Bestemmingsplan 230904 NL.IMRO.0779.RDBPMolenstraat58a-vs01
Tekst van het document
De overige onderzochte grond bleek niet verontreinigd met de onderzochte parameters. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetoonde gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. In de grond is zintuiglijk geen asbest aangetroffen. Tevens is analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Deellocatie B: gedempte watergang Er zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen die duiden op een gedempte watergang. Tevens bleek de bodemopbouw ter plaatse van deellocatie B niet afwijkend ten opzichte van de rest van de onderzoekslocatie. Derhalve is de grond gecombineerd onderzocht. Conclusie De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor deze bestemmingsplanwijziging. 5.3
Milieu
5.3.1 Flora en Fauna In het kader van de natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden, te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Tritium Advies heeft voor het terrein een natuurscan uitgevoerd. De resultaten zijn vervat in het rapport ‘Quickscan flora en fauna, Tritium Advies, documentnr. 2202/107/JOW-02, versie 0, 20 april 2022’. Resultaten Natura 2000 gebieden Met het meest nabije Natura 2000-gebieden op minder dan 10 kilometer afstand valt een negatief effect van de geplande acties op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten (Aanpak Stikstof). Door de korte afstand kan er mogelijk verspreiding van schadelijke stoffen via de lucht of het water naar Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Een stikstofberekening om eventuele stikstofdepositie ten gevolge van de geplande inrichtings-, sloop- en/of bouwwerkzaamheden (gebruikersfase) op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten is daarom noodzakelijk. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om het Natuurnetwerk Nederland.
Mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van een natuurgebied door de geplande werkzaamheden moet in kaart gebracht worden, met uitzondering van verspreiding van stoffen via de lucht of het water. In dit geval is het plangebied op een dergelijke afstand van het dichtstbijzijnde natuurgebied gelegen dat een negatief effect op dat natuurgebied niet verwacht wordt. 27
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58, te Raamsdonk” - 9 november 2023
Houtopstanden Er zijn binnen het plangebied geen houtopstanden. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Wet Natuurbescherming. Flora Er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de flora. Vogels Een aantal vogelsoorten benut het plangebied als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien grotendeels als foerageergebied in gebruik blijven. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Er kunnen geen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of verwijdering van beplanting plaatsvinden wanneer er broedende vogels aanwezig zijn in de nabije omgeving. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden tussen begin oktober en half februari worden er eveneens geen nadelige effecten verwacht voor vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie.
Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er daarom geen negatieve effecten te verwachten voor grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn binnen het plangebied geen locaties aangetroffen die mogelijk geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor gebouw- of boombewonende vleermuizen. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de geplande werkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten, zoals bijvoorbeeld de gewone pad en de bruine kikker, zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor deze soorten.
Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden Er zijn geen negatieve effecten te verwachten van dit planvoornemen met betrekking tot ongewervelde fauna. Invasieve exoten Binnen het planvoornemen zijn er geen verplichtingen aangaande invasieve exoten. Zorgplicht Voor alle in het wild levende plant- en diersoorten en voor hun directe leefomgeving geldt een zorgplicht (Wet Natuurbescherming – artikel 1.11). Met deze zorgplicht worden naast de nationaal en Europees aangewezen beschermde soorten en gebieden ook algemenere overige inheemse soorten beschermd. De zorgplicht houdt in dat men handelingen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten; • achterwege laat; • indien achterwege laten niet passend is, maatregelen neemt om nadelige gevolgen te voorkomen; • indien die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het is wettelijk verplicht invulling te geven aan deze zorgplicht.
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
28
Bij de uitvoering van sloop- en bouwprojecten kunnen werkzaamheden veelal niet achterwege gelaten worden. Het is daarbij verplicht om maatregelen te nemen en daarmee de nadelige gevolgen op inheemse plant- en diersoorten te beperken of te voorkomen. Nadelige gevolgen kunnen veelal voorkomen worden door te werken in de minstkwetsbare periode, zoals buiten de winterslaap, voortplantingstijd en periode van afhankelijkheid van jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle soortgroepen gelijk. In het algemeen geldt de periode van half oktober tot eind november als ‘veilige’ periode voor alle diergroepen. Dit is de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn en de mogelijkheid hebben om zich te verplaatsen. Bovendien zijn de jongen uit het laatste legsel van late broeders zoals de houtduif dan ook uitgevlogen (Vogelbescherming Nederland). Daarnaast kunnen negatieve gevolgen op algemeen voorkomende soorten beperkt worden door tijdens de werkzaamheden zodanig te werken dat dieren het plangebied kunnen verlaten zodat verwonding of doding van individuen wordt voorkomen.
