CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

210701 Raamsdonk, Lageweg 5 en Lageweg 10.pdf

Besluitvormende raad 1 juli 2021, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Lageweg 5 en 1035.219 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

RAAMSDONK, LAGEWEG 5 EN LAGEWEG 10 bestemmingsplan

Raamsdonk, Lageweg 5 en Lageweg 10 bestemmingsplan

Vastgesteld

Projectleider Bouw / DLV Advies Dhr. E. Pijnappels Projectleider Ruimtelijke Ordening / DLV Advies Mw. F. Klomp-Pullens Adviseur Ruimtelijke Ordening / DLV Advies Dhr. K. Oostendorp Projectleider / Agrifirm NWE Exlan Advies Dhr. A. van Zeeland Adviseur Ruimtelijke Ordening / Agrifirm NWE Exlan Advies Dhr. D. van Kessel

Datum: 7 juli 2021

2

Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit

5

Toelichting

7

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocaties 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Lageweg 5: Situatietekeningen op schaal Bijlage 2 Lageweg 10: Situatietekening op schaal Bijlage 3 Lageweg 5: Landschappelijk inrichtingsplan Bijlage 4 Lageweg 10: Landschappelijk inrichtingsplan Bijlage 5 Lageweg 5: Rapportage BZV Bijlage 6 Lageweg 5: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 7 Lageweg 5: Advies AAB Bijlage 8 Lageweg 10: Rapportage BZV Bijlage 9 Lageweg 10: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 10 Lageweg 5: Geurberekening Bijlage 11 Lageweg 10: Geurberekeningen Bijlage 12 Lageweg 10: Luchtkwaliteitsberekening Bijlage 13 Lageweg 10: Akoestisch onderzoek Bijlage 14 Standaard verantwoording groepsrisico, gemeente Geertruidenberg 2019 Bijlage 15 Lageweg 5: Vormvrije aanmeldingsnotitie

m.e.r.-beoordeling Bijlage 16 Lageweg 5: Besluit op m.e.r.-beoordeling Bijlage 17 Lageweg 10: M.e.r.-beoordeling Bijlage 18 Lageweg 10: Besluit op m.e.r.-beoordeling Bijlage 19 Lageweg 5: Aerius verschilberekening Bijlage 20 Lageweg 10: Aerius verschilberekening

8 8 9 9 11 13 13 16 23 23 25 37 40 40 63 72 77 79 85 85 86 89 90 90 90 92 93 94 98 100 108 116 131 134 138 152 155 158 165 168 265 267 374 377 414 428 460 3

Bijlage 21 Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg Bijlage 22 Ontwerpbesluit

Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden Artikel 4 Leiding - Gas Artikel 5 Waarde - Archeologie 4 Artikel 6 Waarde - Archeologie 6 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Artikel 8 Algemene bouwregels Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Artikel 11 Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Notitie Kwaliteitsverbetering van het landschap, Reglement 2016 Bijlage 2 Lageweg 5: Landschappelijk inrichtingsplan Bijlage 3 Lageweg 10: Landschappelijk inrichtingsplan

551 590

593 594 594 604 605 605 623 625 627 629 629 630 631 632 633 634 634 635 637 638 661 669

4

Vaststellingsbesluit

5

1

T oelichting

7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Geertruidenberg" en de 1e herziening daarop van gemeente Geertruidenberg ten behoeve van: de uitbreiding van een melkrundveehouderij aan de Lageweg 5 te Raamsdonk; een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen van en een vormverandering van het bouwvlak voor de intensieve veehouderij aan de Lageweg 10 te Raamsdonk. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar zijn ook tekeningen van de nieuwe situaties opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Lageweg 5 De ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de veehouderij, volgen elkaar in hoog tempo op. Vanwege steeds strenger wordende wet- en regelgeving op het gebied van duurzaamheid, veehouderij, milieu, natuur, stikstof, ammoniak en gezondheid wordt het voor veehouders steeds moeilijker om aan de steeds strenger wordende normen te kunnen voldoen. Door melkveehouders moeten vaak forse investeringen worden gedaan om aan alle eisen die worden gesteld te kunnen voldoen. Voor een rendabele bedrijfsvoering en het kunnen blijven uitvoeren van een duurzaam en volwaardig bedrijf met een gezonde concurrentiepositie in de markt is uitbreiding noodzakelijk. Daarom wenst de initiatiefnemer het melkrundveehouderijbedrijf uit te breiden.

