Was wordt tabel en toelichting
Tekst van het document
Bijlage 1 Was-wordt-tabel vierde wijziging Algemene plaatselijke verordening EttenLeur 2021’ met artikelsgewijze toelichting Artikel 2:1 van de APV, lid 4 en lid 7 worden als volgt toegevoegd en het artikel wordt als volgt aangepast: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden […]. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5.Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden […] 4. Het is verboden op een openbare plaats gezichtsbedekkende kleding te dragen wanneer dit gepaard gaat met gedragingen met het kennelijke doel om de openbare orde te verstoren of strafbare feiten te plegen. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 6. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 7. Dit artikel geldt niet voor de hulpdiensten en voor door de burgemeester aangewezen personen.
Er wordt een nieuw artikel, artikel 2:1a, aan de APV toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 2:1a Aanwijzing overlastgebied 1. De burgemeester kan een overlastgebied aanwijzen als naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde. 2. Het is verboden zich in een overlastgebied op te houden in een groep van meer dan vier personen als dit leidt tot verstoring van de openbare
orde. 3. De burgemeester kan degene die in een overlastgebied het in het tweede lid genoemde verbod overtreedt, bevelen om zich uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van maximaal 24 uur niet meer te bevinden. 4. De burgemeester trekt de aanwijzing in zodra de openbare orde in het overlastgebied naar zijn oordeel voldoende is hersteld.
Artikel 2:10, leden 2, 4, 7, 8, 9, en 10 van de APV worden gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg […] 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. […] 4. Het college stelt nadere regels voor de categorieën, bedoeld in het derde lid. […]. 7. De weigeringsgrond van lid 7 onder a geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 8.De weigeringsgrond van lid 7 onder b geldt niet voor bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is of kan worden verleend. 9.De weigeringsgronden van lid 7 onder c geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 10. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.10. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg […] 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. […] 4. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor de categorieën, bedoeld in het derde lid. […] 7. De weigeringsgrond van lid 6 onder a geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 8.De weigeringsgrond van lid 6 onder b geldt niet voor bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is of kan worden verleend. 9.De weigeringsgronden van lid 6 onder c geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 10. (vervalt)
zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 2:25 van de APV wordt gewijzigd en aangevuld met enkele leden: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 5 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, bedoelde vechtsportwedstrijden of -gala’s.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. De aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk vier maanden voor de datum van aanvang van het evenement, wanneer sprake is van de volgende situatie: - evenementen in de risicocategorie C; - evenementen georganiseerd door een organisator die de afgelopen 5 jaar nog geen evenement heeft georganiseerd in Etten-Leur. 3. Overige aanvragen als bedoeld in het eerste lid worden ingediend uiterlijk 8 weken voor de datum van aanvang van het evenement. 4. De burgemeester kan, in verband met de voorbereidingstijd van het evenement van deze termijnen afwijken. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid van deze bepaling weigeren, indien deze niet is ingediend binnen de in het tweede en derde lid bepaalde termijn. 6. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 7.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 5 werkdagen voorafgaand aan het
evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 8. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 9. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 10. Het zevende lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, bedoelde vechtsportwedstrijden of -gala’s. 11. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor vechtsportwedstrijden of- gala’s als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De definitie van “openbare inrichting” in artikel 2:27 lid 1 van de APV wordt aangevuld met “shishalounge” en het artikel wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:27 Definitie Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, inrichting verstaan: pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, a. een hotel, restaurant, pension, café, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis waterpijpcafé/shishalounge en soortgelijke of elke andere voor het publiek inrichtingen, cafetaria, snackbar, discotheek, toegankelijke, besloten ruimte waarin buurthuis of clubhuis of elke andere voor het bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij dranken worden geschonken of rookwaren bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of of spijzen voor directe consumptie ter dranken worden geschonken of rookwaren of plaatse worden bereid of verstrekt. spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt; b. een afhaal- en/of bezorgzaak, waaronder wordt verstaan de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was uitsluitend voor gebruik elders dan ter plaatse in hoofdzaak ter plekke bereide en voor directe consumptie geschikte
eetwaren en/of dranken plegen te worden verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. In deze afdeling wordt onder exploitant verstaan: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd. 4. In deze afdeling wordt onder leidinggevende verstaan: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt uitgeoefend; b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een onderneming, waarin het bedrijf wordt uitgeoefend in een of meer inrichtingen; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een inrichting.
