Bijlage 1: Startnotitie Achter de Hoeven - incl bijlagen
Tekst van het document
Figuur 2.8 Bosachtig gebied op de noordelijke helft van de onderzoekslocatie.
Figuur 2.9 Eén van de containers op het erf ten westen van de grasvelden; kijkrichting naar het noorden.
Figuur 2.10 Weiland en twee paardenstallen; krijkrichting naar het noorden.
Figuur 2.11 Takkenhopen noordelijk deel van onderzoekslocatie.
op de
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen Een deel van het terrein is in de jaren 90 opgespoten met een laag zand om woningbouw te realiseren. De plannen voor woningbouw zijn toentertijd uitgesteld waardoor natuur zich heeft kunnen ontwikkelen op het terrein. De initiatiefnemer is voornemens de woningbouw alsnog door te zetten.
14592.001 versie D2
4 / 30
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 2 februari 2023. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Tijdens dit veldbezoek zijn potentiële nesten van broedvogels en bomen die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen in kaart gebracht. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.
Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
14592.001 versie D2
5 / 30
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
4.1 Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht.
4.2 Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
14592.001 versie D2
6 / 30
• • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
4.3 Gebiedenbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.
Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.
14592.001 versie D2
7 / 30
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 21 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
4.4 Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
14592.001 versie D2
8 / 30
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
5.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn en hierdoor een jaarrond beschermde status hebben. Uit verspreidingsgegevens uit het NDFF- uitvoerportaal zijn in de afgelopen 7 jaar in een straal van 3 kilometer de volgende (categorie 1-4 jaarrond) beschermde vogelsoorten aangetroffen: slechtvalk, gierzwaluw, huismus, roek, ooievaar, grote gele kwikstaart, steenuil, kerkuil, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief, zwarte wouw. Van deze soorten zijn binnen Nederland de slechtvalk, gierzwaluw en huismus gebonden aan gebouwen als broedlocatie. Deze soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten door de afwezigheid van geschikte bebouwing voor de soorten op de onderzoekslocatie. De roek broedt in opvallende kolonies met grote nesten. Tijdens het veldbezoek is geen roekenkolonie aangetroffen, waardoor het redelijkerwijs is uit te sluiten dat de roek op de onderzoekslocatie broedt. De ooievaar broedt op ooievaarspalen en andere menselijke bouwwerken, maar soms ook in zelfgemaakte nesten in bomen. Ooievaarspalen en geschikte menselijke bouwsels zijn niet aanwezig op de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen grote nesten of andere sporen van de ooievaar waargenomen.
NDFF-gegevens laten waarnemingen van de ooievaar zien in omliggende wei- en akkerlanden. Het is daarom voor deze soort zeer onwaarschijnlijk dat deze op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. De grote gele kwikstaart nestelt graag bij stromend water in een nis in de muur, bij bomenwortels in natuurlijke oevers en onder bruggen. Dit is niet in geschikte vorm aanwezig op de onderzoekslocatie. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de grote gele kwikstaart de afgelopen jaren meerdere malen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen, waaronder in de rivier de Donge direct ten westen van de onderzoekslocatie. Deze waarnemingen zijn met name in de wintermaanden, wanneer de mannetjes zich door het hele land sporadisch verspreiden. De grote gele kwikstaart broedt voornamelijk in het (zuid)oosten van het land.
14592.001 versie D2
9 / 30
Hiermee wordt het zeer onwaarschijnlijk geacht dat de grote gele kwikstaart broedt binnen de onderzoekslocatie. De steenuil broedt vaak in natuurlijke holtes van bomen, en in rustige hoeken en nissen van gebouwen of schuren, vaak op boerenerven. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de steenuil met name in de akkergebieden rondom Geertruidenberg waargenomen, met een afstand groter dan 2 kilometer. Tijdens het veldbezoek zijn geen bomen aangetroffen met geschikte holtes voor de steenuil, ook is er geen gunstige bebouwing aanwezig op de onderzoekslocatie voor de steenuil. Door het ontbreken van een geschikte nest- en rustlocatie op het plangebied, is het zeer onwaarschijnlijk dat zich op de onderzoekslocatie een beschermde functie voor de steenuil bevindt en dat deze soort op of nabij de onderzoekslocatie een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. Echter, ten westen van het plangebied zijn grote knotwilgen aanwezig, die mogelijk nestlocaties voor de steenuil bieden. Om erachter te komen of de steenuil mogelijk gebruik maakt van deze knotwilgen, wordt geadviseerd contact op te nemen met de lokale steenuilwerkgroep. Afhankelijk van de conclusies uit dit contact kan nader onderzoek steenuil alsnog geadviseerd worden (zie hoofdstuk 6). De kerkuil broedt veelal in nestkasten en incidenteel in boomholten.