Voorbeelden zijn: de werkzaamheden in de richting van een vluchtgebied uitvoeren, de werkzaamheden langzaam opstarten en/of langzaam werken zodat dieren de tijd hebben om het plangebied te ontvluchten, voorafgaand aan de start van werkzaamheden verstoring creëren zodat dieren uit het plangebied vluchten. Verder worden negatieve gevolgen op inheemse fauna beperkt door werkzaamheden zo veel mogelijk overdag uit te voeren. Bij gebruik van verlichting dient deze zo geplaatst te worden dat enkel de werkzaamheden gericht verlicht worden. Lichtverstrooiing kan vermeden worden door het gebruik van kappen. Indien er tijdens de werkzaamheden, ondanks voorgenomen maatregelen, toch beschermde soorten of broedgevallen binnen het plangebied zijn gevestigd dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en dient een ecologisch deskundige te worden ingeschakeld. Hiermee kan schade en verstoring van deze individuen zo veel mogelijk worden voorkomen en wordt er geen overtreding op de Wet natuurbescherming gemaakt. Conclusie In algemene zin kan geconcludeerd worden dat: • Om eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten dient een stikstofberekening te worden gemaakt. • De omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen.
• Om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd. • Om vestiging van oeverzwaluwen binnen het plangebied te voorkomen, dient het ontstaan van steile zandwanden vóór en tijdens het broedseizoen van de oeverzwaluwen (maart - juni) te worden voorkomen. • Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente. Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van de Checklist Groen Bouwen opgesteld door Vogelbescherming Nederland en de Zoogdiervereniging (Checklist Groen Bouwen). Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. 5.3.2 Stikstofdepositie De diversiteit van de natuur gaat in Europa al lange tijd achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna wordt daarom op Europees niveau als noodzakelijk gezien en heeft vorm gekregen in Natura 2000. Dit is een netwerk van waardevolle natuurgebieden in de Europese Unie. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden.
In Nederland is het Programma Aanpak Stikstof opgezet om de doelen van Natura 2000 te realiseren en ook tegelijkertijd ruimte voor economische ontwikkeling toe te staan. Er zijn ruim 160 gebieden aangemeld als Natura 2000-gebied met een gezamenlijk oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Hiervan is 69% water; de rest is land. 133 gebieden kennen een te hoge stikstofdepositie. De stikstofdepositie mag er de draagkracht van de natuur niet te boven gaan. Voordat er woningen worden gebouwd dan wel wegen worden aangelegd of verbreed, wordt de te verwachten stikstofdepositie uitgerekend en getoetst of de depositie toeneemt. 29
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58, te Raamsdonk” - 9 november 2023
Natura 2000 richt zich op het behoud en de ontwikkeling van natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Natuurbeschermingswet 1998. Welke gebieden onder Natura 2000 vallen, staat in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Voor ammoniak zijn emissiedoelstellingen geformuleerd in het kader van de Europese NEC (National Emission Ceiling)-richtlijn en in het Gotenborg protocol onder de Verenigde Naties-conventie over grensoverschrijdende luchtverontreiniging. Nederland heeft zich hierbij verplicht om in 2020 niet meer dan 123 kiloton ammoniak per jaar uit te stoten. In 2010 bedroeg dit plafond nog 128 kiloton ammoniak. Het kabinet heeft besloten om de stikstofproblematiek structureel aan te gaan pakken, wat heeft geleid tot de introductie van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), welke op 1 juli 2021 in werking is getreden. Met deze wet wordt beoogd de natuur te versterken en de stikstofuitstoot en depositie te verminderen. De wet bevatte ook een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor de bouwsector. Naar aanleiding van de ‘Porthosuitspraak’ omtrent de bouw-/aanlegfase van 2 november 2022 moet worden geconcludeerd dat de vrijstelling, zoals opgenomen was onder de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn), niet in overeenstemming is met de Europese wetgeving.
Daarom dient ook de aanlegfase betrokken te worden in de planvorming/vergunningverlening en moet een bijbehorende berekening stikstofdepositie worden uitgevoerd. Om de mogelijke (toename van) stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden inzichtelijk te maken, is voor de beoogde ontwikkeling een berekening stikstofdepositie opgesteld. Dit middels het rekeninstrument AERIUS Calculator 2022. Onderzoek Tritium Advies heeft een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. (Berekening stikstofdepositie, Tritium Advies B.V., documentkenmerk: 2205/099/CW-03, versie 0, 16 maart 2023). Voor het berekenen van de stikstofdepositie op de 25 Ruimtelijke onderbouwing “Rozenbloemstraat 61” - maart 2023 relevante Natura 2000-gebieden in de omgeving van de planlocatie is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2022. De berekening is uitgevoerd in het kader van de planologische procedure dat de realisatie van een vrijstaande woning aan de Rozenbloemstraat mogelijk moet maken. In de berekeningen zijn de emissies van NOX en NH3 van de relevante bronnen meegenomen. Het gaat hierbij om: • Woning (gebruiksfase); • Verkeersbewegingen binnen en buiten het plangebied (gebruiksfase en aanlegfase); • Sloop- en bouwwerkzaamheden (aanlegfase).
