Was wordt tabel en toelichting
Tekst van het document
Sinds 2013 is het toepassingsbereik van de Wet Bibob uitgebreid, waardoor elke gemeentelijke vergunning die wordt afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit aan zo’n toets kan worden onderworpen (artikel 7 van de Wet Bibob). De algemene weigeringsgronden staan vermeld in artikel 1:8. In het vierde en vijfde lid staan de specifieke weigeringsgronden vermeld. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Het zesde lid regelt de wijze van indiening van de aanvraag voor een vergunning en welke gegevens en bescheiden de exploitant moet overleggen. De genoemde aanvraagvereisten zijn nodig om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Als dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn om de vergunning in te trekken (negende lid). Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij ingevolge het zevende lid om aanvullende gegevens verzoeken. Dat vloeit voort uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.
Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen. De algemene intrekkings- of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6. In het achtste lid staan de specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ (onderdeel d) wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Als de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Onderdeel g is opgenomen om constructies
van schijnbeheer tegen te kunnen gaan als de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld. Het negende lid biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Het tiende lid voegt daaraan toe dat een eenmaal gesloten pand niet mag worden betreden, tenzij met expliciete toestemming van de burgemeester. Als een sluiting op grond van artikel 2:80 in dezelfde situatie leidt tot het aanwijzen als vergunningplichtig, gevolgd door een weigering van de vergunning, dient de burgemeester ervoor te waken dat het oordeel over de vergunning niet vermengd raakt met het oordeel over de sluiting. Een besluit tot sluiting biedt de mogelijkheid tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 Awb als het besluit niet wordt opgevolgd. Toepassen van bestuursdwang is een herstelsanctie en is gericht op het beëindigen van de gedragingen. Het elfde lid bepaalt wanneer een verleende exploitatievergunning (nadat het aanwijzingsbesluit in werking is getreden) vervalt. De onder b en c genoemde gronden zijn niet aan de orde als sprake is van een overmachtssituatie. Daarbij moet sprake zijn van (zeer) bijzondere omstandigheden. Een langdurige vakantie levert geen overmachtssituatie op. Ziekte of ander persoonlijk leed waardoor niet geëxploiteerd kon worden wel.
Ingevolge het twaalfde lid mag een vergunningplichtig bedrijf niet geopend zijn voor publiek, anders dan wanneer de op de vergunning vermelde beheerder aanwezig is. Het dertiende lid voorziet in een overgangsregeling. De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, gelden op grond daarvan direct voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod.
Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Ingevolge het veertiende lid kan geen vergunning van rechtswege ontstaan als niet tijdig op de aanvraag wordt beschikt. De openbare orde en veiligheid vormen hiervan de reden. Jurisprudentie Rb. Zeeland-West-Brabant 1 juli 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3709 (Autoverhuurbranche Breda). Met
de nadere toelichting in het verweerschrift heeft de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat aan de voorwaarden van artikel 9, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn is voldaan. ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1465 (Rotterdam Spaanse Polder). De burgemeester mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze vergewisplicht is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. In dit verband was het mogelijk dat de burgemeester bepaalde gegevens van een deskundige niet verstrekte aan partijen, maar onder inroeping van artikel 8:29 van de Awb wel aan de rechter. Op die manier kan de burgemeester nagaan of het onderzoek van de deskundige zorgvuldig is geweest en kan de rechter dit controleren. In dit geval is die controle in het geheel niet mogelijk. ABRvS 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:461 (Autoverhuurbranche Tilburg).
Als de bestuursrechter als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het onderliggende besluit van algemene strekking waarop het bestreden besluit is gebaseerd niet kan beoordelen of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of het evenredigheidsbeginsel, kan hij het onderliggende besluit buiten toepassing laten en een daarop berustend besluit vernietigen (vergelijk de uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452. De Afdeling heeft het aanwijzingsbesluit vernietigd omdat de burgemeester de noodzaak om door middel van het aanwijzingsbesluit in te grijpen in een deel van de autoverhuurbranche niet voldoende heeft onderbouwd. Artikel 3:4 (Vergunningsplicht) In artikel 3:4 lid 2 van de APV waren reeds eisen opgenomen ter zake van de gegevens die in een aanvraag om een vergunning voor een seksinrichting moeten worden vermeld. Deze eisen zijn aangevuld (onder d tot en met h). Deze (nader) vereiste gegevens worden nodig geacht teneinde een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over de aanvraag om de vergunning. Een uittreksel van de Kamer van Koophandel strekt ertoe dat wordt verzekerd dat sprake is van een zakelijk/bedrijfsmatige exploitatie. Dit is mede gericht op het voorkomen van mensenhandel c.q. te voorkomen dat mensen tegen hun wil werkzaam zijn in de seksindustrie.
Datzelfde doel is ook (mede) beoogd met de eis dat de exploitant en beheerder moeten beschikken over een geldende verblijfstitel en dat een verklaring van goed betalingsgedrag van de Belastingdienst moet kunnen worden versterkt. Het adres van de seksinrichting moet uiteraard bekend zijn. Het overleggen van een plattegrond is uiteraard niet nodig als het een vergunning betreft die niet (mede) voor een seksinrichting wordt aangevraagd. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gaat om het bedrijfsmatig en tegen betaling verzorgen van webcamseks vanuit een locatie die niet voor publiek toegankelijk is. Er is dan wel sprake van een seksbedrijf, maar niet van een seksinrichting. Artikel 3:9 (Straatprostitutie) De eisen gesteld aan straatprostitutie zijn niet inhoudelijk gewijzigd. Omdat echter niet in alle gevallen de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is, ook in het geval van straatprostitutie (zie artikel 3:2) is in de leden 4 tot en met 6 de aanduiding “burgemeester” vervangen door “het bevoegd bestuursorgaan”. Artikel 5:2
Derde lid, onder a Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren, transportbedrijven, verladers en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is ernaar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk (zie het eerste lid, onder b). Deze bepaling heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg in de zin van de WVW 1994. Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.
Vanwege de gevolgen van excessief gebruik van de weg in de (directe)omgeving van dat gebruik is een straal van 500 meter is opgenomen in dit artikel. Artikel 5:8 Grote voertuigen De hoogte van grote voertuigen is aangepast om zo ook voertuigen (tot 6 meter) tot 2,7m hoog de mogelijkheid te bieden op de openbare weg te kunnen parkeren. De maatvoering van de hedendaagse voertuigen is groter dan in het verleden. Langere voertuigen dan 6m zijn niet toe te staan in verband met de verkeersveiligheid, inrichting van de openbare weg en parkeerplaatsen. Gelet op de huidige gangbare hoogtemaat van 2,7 meter voor werk/taxi busjes is het acceptabel de toegestane hoogte van 2,4 meter naar 2,7 meter te verhogen. Daarbij worden omwonenden niet onevenredig benadeeld. Artikel 5:9 regelt immers het parkeren van voertuigen waarbij uitzicht hinderlijk wordt belemmerd. Artikel 5:9 Uitzicht belemmerende voertuigen Parkeren waarmee uitzicht hinderlijk wordt belemmerd is parkeren op een manier waardoor het zicht vanuit dat gebouw op de openbare weg volledig wordt ontnomen of op een manier dat het daglicht volledig wordt geblokkeerd bij gevelopeningen gericht naar de openbare weg.
Artikel 5:12 Overlast van fietsen, snorfietsen of bromfietsen Het kan noodzakelijk zijn om in het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte voor (brom)fietsen een gebied aan te wijzen (rond bijvoorbeeld het bus- of treinstation) waar het verboden is (brom)fietsen een lange tijd te parkeren.