Verder broedt de soort in toegankelijke hoge, donkere en tochtvrije delen van boerenschuren, kerken en torens. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de kerkuil met name in het Natura 2000-gebied de Biesbosch waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen bomen aangetroffen met nestkasten of geschikte holtes voor de kerkuil, ook is er geen gunstige bebouwing aanwezig op de onderzoekslocatie voor de kerkuil. Vanwege het ontbreken van een geschikte broedlocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de kerkuil op de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep. De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw broeden in bossen of halfopen landschappen, vaak hoog in een boomkruin, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. Tijdens het veldbezoek zijn drie grote nesten waargenomen in de op de onderzoekslocatie aanwezige bomen (figuur 5.1 t/m 5.3). Ook is er een plukplaats van een houtduif aangetroffen, wat duidt op de aanwezigheid van een roofvogel. Bovengenoemde soorten zullen hieronder apart toegelicht worden.
Figuur 5.1. Groot vogelnest (aangewezen met gele pijl) in boom op het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie.
14592.001 versie D2
Figuur 5.2. Groot vogelnest in boom op de noordelijke begrenzing van de onderzoekslocatie.
Figuur 5.3. Vogelnest in boom op het noordwestelijk deel van de onderzoekslocatie.
10 / 30
De boomvalk broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, maar ook wel in solitaire bomen. De boomvalk broedt regelmatig in populierensingels, op erven en in stadsparken en is daarmee niet uit te sluiten voor de onderzoekslocatie. Tevens laten de verspreidingsgegevens van de NDFF verschillende waarnemingen zien van de boomvalk binnen een afstand van één kilometer de afgelopen vijf jaar. De buizerd is momenteel de talrijkste broedende roofvogel in ons land. Oorspronkelijk gebonden aan grote bossen op zandgronden, broedt hij tegenwoordig door het hele land, ook in kleine bosjes, soms zelfs in solitaire bomen in open land. De verspreidingsgegevens van de NDFF laten verschillende waarnemingen zien van de buizerd op de onderzoekslocatie in de afgelopen vijf jaar. Tevens is tijdens het veldbezoek in februari 2021 een buizerd waargenomen boven het plangebied waargenomen, wat ondersteunt wordt door een wandelaar wie de buizerd regelmatig waarneemt boven de onderzoekslocatie. De havik broedt in alle bosrijke streken en niet zelden ook in kleinere, geïsoleerde bosjes in boerenland. De onderzoekslocatie vormt in principe geschikt habitat voor de havik. Tevens laten de verspreidingsgegevens van de NDFF verschillende waarnemingen zien van de havik binnen een afstand van twee kilometer de afgelopen vijf jaar.
De waarnemingen van de havik zijn met name in het Natura 2000-gebied de Biesbosch geweest. De ransuil broedt in allerlei landschappen maar mijden grote bossen, boomloze gebieden en steden. Ze maken daarbij veelal gebruik van oude kraaien- of eksternesten. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de ransuil. De verspreidingsgegevens van de NDFF laten verschillende waarnemingen zien van de ransuil binnen een afstand van één kilometer de afgelopen vijf jaar. Tevens vertelde een wandelaar regelmatig een ransuil te hebben waargenomen boven de onderzoekslocatie. De sperwer komt in Nederland inmiddels bijna overal voor, met uitzondering van bijna boomloze gebieden. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de sperwer en verspreidingsgegevens van NDFF laten waarnemingen van de sperwer zien binnen een afstand van twee kilometer de afgelopen vijf jaar. Tevens vertelde een wandelaar regelmatig een sperwer te hebben waargenomen boven de onderzoekslocatie. De wespendief broedt in de meeste grote bossen en zijn leefgebied bestaat uit loofbossen en gemengde bossen, met open plekken, heide, hoogvenen en graslandjes. Binnen de onderzoekslocatie zijn geen grote bossen aanwezig en daarmee vormt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat voor de wespendief.
