CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Verordening jeugdhulp gemeente Getuidenberg 2022

Besluitvormende raad 22 december 2022, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Wijzigen verordening Jeugdhulp13.105 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening jeugdhulp gemeente Geertruidenberg 2022 Verordening jeugdhulp gemeente Geertruidenberg 2022 De raad van de gemeente Geertruidenberg; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Geertruidenberg van DATUM. Gelet op: artikel 2.9 Jeugdwet Besluit: De raad besluit: •

De Verordening Jeugdhulp gemeente Geertruidenberg 2022 vast te stellen.

Artikel 1. Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening zijn de begripsbepalingen uit de Jeugdwet van toepassing; In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; – budgethouder: de persoon aan wie het budget wordt verstrekt; – deskundige: gespecialiseerd persoon; – familiegroepsplan: familiegroepsplan zoals bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet; – gebruikelijke hulp: ondersteuning, persoonlijke verzorging en/of opvoeding die in redelijkheid mag worden verwacht van de (pleeg)ouders op grond van hun opvoedtaak uit artikel 247 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; – gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 4; – hulpvraag: behoefte aan jeugdhulp van een jeugdige of zijn ouders in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; – individuele voorziening: de gemeente biedt individuele (niet vrij-toegankelijke) jeugdhulpvoorzieningen, namelijk op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorzieningen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, waarvoor een beschikking, als bedoeld in artikel 8, van het college nodig is; – jeugdhulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet; – jeugdige/jeugd: jeugdige

als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet; – logeerzorg: logeren in een zorginstelling of binnen het sociaal netwerk, maximaal 156 etmalen per jaar;

– melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid; – onderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 4; – ouder: ouder zoals bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet; – overige voorziening: overige (vrij toegankelijke) jeugdhulpvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid; – pgb: persoonsgebonden budget zoals bedoeld in artikel 8.1.1 Jeugdwet; - professionele aanbieder: een aanbieder die voldoet aan de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 4 van de Jeugdwet of voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 13 lid 2 van deze verordening; – sociale netwerk: tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, waaronder familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden en kennissen; – vervoer: vervoer zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet; – wet: Jeugdwet; – ZIN: zorg in natura; Artikel 2. Vormen van jeugdhulp 1. De volgende overige voorzieningen zijn vrij toegankelijk beschikbaar: Hulp voor ouders en jeugdigen door de Bedrijfsvoeringsorganisatie Centrum voor Jeugd en Gezin Drimmelen Geertruidenberg (BVO CJG): a. Informatie en advies over opvoeden en opgroeien. b.

Ambulante jeugdhulp en gezinsbegeleiding op alle leefgebieden gericht op: – het veranderen of leren hanteren van gedrag; – het versterken van opvoedvaardigheden van ouders; – het versterken van de zelfredzaamheid en weerbaarheid; – het creëren van goede pedagogische omstandigheden in het gezin; – het voorkomen van onveiligheid. c. Coördinatie van jeugdhulp en arrangeren van passende zorg. d. Participatiebevordering (stimuleren en faciliteren van informele netwerken). 2. De volgende individuele voorzieningen zijn niet vrij toegankelijk beschikbaar: Jeugdhulp ambulant

a. Ondersteuning bij het dagelijkse leven en persoonlijke verzorging; gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid en participatie van jeugdigen met opgroeiproblematiek, een lichamelijke, zintuiglijke en/of verstandelijke beperking, en/of een psychiatrische of somatische aandoening. De ondersteuning is gericht op de jeugdige zelf en daar waar nodig op het gezinssysteem. De activiteiten in het kader van de ondersteuning kunnen zowel individueel als in groepsverband worden uitgevoerd. b. Respijtzorg; gericht op het ontlasten van de (pleeg)ouder/verzorger die zorg levert aan jeugdigen met een lichamelijke, zintuiglijke en/of verstandelijke beperking, en/of een psychiatrische of somatische aandoening. De dienstverlening die gevraagd is met betrekking tot respijtzorg betreft dag-/naschoolse opvang en logeerzorg. c. Ambulante behandeling van ontwikkelingsproblematiek (voor zover deze niet onder sub d of f wordt verstrekt); gericht op het herstellen of op gang brengen van een vastgelopen of verstoorde ontwikkeling en het versterken van de opvoedingskracht van de ouders en, waar nodig, de betrokken (opvoed) professional. De hulp is bedoeld voor jeugdigen met een ontwikkelingsachterstand en/of complexe gedragsproblematiek en zijn ouders/verzorgers. d.