De gewenste uitbreiding past niet geheel binnen het ter plaatse toegekende bouwvlak. Derhalve is uitbreiding van het bouwvlak wenselijk. Lageweg 10 Voor de intensieve veehouderij aan de Lageweg 10 geldt dat er een aantal wijzigingen, waaronder uitbreiding in stalruimte noodzakelijk is om alle biggen binnen het bedrijf af te kunnen mesten en zo te komen tot een gesloten bedrijf. Daarnaast gaat de intensieve veehouderij ter plaatse als gevolg van de beoogde uitbreidingen voldoen aan de eisen vanuit het Besluit emissiearme huisvesting en de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant: Voor één nieuwe stal wordt een oude stal gesloopt, die nog niet aan de eisen voldoet. Het ventilatiesysteem van die nieuwe stal wordt aangesloten op het luchtkanaal en de te vergroten luchtwasser van een bestaande nieuwere stal; Een andere oude stal gaat aan de eisen voldoen door deze uit te breiden met een luchtkanaal en een luchtwasser. Verder is gebleken dat met het geldende bestemmingsplan enkele bestaande (voeder)silo's ter plaatse van de locatie Lageweg 10 niet positief zijn bestemd, doordat deze buiten de begrenzing vallen van de hierin vastgelegde aanduiding 'bouwvlak'. Om dit te herstellen is een vormverandering van het bouwvlak noodzakelijk. De gewenste ontwikkeling past daarmee niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

8

1.2

Planlocaties

De planlocaties zijn gelegen aan de Lageweg 5 en Lageweg 10 te Raamsdonk en liggen aan de zuidoost kant van de kern Raamsdonk in het landelijk gebied van gemeente Geertruidenberg. De locaties zijn kadastraal bekend onder: Lageweg 5: gemeente Raamsdonk, sectie I, nummers 501 en 502; Lageweg 10: gemeente Raamsdonk, sectie I, nummers 327, 584, 585 en 629. In de volgende figuur is de topografische ligging van de beide locaties weergegeven.

Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Geertruidenberg" van de gemeente Geertruidenberg, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 28 april 2011, onverkort van toepassing. Daarnaast is het bepaalde in de herziening op het geldende bestemmingsplan, het bestemmingsplan "Buitengebied 1e Herziening", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2015, eveneens, voor zover relevant, onverkort van toepassing. Lageweg 5 Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch met waarden' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'grondgebonden veehouderij', 'wro-zone aanlegvergunning openheid' en 'wro-zone - wijzigingsgebied groenblauwe mantel' van toepassing. Over een klein deel van het bouwvlak (een klein deel van het noordoostelijke deel van het bouwvlak) is tevens de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied reservering waterberging' van toepassing.

9

Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. De noodzakelijke uitbreiding van de melkrundveehouderij ter plaatse past niet binnen het ter plaatse toegekende bouwvlak. Daardoor is een vergroting van het bouwvlak ter plaatse noodzakelijk. Lageweg 10 Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse van de planlocatie Lageweg 10 de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'intensieve veehouderij', 'bouwvlak', 'wro-zone - aanlegvergunnning openheid' en 'wro-zone wijzigingsgebied groenblauwe mantel' van toepassing.

10

Figuur 1.3: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. De begrenzing van de aanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'bouwvlak' is rood omkaderd in bovenstaande figuur. De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan: In de regels voor de bestemming 'Agrarisch met waarden' is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' agrarische bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd, met dien verstande dat uitbreiding ten behoeve van een intensieve tak niet is toegestaan (art. 5.2.2, lid a van de planregels). De nieuw te bouwen stallen ter plaatse van Lageweg 10 zijn binnen de aanduiding 'bouwvlak' gesitueerd, maar voorzien in uitbreidingen ten behoeve van de hier gevoerde intensieve veehouderij; Volgens de regels voor de bestemming 'Agrarisch met waarden' mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals silo's alleen gebouwd worden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' (art. 5.2.2, lid d van de planregels). Enkele bestaande silo's ter plaatse van Lageweg 10 zijn zoals al aangegeven echter buiten het voor deze locatie vastgelegde bouwvlak gesitueerd. In het geldende bestemmingsplan zijn geen afwijkingsmogelijkheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling in zijn geheel mogelijk te maken.

Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven 11

en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn. Bijlagen bij de toelichting bevat de bij de toelichting behorende bijlagen. In de toelichting wordt waar nodig verwezen naar de van toepassing zijnde bijlagen.