De waarnemingen die via de verspreidingsgegevens van de NDFF getoond worden bevinden zich in het Natura 2000-gebied de Biesbosch, gelegen op 750 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. De Biesbosch zal onder andere door de omvang voor meer geschikt habitat van de wespendief zorgen. Het gebruik van de onderzoekslocatie door de wespendief is hierdoor zeer onwaarschijnlijk. De zwarte wouw is uit te sluiten doordat de broedpopulatie in Nederland zeer klein is (3 paar) en de soort niet broedt nabij de onderzoekslocatie (bron: Vogelbescherming, 2020). De enkele waarneming die via de verspreidingsgegevens van de NDFF getoond wordt betreft een overvliegende (trek)vogel. Indien het plangebied door de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en/of sperwer gebruikt wordt als broedlocatie, dan kan de voorgenomen ingreep verstorend of schadelijk zijn en is nader onderzoek noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).
14592.001 versie D2
11 / 30
Broedvogels categorie 5 (nesten jaarrond situatie afhankelijk beschermd) en algemene broedvogels De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Op en nabij de onderzoekslocatie zijn meerdere nesten en spechtengaten aangetroffen. Ook zijn er verschillende vogelsoorten gezien en/of gehoord, zoals de ekster, koolmees en de groene specht. De onderzoekslocatie is geheel ingesloten tussen enerzijds een rivier en anderzijds bebouwing in de vorm van woonwijken of een bedrijvenpark. Het is niet op voorhand vast te stellen of er afdoende alternatieven van vergelijkbare kwaliteit in de directe omgeving aanwezig zijn. Geadviseerd wordt een broedvogel inspectie van het plangebied uit te laten voeren in combinatie met een omgevingscheck, om te zien of de omgeving afdoende alternatieven kan bieden voor de aanwezige categorie 5 broedvogels (zie hoofdstuk 6). De onderzoekslocatie kan daarnaast nestgelegenheid bieden aan algemene broedvogels, zoals de merel, roodborst, meeuw en houtduif. Deze soorten zijn allen tijdens het veldbezoek in februari 2023 waargenomen. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn.
Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt dient een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden (zie hoofdstuk 6).
Figuur 5.4 Luchtfoto onderzoekslocatie met hierin de aanwezige nesten aangegeven.
14592.001 versie D2
12 / 30
5.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosser vleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Alle bebouwing op de onderzoekslocatie zoals omschreven in hoofdstuk 2 is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van openingen in de gesloten containers, houten beplating en constructies in de open stalcontainers. Deze bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomer-, kraam-, paar- en/of individueel winterverblijf (zie hoofdstuk 6).
Figuur 5.5 Gesloten containers die in potentie geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen.
Figuur 5.6 Gesloten schuurt met houten beplating die in potentie geschikt is als verblijfplaats van vleermuizen.
Figuur 5.7 Open paardenstallen die in potentie geschikt zijn als verblijfplaats van vleermuizen.
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van de boombewonende vleermuizen niet uit te sluiten. Exacte locaties van deze bomen zijn weergegeven in figuur 5.8. Nader onderzoek naar vleermuisverblijfplaatsen in de bomen wordt noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).
14592.001 versie D2
13 / 30
Figuur 5.8 Luchtfoto onderzoekslocatie met hierin de aanwezige potentieel geschikte bomen voor vleermuizen.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich een bedrijventerrein en ten oosten een woonwijk. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie, vooropgesteld dat de verlichting rondom de nieuwe woningen in uitstraling naar de omgeving beperkt blijft. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. Het mogelijke verlies van foerageerhabitat door de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie is relatief groot. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat de impact van de ingreep op de lokale populatie kan zijn (zie hoofdstuk 6). Tevens dient tijdens de werkzaamheden en na de realisatie van de woonwijk gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting om foerageermogelijkheden niet te beperken. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de
14592.001 versie D2
14 / 30
onderzoekslocatie worden verbindingen en daarmee een mogelijke vliegroute voor vleermuizen verstoord (zie hoofdstuk 6).