Ambulante behandeling van psychische/psychiatrische problematiek; gericht op het herstel of stabiliseren van jeugdigen met een psychische of psychiatrische aandoening. Het betreft stoornissen die zeer divers zijn en sterk kunnen variëren in duur. e. Ambulante behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED); gericht op het bereiken van een functioneel niveau van technisch lezen en spellen door de jeugdige. Dyslexie is een neurocognitieve functiestoornis en vereist deskundigheid op het gebied van cognitieve informatieverwerking en de toepassing daarvan in diagnostiek en behandeling. f. Ambulante behandeling van problematiek door verstandelijke beperking; gericht op het vergroten van de participatiemogelijkheden en/of het voorkomen van verergering van gedragsproblemen. Het betreft behandelingen van specifiek medische, gedragswetenschappelijke of paramedische aard gericht op beperkingen veroorzaakt door een verstandelijke handicap. 3. Verblijfszorg; betreft jeugdhulp waarbij jeugdigen, op vrijwillige of gedwongen basis (tijdelijk) dag en nacht (24 uurs-voorziening) buiten hun eigen omgeving verblijven en passende hulpverlening en/of behandeling krijgen aangeboden. a. Verblijfszorg kan gericht zijn op behandeling van opvoed- en/of gedragsproblematiek, psychische/psychiatrische problematiek en/of problematiek van jeugdigen met een verstandelijke beperking. b.

JeugdzorgPlus; gericht op de behandeling van jeugdigen met ernstige gedragsproblematiek. Het betreft een zeer intensieve vorm van gespecialiseerde jeugdhulp waarbij de vrijheden van de jeugdige kunnen worden ingeperkt, om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt of onttrokken wordt aan de hulp die hij/zij nodig heeft. 4. Pleegzorg; gericht op het bieden van een vervangende opvoed- en/of behandelomgeving waarbij de jeugdige geplaatst wordt in een vervangende gezinssituatie. Pleegzorg kan worden ingezet indien de ouders (tijdelijk) pedagogisch onmachtig zijn om de veiligheid van het kind door de eigen en/of kind problematiek te kunnen waarborgen. 5. Er kan geen aanspraak worden gemaakt op een individuele voorziening zolang aanspraak bestaat op een overige voorziening voor de desbetreffende hulpvraag.

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente en melding hulpvraag 1. Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. Als de jeugdige of zijn ouders daar om verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. 3. Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening als bedoeld in artikel 2 lid 1. 4. Het college legt een te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 8. Artikel 4. Onderzoek 1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen en de wens van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de mogelijkheid om dit vast te leggen in een familiegroepsplan; d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; e.

de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; h. hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en i. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. De jeugdige en/of zijn ouders verschaffen aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 3. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

4. Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken, voor zover deze niet worden verwerkt op een andere grondslag uit artikel 6 Algemene Verordening Gegevensbescherming. 5. Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een gesprek. Artikel 5. Ondersteuningsplan 1. Naar aanleiding van het onderzoek wordt een ondersteuningsplan gemaakt, waarin de wenselijkheid van een individuele of overige voorziening wordt vastgelegd onder vermelding van de gevolgen zoals deze aan de jeugdige of zijn ouders kenbaar zijn gemaakt. Van het niet opstellen van een ondersteuningsplan, wordt gemotiveerd melding gemaakt in het registratiesysteem. 2. In het ondersteuningsplan worden de onderwerpen van het onderzoek, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, sub a t/m i, voor zover van toepassing opgenomen. 3. Zo spoedig mogelijk na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders, het ondersteuningsplan. 4. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden door het college aan het ondersteuningsplan toegevoegd.

De jeugdige en/of zijn ouders tekenen het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgen ervoor dat een getekend exemplaar binnen 10 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon, waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. Als de jeugdige en/of zijn ouders tekenen voor gezien, kunnen zij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom zij niet akkoord zijn.