12

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel De locaties zijn gelegen in het landelijk gebied van gemeente Geertruidenberg, ten zuiden van de kern Raamsdonk. De omgeving van de locaties bestaat voornamelijk uit agrarische graslanden en landbouwgronden in een veenontginningenlandschap. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De locaties zijn in de Oostpolder gelegen en hier is als gevolg van de ruilverkaveling de karakteristieke smalle slagenverkaveling van veenontginningslandschappen bijna helemaal verdwenen. De onderlinge kavels worden gescheiden door rechtlijnig verlopende wegen, (kavel)sloten en/of lijnen in het landschap. Ten zuiden en ten westen van de locaties loopt het riviertje de Donge. Het kronkelige verloop van de Donge contrasteert sterk met de rechtlijnige structuur van het omringende landschap. Omdat het gebied rondom de Donge behoort tot de Groenblauwe mantel, bestaat de omgeving van de locaties vooral uit gemengd agrarisch gebied maar zijn natuur en water belangrijke nevenfuncties. In de nabije omgeving van de locaties zijn enkele agrarische bedrijven gelegen met bijbehorende agrarische bedrijfswoning. In de directe omgeving van de locaties zijn geen burgerwoningen gelegen. Op grotere afstand (ongeveer 800 meter) is de kern Raamsdonk gelegen met daarin een verscheidenheid aan functies, waaronder voornamelijk burgerwoningen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur Lageweg 5 Op deze locatie is momenteel een melkrundveehouderij gevestigd. Ter plaatse worden 157 melkkoeien, 117 stuks jongvee en 35 schapen gehouden. De dieren worden traditioneel gehuisvest in de bestaande stallen, waarbij beweiding wordt toegepast. Ter plaatse is een rundveestal, een jongveestal, een werktuigenberging en nog een werktuigenberging met daarin ook een schapenstal aanwezig. Naast de bedrijfsgebouwen is ter plaatse een bedrijfswoning aanwezig met de daarbij behorende bijgebouwen. Ten slotte zijn enkele voorzieningen voor de opslag van ruwvoer en stro/hooi aanwezig. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,19 hectare groot. In de volgende figuur is een situatietekening opgenomen van de huidige situatie. Voor de volledige situatietekening op schaal wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de bijlage onherkenbaar gemaakt.

13

Figuur 2.1: Situatietekening huidige situatie ter plaatse. Bron: DLV Advies. Lageweg 10 Op de locatie Lageweg 10 is momenteel een intensieve veehouderij gevestigd. Het gaat om een varkenshouderij. Volgens de geldende natuurvergunning mogen ter plaatse maximaal de dieraantallen worden gehouden zoals weergegeven in de volgende tabel.

14

Tabel 2.1: Diertabel behorende bij natuurvergunning d.d. 22 juni 2015 voor Lageweg 10. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies. In de huidige situatie zijn op de locatie de volgende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen aanwezig: Eén bedrijfswoning (1) met een bijbehorend bijgebouw en een omliggende tuin; Twee oude(re) stallen (2, 3) die behalve als ruimten voor het huisvesten van paarden en varkens als garage/werkplaats, opslagruimten en een voerlokaal ingericht zijn; Twee grote nieuwere stallen (4, 5), gebouwd in 2009 en 2012 die enkel zijn ingericht als ruimten voor het huisvesten van varkens en zijn aangesloten op een luchtwasser (6, 7); Eén nieuwere werktuigenberging (8), gebouwd in 2012; Negentien (voeder)silo's (9, 10, 11, 12, 13); Eén paardenbak (14); Erfverharding en onverharde wegen; Erfbeplanting (15, 16). De nieuwere stallen en werktuigenberging zijn door tussenleden onderling verbonden. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

15

Figuur 2.2: Luchtfoto situatie ter plaatse in 2018. Bron: https://streetsmart.cyclomedia.com (bewerkt). Ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is een bouwvlak toegekend (wit omkaderd in bovenstaande figuur). Het huidige bouwvlak is 1,5 hectare groot. Gezien bovenstaande figuur zijn negen bestaande (voeder)silo's buiten het bouwvlak gelegen, maar valt de bestaande paardenbak voor een groot deel binnen het huidige bouwvlak. De locatie ligt in een oksel van een T-splitsing van de Lageweg. In de huidige situatie is de locatie via drie bestaande in-/uitritten rechtstreeks op deze weg ontsloten. Er zijn twee in-/uitritten op het oostelijk van de locatie lopende gedeelte van de Lageweg en er is één in-/uitrit op het noordelijk van de locatie lopende gedeelte van deze weg. De Lageweg is zowel richting het westen als het zuiden een doodlopende weg voor gemotoriseerd verkeer. In noordelijke richting sluit de weg via de Parallelweg en Stationstraat aan op de doorgaande weg door de kern Raamsdonk.

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur Lageweg 5 De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het melkrundveehouderijbedrijf uit te breiden tot een omvang van 200 melkkoeien, 117 stuks jongvee en 35 schapen. Concreet is er sprake van een groei van de veestapel met 43 melkkoeien. Voor de gewenste uitbreiding van het gehouden aantal dieren is het wenselijk de bestaande rundveestal uit te breiden. Intern zullen enkele stalsystemen worden gewijzigd, waarbij deels wordt voorzien in emissie-arme systemen. Naast uitbreiding van de stal is ook een uitbreiding van de capaciteit aan voeropslag nodig. Derhalve wenst de initiatiefnemer ter plaatse tevens te voorzien in nieuwe voorzieningen voor de opslag van ruwvoer. Ten slotte is voor de gewenste uitbreiding voldoende capaciteit aan mestopslag nodig. Derhalve wenst de initiatiefnemer nog een nieuwe mestsilo voor de opslag van mest op te richten. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen. Vanwege privacy 16

overwegingen zijn de persoonsgegevens in de bijlage onherkenbaar gemaakt.