5.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, wezel, steenmarter, boommarter, eekhoorn en damhert. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de bever. Deze soort komt voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en es. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Gezien de aanwezigheid van geschikt habitat voor de bever, kan het op voorhand niet worden uitgesloten dat de bever gebruik maakt van de onderzoekslocatie (hoofdstuk 6). Tevens betreffen de NDFF waarnemingen van de bever de oever van de direct ten westen van de onderzoekslocatie gelegen rivier de Donge. Het aanwezig hek langs de westzijde van de planlocatie is op zichzelf een barrière voor de bever, echter zijn er gaten en onderdoorgangen die geschikt zijn voor de bever om te passeren.
De bunzing, wezel en steenmarter komen voor in verschillende landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden om te foerageren en veelal water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden. Het gehele functionele leefgebied dient met elkaar in verbinding te staan door dekkingsrijke landschapselementen, die tevens vaak als foerageergebieden worden gebruikt. Kleine marterachtigen maken een schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das, maar ook onder steenhopen, in holle omgevallen bomen, onder boomwortels en in leegstaande schuurtjes of hooizolders. Verbindingsroutes en foerageergebieden worden als essentieel gekenmerkt indien vaste rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen binnen of buiten de onderzoekslocatie hun functie verliezen door het wegnemen van onderdelen uit het leefgebied op de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie zijn elementen aanwezig die mogelijk in gebruik kunnen zijn als vaste rust- en verblijfsplaats, migratieroute of foerageergebied door kleine marterachtingen en de steenmarter (figuur 5.9 t/m 5.11).
De geschiktheid van het habitat wordt onderstreept door het veelvuldig aantreffen van sporen van prooidieren op de onderzoekslocatie, zoals konijnenkeutels en holen van muizen en ratten in oevers van de watergangen die de onderzoekslocatie begrenzen. Tevens vertelde een wandelaar een wezel te hebben waargenomen op de onderzoekslocatie. Aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaatsen van de bunzing, wezel en steenmarter zijn niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).
14592.001 versie D2
15 / 30
Figuur 5.9 Hol aangetroffen op oever langs noordelijke sloot.
Figuur 5.10 Hol in bebost gebied op noordelijke deel onderzoekslocatie.
Figuur 5.11 Takkenhoop op zuidelijk deel onderzoekslocatie.
De boommarter heeft een sterke voorkeur voor bosrijke landschapstypen op zowel zand- als kleigronden. De boommarter maakt gebruik van boomholtes, van onder andere spechten, holle bomen en ruimtes onder boomwortels en takkenrillen als verblijfplaats. De soort heeft binnen zijn territorium verscheidene vaste rust- en verblijfplaatsen en foerageergebieden. In tegenstelling tot de steenmarter, is de boommarter een mensschuwe soort en vermijd gebieden met veel urbane verstoring. De onderzoekslocatie is niet gelegen in een bosrijke omgeving en staat permanent onder urbane verstoring door de frequent gebruik van de locatie door mensen. Daarnaast is ten westen van de onderzoekslocatie, aan de overkant van de rivier de Donge een industrieterrein gelegen. De enkele twee waarnemingen die in de afgelopen 5 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie gedaan zijn, hebben betrekking op Natura 2000-gebied de Biesbosch. De onderzoekslocatie vormt geen geschikt leefgebied voor de boommarter waardoor nader onderzoek niet nodig wordt geacht. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten.