Artikel 6. Aanvraag individuele voorziening 1. Om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening dienen jeugdigen en/of ouders een aanvraag in bij het college. 2. Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als aanvraag als de jeugdige en/of zijn ouders dat op het ondersteuningsplan hebben aangegeven. De datum van de aanvraag wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan. 3. Het college beslist zo spoedig mogelijk op de aanvraag, doch uiterlijk binnen acht weken gerekend vanaf de dag na die waarop de aanvraag door het college is ontvangen. 4. Het college kan de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager(s). 5. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

Artikel 7. Criteria voor een individuele voorziening 1. Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in het ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt vastgesteld dat de jeugdige: a. op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; waaronder in ieder geval wordt verstaan: - gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk. - geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, en - geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening, zoals bedoeld in artikel 1. 2. Het college bepaalt bij nadere regelgeving wanneer er sprake is van gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp op basis van artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet en artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 8. Eigen kracht 1. Het college beoordeelt welk deel van de hulpvraag jeugdigen en/of ouders zelf met behulp van hun sociaal netwerk kunnen oplossen en waar moet worden aangevuld door middel van een individuele voorziening. 2.

Het college stelt voor het beoordelen van de mate van het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, de ouders en/of sociaal netwerk, in volgorde, in ieder geval de volgende vragen •

Wat is de behoefte van de jeugdige, mede gelet op de benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan?

•

Is de jeugdige, de ouders en/of sociaal netwerk in staat om de benodigde jeugdhulp te bieden?

•

Levert het bieden van de jeugdhulp overbelasting op?

3. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 9. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd: a. welke voorziening wordt verstrekt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is.

c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan de besteding van het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Artikel 10. Vervoersvoorzieningen 1. Het college kan besluiten het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden toe te kennen voor zover dit noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, zoals genoemd in artikel 2.3, tweede lid Jeugdwet. In de afweging over welke voorziening wordt toegekend wordt uitgegaan van de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige en zijn ouders en de eigen kracht, zoals verwoord in artikel 8, van de jeugdige en zijn ouders. 2. Een jeugdige kan alleen aanspraak maken op een voorziening genoemd in dit artikel als de regionale inkoopafspraken hier niet in voorzien. 3. Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder een vervoersvoorziening wordt toegekend. Artikel 11.

Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de jeugdige of zijn ouders hier om verzoeken, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 8. 3. De jeugdhulpaanbieder stelt het college in kennis over de zorgvorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp van de doorverwezen jeugdige. Artikel 12. Regels voor pgb 1. Indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen kan het college een pgb verstrekken, in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet. 2. Het tarief voor een pgb:

a. is gebaseerd op een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan over hoe zij het pgb gaan besteden; b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen, en c. bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura. d. is inclusief reiskosten 3. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het ingevolge het tweede lid vastgestelde tarief, zijnde het tarief voor een niet-professionele aanbieder. 4. Een pgb is alleen mogelijk indien: a. een aanvrager in aanmerking komt voor een individuele jeugdhulpvoorziening op grond van artikel 2, tweede lid van de verordening en dit in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; en b. de aanvrager kan motiveren dat het aanbod ZIN niet passend is; en c. naar het oordeel van het college is voldaan aan alle in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet genoemde voorwaarden; en d. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; en e. er geen sprake is van een situatie als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel. 5. Een pgb is niet mogelijk: a.

voor andere of overige (vrij toegankelijke) voorzieningen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van deze verordening waarvoor het college geen beschikking afgeeft; b. voor pleegzorg; c. voor zover er sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1 vierde lid van de Jeugdwet. d. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 6. Een beschikking voor een pgb wordt voor de duur van maximaal twee jaar afgegeven. 7. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd bij de besteding van een pgb: a. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag.

b. Voor budgethouders met meerdere pgb’s is schuiven tussen verschillende budgetten niet toegestaan, tenzij hierover schriftelijke afspraken zijn gemaakt met het college. 8. Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven wel doen: a. Vervoerskosten, voor zover hiervoor een beschikking op grond van artikel 9 is afgegeven die samenhangt met een individuele voorziening voor begeleiding en/of behandeling in het kader van de jeugdhulp. Een beschikking voor vervoer wordt alleen afgegeven indien dit vervoer naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht in verband met een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid. b. Het pgb mag worden besteed bij een aanbieder zowel binnen als buiten de regio West Brabant Oost, maar in ieder geval binnen Nederland. Een pgb mag alleen na schriftelijke toestemming van het college besteed worden in EU-landen. 9. Budgethouders mogen vanuit het budget in ieder geval de volgende uitgaven niet doen: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb; d. extra beloningen, zoals eindejaarsuitkering en gratificaties; e. contributie voor het lidmaatschap van belangenverenigingen voor budgethouders, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb, kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; f.

alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet valt; g. alle zorg en ondersteuning (door aanbieders) buiten EU-landen.