Conclusie Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2022 blijkt dat er ten gevolge van het planvoornemen geen sprake is van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000-gebieden kunnen plaatsvinden ten gevolge van de gebruiksfase of aanlegfase. Een vergunning in het kader van de Wnb ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van het beoogde planvoornemen. 5.3.3
Waterparagraaf
Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthoudenbergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren.
De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
30
Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer-waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid van het Waterschap Brabantse Delta is voor de komende jaren vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022 – 2027 ‘Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’. In het waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. In het waterbeheeprogramma worden de volgende doelstellingen gehanteerd: 1. Klimaatadaptatie Het beperken van en het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Het waterschap werkt samen met alle partners aan een andere inrichting van de openbare ruimte om hier invulling aan te geven. Hierbij komen alle kerntaken samen.
Ook stimuleren we burgers en bedrijven om maatregelen te nemen. 2. Waterveiligheid Het waterschap werkt aan dijkonderhoud, en -versterking. Maar ook de ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing zijn belangrijk voor het beperken van overstromingsrisico’s. 3. Gezond water Samen met partners werken aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Gezond water met veel natuur in en om het water en aantrekkelijk voor iedereen. 4. Voldoende water Het tegengaan van verdroging en het vergroten van de beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater vraagt om maatwerk. Vasthouden en infiltreren van water staat bovenaan. 5. Vaarwegen We zijn verantwoordelijk voor het onderhoud van vaarwegen voor vlot en betrouwbaar scheepvaartverkeer en kijken naar het recreatieve belang van vaarwegen. 6. Waterketen Alle zuiveringen, rioolgemalen, afvalwatertransportleidingen en persstations die van belang zijn om afvalwater schoon te maken, onderhouden en vernieuwen we duurzaam en efficiënt. Er is aandacht voor innovaties, verminderen van het gebruik van grondstoffen en het opvoeren van het produceren van grondstoffen uit afvalwater. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/ speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.
31
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58, te Raamsdonk” - 9 november 2023
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater. De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids) uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; • de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: • de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; • de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; • daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Beleid gemeente Geertruidenberg De verantwoordelijkheid van de gemeente op het gebied van afval-, hemel- en grondwater staat beschreven in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan+ 2017-2022 (VGRP+). Dit is een beleidsdocument voor zowel het afvalwater als het hemelwater en het grondwater. Het VGRP+ Geertruidenberg geldt voor de planperiode 2017 tot en met 2022.
Het VGRP+ geeft de gemeente Geertruidenberg onder meer weer hoe zij invulling geeft aan haar zorgplichten voor de betreffende waterstromen. Concreet betekent dit een overzicht op hoofdlijnen van alle aanwezige gemeentelijke voorzieningen en de activiteiten die in de planperiode worden ontplooid om deze voorzieningen te onderhouden en te beheren of te vervangen. Voor nieuwe (particuliere) bouwwerken in bestaand gebied geldt het beleid, dat het huishoudelijk afvalwater, het hemelwater en het grondwater gescheiden moeten worden aangeboden conform het Bouwbesluit 2012. Op die manier kunnen deze huisaansluitingen eenvoudig worden opgepakt bij afkoppelwerkzaamheden. Alle nieuw te realiseren bebouwing binnen de gemeente Geertruidenberg wordt aangesloten op de (druk)riolering of een alternatieve voorziening die voldoet aan de eisen van de Regeling lozing afvalwater huishoudens. Dit wordt afgedwongen door ongezuiverde lozingen op oppervlaktewater en in de bodem in principe niet toe te laten. Bij de omgevingsvergunning wordt melding gemaakt van de verplichting aan te sluiten op de riolering. Bij nieuwbouw zal, waar mogelijk, het hemelwater gescheiden worden verwerkt van het afvalwater. Bij de verwerking van hemelwater wordt de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ als voorkeursvolgorde aangehouden.