Daarnaast is er slechts één waarneming van de eekhoorn, betreffende een dood exemplaar, gedaan in de afgelopen 5 jaar op circa 3 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie. Het damhert komt (vrijwel) uitsluitend voor in uitgestrekte bosrijke natuurgebieden. Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met dichte ondergroei. Daarnaast is het een sociaal dier dat leeft in roedels. De onderzoekslocatie betreft deels verhard terrein, kleinschalig aangeplant en natuurlijk bos en weides. Hiermee biedt het niet voldoende dekking en leefgebied voor een damhert. Tevens betreffen de twee NDFF waarnemingen van het damhert het Natura 2000-gebied de Biesbosch. Wegens het ontbreken van geschikt habitat binnen de onderzoekslocatie kan verstoring ten aanzien van het damhert als gevolg van de voorgenomen ingreep uitgesloten worden. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als vos, ree en konijn. Tijdens de twee veldbezoeken in 2021 en in 2023 zijn verschillende holen aangetroffen (figuur 5.9 t/m 5.11). Volgens verschillende wandelaars en de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn de vos en de ree de afgelopen jaren meerdere malen waargenomen op of nabij de onderzoekslocatie.
Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren, zoals de vossenburcht en kleine holen, op de onderzoeklocatie worden verstoord of vernietigd. Voor
14592.001 versie D2
16 / 30
deze algemeen voorkomende soorten geldt in de provincie Noord-Brabant een algehele vrijstelling, mits de zorgplicht in acht genomen wordt (zie hoofdstuk 6).
5.4 Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geschikt habitat aanwezig voor reptielen zoals de ringslang. Echter, volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de verspreidingsatlas komt de ringslang niet in dit deel van Nederland voor. Er zijn in de afgelopen vijf jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie ook geen andere beschermde en vrijgestelde reptielensoorten waargenomen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat de onderzoekslocatie in gebruik is als (vaste) rust- of verblijfplaats van reptielen.
5.5 Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is in de afgelopen vijf jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie geen van de streng beschermde amfibiesoorten waargenomen. Wel zijn algemene amfibiesoorten zoals bruine kikker, meerkikker, kleine watersalamander en gewone pad op de onderzoekslocatie te verwachten. De soorten geven de voorkeur aan habitat met bosjes, overhoekjes en ruigten in kleinschalige landschappen met een vochtige bodem. Zij komen dan ook geregeld voor in bossen, parken, tuinen en weilanden. Ook de sloten die de onderzoekslocatie begrenzen kunnen onderkomen bieden aan deze soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten verder beschutting vinden tussen de aanwezige beplanting en ruigte. Indien deze algemene amfibiesoorten aanwezig zijn tijdens de voorgenomen werkzaamheden, kunnen negatieve gevolgen voor hen ontstaan, waardoor het zaak is om aandacht te schenken aan de algemene zorgplicht (zie hoofdstuk 6).
5.6 Vissen Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt dat binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde vissensoort uit de categorie ‘habitatrichtlijn’ is waargenomen: grote modderkruiper. De sloten die de onderzoekslocatie begrenzen, worden door de ingreep niet aangetast, waardoor er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten zijn met betrekking tot beschermde vissoorten, zoals de grote modderkruiper.
14592.001 versie D2
17 / 30
5.7 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers in het buitengebied rondom de onderzoekslocatie, enkel in het Natura 2000-gebied de Biesbosch, in de afgelopen 5 jaar de gevlekte glanslibel, Kempense heidelibel en rivierrombout aangetroffen. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde dagvlindersoort uit de categorie ‘andere soorten’ waargenomen: grote vos. De waarneming betreft één exemplaar op circa één kilometer ten noorden van de planlocatie. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden.
Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. De waargenomen grote vos is naar verwachting een vlinder op trektocht en is geen aanwijzing voor de aanwezigheid van een lokale populatie. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
5.8 Planten De onderzoekslocatie bestaat uit verharding, weiland en bebost gebied (vooral wilgen), bestaande uit een vegetatie met verschillende ruigtesoorten. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende plantensoorten waargenomen: Canadese fijnstraal, teunisbloem en de braam. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat een deel van de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Delen van het gebied, onder andere waar het zand is gestort, zijn voedselarm waardoor er in theorie een mogelijkheid is voor beschermde plantensoorten om hier te groeien. Echter komen er volgens verspreidingsgegevens van de NDFF de afgelopen 5 jaar geen beschermde soorten binnen een straal van 3 kilometer voor, waardoor het zeer onwaarschijnlijk wordt geacht dat er beschermde plantensoorten groeien.