Artikel 13. Pgb professionele aanbieder 1. Een professionele aanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet; 2. Om in aanmerking te komen voor een maximum van het gecontracteerde tarief van ZIN, als bedoeld in het derde lid van dit artikel, moet er sprake zijn van een SKJ of BIG-registratie. Indien dit niet het geval is moet er minimaal voldaan worden aan de volgende eisen: - de zorgaanbieder heeft een VOG; en - er is sprake van een andere beroepsregistratie binnen de jeugdzorg; en - de zorgaanbieder is aangesloten bij een klachtenprocedure; en - de zorgaanbieder is aangesloten bij een erkende beroepsvereniging; en - de zorgaanbieder maakt gebruik van (bij-)scholing; en

- de zorgaanbieder maakt gebruik van de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling; en - de zorgaanbieder maakt gebruik van een privacyverklaring; en - de zorgaanbieder heeft een passende opleiding. 3. De hoogte van het pgb bij een professionele aanbieder, zoals beschreven in lid 2, wordt bepaald aan de hand van de tarieven waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd bij verstrekking van ZIN. Daarbij geldt dat een pgb maximaal de kosten van ZIN mag bedragen. De pgb tarieven voor jeugdhulp worden als volgt bepaald: - Bij jeugdhulp door een professionele aanbieder is het tarief gebaseerd op de tariefstelling van deze aanbieder, tot een maximum van het gecontracteerde tarief van ZIN (100%). 4. Een professionele aanbieder is gehouden een dossier per jeugdige in te richten met betrekking tot de verlening van jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 7.3.8 van de Jeugdwet. Verder is een professionele aanbieder verplicht om een evaluatieverslag per jeugdige op te stellen waarin de doelen van de jeugdhulp worden geëvalueerd. Artikel 14. Pgb sociaal netwerk 1. Een pgb voor jeugdhulp uit het sociaal netwerk heeft alleen betrekking op ondersteuning en/of persoonlijke verzorging en logeerzorg. 2. De aanvrager maakt een plan waarin de wens wordt uitgesproken om het sociale netwerk in te willen zetten. 3.

De financiële vergoeding van hulp vanuit het sociale netwerk blijft beperkt tot die gevallen waarin deze hulp de gebruikelijke hulp overstijgt. 4. Voor de beoordeling van de gemiddelde tijd en frequentie van persoonlijke verzorging wordt gebruik gemaakt van de tabel Gemiddelde tijd en frequentie PV-activiteiten van het CIZ. 5. Bij de beoordeling van inzet vanuit het sociale netwerk moet in aanvulling op artikel 11 voldaan worden aan de volgende voorwaarden: a. De geboden hulp is passend, adequaat en veilig; b. De geboden hulp leidt niet tot overbelasting van de persoon/personen die de hulp biedt/bieden. 6. In aanvulling op het vierde lid, wordt inzet van het sociaal netwerk met een pgb passend geacht, indien één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: a. de hulp is vooraf niet goed in te plannen; b. de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; c. de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden; d. de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

e. de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn; f. de hulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie de jeugdige vertrouwd is en goed contact heeft. 7. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van een niet-professionele aanbieder. 8. Bij jeugdhulp door een niet-professionele aanbieder, waaronder een persoon uit het sociaal netwerk, is het tarief maximaal € 20,- per uur. Bij logeerzorg door een nietprofessionele aanbieder is er sprake van een onkostenvergoeding van maximaal € 30,- per etmaal. 9. Het college kan in nadere regels aanvullende kwaliteitseisen stellen aan niet-professionele aanbieders Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige en/of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een pgb). 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a.