Concreet betekent dat overtollig hemelwater bij voorkeur lokaal wordt hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem. Indien dat niet mogelijk is, wordt het hemelwater rechtstreeks afgevoerd naar het oppervlaktewater of aangesloten op een regenwaterriolering. Belasting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie met schoon water wordt daarmee beperkt. Conclusie Het plangebied is op basis van de Keur niet gelegen in beschermde gebieden en is niet gelegen in of nabij oppervlakte water, waterkering en/of bijhorende beschermingszones. Het toekomstige perceel heeft een oppervlakte van circa 700 m2. In de bestaande situatie is de locatie ingezaaid met gras en zijn er planologisch gezien geen bouwmogelijkheden. In de toekomstige situatie wordt een bouwvlak van ca. 220 m2 mogelijk gemaakt, dat volledig bebouwd mag worden. Buiten het bouwvlak mogen bijgebouwen tot een maximum van 60 m2 gebouwd worden. Het maximaal bebouwd oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt 280 m2. De overige verharding in de toekomstige situatie bestaat uit de oprit inclusief parkeerplaatsen (160 m2) en
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
32
het terras (50 m2). De oppervlakte hiervan bedraagt circa 210 m2. Het bebouwd en verhard oppervlak neemt in de toekomstige situatie maximaal toe met 490 m2. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 500 m² wordt de rekenregel door het waterschap toegepast en moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. Geconcludeerd kan worden dat er op de planlocatie geen sprake is van een minimale bergingseis en dus niet van een waterbergingsopgave. Er kan gebruik worden gemaakt van de eenmalige vrijstelling. Een belangrijk uitgangspunt is dat de zorgplicht begint bij de burger. Bij nieuwbouw zal, waar mogelijk, het hemelwater gescheiden worden verwerkt van het afvalwater. De gemeente Geertruidenberg hanteert bij de verwerking van hemelwater voorts de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’. De perceeleigenaar draagt de verantwoordelijkheid om overtollig hemelwater te bergen en/of te verwerken op zijn/ haar eigen terrein. 5.4.4
Wegverkeerslawaai
Beleid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, andere geluidgevoelige gebouwen, geluidgevoelige terreinen), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Rijksweg A59. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur wegen Molenstraat en Raadhuisstraat. Voor de 30 km/uur wegen Molenstraat en Raadhuisstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woning overschrijdt. Bovendien kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Onderzoek Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, projectnr. 2205/099/CW-04, versie 0, 8 november 2022). Voor de Rijksweg A59 geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woning de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 1 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwbouw in de geluidzone van een autosnelweg wordt nergens overschreden.
Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting, onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet en wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Zowel het vervangen van het reeds bestaande geluidscherm langs de Rijksweg A59 (overdrachtsmaatregel) als het verbeteren van het wegdek van de Rijksweg A59 met 2-laags ZOAB (bronmaatregel) ten behoeve van één woning worden financieel niet doelmatig bevonden. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie eveneens niet doeltreffend. Om een hogere waarde te kunnen verlenen dient tevens voldaan te worden aan één van de zes subcriteria zoals genoemd in het “Beleid hogere waarden Wet geluidhinder” d.d. 13 februari 2014 van de gemeente Geertruidenberg. In onderhavige situatie wordt aan deze eis voldaan aangezien het bouwplan een open plek binnen de bebouwde kom van de gemeente Geertruidenberg opvult. Conclusie Aangezien geen hogere waarde dan 53 dB dient te worden vastgesteld, wordt voldaan aan de aanvullende eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.
Ondanks dat een procedure hogere grenswaarde aan de orde is, wordt op basis van de cumulatieve geluidbelasting van het wegverkeer een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. De woning dient volgens het bouwbesluit aan het binnenniveau van 33 dB te voldoen. Dit dient bij de aanvraag omgevingsvergunning, activiteit bouwen, aangetoond te worden.
33
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58, te Raamsdonk” - 9 november 2023
5.4.5
Bedrijven en milieuzonering
Beleid Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
Raadhuisstraat 62, Dealer 2de hands auto's Molenstraat 58a, Geluidsstudio Planlocatie Molenstraat 54, Loon- en grondverzetbedrijf
Molenstraat 38, Paardenhouderij
Figuur 5.3: Bedrijven in de (directe) omgeving van de planlocatie Bedrijf, max categorie 2, Dealer 2de hands auto's Bedrijf, max categorie 2, Loon- en grondverzetbedrijf Bedrijf, max categorie 2, Geluidsstudio Planlocatie
Figuur 5.4: Uitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan ‘Kern Raamsdonk’, locatie in rood omlijnd Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
34
Inventarisatie In de nabijheid van het plangebied zijn enkele bedrijven gelegen. Daarom dient er onderzocht te worden in welke mate de toevoeging van een woning deze bedrijven in hun milieuruimte zou kunnen beperken en wat de invloed van de aanwezige bedrijven op het nieuw te realiseren gevoelig object is. Adres
Bestemming
Max. toegestane milieucategorie Molenstraat 38 Bedrijf (paardenhouderij) 3.2 Molenstraat 54 Bedrijf (loon- en grondverzet) 2 Molenstraat 58a Bedrijf (geluidstudio) 2 Raadhuisstraat 62 Bedrijf (autohandelaar) 2
Richtafstand Afstand tot plangebied 100 m ca. 210 m 30 m ca. 26 m 30 m ca. 0 m 30 m ca. 80 m
Voldoet Voldoet niet Voldoet niet Voldoet
Zoals in bovenstaande tabel te zien is, ligt het plangebied binnen de richtafstanden van een tweetal bedrijven, het loon- en grondverzetbedrijf en de geluidstudio. Toetsing beoogde ontwikkeling Molenstraat 54 Aan Molenstraat 54 is een loonwerk- en grondverzetbedrijf gevestigd. Het bedrijf verricht loonwerk- en grondverzet werkzaamheden en verhuurt daarnaast materieel voor loonwerk- en grondverzet activiteiten. De afstand tussen de toekomstige woning en het bedrijf bedraagt circa 26 meter. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter. De richtafstand wordt aan de hand van drie aspecten bepaald: geur, stof en geluid. Voor een loonwerkbedrijf zijn de aspecten geur en geluid maatgevend.