14592.001 versie D2
18 / 30
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen.
6.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Daarom is het verboden nesten van deze soorten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien de aangetroffen grote nesten op de onderzoekslocatie in gebruik zijn door één van deze soorten, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van roofvogels op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de desbetreffende soorten. Door middel van verschillende onderzoeksrondes worden de nesten geobserveerd en wordt mogelijk broedactiviteit vastgesteld. Daarnaast dient tevens de functie van de onderzoekslocatie als foerageergebied voor roofvogels onderzocht te worden. Om erachter te komen of de steenuil mogelijk gebruik maakt van de knotwilgen ten westen van de onderzoekslocatie, wordt geadviseerd contact op te nemen met de lokale steenuilwerkgroep. Afhankelijk van de conclusies uit dit contact kan nader onderzoek naar de steenuil alsnog geadviseerd worden.
Broedvogels (nesten jaarrond situatie afhankelijk beschermd) en algemene broedvogels Vogels met een nestbescherming conform categorie 5 hebben mogelijk geen afdoende alternatieve broedgelegenheid in de omgeving. Het is daarom van belang door middel van een broedvogelinspectie de betreffende soorten vast te stellen. Vervolgens kan door middel van een omgevingscheck beoordeeld worden of er maatregelen moeten worden getroffen om de populaties duurzaam in stand te houden. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.
14592.001 versie D2
19 / 30
Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.
6.2 Vleermuizen De bebouwing op de onderzoekslocatie, in de vorm van containers en paardenstallen, zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Dit geldt ook voor een aantal bomen met holten en/of loshangend schors. De sloop van de bebouwing en de kap van dergelijke bomen zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021).
Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode half mei tot en met half september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag.
14592.001 versie D2
20 / 30
6.3 Overige zoogdieren Bever De bever is een beschermde inheemse diersoort en tevens opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang, die strikt moeten worden beschermd. De bever wordt ook benoemd in Bijlage II van de Conventie van Bern. De voortplantingsplaats van de bever is de burcht waarin de soort zijn jongen ter wereld brengt en waar de jongen groot gebracht worden. In de context van de Wet natuurbescherming moet onder de voortplantingsplaats en rustplaats ook de functionele leefomgeving van die plekken worden begrepen, voor zover het functioneren van die plekken als zodanig daarvan afhankelijk is. Alle activiteiten die het voortplantingssucces negatief beïnvloeden of teniet doen leiden tot een overtreding van artikel 3.5 lid 2. Overtreding van dit artikel is aan de orde wanneer de burcht negatief beïnvloed wordt, maar ook wanneer het gebied waarin de burcht van de bever is aangetroffen vernietigd of aangetast wordt of wanneer de kwaliteit daarvan voor de bever zodanig verslechtert, waardoor de burcht niet meer zijn functie van voortplantingsplaats of vaste rust- of voortplantingsplaats kan vervullen (BIJ12, 2017). De bever maakt mogelijk gebruik van de onderzoekslocatie om voedsel te zoeken. Hierbij maakt de soort gebruik van de watergang rond het plangebied.
De watergangen die gebruikt worden door de bever worden in het kader van de planvorming niet gedempt. Van directe aantasting van voedselhabitat is daarom geen sprake. Indirecte aantasting van leefgebied kan aan de orde zijn als de bevers het gebied vermijden als gevolg van verstoring. Bevers zijn nacht actieve dieren, verstoring is alleen aan de orde bij nachtelijke activiteit van mensen of aanwezigheid van licht langs de watergangen. Er kan echter niet direct worden uitgesloten dat er op de onderzoekslocatie of in de directe omgeving een burcht of holen aanwezig zijn. Een aanvullend ecologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om het terreingebruik door de bever te onderzoeken en de onderzoekslocatie en directe omgeving te controleren op burchten en holen. Bunzing, wezel en steenmarter De bunzing, wezel en steenmarter behoren tot de beschermde inheemse diersoorten krachtens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het is hierdoor verboden om de soorten in hun natuurlijk verspreidingshabitat opzettelijk te doden en vangen, alsook om vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de soorten te beschadigen of vernielen. Daarmee is functioneel leefgebied ten behoeve van het functioneren van de vaste rust- en voortplantingsplaatsen eveneens beschermd.