Artikel 2:28, leden 3, 5 en 6 en 7 van de APV, worden als volgt gewijzigd/toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting […] 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn. […]. 5.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting […] 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de exploitant en leidinggevende(n): I. in enig opzicht van slecht levensgedrag is; II. onder curatele staat; III. binnen 5 jaar voor de aanvraag een pand in eigendom heeft gehad of heeft gehuurd of een inrichting heeft geëxploiteerd die op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van
a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 6. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
de openbare orde, dan wel aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel op grond van artikel 13b van de Opiumwet, gesloten is geweest. c. de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn. […] 5. De burgemeester kan de vergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur. 6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28A wordt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 2:28A Wijzigingen in inrichting 1. Indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. 2. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning als de inrichting aan alle vereisten voldoet.
Artikel 2:29 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:29 Sluitingstijd
Artikel 2:29 Sluitingstijd
[…]
[…]
4.Het is de exploitant verboden een discotheek voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven: op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur en op zaterdag tot en met maandag tussen 05.00 en 07.00 uur. 5.Het is de exploitant van een discotheek verboden bezoekers toegang tot de openbare inrichting te verlenen op zaterdag tot en met maandag tussen 02.00 uur en 05.00 uur.
4. Het is de exploitant van nachthoreca (bijvoorbeeld een discotheek) verboden: a. de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven: op dinsdag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur en op zaterdag tot en met maandag tussen 05.00 en 07.00 uur; b. bezoekers toegang tot de openbare inrichting te verlenen op zaterdag tot en met maandag tussen 02.00 uur en 05.00 uur.
6. Het is de exploitant verboden een paracommerciële inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven op maandag tot en met zondag tussen 01.00 en 07.00 uur.
5. Het is de exploitant verboden een paracommerciële inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven op maandag tot en met zondag tussen 01.00 en 07.00 uur.
7.Het is de exploitant verboden het bij de openbare inrichting behorende terras voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers op het terras te laten verblijven op zaterdag en zondag tussen 01.00 en 9.00 uur en de overige dagen tussen 00.00 en 9.00.
6.Het is de exploitant verboden het bij de openbare inrichting behorende terras voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers op het terras te laten verblijven op zaterdag en zondag tussen 01.00 en 9.00 uur en de overige dagen tussen 00.00 en 9.00.
8.De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk openbare inrichting of een daartoe behorend terras.
7. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk openbare inrichting of een daartoe behorend terras.
9. Het eerste tot en met het zesde lid zijn iet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
8. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
Na artikel 2:33 van de APV wordt een nieuw artikel, artikel 2:33a toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 2:33a Intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning bedoeld in artikel 2:28 van deze verordening geheel of gedeeltelijk intrekken indien: a. de openbare inrichting niet (meer) voldoet
aan de eisen die gesteld zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving; b. er bij herhaling incidenten in of vanuit de openbare inrichting hebben plaatsgevonden waarbij de openbare orde, veiligheid, zedelijkheids- of gezondheid in het geding zijn en/of een bedreiging vormen voor het woonen leefklimaat in de omgeving van de inrichting; c. de exploitant of leidinggevende handelt in strijd met de voorschriften die verbonden zijn aan de in artikel 2:28, eerste lid, genoemde vergunning; d. er sprake is van een wijziging in de exploitatie en dit niet is gemeld als bedoeld in artikel 2:28A; e. er sprake is van de omstandigheid en een geval, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur; f. de exploitant of leidinggevende van de inrichting toestaat of gedoogt dat in en/of vanuit zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd.
In Afdeling 5 wordt artikel 2:34 lid e toegevoegd Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:34e Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.
In Afdeling 6 worden de eerder vervallen artikelen 2:37 en 2:38 van de APV opnieuw en als volgt ingevuld: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:37 Nachtregister (Vervallen)
Artikel 2:37 Nachtregister Degene die een inrichting exploiteert is verplicht van degene die daarin nachtverblijf houdt naar waarheid diens naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te registreren.