de jeugdige en/of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige en/of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; c. de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening, of e. de jeugdige en/of zijn ouders de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking op grond van onjuiste of onvolledige gegevens heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening . 4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na de verleningsbeslissing niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. 6. In aanvulling op het tweede lid kan een pgb tussentijds beëindigd worden wanneer:

a. uit de gegevens van de SVB blijkt dat binnen een half jaar geen besteding van het pgb heeft plaatsgevonden. Beëindiging, of voortzetting naar hulp in natura, vindt plaats in overleg met de pgb aanvrager; b. bij verhuizing naar een andere gemeente waardoor de verantwoordelijkheid bij een andere gemeente komt te liggen; c. bij overlijden waardoor de jeugdhulp niet meer wordt verleend; d. als de budgethouder aangeeft dat zijn situatie is veranderd en de gemeente vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet; e. de budgethouder zijn pgb laat omzetten in ZIN. Artikel 16. Waarborging verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt rekening met een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor de door derden te leveren preventie, jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering. Artikel 17. Vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen, ouders en pleegouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 18.

Toezicht en handhaving Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij de wet dan wel deze verordening ten aanzien van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet dan wel deze verordening. Artikel 19. Klachtregeling Het college draagt zorg voor een behoorlijke en transparante procedure ten behoeve van de afhandeling van klachten van een jeugdige of een ouder betreffende een voorziening op grond van artikel 4.2.1 en de toegang tot jeugdhulp op grond van artikel 4.2.2 via de gemeente. Artikel 20. Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college ontwikkelt vormen van cliëntenparticipatie die passen bij de doelgroep jeugd.

Artikel 21. Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels stellen. Artikel 22. Afwijken van bepalingen: hardheidsclausule 1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 2. Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kan het college advies vragen aan een door haar aangewezen adviesinstantie of deskundigen.

Artikel 23. Gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 24. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening jeugdhulp gemeente Geertruidenberg 2020 wordt ingetrokken direct nadat de Verordening jeugdhulp gemeente Geertruidenberg 2022 in werking treedt . 2. Een jeugdige houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een voorgaande Verordening jeugdhulp, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Indien een aanvraag is ingediend in de periode voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening en er op die aanvraag nog geen besluit is genomen op het moment van inwerkingtreding van deze besluitregels, geldt het voor de belanghebbende meest gunstige beleid. Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente Geertruidenberg 2022.

Ondertekening Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van ……. de raad voornoemd, de griffier,

de voorzitter,

drs. K.M.C. Millenaar-Rammelaere

M. Witte

Toelichting bij Verordening jeugdhulp gemeente Geertruidenberg 2022 Aanleiding De eerste Verordening Jeugdhulp is in werking getreden per 1 januari 2015. In 2016 is deze verordening in regionaal verband (negen gemeenten West Brabant Oost) geëvalueerd, en op basis daarvan is een nieuwe verordening jeugdhulp opgesteld. Deze is vervolgens inwerking getreden op 1 januari 2017. De verordening is aan jurisprudentie onderhevig. De Centrale Raad van Beroep heeft de afgelopen periode meerdere uitspraken gedaan waardoor de Verordening in 2020 aangepast diende te worden. Momenteel is er sprake van technische wijzigingen waardoor de verordening opnieuw vastgesteld dient te worden. De verordening jeugdhulp geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Algemeen De Jeugdwet is per 1 januari 2015 in werking getreden. Deze wet maakt onderdeel uit van de decentralisatie jeugdzorg naar gemeenten. Het wettelijke recht op jeugdzorg is met de komst van de Jeugdwet vervangen door een plicht tot het leveren van jeugdhulp, waarbij individueel maatwerk moet worden geboden. Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Opdrachten Jeugdwet aan de gemeente De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: • • •

• •

• •

over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen; met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten.

Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Daarnaast regelt de Jeugdwet de jeugdhulp. Hieronder vallen de volgende functies, gedefinieerd in art. 1.1: 1. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van

psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; 2. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. De verordening jeugdhulp kan niet los worden gezien van het beleidsplan jeugdhulp, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 Jeugdwet dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden: •

•

•

Vrij toegankelijk: In de verordening jeugdhulp is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2 verordening). Voor een deel van de hulpvragen kan volstaan worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot deze door het college geboden voorziening wenden. Het gaat hier om generalistische jeugdhulp. Toegang jeugdhulp via de gemeente: Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met de jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een overige (vrijtoegankelijke) voorziening is of een individuele (niet vrij-toegankelijke voorziening).