Figuur 5.5: Loonwerk en grondverzetbedrijf aan Molenstraat 54 in rood omlijnd, planlocatie wit omlijnd.
In de feitelijke situatie is aan de westzijde van het bedrijfsperceel een bedrijfswoning en een opslagloods voor materieel gelegen. Midden op het perceel is een tweede loods voor opslag van materieel aanwezig. In de opslagloodsen worden de diverse kranen, trekkers, shovels en graafmachines gestald. De loonwerkactiviteiten en het grondverzet vinden elders plaats. De loods staat op de westelijke perceelsgrens en heeft geen te openen delen aan deze zijde. De toegang tot de loods vindt plaats vanaf de oostzijde. Aan de noordoostzijde van het bedrijfsperceel wordt een deel van het terrein ingezet voor de buitenopslag van grond en grind. De buitenopslag is gelegen op een afstand van circa 75 meter vanaf de toekomstige woning. Het bedrijf is gezien de activiteiten, opslag van materieel voor loonwerk en grondverzet en de buitenopslag van grond en grind, in de avond- en nachtperiode niet in werking.
35
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58, te Raamsdonk” - 9 november 2023
Aan zowel de oost- als westzijde van het bedrijf aan de Molenstraat 54 zijn burgerwoningen gelegen. Vanwege het feit dat er op korte afstand van het bedrijf reeds burgerwoningen zijn gelegen wordt het bedrijf door de beoogde ontwikkeling niet verder in zijn bedrijfsvoering beperkt. Gezien de ligging van bestaande burgerwoningen (Molenstraat 52 en 56) op korte afstanden van het bedrijf, dient het bedrijf zich aan het Activiteitenbesluit te houden. Piekgeluiden van laad- en losactiviteiten worden daarbij in de dagperiode uitgesloten volgens het Activiteitenbesluit, artikel 2.17, lid 1 onder b. Omdat alleen sprake is van activiteiten in de dagperiode en omdat ter plaatse van bestaande woningen aan de grenswaarden voor geluid moet worden voldaan, kan voor het aspect geluid worden gesteld dat ook ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals eerder aangegeven vindt de buitenopslag van grond en grind plaats aan de noordwestzijde van het terrein, op een minimale afstand van 75 meter van de toekomstige woning. De opslagloods waar het materieel gestald staat heeft geen te openen delen aan de westzijde. De afstand tot te openen delen van de loods is minimaal 40 meter. Aan de richtafstand van 30 meter vanaf het geurgevoelig object tot aan de bron van de eventuele geurhinder wordt voldaan.
Daarmee kan gesteld worden dat voor het aspect geur ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het aspect stof geldt voor een loonwerkbedrijf een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ook voldaan. Wanneer een ander bedrijf zich zou willen vestigen aan de Molenstraat 54 dient dat bedrijf zich aan het Activiteitenbesluit te houden en rekening te houden met de bestaande woningen (Molenstraat 52 en 56) die op kortere afstand liggen dan de planlocatie.
p1
p2
p3
Mo
str
situatie begane grond
aa
t
Figuur 5.6: Voorlopig bouwplan Molenstraat 58a 1 : 200 21-074 Ook kan gesteld worden dat de leefruimtes van de nieuwe woning (woonkamer en buitenruimte) aan de westzijde voorlopig ontwerp 20230830 21-074 VO.dwg 30-08-2023 zijn gesitueerd. Aan de zijde van het bedrijf (oostzijde) zijn de garage, entree, slaapen badkamer gelegen. Hierdoor wordt een geluidluwe gevel gecreëerd. De leefruimtes van de nieuwe woning liggen op circa 37 meter van de bedrijfsbestemming (Molenstraat 54). De nieuwe woning dient daarnaast aan de norm uit het Bouwbesluit van 33 dB te voldoen.