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens
nachtregister (Vervallen)
nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Artikel 2:38a aanhef van de APV wordt redactioneel als volgt gecorrigeerd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:38a Definities 1.In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. […]
Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. […]
In Afdeling 7A wordt artikel 2:40d van de APV als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:40d Eisen aan de exploitant en leidinggevende 1. De exploitant en leidinggevende(n) dienen te voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, lid 1, aanhef en onder a en b en lid 2, van de Alcoholwet aan leidinggevenden gestelde eisen. 2.De exploitant en de leidinggevende(n) dienen de leeftijd van achttien jaar te hebben bereikt.
Artikel 2:40d Eisen aan de exploitant en leidinggevende Een exploitant en leidinggevende: a. staat niet onder curatele; b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. heeft de leeftijd van 18 jaar bereikt.
Artikel 2:40 e wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:40e Weigeringsgronden De burgemeester kan de in artikel 2:40c bedoelde vergunning weigeren indien: […] c. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan of beheersverordening; […]
Artikel 2:40e Weigeringsgronden De burgemeester kan de in artikel 2:40c bedoelde vergunning weigeren indien: […] c. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het Omgevingsplan; […]
In Afdeling 8 wordt artikel 2:41 aangevuld met een vierde lid: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal […] 4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
In Afdeling 9 wordt artikel 2:67 van de APV aangevuld met een derde lid: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 3. De burgemeester erkent het Digitaal Opkopers Register als het in het eerste lid bedoeld register.
In Afdeling 11 wordt artikel 2:74 van de APV als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan een openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan openbare plaatsen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden of op of aan openbaar water post te vatten, zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan het openbaar water in of op een vaartuig te bevinden of daarmee heen en weer te varen, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
In Afdeling 12 wordt artikel 2:77 van de APV aangevuld met een tweede lid: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen […]. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere door de gemeenteraad aangewezen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn.
In Afdeling 12 wordt artikel 2:78 lid 1 onder a van de APV als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen […]: a. een tijdelijk verbod opleggen om gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste 12 uur niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn, of
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen […]: a. een tijdelijk verbod opleggen om gedurende een aaneengesloten periode niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn, of
In Afdeling 12 wordt na artikel 2:79 van de APV een nieuw artikel, artikel 2:80 toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan andere voor het publiek openstaande gebouwen of daarbij behorende erven dan bedoeld in Afdeling 4 en Afdeling 7A (en in voorkomend geval Afdeling 13) in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet en artikel 174a van de Gemeentewet voorzien. 3. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 4. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding
geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Na Afdeling 12 wordt een nieuwe afdeling, Afdeling 13, toegevoegd die bestaat uit één artikel, artikel 2:81 van de APV. De Afdeling en het artikel dragen als opschrift: “Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat” Bestaande tekst
Nieuwe tekst
N.v.t.
Afdeling 13 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de exploitant en iedere andere natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of een daarbij behorend perceel, niet zijnde: - een seksinrichting of escortbedrijf waarvoor een vergunningplicht op grond van deze verordening geldt; - een horecabedrijf/openbare inrichting waarvoor een vergunningplicht op grond van de Alcoholwet of deze verordening geldt; - een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw, dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk
staat of ernstige vrees hiertoe bestaat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen of te wijzigen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen van strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 5.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan of daarmee gelijk te stellen regelingen. 6. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteit(en) de vergunning wordt gevraagd en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en het burger
servicenummer van iedere exploitant en beheerder; b. het adres waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend of zullen worden uitgeoefend; c. het nummer waaronder het bedrijf is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. 7. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. gehandeld wordt in strijd met het bij of krachtens dit artikel bepaalde; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of g. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 9.
Indien het bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid wordt geëxploiteerd of indien één van de situaties als bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester het bedrijf geheel of gedeeltelijk sluiten. 10. Het is een ieder zonder schriftelijke toestemming van de burgemeester verboden een overeenkomstig het negende lid gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 11. De vergunning vervalt wanneer: a. de exploitatie van het bedrijf feitelijk is
beëindigd of overgedragen; b. zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de vergunning, zonder dat anders dan wegens overmacht van deze vergunning gebruik is gemaakt; c. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de vergunning. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder aanwezig is. 13. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit indien hij binnen die periode geen ontvankelijke aanvraag om vergunning heeft ingediend, of met ingang van de inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 14. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Afdeling 1 van Hoofdstuk 3 komt te luiden “Algemene bepalingen” in plaats van “Begripsbepalingen” Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
In Afdeling 2 van Hoofdstuk 3 wordt de koptekst van artikel 3:4 van de APV gewijzigd en worden aan het tweede lid extra elementen toegevoegd die in ieder geval in de vergunningaanvraag moeten worden vermeld: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:4 Seksinrichtingen 1. […]. 2. In de aanvraag om vergunning en in de
Artikel 3:4 Vergunningplicht 1. […]. 2. In de aanvraag om vergunning en in de
[…]
vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.
vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; d. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; e. het adres waar de inrichting/het bedrijf wordt uitgeoefend; f. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; g. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; h. voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding. […]
In Afdeling 2 van Hoofdstuk 3 wordt in artikel 3:9 vierde tot en met zesde lid van de APV, het woord “burgemeester” vervangen door “het bevoegd bestuursorgaan”: Bestaande tekst Artikel 3:9 Straatprostitutie […]. 4. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid. 5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in
Nieuwe tekst Artikel 3:9 Straatprostitutie […]. 4 Het bevoegd bestuursorgaan kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid. 5 Het bevoegd bestuursorgaan beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.
6
indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door het bevoegd bestuursorgaan opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.
In Afdeling 1 van Hoofdstuk 5 wordt in artikel 5:2 lid 3 gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke […]. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; […].
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke […].
3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. twee of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 500 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; […].
In Afdeling 1 van Hoofdstuk 5 wordt in artikel 5:8 lid 1 de hoogte maat gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:8 Grote voertuigen
Artikel 5:8 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,7 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
[…].
[…].
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:9 Uitzicht belemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. […].
Artikel 5:9 Uitzicht belemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. […].
In Afdeling 1 van Hoofdstuk 5 wordt in artikel 5:12 een tweede lid toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:12 Overlast van fietsen, snorfietsen of bromfietsen […].
2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
Artikelsgewijze toelichting bij de gewijzigde artikelen van de APV Etten-Leur 2021, vierde wijziging Gewijzigd artikel 2:1 van de APV (Samenscholing en ongeregeldheden) In artikel 2:1 lid 1 aanhef ontbrak de zinsnede “Degene die op een openbare plaats:” waardoor de daaronder opgesomde gedragingen niet konden worden gerelateerd (aan een persoon). Deze ontbrekende passage is toegevoegd overeenkomstig de tekst van de model-APV. Tevens is het artikel voorzien van een nieuw vierde lid. Daarin staat een verbod om op een openbare plaats gezichtsbedekkende kleding te dragen wanneer dit gepaard gaat met gedragingen met het kennelijke doel om de openbare orde te verstoren of strafbare feiten te plegen. De reden voor het opnemen hiervan is dat het regelmatig voorkomt dat onruststokers gezichtsbedekkende kleding dragen waardoor zij niet identificeerbaar zijn. Door het dragen van gezichtsbedekkende kleding te koppelen aan gedragingen die de openbare orde verstoren of die een strafbaar feit opleveren is duidelijk dat het als zodanig dragen van gezichtsbedekkende kleding in de openbare ruimte op zichzelf is toegestaan, maar niet als het gepaard gaat met de betreffende gedragingen. Dat laatst komt ook de handhaafbaarheid van deze bepaling ten goede: niet de gezichtsbedekkende kleding is het aangrijpingspunt voor handhaving, maar de openbare ordeverstorende gedraging.
De overige (bestaande) leden van artikel 2:1 nummeren na het nieuwe vierde lid door. Nieuw artikel 2:1a (Aanwijzing overlastgebied) Op grond van het eerste lid kan de burgemeester een gebied aanwijzen als overlastgebied. Dat gebeurt als naar zijn oordeel de openbare orde in het gebied ernstig in gevaar is. De reden hiervoor kan zijn het gebruik van of de handel in drugs en/of (wapen)geweldsincidenten, maar ook andere omstandigheden kunnen tot aanwijzing van een overlastgebied leiden. Er dient in ieder geval sprake te zijn van een meer dan incidentele overlastsituatie, die de openbare orde ter plaatse ernstig verstoort of bedreigt. De rechtsgevolgen van de aanwijzing worden geregeld in het tweede en derde lid. In het aanwijzingsbesluit geeft de burgemeester aan welk specifiek regime van verblijfsverboden in dat betreffende overlastgebied van toepassing is. In één overlastgebied kunnen meerdere regimes gelden. In elk geval is het tweede lid is het verboden zich in een overlastgebied in een groep van meer dan vier personen op te houden, als de openbare orde hierdoor in gevaar wordt gebracht. Dit laatste dient op basis van feitelijke omstandigheden te worden vastgesteld. Volgens het derde lid kan de burgemeester iemand die het aanwijzingsbesluit overtreedt bevelen dat gebied voor ten hoogste 24 uur niet meer te betreden.