Is dat laatste het geval dan neemt deze deskundige na overleg met jeugd en ouders, namens het college, een besluit en schakelt hij de jeugdhulpaanbieder in die volgens de deskundige de aangewezene is om de betreffende problematiek van de jeugdige aan te pakken. Dit laatste is het geval bij Zorg In Natura (ZIN). Het is echter ook mogelijk dat jeugdige en zijn ouders een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB) wensen. Daarover zijn in de Jeugdwet en deze verordening aparte voorwaarden en criteria opgenomen. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en medisch specialist: De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment

terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de contractafspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt. De volgende twee vormen van toegang worden in de Jeugdwet zelf geregeld en komen verder niet terug in deze verordening: •

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren.

Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.

•

Toegang via Advies- en meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) (Veilig Thuis). Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling en beoordeelt welke hulp het gezin nodig heeft. Deze toegang wordt al in de wet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in de verordening.

Toelichting artikelsgewijs Artikel 1. Begripsbepalingen Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9 onder b Jeugdwet. De individuele voorzieningen en overige voorzieningen zijn opgenomen in artikel 2 verordening. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in artikel 3 [e.v.] verordening.

De definitie van ‘onderzoek’ is nodig omdat dit begrip niet is gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal spraakgebruik. De ‘melding’ is het eerste contact van jeugdigen en ouders met het college om aan te geven dat zij ‘een hulpvraag hebben m.b.t. opvoeden en opgroeien’. De ‘melding’ (artikel 3) is iets anders dan de aanvraag om een individuele voorziening; dit laatste is geregeld in artikel 6. Het ‘gesprek’ is het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk zal het college deze bevoegdheid mandateren aan deskundigen - met degene die een hulpvraag heeft zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen. De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Dit geldt ook voor de definitie ‘ZIN’ (zorg in natura). Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening.

Wel is ervoor gekozen in de verordening een verwijzing op te nemen naar een aantal centrale begrippen zoals ‘familiegroepsplan’, ‘jeugdhulp’, ‘logeerzorg’, ‘budgethouder’, ‘deskundige’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’ (zie hiervoor de desbetreffende begrippen in artikel 1.1 Jeugdwet). Het begrip ‘gebruikelijke hulp’ is opgenomen omdat dit begrip niet is gedefinieerd in de Jeugdwet, maar een definitie hiervan nodig is voor de invulling van het begrip eigen kracht uit de wet. Zie hiervoor artikel 2:3 Jeugdwet. Ook het begrip ‘vervoer’ is opgenomen in de begripsomschrijving. Hiermee wordt vervoer bedoeld zoals in artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet. In de verordening jeugdhulp gemeente Geertruidenberg 2022 is een nieuw begrip opgenomen, namelijk het begrip professionele aanbieder. Deze begrip is overgenomen uit hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en heeft in artikel 13 van deze verordening een nadere invulling gekregen. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Artikel 2.

Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 onder a Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de Jeugdwet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele, niet vrij toegankelijke voorziening. In de Jeugdwet zijn deze benoemd als ‘overige’ en ‘individuele’ jeugdhulpvoorzieningen. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Een overige voorziening heeft betrekking op de door het college geboden generalistische jeugdhulp. Een individuele voorziening heeft betrekking op specialistische jeugdhulp. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke

vormen van jeugdhulp wordt door de gemeente of door de huisarts / medisch specialist / jeugdarts of gecertificeerde instelling eerst beoordeeld of de jeugdige of zijn ouders deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (art. 1.1 Jeugdwet). Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Artikel 2 van deze verordening biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan overige en individuele voorzieningen dat het college ter beschikking stelt. Vervoer naar jeugdhulpvoorziening Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden (art. 2.3 Jeugdwet). Vervoer is geen op zichzelf staande jeugdhulpvoorziening en is derhalve niet als aparte voorziening in artikel 2 van de verordening opgenomen. Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente en melding hulpvraag Deze bepaling regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente en is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen.

Dit alles ter uitvoering van artikel 2.9, onder a, van de wet waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Voor het verkrijgen van een individuele voorziening geldt de in artikel 3 tot en met 8 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 4, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Het college is bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat ‘het college’, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.