Wanneer op de onderzoekslocatie essentiële onderdelen van het functionele leefgebied van kleine marterachtigen en steenmarter aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De bosschage, riethagen en greppels op de onderzoekslocatie bieden potentieel leefgebied, foerageergebied en mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen voor deze beschermde soorten. De lijnvormige elementen in het landschap bieden migratieroutes tussen deze habitats. Het verwijderen van de aanwezige beplanting en het vergraven van holen kan
14592.001 versie D2
21 / 30
leiden tot vernietiging van vaste rust- en voortplantingsplaatsen en/of foerageergebied van deze soorten, wat in strijd is met de wet Natuurbescherming. Het is daarom van belang om vast te stellen dan wel uit te sluiten dat kleine marterachtigen en steenmarter gebruik maken van de onderzoekslocatie. Om de aanwezigheid van beschermde functies van kleine marterachtigen en de steenmarter te bepalen dient, conform de methode zoals beschreven in de Handreiking wezel, hermelijn en bunzing (provincie Noord-Brabant, 2017). Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of de beschermde bunzing, wezel en steenmarter gebruik maken van de onderzoekslocatie als vaste rust of voortplantingsplaats.
6.4 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Het verwijderen van vegetatie, snoeiafval, takkenhopen en bladeren dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uit te voeren. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. Om overtreding van de zorgplicht, en daarmee de Wet natuurbescherming te voorkomen, kan gewerkt worden volgens een ecologisch werkprotocol. Hierin zal worden beschreven hoe gewerkt dient te worden om overtreding van de zorgplicht te voorkomen.
6.5 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
14592.001 versie D2
22 / 30
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
7.1 Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, De Biesbosch, bevindt zich op circa 750 meter afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1).
Figuur 7.1 Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen
14592.001 versie D2
23 / 30
plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de voorgenomen nieuwbouw ontwikkeling en afstand tot het Natura 2000-gebied op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
7.2 Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 30 meter ten westen van de onderzoekslocatie. In figuur 7.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 7.2
Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te
14592.001 versie D2
24 / 30
onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant nader moeten worden onderzocht.
14592.001 versie D2
25 / 30
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Het is echter binnen de gemeentelijke verordening mogelijk noodzakelijk een omgevingsvergunning (kapvergunning) aan te vragen. Geadviseerd wordt om hierover contact op te nemen met de gemeente Geertruidenberg.
14592.001 versie D2
26 / 30
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Geertruidenberg een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd op de locatie Achter de Hoeven te Raamsdonksveer. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. Aanleiding van huidig onderzoek is dat op de onderzoekslocatie door Econsultancy in 2021 een quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd (rapport 14592.001, versie D1, d.d. 16 maart 2021), die geactualiseerd dient te worden. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Een deel van het terrein is in de jaren 90 opgespoten met een laag zand om woningbouw te realiseren. De plannen voor woningbouw zijn toentertijd uitgesteld waardoor natuur zich heeft kunnen ontwikkelen op het terrein. De initiatiefnemer is voornemens de woningbouw alsnog door te zetten. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1.
In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 9.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Ontheffingsderzoek aanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren, indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt een broedvogelinspectie laten uitvoeren.
categorie 5 ja (nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond beschermd)
mogelijk
ja
mogelijk
broedvogelinspectie categorie 5 nestlocaties in combinatie met een omgevingscheck.
categorie 1-4 (nesten jaarrond Beschermd)
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer; contact opnemen met lokale steenuil werkgroep.
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek verblijfplaatsen gebouwen boombewonende vleermuissoorten.
algemeen
14592.001 versie D2
27 / 30
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Ontheffingsderzoek aanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
foerageergebied
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar foerageergebied in het bebost gebied en de open vlakte / weilanden op de onderzoekslocatie; gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting.
vliegroutes
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar vliegroutes bij de bomenrijen aanwezig langs de weilanden en langs de randen van de onderzoekslocatie; gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting.