In het belang van de evenredigheid is dwingend voorgeschreven dat de burgemeester de aanwijzing dient in te trekken als de openbare orde in het aangewezen gebied voldoende is hersteld.
Gewijzigd artikel 2:10, leden 2, 4 en 10 van de APV (Voorwerpen op of aan de weg) Artikel 2:10 lid 2 onder c van de APV is ter verduidelijking aangevuld met een verwijzing naar de Wet openbare manifestaties, teneinde duidelijk te maken dat wanneer op of aan de weg door middel van
stoffen of voorwerpen meningen worden geuit in verband met een betoging, het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is. Het vierde lid was geformuleerd als een dwingende verplichting van het college om nadere regels te stellen ten aanzien van bepaalde voorwerpen waarop het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is, maar is nu geformuleerd als een “kan-bepaling”. Dit betekent dat het college niet verplicht is nadere regels te stellen, maar hiermee is ook tot uitdrukking gebracht dat dergelijke nadere regels moeten worden gemotiveerd vanuit evenredigheid. Het tiende lid komt te vervallen omdat reeds uit artikel 174 van de Gemeentewet volgt dat het bevoegde gezag in het geval van voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, de burgemeester is. Gewijzigd artikel 2:25 (Evenementenvergunning) Aan artikel 2:25 van de APV zijn enkele leden toegevoegd. In de eerste plaats is dat een nieuw tweede lid. Hierin is een aanvraagtermijn van vier maanden opgenomen teneinde de burgemeester in staat te stellen om de aanvraag goed te kunnen beoordelen, eventueel nadere veiligheidsmaatregelen e.d. voor te schrijven en feitelijk te kunnen organiseren, maar ook om bijvoorbeeld een Bibob-onderzoek te kunnen doen.
Omdat het huidige artikel 2:25 geen duidelijke weigeringsgronden bevat is verduidelijkt dat naast de gangbare APV-weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 1:8 van de APV ook het niet tijdig indienen van een aanvraag een weigeringsgrond oplevert. Dat laatste is mede ingegeven om bij de aanvrager te bewerkstelligen dat deze de in de voorgeschreven aanvraagtermijn daadwerkelijk toepast. Tot slot is een elfde lid toegevoegd waarin, onverminderd de standaardweigeringsgronden uit artikel 1:8 van de APV, vechtsportwedstrijden en- gala’s kunnen worden geweigerd als de organisator of aanvrager van een vergunning voor een dergelijk evenement van slecht levensgedrag is. In de vechtsportbranche is er een verhoogd risico van betrokkenheid van personen met antecedenten en zijn grote (contante) geldstromen in omloop mede vanwege een daaraan verbonden risico op gok/weddenschapselementen. Toevoeging “shishalounge” aan artikel 2:27 van de APV (Definitie openbare inrichting) Onder een “shishalounge” wordt verstaan een inrichting die het roken van waterpijp aanbiedt. Deze inrichtingen stralen een bepaalde aantrekkingskracht uit op jongeren. In dit soort inrichtingen wordt naast de waterpijpactiviteiten niet zelden gedeald of illegaal gegokt en is vaak sprake van milieuoverlast, vernielingen, geluids- en parkeeroverlast, bedreiging en mishandeling.
Tot slot kunnen er ook banden zijn met criminele organisaties of netwerken. artikel 2:28 (Exploitatie openbare inrichting) Aan artikel 2:28 lid 3 van de APV is een extra weigeringsgrond toegevoegd, die ontleend is aan artikel 27 van de Alcoholwet, en die erin voorziet om schijnbeheer te voorkomen. De horecasector is daarvoor, ook blijkens de soortgelijke bepaling in de Alcoholwet, gevoelig. Onderdeel c luidt in dat kader dat de vergunning ook kan worden geweigerd als de feitelijke toestand niet met het in de
aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn. In het zesde lid is de zinsnede “of een vrijstelling” geschrapt omdat artikel 2:28 (en de rest van de Afdeling) niet voorziet in een bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen. Toevoeging artikel 2:34e Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven indien hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van dit verbod, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente. Het nieuwe artikel 2:34e voorziet in die vrijstelling. De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal één proeverij per dag en maximaal drie proeverijen per week worden gegeven. Het is een keuze van de gemeente om proeverijen al dan niet toe te staan. Gelet op het feit dat de wet deze mogelijkheid biedt en er ook voorwaarden aan stelt, waardoor gevaar voor de openbare orde en veiligheid gering is, is er voor gekozen artikel 2:34e in de APV op te nemen.
Hernieuwde invulling artikel 2:37 (Nachtregister) en artikel 2:38 (Verschaffing gegevens nachtregister) Teneinde zicht te hebben op wie in een inrichting waarin nachtverblijf wordt aangeboden verblijft, onder meer met het oog op de veiligheid, alsook ter voorkoming van openbare ordeverstoringen of het plegen van strafbare feiten – zoals op het gebied van mensenhandel, arbeidsuitbuiting, illegale prostitutie, etc. – wordt van degene die een dergelijke inrichting exploiteert verlangd dat deze een nachtregister bijhoudt. Daarin moeten de personalia en verblijfsduur van de “gasten” worden bijgehouden. Deze “gasten” moeten die gegevens ook verstrekken. Op vordering van een toezichthouder kunnen de betreffende gegevens ook worden opgevraagd. Taalkundige correctie artikel 2:38a (Definities) In artikel 2:38a van de APV ontbrak het woordje “verstaan”. Dat is gecorrigeerd. Gewijzigd artikel 2:40d (Eisen aan de exploitant en leidinggevende) Omdat de Afdeling (7A) waarin dit artikel staat gaat over “Toezicht op smartshops” die niet onder de Alcoholwet vallen is het niet logisch om voor de eisen die gesteld worden aan leidinggevenden en exploitanten hiervan te verwijzen naar de Alcoholwet. Om die reden is ervoor gekozen – en om in één oogopslag duidelijk te zijn over welke eisen er gelden – om de eisen uit te schrijven.
Het gaat om eisen die in de gehele APV gangbaar zijn voor leidinggevenden en exploitanten van inrichtingen. Gewijzigd artikel 2:40e (Weigeringsgronden) In artikel 2:40e van de APV zijn alleen sub c en e gewijzigd. Sub e verwijst naar het geldende bestemmingsplan of de beheersverordening. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen van rechtswege opgegaan in het gemeentelijke omgevingsplan. Dit is redactioneel aangepast. Toevoeging artikel 2:41 lid 4 (Betreden gesloten woning of lokaal)
Aan artikel 2:41 van de APV wordt een vierde lid toegevoegd, waarin wordt duidelijk gemaakt dat van het verbod om een op grond van artikel 13b van de Opiumwet of artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning te betreden, ontheffing kan worden verleend. Voorkomen wordt hiermee dat in de praktijk ruis bestaat bij zowel de burgemeester als bij de betrokkene over de mogelijkheid en juridische grondslag om een ontheffing te verlenen om bijvoorbeeld spullen uit een gesloten woning te halen, reparaties te verrichten of om – al dan niet door een woningcorporatie – werkzaamheden te verrichten teneinde de woning na de sluitingsperiode weer gebruiksklaar te maken. Toevoeging artikel 2:67 lid 3 van de APV (Verplichting met betrekking tot het verkoopregister) Voor handelaren geldt de verplichting om een verkoopregister dat door de burgemeester wordt erkend bij te houden. Het DOR is een inmiddels breed gangbare en geaccepteerde digitale variant van het wettelijk verplicht gestelde verkoopregister. Veel gemeenten zijn dan ook aangesloten bij, althans erkennen het DOR-register. DOR staat voor Digitaal Opkopersregister. In het derde lid wordt daarom verduidelijk dat het DOR-register in elk geval kwalificeert als een door de burgemeester erkend register, zoals bedoeld in het eerste lid.
De informatie die moet worden verstrekt voor registratie in het DOR bij de bestrijding van diefstal en heling, wordt in het DOR automatisch gecontroleerd op diefstal. Zo wordt een ingevoerd identificatienummer van bijvoorbeeld een voertuig gecontroleerd met corresponderende identificatienummers van als gestolen geregistreerd staande voertuigen. Als sprake is van een identificatienummer van een gestolen voertuig, dan gaat vanuit het DOR automatisch een melding naar de politie, zodat de politie actie kan ondernemen (zie o.a. Rb. Den Haag 21 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11889). Wijziging artikel 2:74 (Drugshandel op straat) Dit artikel was al opgenomen in de APV, maar beperkte zich tot de daadwerkelijke (bedoelde) verstrekking van – kort gezegd – verboden middelen op of aan een openbare plaats. Door de redactionele wijziging is ook het vervoeren van dergelijke middelen met het kennelijke doel – kort gezegd – handel, zowel op of aan openbare plaatsen of wateren, verboden. Daarmee kan bijvoorbeeld ook het thuisbezorgen van drugs worden aangepakt. Wijziging artikel 2:77 (Cameratoezicht op openbare plaatsen) Artikel 2:77 van de APV wordt uitgebreid met een tweede lid.
Daarmee wordt duidelijk gemaakt, conform de redactie van artikel 151c lid 1 van de Gemeentewet, dat gemeentelijk cameratoezicht niet alleen kan worden ingesteld in het belang van de handhaving van de openbare orde op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties, maar ook op andere aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. Openbare plaatsen zijn voor de goede orde plaatsen waar eenieder zonder enige vereiste voorafgaande toestemming kan verblijven. Voor een ieder toegankelijke plaatsen kunnen bijvoorbeeld het gemeentehuis zijn, alsook stationsgebouwen, bibliotheken en daarbij behorende erven. De gemeenteraad kan ook dergelijke plaatsen aanwijzen, al dan niet in een afzonderlijke verordening, als plaatsen waar cameratoezicht kan worden ingesteld. Wijziging artikel 2:78 (Gebiedsontzeggingen) In artikel 2:78 lid 1 onder a van de APV is de duur waarvoor een gebiedsontzegging op grond van deze bepaling kan worden gegeven vervallen. Dat wil niet zeggen dat in alle gevallen een gebiedsontzegging voor een langere duur mogelijk is. Het handelingskader om gebiedsontzeggingen
op te leggen is leidend en is vastgelegd in de ‘Beleidsregel gebiedsontzeggingen en gebiedsverboden’. Daarin is opgenomen wanneer en voor welke duur een gebiedsontzegging noodzakelijk en effectief is. Toevoeging artikel 2:80 (Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf) Het artikel verschaft de burgemeester de bevoegdheid om naast openbare inrichtingen en smartshops – waarvoor in de relevante Afdelingen reeds afzonderlijke tijdelijke sluitingsbevoegdheden zijn opgenomen – en los van artikel 13b van de Opiumwet, in het belang van de openbare orde, ook andere voor het publiek openstaande gebouwen of bijbehorende erven te sluiten. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan (avond)winkels of garagebedrijven (zie o.a. ABRvS 23 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2282; ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1012 en ABRvS 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3148). Het eerste lid omschrijft de bevoegdheid. De burgemeester kan overgaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 2:81 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid als sprake is van een vergunningplicht.
De burgemeester kan met behulp van artikel 2:80 optreden als in of vanuit een voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op andere wijze toestaan. Ook geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden als er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. Als sprake is van een illegaal gokpand is zonder meer sprake van een aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). Gokpanden die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen niet op basis van dit artikel uit de APV worden gesloten, maar op grond van artikel 174a Gemeentewet. Het artikel strekt niet tot uitvoering van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet.
Een bevel op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet is pas op zijn plaats als er geen reguliere bevoegdheden toepasselijk zijn, bijvoorbeeld op grond van de APV, en onverwijlde spoed onmiddellijk optreden vergt (ABRvS 9 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP1137 (Castricum); ABRvS 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3699 (Rotterdam)). De situatie moet tot onmiddellijk ingrijpen noodzaken: de bevelen op grond van artikel 174, tweede lid, moeten zien op concrete, zich direct aandienende, situaties die de veiligheid of de gezondheid bedreigen (MvA, Kamerstukken II 1988/89, 19403, 10, p. 92-93). In het tweede lid is verduidelijkt dat het artikel een aanvulling is op en niet ziet op situaties waarop de bevoegdheid van de burgemeester om op grond van of artikel 13b van de Opiumwet, dan wel of artikel 174a Gemeentewet overlastgevende (niet voor het publiek toegankelijke) inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, te sluiten.