In gemeente Geertruidenberg is ervoor gekozen om deze toegang via het generalistisch jeugdteam van de BVO CJG Drimmelen Geertruidenberg te laten verlopen. Tweede lid: in dit lid staat dat het college van burgemeester en wethouders in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kunnen treffen. Dit is het geval als een spoedmachtiging is afgegeven door de rechter (of een andere instantie) omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet kan worden afgewacht. De Jeugdwet noemt de inzet jeugdhulp in spoedeisende gevallen in artikel 6.1.3 en 6.1.8. Derde lid: de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een overige voorziening kunnen hier direct naartoe zonder meldingsprocedure in de zin van (artikel 3 en volgende)

deze verordening. In de gemeente Geertruidenberg is ervoor gekozen de overige voorzieningen door de BVO CJG Drimmelen Geertruidenberg uit te laten voeren. Vierde lid: in dit lid staat dat het college van burgemeester en wethouders een te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vastlegt in een beschikking als bedoeld in artikel 8 van deze verordening. In de gemeente Geertruidenberg is ervoor gekozen deze vastlegging in een beschikking te mandateren aan de BVO CJG Drimmelen Geertruidenberg. Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdhulp en geen individuele aanspraken op jeugdhulp. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en/of ouders op een zorgvuldige procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om een uitvoerig, onnodig bureaucratische proces gaat. Dit is echter geenszins de bedoeling. Zo kan het onderzoek (artikel 4), afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 4) – in overleg met de jeugdige of zijn ouders afgezien worden.

Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een onderzoek en gesprek zullen uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke verslaglegging (artikel 5) en schriftelijke indiening van een aanvraag (artikel 6)) zijn opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een zorgvuldige dossiervorming. Artikel 4. Onderzoek Voor zorgvuldige besluitvorming is het belangrijk dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouders wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn ouders te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders het een en ander wordt besproken.

Of dit gesprek op een gemeentelocatie (CJG locatie) plaatsvindt, op school, bij de jeugdige en/of zijn ouders thuis, of bij een andere deskundige zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het gesprek zou duidelijk moeten worden hoe ook de meest complexe individuele voorzieningen kunnen worden getroffen. De wetgever omkleedt de procedure om te komen tot een individuele voorziening met allerlei waarborgen rond een deskundige beoordeling. Het kan zelfs gaan om diagnostiek om voor een psychiatrische behandeling in aanmerking te komen of voor een verblijf in 24-uursopvang. Dat zijn zwaarwegende beslissingen waaraan professioneel onderzoek en afweging aan ten grondslag ligt. In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet plaatsvinden. Het streven is om binnen 8 weken, na aanvraag, met een beslissing te komen. Indien nodig, kan deze termijn met 8 weken verlengd worden. In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is, zullen een

aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige en/of zijn ouders voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld overeenkomstig het in de considerans van de wet vermelde uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en/of de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de WLZ, de Zvw of een voorziening op het gebied van passend onderwijs. Tweede lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek en/of tijdens het gesprek kunnen concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige en/of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen.

Derde lid: In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Het doel van het vaststellen van de identiteit is het beoordelen welke gemeente verantwoordelijk is voor het verlenen van jeugdhulp. Het vierde lid dient er toe de jeugdige en/of ouders te informeren. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Algemene verordening gegevensbescherming zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige en/of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vijfde lid dient er toe om de mogelijkheid te hebben af te zien van een gesprek. Dit zal alleen gebeuren wanneer het op dat moment niet mogelijk is, vanwege de spoedeisendheid van het geval, om een gesprek plaats te laten vinden. Er zal wel altijd voldoende informatie bekend moeten zijn om een zorgvuldig onderzoek uit te kunnen voeren. Indien deze informatie op een andere manier bij het college terecht komt, kan er afgezien worden van een gesprek. Daarnaast kan er ook gedacht worden aan situaties waarin het niet veilig is om een gesprek plaats te laten vinden.

In die gevallen kan er, goed onderbouwd, afgezien worden van een gesprek. Artikel 5. Ondersteuningsplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. Ieder gesprek resulteert in een ondersteuningsplan, tenzij gemotiveerd wordt besloten om dat niet te doen. Het ondersteuningsplan is vormvrij. Om enigszins richting te geven staat in het tweede lid aangegeven wat er in het ondersteuningsplan wordt opgenomen. Het ondersteuningsplan geeft de weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Deze weergave kan variëren. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Het ondersteuningsplan wordt ter ondertekening aan ouders en/of jeugdige voorgelegd, waarbij de keuze wordt gelaten om dit voor gezien of voor akkoord te tekenen.

De Jeugdwet regelt in artikel 7.3.4 dat de ‘betrokkene’ toestemming moet geven voor de verlening van jeugdhulp. Betreft het een minderjarige van zestien jaar en ouder, dan gaat het dus om zijn toestemming. Dit is geregeld in artikel 7.3.5 Jeugdwet. Is de betrokkene twaalf jaar of ouder, maar nog geen zestien, dan is op grond van artikel 7.3.4, tweede lid, Jeugdwet daarnaast ook de toestemming nodig van de gezaghebbende ouders of de voogd. Indien de betrokkene jonger is dan twaalf jaar geldt op grond van artikel 7.3.15 Jeugdwet dat toestemming van de gezaghebbende ouders of de voogd vereist is. Indien het alleen gaat om de aanvraag van jeugdhulp zijn de regels van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Op grond van artikel 1:3 lid 3 Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Hierbij is het belangrijk dat dit verzoek schriftelijk wordt ingediend en dat er een handtekening van een belanghebbende onder staat. Onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Het is dus van belang dat in ieder geval een belanghebbende de aanvraag, in de praktijk het ondersteuningsplan, ondertekend. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden door het college is eveneens vormvrij (derde lid). Artikel 6.

Aanvraag individuele voorziening Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Een aanvraag is nodig om een verleningsbeschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Overigens kan het college een ondertekend ondersteuningsplan, als bedoeld in artikel 6, aanmerken als aanvraag. Een verklaring van de Commissie voor Toelaatbaarheidsverklaringen (van het regionaal samenwerkingsverband passend onderwijs) waarin Ernstige Enkelvoudige Dyslexie is vastgesteld, kan het college ook als aanvraag aanmerken. Beslistermijnen Awb In de verordening is opgenomen dat het college binnen 8 weken beslist op een aanvraag. Indien een beschikking niet acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen.

Het college kan de beslistermijn met 8 weken verdagen. Deze termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is, kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend ondersteuningsplan als aanvraag aan te merken. Indien nodig kan het college een specifiek deskundig oordeel en advies inwinnen als het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag dit vereist. Deze mogelijkheid is in artikel 3:2 Awb opgenomen, waarbij is vastgelegd dat het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen vergaart. Artikel 7. Criteria voor een individuele voorziening In dit lid wordt een drietal algemene criteria vastgesteld om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening. Bij het eerste criterium wordt een invulling gegeven van eigen kracht. Een onderdeel van eigen kracht is de gebruikelijke hulp van ouders en hulp van andere personen uit het sociale netwerk. Het college hoeft geen jeugdhulp in te zetten als de jeugdige of zijn ouders op eigen kracht de problemen kunnen oplossen. Pas als zij er zelf niet uitkomen dient het college hulp te bieden. In het kader van eigen kracht speelt gebruikelijke hulp een rol. Als er jeugdhulp wordt verzocht voor taken waarvan het gebruikelijk is dat ouders dit zelf oppakken, worden de eigen mogelijkheden van ouders toereikend geacht. De opvoedingstaak van ouders komt uit artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek.

Voor een nader afwegingskader met betrekking tot wanneer iets gebruikelijk dan wel bovengebruikelijke hulp is, zullen er beleidsregels opgesteld worden in het Uitvoeringsbesluit van de gemeente Geertruidenberg. Artikel 8. Eigen kracht In dit artikel wordt aan het begrip eigen kracht nadere invulling gegeven. Het begrip eigen kracht komt uit de Jeugdwet. Indien de hulpvraag van de jeugdige en/of de ouders zelf met behulp van hun sociaal netwerk opgelost kan worden, dan dient hiervan gebruik gemaakt te worden. Het college beoordeelt aan de hand van een aantal vragen of er sprake is van eigen kracht ofwel eigen probleemoplossend vermogen bij de jeugdige en/of ouders. Het gaat hierbij om de volgende vragen: • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=6446b71c-0c54-4677-aee4-156685ee06e7