ouw woning Molenstraat 58A, raamsdonk
er
N
len
schaal
werknummer
onderdeel
file-naam
Pieter Breughelstraat 12 Postbus 163
4940 AD Raamsdonksveer
Telefoon 0162 518098
Fax 0162 523030
E-mail info@marquart.nl
datum
Molenstraat 58 De bedrijfsbestemming van de geluidsstudio 'Swamp Studio' aan Molenstraat 58a grenst direct aan de beoogde woning. Aan de richtafstand van 10 m kan niet worden voldaan. Er kan echter, wanneer dat planologisch wenselijk wordt geacht, worden afgeweken van de richtafstanden van de VNG-brochure. In een dergelijke situatie zal in ieder
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
36
geval gemotiveerd moeten worden dat er in de specifieke situatie toch sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om bovenstaande reden is daarom een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Onderzoek industrielawaai Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (documentnr. 2205/099/CW-06, versie 0, 18 november 2022). Uit het akoestisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) blijkt dat op alle gevels van de nieuwe woning wordt voldaan aan de grenswaarden van 45 dB(A) etmaalwaarde, behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave. • Voor het maximale geluidniveau (LAmax) blijkt dat niet op alle gevels wordt voldaan aan de grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde, behorende bij stap 2. Desalniettemin kan wat betreft het maximale geluidniveau (LAmax) echter alsnog overal worden voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde, behorende bij stap 3. Aangezien het niet mogelijk is om piekgeluiden te cumuleren, is cumulatie van de geluidbelasting met het wegverkeerslawaai in onderhavige situatie niet aan de orde.
• Voor zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) als het maximale geluidniveau (LAmax) blijkt dat ten gevolge van de muziekstudio wordt voldaan aan de van toepassing zijnde geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. • Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar de muziekstudio is aangetoond dat in de beschouwde bedrijfssituatie wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde, behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat aan de richtafstanden van de bedrijven aan Molenstraat 38 en Raadhuisstraat 62 voldaan kan worden. Aan de richtafstand 30 meter van Molenstraat 54 kan niet voldaan worden. Echter kan gesteld worden dat de activiteiten die voor eventuele hinder kunnen zorgen op het gebied van geur, geluid en stof op een minimale afstand van 40 meter van de nieuwe woning plaatsvinden. Verder zijn de leefruimten aan de westzijde van de nieuwe woning gelegen. Aan de zijde van het bedrijf (oostzijde) zijn de garage, entree, slaap- en badkamer gelegen. Hierdoor wordt een geluidluwe gevel gecreëerd. De leefruimtes van de nieuwe woning liggen op circa 37 meter van de bedrijfsbestemming (Molenstraat 54). De nieuwe woning dient daarnaast aan de norm uit het Bouwbesluit van 33 dB te voldoen.
Voor de geluidstudio aan Molenstraat 58 kan op basis van de resultaten van het geluidonderzoek gesteld worden dat op de gevels van de nieuwe woning een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In algemene zin kan geconcludeerd worden dat de nieuwe woning een goed woon- en leefklimaat geboden kan worden. Daarnaast kan gesteld worden dat met de komst van de nieuwe woning bedrijven niet verder worden ingeperkt in hun activiteiten of uitbreidingsmogelijkheden. 5.4.6
Gezondheid
Wet geurhinder en veehouderij Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van (individuele) veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). De totale geuremissie van een veehouderij is de som van alle geuremissies van de verschillende diercategorieën die binnen de inrichting aanwezig zijn. In artikel 3 van de Wgv zijn de geurnormen opgenomen. Voor bedrijven waarvoor een geuremssie is vastgesteld gelden de richtafstanden uit de VNG-brochure voor de afstand tot een geurgevoelige functie. Geitenhouderij en pluimveehouderijen Naar aanleiding van het aanvullende VGO-rapport heeft Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 juli 2017 besloten tot een moratorium op de geitenhouderij. Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
37
In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGOonderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009- 2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven. Het gevolg is dat het nemen van effectieve bedrijfsgerichte maatregelen nu nog niet mogelijk is.