In het derde lid is verduidelijkt dat het verboden is gedurende de sluiting een gebouw of een daarbij behorend erf zonder toestemming van de burgemeester te betreden. Het vierde lid verschaft de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op te heffen. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn gedurende de betreding van het pand. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting. Blijkens een uitspraak van de Afdeling van 23 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2282 moet de burgemeester aannemelijk maken dat concreet voorzienbaar is dat de openbare orde zal worden verstoord. Niet is daarbij vereist dat zich al een concrete verstoring van de openbare orde heeft voorgedaan. Ook is niet in alle gevallen vereist dat er reeds strafbare feiten zijn gepleegd. Artikel 2:81 (Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat) Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen.
Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd. Uit de jurisprudentie volgt dat het juridisch mogelijk is om de vergunningplicht bij een onveilig en malafide ondernemersklimaat in te zetten, maar dat de inzet van deze bevoegdheid wel goed moet worden gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de uitoefening van een bedrijf in de regel kwalificeert als het verrichten van een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Op een vergunningstelsel dat de uitoefening van dienstenactiviteiten reguleert, heeft artikel 9 van de Dienstenrichtlijn betrekking. Dit betekent dat de burgemeester moet onderbouwen dat een aanwijzingsbesluit tot het onderwerpen van dienstverrichters aan een vergunningstelsel een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt (de openbare orde en veiligheid zijn een dwingende reden van algemeen belang), niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt (de maatregel is geschikt, noodzakelijk en evenredig). Zie bijvoorbeeld ABRvS 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:461 (Autoverhuurbranche Tilburg).
Aandachtspunten bij de onderbouwing kunnen zijn: - De kwetsbaarheid van het aangewezen gebied of de aangewezen branche. Waarom staat de openbare orde en/of de leefbaarheid door de bedrijfsmatige activiteit daar onder druk? - De mate waarin de vergunningplicht geschikt is om deze problematiek aan te pakken. Welk doel wordt met de introductie van de vergunningplicht bereikt? Hoe draagt de vergunningplicht bij aan de oplossing? - De vraag of in het aangewezen gebied of branche malafide bedrijven zijn gevestigd. Waaruit blijkt dat bedrijven zijn gelieerd aan een malafide ondernemersklimaat? - De ervaringen van buurtbewoners of inwoners van de gemeente. Welke signalen ontvangt de gemeente van hen over de bedrijven of het aangewezen gebied?
-
Het type bedrijven dat in het aangewezen gebied of in de branche aanwezig zijn. Zijn dit in zijn algemeenheid ‘ondermijningsgevoelige’ bedrijven? Een bredere aanpak van een bepaald gebied of een bepaalde branche. Is de vergunningplicht ingebed in een bredere aanpak van een bepaalde branche, wijk of gebied? Sluit de vergunningplicht goed aan bij het doel van deze bredere aanpak en de daarvoor genomen maatregelen?
In het eerste lid worden de in het artikel veel voorkomende begrippen omschreven. Bij de uitoefening van een bedrijfsmatige activiteit gaat het om bedrijfsmatige activiteiten in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Als bedrijfsmatige activiteit wordt niet aangemerkt (de uitoefening van) een slijtersbedrijf, horecabedrijf of andere openbare inrichting of een seksbedrijf, waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van de Alcoholwet, respectievelijk artikel 2:28 en artikel 3:3 van de APV. Bij die vergunningaanvragen vindt al een vergelijkbare toetsing plaats. Ook de weigerings- en intrekkingsgronden zijn vergelijkbaar. In voorkomend geval kan sluiting plaatsvinden. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij het ‘voor rekening en risico’ exploiteren. Dit heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon.
De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder berusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. De systematiek van dit artikel gaat overeenkomstig het tweede lid uit van een gebouw-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de gemeente geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche, gebouw of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Het belang van de verbetering van de situatie kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen gebouw verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak.
De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt verleend voor de duur van het
aanwijzingsbesluit. Als sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaald(e) branche, gebouw of gebied kan op grond van het APV-artikel een vergunningplicht voor een branche, gebouw of gebied worden ingevoerd. Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben. Het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan echter ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid of leefbaarheid gereguleerd moeten worden. In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Dit maakt het voor de gemeente ook mogelijk om deze vergunningplichtige branches te screenen door middel van een Bibob-toets.