Figuur 2.3: Situatietekening gewenste situatie Lageweg 5. Bron: DLV Advies. Het bouwvlak ter plaatse is niet groot genoeg om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak ter plaatse te vergroten. De omvang van het bouwvlak zal daarbij worden vergroot tot 1,5 hectare. Lageweg 10 De stal die in 2012 ter plaatse van de locatie Lageweg 10 nieuw is gebouwd, is toen kleiner gebouwd dan vergund. De vergunde stal is dus niet geheel gerealiseerd. Onderdeel van de gewenste situatie is het restant van deze stal alsnog te bouwen conform de geldende omgevingsvergunningen bouw en milieu en de geldende natuurvergunning (1). De eigenaar van de intensieve veehouderij aan de Lageweg 10 is verder voornemens: De bestaande kleinere oude stal van 305,3 m2 te slopen en ter plaatse daarvan een nieuwe stal te bouwen van 757,7 m2 voor het huisvesten van gespeende biggen. Het ventilatiesysteem van deze nieuwe stal zal worden aangesloten op het bestaande luchtkanaal van de bestaande stal, tegen welke de nieuwe stal wordt aangebouwd (2); De bestaande luchtwasser aan de achterkant van de hiervoor bedoelde bestaande stal te vergroten (3); Aansluitend aan de nieuwere werktuigenberging een nieuwe stal te bouwen van 1.308,5 m2 voor het huisvesten van vleesvarkens.

Het ventilatiesysteem van deze nieuwe stal wordt aangesloten op een aan de achterkant van de stal te realiseren luchtwasser (4); De bestaande grotere oude stal uit te breiden met een luchtkanaal en een luchtwasser (5); Het bestaande bij de bedrijfswoning behorend bijgebouw te slopen en aan de voorkant van de hiervoor bedoelde bestaande stal een nieuwe garage te bouwen van 158 m2 (6); De inrichting van het bestaande gedeelte van de in 2012 gebouwde nieuwere stal te wijzigen om 17

daarin een aantal extra dekberen te kunnen huisvesten; De inrichting van de nieuwere werktuigenberging te wijzigen om daarin de te houden paarden te kunnen huisvesten; Een mestsilo te realiseren (7). In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 2 bij deze onderbouwing opgenomen.

Figuur 2.4: Situatietekening gewenste situatie Lageweg 10. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies. Het doel van de gewenste uitbreidingen en gewijzigde inrichting van bestaande bedrijfsgebouwen is tweeledig. Aan de ene kant zijn ze bedoeld om ter plaatse een zodanig aantal varkens meer te kunnen gaan houden, dat alle biggen binnen het bedrijf kunnen worden afgemest en zo een gesloten bedrijf ontstaat op de locatie Lageweg 10. Aan de andere kant zijn ze noodzakelijk, wil de ter plaatse gevoerde intensieve veehouderij qua toegepaste stalsystemen gaan voldoen aan de geldende eisen vanuit het Besluit emissiearme huisvesting en de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Een overzicht van de maximale dieraantallen en toe te passen stalsystemen in de gewenste situatie is in de volgende tabel weergegeven.

18

Tabel 2.2: Diertabel behorende bij gewenste situatie Lageweg 10. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies. Omdat het alsnog te bouwen restant van de in 2012 nieuw gebouwde stal al vergund is, houdt de gewenste situatie voor de locatie Lageweg 10 in dat de oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van intensieve veehouderij hier met 1.760,9 m2 wordt uitgebreid. Om dit in planologisch opzicht mogelijk te maken, hoeft alleen de voor de locatie geldende bestemmingsregel te worden gewijzigd die bepaalt dat ingeval van agrarische bedrijfsgebouwen een uitbreiding ten behoeve een intensieve tak niet is toegestaan. Aangezien de bestaande en vergunde oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen ten behoeve van intensieve veehouderij 8.028,8 m2 bedraagt, is in deze partiële herziening als gewijzigde regel opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' een oppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij van maximaal 9.800 m2 is toegestaan. Onderdeel van de gewenste situatie is ook een vormverandering van de aanduiding 'bouwvlak'. De gewijzigde begrenzing van het bouwvlak is met een rood kader weergegeven in figuur 2.2 (ter vergelijking is 19

de geldende begrenzing van het bouwvlak in de figuur opgenomen met een wit onderbroken lijn). Voor deze gewijzigde begrenzing is het volgende als uitgangspunt aangehouden: Het bouwvlak behoudt de huidige maximale oppervlakte van 1,5 hectare; De bestaande bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning blijven binnen het bouwvlak gelegen; De gronden waar het restant van de al vergunde stal alsnog gebouwd moet worden en de nieuwe stallen en kuilplaat zijn voorzien, blijven gelegen binnen het bouwvlak; De bestaande paardenbak is buiten het bouwvlak gebracht, omdat paardenbakken op basis van het geldende bestemmingsplan ook buiten de aanduiding 'bouwvlak' mogelijk zijn; De bestaande silo's die in het geldend bestemmingsplan buiten het bouwvlak vallen, zijn binnen het bouwvlak gebracht om ze positief te bestemmen; De bestaande erfverharding die niet gelegen is tussen de weg en een naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak is binnen het bouwvlak gebracht, er rekening mee houdend dat op basis van het geldende bestemmingsplan tussen de aanduiding 'bouwvlak' en de weg voortuinen zijn toegestaan; Om ter plaatse een nieuwe garage van 158 m2 planologisch mogelijk te maken, is aan de voorkant van betreffende stal het bouwvlak één meter verruimd.