Bij ruimtelijke besluiten- zoals bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor afwijkend gebruik – moet altijd worden afgewogen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Eén van de leidende principes van een goede ruimtelijke ordening is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd moet zijn. Deze doorwerking van de milieuregelgeving in de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. Luiten Ambachtstraat 33 en Voshoornweg 5 Binnen een straal van 2.000 meter van het plangebied zijn twee bedrijfsmatige geitenhouderij (> 50 volwassen geiten) gelegen aan de Luiten Ambachtstraat 33 (op ca. 1.350 meter) en Voshoornweg 5 (op ca. 1.850 meter) in Raamsdonk. Er is geen effect van cumulatie. Wanneer meerdere geitenhouderijen in de nabijheid van een plangebied liggen, is het aannemelijk dat de gezondheidsrisico’s voor omwonenden groter zullen zijn als gevolg van stapeling van effecten (cumulatie). Binnen een cirkel van 2 kilometer bevind zich alleen bovenstaande geitenhouderij. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen alle bekende risico’s bij een nieuwe ontwikkeling af te wegen. Er is geen sprake van een omgekeerde werking van het moratorium (m.a.w.
de ‘stop’ op uitbreidingen van geitenbedrijven zorgt niet voor een stop op ontwikkeling van woningen binnen de straal van 2.000 meter ), maar wel van een risico dat beoordeeld en meegewogen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen. Dit risico op longontstekingen moet afgewogen worden in de beoordeling van de individuele, maatschappelijk en economisch belangen van het plan. Het plangebied wordt niet bestemd voor een gevoelige groepen: het verhoogde gezondheidsrisico is van grotere betekenis wanneer zich gevoelige groepen vestigen in het plangebied, zoals een ziekenhuis, COPD-patiënten, ouderen, een verzorgingstehuis, jonge kinderen, kinderdagverblijf en scholen. Conclusie Gezien de ligging van het plangebied en de reeds aanwezige woningen ten opzichte van de agrarische bedrijven is het niet aannemelijk dat de veehouderijen geschaad zullen worden in hun belangen. Reeds bestaande woningen bevinden zich op kortere afstand van de veehouderijen. Initiatiefnemer is zich bewust van het feit dat in de directe omgeving, op 1,3 km en 1,8 km. van het plangebied een geitenhouderij is gelegen, en aanvaardt daarmee het eventueel verhoogde risico. Het risico voor deze locatie is niet groter dan de op gelijke of korter gelegen afstand van bestaande woningen. 5.4.7
Luchtkwaliteit
Wet milieubeheer Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de “Wet luchtkwaliteit”. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer kent een aantal nieuwe begrippen zoals ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voor nieuwe plannen betekent dit dat er nagegaan dient te worden of het plan past binnen het Besluit en/of de ministeriële regeling ‘niet in betekenende mate’. Conclusie Een toetsing aan grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer is in dit project niet aan de orde. De geringe omvang van het plan impliceert dat ‘in niet betekenende mate wordt bijgedragen’ aan de Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
38
verslechtering van de luchtkwaliteit. Met de realisatie van maximaal één woning, wordt de grens zoals gesteld in de Regeling- NIMB (gevallen zoals bedoeld in Artikel 4 lid 1 van AMvB-NIBM), van 1500 woningen niet overschreden. Een nader onderzoek wordt als niet relevant beschouwd. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Met de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit gevolgd en wordt de uitvoering van de maatregelen en projecten (die zijn opgenomen in het NSL) bijgehouden.
Figuur 5.7: Uitsnede NSL- Monitoringstool
Figuur 5.8: Atlas leefomgeving - Heersende luchtkwaliteit Molenstraat 58a te Raamsdonksveer
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de Atlas Leefomgeving en de NSL monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Rijksweg A59. Uit de Atlas Leefomgeving blijkt dat de heersende luchtkwaliteit goed is (2,5-3,0). Conclusie Vanuit de NSL monitoring blijken er in de omgeving van Raamsdonk geen overschrijdingen te zijn van de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5, zodat er geen aanleiding is voor een nader onderzoek. De algemene trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen dalen. Overschrijdingen van de grenswaarden zijn dan ook niet te verwachten. De luchtkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woning vormt geen belemmering. NIBM-tool Voor kleinere ruimtelijke plannen verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.
Het doel van deze tool is: • Eenvoudig en snel bepalen of een plan in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. • Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten. • Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekende mate.