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
ja
mogelijk
nader onderzoek naar de bever, steenmarter, bunzing en wezel; aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren.
Amfibieën
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën.
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader on- Vergunningderzoek plicht
Natura 2000
750 m
mogelijk
ja
mogelijk
uitvoeren van modelberekening (Aerius calculator).
Natuurnetwerk Nederland
30 m
mogelijk
ja
mogelijk
nee, tenzij-toets uitvoeren.
Houtopstanden
ja
ja
nee
nee
-
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusies en aanbevelingen In het kader van de Wet natuurbescherming worden vervolgonderzoeken geadviseerd voor diverse soortengroepen om de daadwerkelijke functie van de onderzoekslocatie vast te stellen. Deze aanvullende onderzoeken dienen in de onaangetaste situatie te worden uitgevoerd om overtreding van verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen. Soortenbescherming De boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer zijn beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Daarom is het verboden nesten van deze soorten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien (één van) de grote nesten die op de onderzoekslocatie zijn aangetroffen in gebruik is door één van deze soorten, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te
14592.001 versie D2
28 / 30
sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van roofvogels op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de desbetreffende soorten. Daarnaast dient tevens de functie van de onderzoekslocatie als foerageergebied voor roofvogels onderzocht te worden. Ook wordt aangeraden contact op te nemen met de lokale steenuilwerkgroep om de aanname te verifiëren dat de steenuil geen negatief effect zal ondervinden van de voorgenomen ingreep. Vogels met een nestbescherming conform categorie 5 hebben mogelijk geen afdoende alternatieve broedgelegenheid in de omgeving. Het is daarom van belang door middel van een broedvogelinspectie de betreffende soorten vast te stellen. Tevens is een omgevingscheck noodzakelijk om vast te stellen of de omgeving afdoende alternatieven kan bieden voor de aanwezige categorie 5 broedvogels en of de categorie 5 beschermde nesten al dan niet een jaarronde bescherming hebben. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten.
Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. De opstallen en de bomen bieden geschikte verblijfplaatsen voor de volgende vleermuizen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en meervleermuis. Daarnaast kunnen de watergangen en de bosschages in principe geschikt zijn als vliegroute en foerageergebied. Om de functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen vast te stellen zal een aantal veldbezoeken in de periode mei tot en met september uitgevoerd moeten worden. Tevens dient tijdens en na de realisatie van de woonwijk, gebruik te worden gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting. In de context van de Wet natuurbescherming zijn vaste rustplaatsen van de bever beschermd. Daaronder valt ook de functionele leefomgeving van die plekken, voor zover het functioneren van die plekken als zodanig daarvan afhankelijk is. Verstoring van een vaste rustplaats leidt tot een overtreding van artikel 3.5 lid 2 en 4.
Overtreding van dit artikel is aan de orde wanneer een vaste rustplaats direct aangetast wordt. Ook vernietigen of aantasten van het gebied waardoor de kwaliteit zodanig verslechtert dat de rustplaats niet meer kan functioneren geldt als overtreding. Nader onderzoek conform het kennisdocument van de bever (BIJ12, 2017) wordt noodzakelijk geacht. Ten aanzien van kleine marterachtigen (bunzing en wezel) en steenmarter geldt dat nader onderzoek noodzakelijk is om de functie van de onderzoekslocatie voor deze soorten vast te stellen. Indien kleine marterachtigen en/of de steenmarter vaste rust- of voortplantingsplaatsen hebben op de onderzoekslocatie, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ontwikkeling kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming.
14592.001 versie D2
29 / 30
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen, en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Gebiedsbescherming Op basis van de ingreep zijn externe effecten op het meest dichtbij zijnde Natura 2000-gebied (de Biesbosch) als gevolg van een toename van stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op voorhand niet uit te sluiten. Overige effecten zijn op basis van de voorgenomen ingreep wel uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof is noodzakelijk. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). De rivier de Donge welke zich 30 meter ten westen van de onderzoekslocatie bevindt, is onderdeel van het natuurnetwerk Nederland. Om de effecten van de voorgenomen herinrichting op de onderzoeklocatie te onderzoeken wordt een nee, tenzij-toetsing geadviseerd.