2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Vanuit het beleid ten aanzien van de kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals nader is uitgewerkt in de paragraaf "Reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016" (paragraaf 3.3.2 van deze toelichting), blijkt dat voor zowel de locatie Lageweg 5 als de locatie Lageweg 10 sprake is van een ontwikkeling in de categorie 2 (zie hiervoor ook de uitsnede in de volgende figuur). Daarmee dient de kwaliteitsverbetering van het landschap te worden behaald met een goede landschappelijke inpassing van het initiatief.

Figuur 2.5: Uitsnede tekst Reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016, gemeente Geertruidenberg. Bron: Gemeente Geertruidenberg. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van de initiatieven en de locaties is voor beide locaties door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekeningen zijn in de volgende figuren weergegeven.

20

Figuur 2.6: Tekening landschappelijke inpassing Lageweg 5. Bron: Borgo Tuin & Landschapsarchitectuur.

Figuur 2.7: Tekening landschappelijke inpassing Lageweg 10. Bron: Borgo Tuin & Landschapsarchitectuur. Deze tekeningen maken onderdeel uit van de landschappelijk inrichtingsplannen die ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn opgesteld. In elk landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling op betreffende locatie landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor de gehele landschappelijk inrichtingsplannen wordt verwezen naar bijlage 3 en 4 van deze toelichting. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de bijlagen onherkenbaar gemaakt. Op de beide landschappelijke inrichtingsplannen is door de provincie Noord-Brabant een reactie gegeven. Zij vonden dat met de de landschappelijke inrichtingsplannen nog onvoldoende nog onvoldoende landschappelijk effect werd behaald. De provincie Noord-Brabant heeft daarom in hun reactie opgenomen op welke punten zij de landschappelijke inpassing op de beide locaties graag zouden zien worden versterkt. 21

Voor de Lageweg 5 heeft de provincie gesteld dat alleen bij de mestsilo aan de voorzijde van het perceel een bosplantsoen wordt opgenomen. Dit terwijl een inpassing aan de achterzijde van het perceel meer voor de hand zou liggen. Derhalve is het landschappelijk inrichtingsplan voor de Lageweg 5 aangepast en is ook aan de achterzijde voorzien in landschappelijke elementen. Daarbij is rekening gehouden met de noodzakelijke bereikbaarheid van het erf vanuit het achterliggende land. De aanpassingen zijn verwerkt in het landschappelijk inrichtingsplan zoals in bijlage 3 van deze toelichting is opgenomen en in de voorgaande figuur met betrekking tot de landschappelijke inpassing voor de locatie Lageweg 5. Voor de Lageweg 10 heeft de provincie aangegeven dat de rij knotwilgen aan de zuidzijde van de locatie een goede toevoeging biedt. Aan de voorzijde van de locatie is, vanwege de ligging van de leiding daar, niet veel mogelijk en voegen maatregelen daar niet veel toe. De provincie stelt daarom voor om aan de westzijde van de locatie, waar ook De Donge is gelegen, maatregelen te treffen om de regionale recreatieve route langs deze rivier te versterken. Hierover is overleg geweest met de provincie.

Aan de hand van het overleg met de provincie is het landschappelijk inrichtingsplan voorzien van een aanvullende landschappelijke inpassing direct aan de achterzijde van de agrarische bedrijfsbebouwing. Deze aanvullende inpassing zal ook een werkelijke verbetering betekenen voor de beleving van de regionale recreatieve route langs de Donge. De aanpassingen zijn verwerkt in het landschappelijk inrichtingsplan zoals in bijlage 4 van deze toelichting is opgenomen en in de voorgaande figuur met betrekking tot de landschappelijke inpassing voor de locatie Lageweg 10. De voorgenomen landschappelijke inpassing is met de provincie verder besproken en door hen akkoord bevonden. Hiermee kan worden gesteld dat op beide locaties wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

22

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen.

Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 23

belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. Lageweg 5 De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen. Lageweg 10 De bestaande dichte opgaande beplanting, gelegen op gronden die niet in eigendom zijn bij de eigenaar van de op de locatie Lageweg 10 gevoerde intensieve veehouderij en die daarom net buiten de planlocatie vallen, is onderdeel van gebied dat het 'NatuurNetwerk Nederland' (NNN) vormt. Dit is één van de projecten van nationaal belang. Voor het project 'NatuurNetwerk Nederland' zijn in het Barro specifieke regels opgenomen.

Bepaald is dat provincies via een verordening de gebieden moeten aanwijzen die het NNN vormen. Provincies moeten daarbij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van de aangewezen gebieden aanwijzen en regels stellen die significante aantasting van die kenmerken en waarden en vermindering van de oppervlakte van en samenhang tussen aangewezen gebieden uitsluiten. De provincie Noord-Brabant heeft hier op 25 oktober 2019 opnieuw uitvoering aan gegeven met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Omdat de gronden met de tot het NNN behorende bestaande dichte opgaande beplanting net buiten de planlocatie zijn gelegen, zijn de bepalingen uit het Barro over het NNN niet van toepassing voor dit bestemmingsplan. Gezien de locatie Lageweg 10 ook niet gelegen is in één van de andere in het Barro aangewezen projectgebieden, is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolge artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) - de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking - dient de toelichting bij een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting ook een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van zowel de locatie Lageweg 5 als Lageweg 10 is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

24

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld, waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie bieden de basis van het beleid van de provincie in relatie tot de aankomende Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor uitbreiding van een veehouderij zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen. Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendigde wijze wordt ontwikkeld. Daarnaast wordt gestreefd naar een agrarische ontwikkeling waarbij een bijdrage wordt geleverd aan meer biodiversiteit met specifieke aandacht voor agrarisch natuurbeheer of meer natuurinclusieve vormen van landbouw. 25

Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling aan de Lageweg 5 is sprake van beweiding van de gehouden dieren. Daarbij is sprake van begrazing en natuurlijk onderhoud van de weidegronden in de omgeving. Door de beweiding blijven de weidegronden open en bieden deze ruimte voor weidevogels. Daarmee wordt bijgedragen aan meer biodiversiteit. De nieuwe bebouwing zal volgens de huidige duurzaamheidseisen worden opgericht. Daarnaast kunnen, in goed overleg met de gemeente, mogelijkheden worden onderzocht voor het opwekken van duurzame energie, door bijvoorbeeld de aanleg van zonnepanelen. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een verdere verduurzaming van de sector en wordt daarmee bijgedragen aan de energiedoelstellingen die de overheid heeft. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. Lageweg 10 Bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is sprake van een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen ten behoeve van de hier gevoerde intensieve varkenshouderij. De ontwikkeling omvat echter geen vergroting van het bouwvlak, maar slechts een vormverandering van het bouwvlak. Daardoor legt alleen de te realiseren landschappelijke inpassing enig extra ruimtebeslag op de direct aan de locatie grenzende onbebouwde agrarische gronden.

Voor het overige blijven de bestaande omliggende open weilanden dus open en bieden ze ruimte voor weidevogels. Dit samen draagt bij aan meer biodiversiteit. De nieuwe bedrijfsbebouwing zal volgens de huidige duurzaamheidseisen worden gebouwd. Met de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling wordt tegelijkertijd de bestaande bedrijfsbebouwing verduurzaamd. Hierdoor zullen ondanks dat de intensieve veehouderij uitbreidt, de uitstoot van ammoniak en fijnstof afnemen. Op de daken van de twee nieuwere bestaande stallen zijn al zonnepanelen aangelegd. De daken van de nieuw te bouwen stallen kunnen mogelijk ook worden voorzien van zonnepanelen. Op deze manier draagt de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 bij aan een verdere verduurzaming van de sector en wordt bijgedragen aan de energiedoelstellingen die de overheid heeft. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant In het kader van de komende Omgevingswet heeft de provincie Noord-Brabant een Omgevingsvisie opgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend en dienen te worden vastgelegd in concrete regels in een Omgevingsverordening. De provincie Noord-Brabant heeft derhalve een interim Omgevingsverordening opgesteld, waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn vertaald in concrete regels. De Interim Omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en in werking getreden. 3.2.2.1 Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een uitbreiding van een veehouderijbedrijf in het gebied dat vanuit de Omgevingsverordening is aangemerkt als 'Landelijk gebied'. In Omgevingsverordening zijn specifieke regels voor de ontwikkeling van een veehouderij opgenomen. Vanuit artikel 2.66 en 2.69 worden aan zowel bestaande stalsystemen en nieuwe stalsystemen eisen gesteld aan de emissie van het huisvestingssysteem. Daarbij mag de emissie van een stalsysteem niet meer bedragen dan in bijlage 2 van de Omgevingsverordening is opgenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van stalsystemen die aan de gestelde eisen voldoen, waarmee aan het gestelde in artikel 2.66 en 2.69 wordt voldaan.

Vanuit artikel 2.72, lid 1, artikel 3.48 en artikel 3.51 geldt een verbod op de uitbreiding van een veehouderij als deze gelegen is in bestaand stedelijk gebied of in een gebied beperkingen veehouderij. De locatie is niet gelegen in een van de betreffende gebieden, waarmee het verbod uit artikel 2.72, lid 1, artikel 3.48 en 26

artikel 3.51 niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit artikel 2.73, artikel 3.49 en artikel 3.50 geldt een verbod op uitbreiding van een veehouderij in het landelijk gebied. In de regels bij deze artikelen is opgenomen dat dit verbod niet van toepassing is wanneer sprake is van een zorgvuldige veehouderij. Om te bepalen of sprake is van een zorgvuldige veehouderij zijn aanvullende voorwaarden gesteld. Deze luiden als volgt: "Artikel 3.49 veehouderij in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als: a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; e.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentagesmaatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; f. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³; g. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; h. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

Lid 2 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer. Lid 3 Er is sprake van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11." Ad. 3.49, lid 1, sub a en lid 3: Om te bepalen of sprake is van een zorgvuldige veehouderij heeft de provincie Noord-Brabant aanvullende regels vastgesteld. Deze regels zijn opgenomen in de "Nadere Regels Verordening Ruimte - Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderijen" (BZV). Bij de BZV wordt gebruik gemaakt van een scoringssysteem, waarbij op verschillende aspecten punten kunnen worden gehaald. Wanneer op elk afzonderlijk aspect de daarvoor minimaal vereiste score wordt behaald dan is sprake van een zorgvuldige veehouderij. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de scoringstabel van de BZV ingevuld.

Uit de daaruit volgende berekening is gebleken dat op elk afzonderlijk aspect aan de minimaal vereiste score kan worden voldaan met de voorgenomen ontwikkeling, waarmee sprake is van een zorgvuldige veehouderij. Voor de rapportage met de resultaten van de toetsing aan de BZV wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de bijlage onherkenbaar gemaakt. Ad. 3.49, lid 1, sub b: 27

Het bouwvlak wordt vergroot tot een oppervlakte van 1,5 hectare. Aan de maximaal toegestane oppervlakte wordt daarmee voldaan. Ad. 3.49, lid 1, sub c: Een ontwikkeling is inpasbaar in de omgeving wanneer geen sprake is van een onevenredige aantasting van de in de omgeving voorkomende waarden en wanneer er geen sprake is van onevenredige belemmeringen op het gebied van milieu. Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) blijkt dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de in de omgeving voorkomende waarden en dat er geen sprake zal zijn van onevenredige belemmeringen op het gebied van milieu en ruimte. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling inpasbaar in de omgeving. Ad. 3.49, lid 1, sub d: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van mestbewerking. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.49, lid 1, sub e: Ter plaatse is sprake van een melkveehouderij. Voor melkkoeien (en jongvee) zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd, maar geldt een vaste afstand. Zolang aan deze afstand wordt voldaan zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder. Omdat voor melkkoeien geen geuremissiefactoren zijn opgenomen kan geen sprake zijn van een bijdrage aan de achtergrondgeurbelasting.

Zoals is aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een overschrijding van de gestelde normen ten aanzien van geur. Er is daarmee geen sprake van onevenredige geurhinder en/of stijging van het aantal geurgehinderden. Ad. 3.49, lid 1, sub f: Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) is de voorgenomen ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige toename van de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden. Verder is, zoals eveneens nader is aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3), ter plaatse geen sprake van een achtergrondconcentratie die de gestelde norm van 31,2 µg/m³ overschrijdt. Omdat geen sprake is van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de achtergrondconcentratie. Er is daarmee geen sprake van een achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden die de gestelde norm zal overschrijden. Ad. 3.49, lid 1, sub g: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) zal ter plaatse sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing.

Ten behoeve daarvan is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Daarbij is rekening gehouden met de eis dat de landschappelijke inpassing minimaal 10% van de omvang van het bouwvlak dient te bedragen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een omvang van het bouwvlak (na uitbreiding) van 1,5 hectare. Dat houdt in dat de landschappelijke inpassing een omvang van minimaal 1.500 m² moet hebben. Zoals blijkt uit het landschappelijk inrichtingsplan, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting, wordt aan deze minimale oppervlakte voldaan. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de bijlage onherkenbaar gemaakt. Ad. 3.49, lid 1, sub h: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een zorgvuldige dialoog met de omgeving gevoerd. Daarbij zijn omwonenden en belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om op de plannen te reageren en eventuele bezwaren of verbeterpunten kenbaar te maken. Van de gehouden dialoog met de omgeving is een verslag gemaakt. De vragen die men tijdens de dialoog 28

had zijn naar tevredenheid beantwoord en geen van de omwonenden en belanghebbenden hebben aangegeven bezwaren te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling. Voor het verslag van de gehouden dialoog met de omgeving wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de bijlage onherkenbaar gemaakt. Ad. 3.49, lid 2: Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt een omgevingsvergunning voor bouw en voor milieu aangevraagd. Zoals reeds in het voorgaande aangetoond zal sprake zijn van een systeem dat aan alle gestelde eisen voldoet en voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de gestelde eisen ten aanzien van veehouderijen. Daarmee zal bij de aanvraag reeds sprake zijn van een situatie die aan de gestelde eisen voldoet. Vanuit artikel 2.74 en artikel 3.52 gelden aanvullende bepalingen met betrekking tot stalderen. Deze zijn echter alleen van toepassing wanneer een locatie is gelegen in het stalderingsgebied en wanneer sprake is van een toename van de oppervlakte aan dierenverblijven bij een zogenaamde hokdierhouderij. De locatie is niet gelegen in het stalderingsgebied en er is geen sprake van een hokdierhouderij, waarmee de aanvullende regels met betrekking tot stalderen uit artikel 2.74 en artikel 3.52 niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

In artikel 2.71 en artikel 3.47 van de Omgevingsverordening is een verbod voor uitbreiding en ontwikkeling van geitenhouderijen opgenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een uitbreiding of ontwikkeling van een geitenhouderij, waarmee de aanvullende bepalingen uit artikel 2.71 en artikel 3.41 niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. De locatie is daarnaast gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Diep grondwaterlichaam'. Vanuit artikel 2.20 van de Omgevingsverordening is het verboden om binnen deze gebieden op onconventionele wijze koolwaterstoffen te winnen. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het op onconventionele wijze winnen van koolwaterstoffen. Tevens is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Geen attentiezone waterhuishouding aanwezig'. Binnen de attentiegebieden waterhuishouding geldt vanuit artikel 2.21 en 2.22 van de Omgevingsverordening een vergunningplicht voor het onttrekken van grondwater en een registratieplicht voor bodemenergiesystemen. De locatie is gelegen buiten de attentiegebieden waterhuishouding. Buiten deze gebieden geldt een ontheffing van de vergunningplicht voor grondwateronttrekkingen tot maximaal 10 m³ per uur, mits deze niet op meer dan 30 meter onder het maaiveld plaatsvindt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van grondwateronttrekkingen van meer dan 10 m³ per uur en op een diepte van meer dan 30 meter onder maaiveld, waarmee er geen vergunningplicht geldt voor eventuele grondwateronttrekkingen ter plaatse. Voor bodemenergiesystemen geldt een vrijstelling van de registratieplicht tot een maximale pompcapaciteit van 10 m³ per uur, mits deze niet op meer dan 30 meter onder het maaiveld plaatsvindt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bodemenergiesysteem met een pompcapaciteit van meer dan 10 m³ per uur en op een diepte van meer dan 30 meter onder maaiveld, waarmee er geen registratieplicht geldt voor eventuele bodemenergiesystemen ter plaatse. Een deel van de locatie, het zuidwestelijke deel van het bestaande bouwperceel, is gelegen binnen een gebied dat is aangemerkt als 'Attentiezone stiltegebied'. Dit betreffen gronden nabij een stiltegebied. Binnen deze gebieden moet worden geborgd dat ontwikkelingen geen nadelige invloed hebben op het nabijgelegen stiltegebied. Vanuit artikel 3.14 geldt binnen de attentiegebieden een streefwaarde van maximaal 50 decibel (dB(A)) op de grens van een stiltegebied. Dit houdt in dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) op de grens van een stiltegebied.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting of installatie die zal leiden tot een onevenredig hogere geluidsbelasting aan de omgeving. Daarnaast zal bij de realisatie van het project rekening worden gehouden met de maximale geluidsbelasting op de grens van het stiltegebied, waarbij wordt geborgd dat deze de gestelde norm van maximaal 50 dB(A) niet zal overschrijden. Naast specifieke regels voor specifieke ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied gelden eveneens, vanuit artikel 3.5, algemene regels ten behoeve van het waarborgen en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Deze luiden als volgt: 29

"Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2: Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1: Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c.

gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2: Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Ad. 3.6, lid 1, sub a: Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwperceel buiten het bestaand stedelijk gebied. Er wordt bij de voorgenomen ontwikkeling gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). Zij hebben geoordeeld dat de voorgenomen uitbreiding noodzakelijk is voor een volwaardige en doelmatige bedrijfsvoering. Derhalve ontbreken de financiële, juridische en feitelijke mogelijkheden om de ontwikkeling mogelijk te maken binnen het huidig toegestane ruimtebeslag. Voor het advies van de AAB wordt verwezen naar bijlage 7 van deze toelichting. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de bijlage onherkenbaar gemaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal alle bebouwing, na uitbreiding daarvan tot de maximaal toegestane 1,5 hectare, geheel binnen het bouwvlak gelegen zijn. In de huidige situatie is alle bebouwing eveneens binnen het bouwvlak gelegen. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.6, lid 1, sub b: Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Dit is nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3). Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. 30

Ad. 3.6, lid 1, sub c: Alle aanwezige bebouwing is, na realisatie van het project, geheel geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 3.6, lid 2: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een bestaand bouwperceel. Dit bouwperceel zal worden uitgebreid ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling, maar niet tot een omvang die het maximaal toegestane ruimtebeslag zal overschrijden. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1: De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2: De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3: Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1: Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=93c4db85-b6af-40e5-a348-6dd83d3fadc6