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
39
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
8,2
Aandeel vrachtverkeer
10,0%
NO2 in μg/m3
0,01
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie
1,2
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Een inschatting van het aantal verkeersbewegingen op basis van de door CROW voor verkeersgeneratie gepubliceerde kencijfers leidt voor onderhavige initiatief tot een gemiddelde van ca. 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. Geconcludeerd kan worden dat met ca. 8,2 extra voertuigbewegingen die van en naar de locatie plaats zullen vinden, de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.5 Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimumbeschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (het groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord binnen het invloedsgebied. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het “Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in het “Besluit externe veiligheid transportroutes” en het “Besluit externe veiligheid buisleidingen”(Bevb). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg). De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
In het kader van de verantwoording van het groepsrisico moet advies gevraagd worden aan de regionale brandweer. Conclusie Uit de risicokaart, eindrapporten over het basisnet en actuele informatie over relevante risicobronnen binnen de gemeente blijkt dat het plangebied niet ligt binnen: • het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; • de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • een toekomstig plasbrandaandachtsgebied. Transport over het water en het spoor Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg, weg of spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van transport over het water en de weg vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
40
Figuur 5.9: Uitsnede Risicokaart, locatie zwart omcirkeld
Transport over de weg De planlocatie ligt niet binnen een PR 10-6 risicocontour of PAG, echter wel binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen die getransporteerd worden over de rijksweg A59. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg (toxisch scenario) moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Volgens het gemeentelijk document “Standaard Verantwoording Groepsrisico Gemeente Geertruidenberg” wordt de standaardverantwoording van het groepsrisico toegepast. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsafstand van een buisleiding. Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormt geen belemmering voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief. In het kader van deze ruimtelijke procedure kan worden volstaan met de toepassing van de standaardverantwoording groepsrisico en het standaardadvies van de veiligheidsregio, die volledigheidshalve als bijlagen zijn opgenomen. 5.6 Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen die vanuit planologisch opzicht van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling. 5.7 M.e.r.-beoordeling Op 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd.
De belangrijkste wijziging is onder andere: het meer in overeenstemming brengen van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Hierbij hebben onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter gekregen. Met deze wijziging is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit m.e.r. behorende C- en D lijst zijn opgenomen, áltijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Hierbij dient te worden bepaald of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Om te bepalen of een activiteit m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, conform het aangepaste Besluit m.e.r., is het type plan en het soort ontwikkeling van het plan van belang, zoals opgenomen in de Structuurvisie Ruimte (SVIR). Conclusie Naar het oordeel van de Afdeling (uitspraak 19487/201901439-1-r1) kan de ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen binnen de bebouwde kom die in het plan is voorzien, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Gelet op het feit dat het in onderhavig plan gaat om de realisatie van 1 woning en het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is, behoeft een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (en aanmeldnotitie) daarom niet te worden uitgevoerd.
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
41
6
Juridische aspecten
6.1. Het juridische plan Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen binnen het gebied van deze herziening. Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) gehanteerd. Zo zijn de bestemmingen qua benaming en volgorde afgestemd op de SVBP 2012. Het bestemmingsplan is afgestemd op de Wro en het Bro. Daarnaast zijn de op grond van de Bro verplicht gestelde regels voor het overgangsrecht en de anti-dubbeltelregel conform de daarvoor gestelde standaarden in de regels opgenomen. Ook de Wro biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot globaal uit te werken. Het onderhavige bestemmingsplan is gedetailleerd en gebaseerd op het voorlopig bouwplan. Voor het plangebied is de planopzet primair gericht op ontwikkeling. Één en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen het onderhavige bestemmingsplan. 6.2.
Beschrijving van de bestemmingen
6.2.1 Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die algemeen gelden voor alle bestemmingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 1) en het artikel betreffende de wijze waarop bijvoorbeeld hoogtematen en oppervlaktematen moeten worden gemeten en berekend. 6.2.2
Bestemmingen
Tuin Deze bestemming geldt voor tuinen, erven en verhardingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen en parkeervoorzieningen. Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’ is de realisatie van een vrijstaande woning toegestaan. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen het hoofdgebouw moeten worden gerealiseerd. Daarnaast zijn ook de maximale goot- en bouwhoogte op de verbeelding aangegeven. In de regels zijn nadere bebouwingsregels voor het hoofdgebouw, aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde aangegeven. Verder zijn binnen deze bestemming tuinen, erven en verhardingen ten dienste van de bestemming toegestaan. 6.2.3 Algemene regels en slotbepaling In hoofdstuk 3 zijn onder andere procedureregels, algemene gebruiksregels en flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is bepaald dat bestaande maten en hoeveelheden, die afwijken van het bepaalde in dit bestemmingsplan en legaal aanwezig zijn, mogen worden aangehouden.
Tevens is een regeling opgenomen met betrekking tot herbouw van gebouwen en met betrekking tot overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen van ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemeen geldende regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik.
Vastgesteld bestemmingsplan “Molenstraat 58 te Raamsdonk” - 9 november 2023
42
Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het bouwen van gebouwtjes van openbaar nut, het overschrijden van bebouwingsgrenzen, beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen en het oprichten van masten en antennes tot een bepaalde bouwhoogte. Algemene procedure regels Algemene procedureregels waarin is bepaald welke procedure doorlopen wordt bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid. Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk.