafdheid van een leerling; •
Wanneer al dan niet door het samenwerkingsverband is vastgesteld, welke onderwijssoort een leerling nodig heeft op grond van de Wpo, de Wec of de Wvo 2020, zal aan het college overtuigend moeten
worden aangetoond, waarom dat onderwijs niet geboden kan worden op de dichterbij gelegen school. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een leerling, die onder een samenwerkingsverband valt waar arrangementen op reguliere basisscholen worden aangeboden, die het speciaal (basis) onderwijs
vervangen. De leerling gaat dan naar een reguliere basisschool verder weg, omdat het arrangement, waarop hij onderwijskundig is aangewezen dichterbij niet aanwezig is.
Symbiose
Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180
minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een
school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose. Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-
overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag.
Een voorbeeld hiervan is dat er binnen het samenwerkingsverband een orthopedagogisch didactisch
centrum (opdc) is opgericht, waar leerlingen tijdelijk onderwijs volgen als er een orthopedagogische en
orthodidactische benadering nodig. De leerling blijft daarbij ingeschreven staan op zijn oorspronkelijke school, maar volgt in de praktijk elders onderwijs.
Vervoer nieuwkomers/taalklas
Wanneer kinderen in de gemeente komen wonen die geen Nederlands spreken, worden zij aangemeld bij een basisschool in onze gemeente. Deze school schat vervolgens in of zij de benodigde begeleiding en
ondersteuning kunnen bieden aan de betreffende leerling. Indien een school concludeert dat dit niet het
geval is, is in onze gemeente afgesproken dat de school de leerling, vanaf groep 3, mag verwijzen naar de
Fontein in Breda. Vanaf dat moment wordt de Fontein in Breda gezien als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ voor de leerling. De Fontein in Breda is een reguliere basisschool die gespecialiseerd is in het aanleren van Nederlands als tweede taal. Deze leerlingen worden onder het leerlingenvervoer met
aangepast vervoer (taxibusje) vervoerd. Wanneer het traject op de Fontein is doorlopen worden leerlingen teruggeplaatst op een basisschool in onze gemeente en vervalt het recht op leerlingenvervoer.
Artikel 15. Schooltijden en wachttijden Eerste lid
Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals
aangegeven in de schoolgids van de school. In alle andere situaties zijn ouders zelf verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Vervoer dat nodig is in verband met een activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) valt buiten het leerlingenvervoer.
Tweede lid
In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen, dat er
binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook in dat geval vindt het aangepast vervoer in principe plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan,
ingeval van aangepast vervoer, echter overwegen om dan een wachttijd te hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten, dan wel eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden.
De gemeente zal indien mogelijk proberen de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk te vervoeren, wanneer de begin- en/of eindtijden, de wachttijden in aanmerking genomen, te combineren zijn. Derde lid
Het vervoer op afwijkende tijden kan leiden tot individueel aangepast vervoer buiten de schooltijden en dat brengt extra vervoerskosten met zich mee. De gemeente is hier in principe niet toe verplicht, tenzij de leerling een gedeeltelijke vrijstelling van de leerplicht heeft.
Alleen wanneer de leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan er in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale
omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer
tijdens schooltijd. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door: • •
een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd en;
een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog), waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen.
Het college kan, overeenkomstig artikel 5, een deskundige inschakelen om het geleverde bewijs te beoordelen.
Artikel 16. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
Een aanvraag wordt gedaan in de gemeente waarin de leerling zijn woning heeft. De aanwezigheid van een structureel karakter van het feitelijk verblijf van de leerling vormt een onderdeel van het begrip woning. Een tijdelijk verblijf elders verplaatst de structurele feitelijke verblijfplaats dan ook niet. Wanneer de
leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, is het bovendien niet praktisch dat die andere gemeente de vervoerskosten moet dragen. Immers: bij gemeente
A moet de vervoersvoorziening (tijdelijk) worden stopgezet, bij gemeente B moet een vervoersvoorziening worden aangevraagd; en een aantal weken later zou het omgekeerde weer moeten gebeuren. Dat zorgt