Toelichting op ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Er is dan weliswaar sprake van een fysieke kwaliteitsverbetering, maar dan op een later moment en elders in het buitengebied. Om in de regels tot uitdrukking te brengen dat dit een mogelijkheid is, is aan de bepalingen met betrekking tot kwaliteitsverbetering van het landschap toegevoegd dat, indien fysieke verbetering ter plaatse niet mogelijk of niet wenselijk is, kwaliteitsverbetering ook kan plaatsvinden door een passende financiële bijdrage in het gemeentelijk landschapsfonds. In de praktijk blijft overigens op basis van gemeentelijk beleid, waaronder de gemeentelijke beleidsregels voor landschappelijke inpassing, het primaire uitgangspunt dat kwaliteitsverbetering fysiek plaatsvindt op dezelfde locatie als de ruimtelijke ontwikkeling.
2.3.2
Mantelzorg De toegestane oppervlakte in de regelingen voor mantelzorg is vergroot naar 100 m 2, zodat de regelingen in het bestemmingsplan aansluiten bij hetgeen op grond van het landelijke Besluit omgevingsrecht vergunningvrij mogelijk is. Daarnaast is bij de afwijkingsbevoegdheden de bepaling opgenomen dat het gebruik als afhankelijke woonruimte geen onevenredige beperking mag opleveren voor de bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven. Ook moet de afwijking aanvaardbaar zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. Tenslotte is het begrip ‘mantelzorg’ in artikel 1 van de regels in overeenstemming gebracht met het begrip zoals opgenomen in het Besluit omgevingsrecht.
2.3.3
Aan-huis-gebonden-beroepen In het huidige bestemmingsplan is een lijst opgenomen met aan-huis-gebonden-beroepen. Deze lijst is opgenomen als bijlage bij de toelichting en is niet gekoppeld aan de regels.
pagina 17 van 29
In deze herziening wordt de lijst alsnog als bijlage aan de planregels toegevoegd en wordt er in de planregels naar verwezen. De lijst met aan-huis-gebonden-beroepen gaat daardoor, zoals eigenlijk al bedoeld bij de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ in 2013, onderdeel uitmaken van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Ook is de regeling voor de toegestane oppervlakte van aan-huis-gebonden-beroepen aangepast. In plaats van een combinatie van een percentageregeling en een oppervlakteregeling (33% van de woning of 50 m2 van de bijgebouwen), wordt nu gewerkt met een vaste oppervlakteregeling die op een perceel een oppervlakte van 50 m2 toestaat, ongeacht of die oppervlakte zich in het hoofdgebouw of in een bijgebouw bevindt. De regeling wordt hiermee eenduidiger en beter toetsbaar. Daarnaast is expliciet toegevoegd dat buitenopslag ten dienste van het aan-huis-gebonden-beroep niet is toegestaan. 2.3.4
Regeling voor ondergronds bouwen De regeling voor ondergronds bouwen is aangepast. In de huidige regeling is bepaald dat ondergrondse bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan binnen de contouren van legaal opgerichte bovengrondse gebouwen. Buiten die contouren mogen toegangen (laaddocks, hellingbanen, trappen) worden gebouwd, maar daarbij is bepaald dat, als er een bouwvlak is opgenomen, die toegangen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. Die laatste bepaling is niet zinvol. Ondergrondse bouwwerken moeten namelijk, net als bovengrondse bouwwerken, voldoen aan de regels van de (enkel)bestemmingen. Dat betekent dat (ondergrondse) bouwwerken die dienen voor de toegang van een bedrijf moeten zijn gelegen binnen een bestemming die bouwwerken ten dienste van dat bedrijf toestaat: in de praktijk dus binnen de bestemming ‘Bedrijf of – bij agrarische bedrijven – binnen het bouwvlak. In de agrarische bestemmingen zijn buiten het bouwvlak immers uitsluitend erf- en terreinafscheidingen toegestaan en geen andere bouwwerken. Door in de regeling voor ondergronds bouwen te bepalen dat laaddocks, hellingbanen en trappen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden opgericht, is dus sprake van een onnodige dubbeling met de regels van de enkelbestemmingen.
In de bedrijfsbestemming – waar soms sprake is van relatief strakke bouwvlakken rond de (bestaande) gebouwen – kan de regeling in sommige gevallen een optimale indeling van een (bedrijfs)perceel zelfs in de weg staan. Als sprake is van een strak bouwvlak, zou daarbuiten namelijk geen hellingbaan mogelijk zijn. Er is echter geen reden om op gronden waar een bovengrondse laad- en losvoorziening is toegestaan (binnen het bestemmingsvlak, maar buiten het bouwvlak) geen hellingbaan of (half)verdiept laad- en losdock toe te staan. De regeling is daarom aangepast door de bepaling te verwijderen die bepaalt dat binnen het bouwvlak moet worden gebouwd.
2.3.5
Regeling voor ondergeschikte bouwdelen In de wijze van meten (artikel 2 van de planregels) is in het huidige bestemmingsplan voor het bepalen van de oppervlakte van een bouwwerk bepaald dat uitstekende delen van ondergeschikte aard buiten beschouwing dienen te blijven. Bij de wijze van meten voor de inhoud van een bouwwerk is zo’n uitzondering niet gemaakt. Om de regels uniform te maken, is nu een algemeen lid 2.3 ‘ondergeschikte bouwdelen’ toegevoegd, waarin in algemene zin is bepaald dat ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing worden gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.
2.3.6
Erf- en terreinafscheidingen met een open constructie In het huidige bestemmingsplan is in verschillende bestemmingen (bijvoorbeeld ‘Bos’, ‘Groen – Houtsingel’ en ‘Natuur’) bepaald dat er uitsluitend erf- en terreinafscheidingen met een open karakter mogen worden gebouwd. Deze beperking is abusievelijk niet opgenomen voor agrarische gronden buiten het bouwvlak. In de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’ is daarom alsnog bepaald dat op gronden buiten het bouwvlak uitsluitend erfafscheidingen met een open constructie mogen worden gebouwd. Er is een begrip toegevoegd dat bepaalt dat een erf- of terreinafscheiding met een open constructie een constructie heeft die voor ten minste 80% open moet zijn.
pagina 18 van 29
Het betreft bijvoorbeeld afscheidingen die bestaan uit palen met (prikkel)draad, gaashekwerken of hekwerken met planken die aan het 80%-criterium voldoen. Hiermee worden gesloten afscheidingen, zoals houten schuttingen of gemetselde muren uitgesloten. 2.3.7
Nevenfuncties bij agrarische bedrijven In de bestemmingsomschrijving van de agrarische bestemmingen zijn een aantal nevenactiviteiten en vormen van verbrede landbouw direct toegestaan, waaronder bewerken/verwerken van eigen agrarische producten en huisverkoop. Daarbij is nu echter niet consequent geregeld dat het nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf moet betreffen. Daarom zijn deze functies in de bestemmingsomschrijving in deze herziening gebundeld onder één sub ‘nevenfuncties en vormen van verbrede landbouw’. De regeling is hiermee verduidelijkt. De op de verbeelding aangeduide agrarische hulpgebouwen (gelegen buiten het bouwvlak) zijn niet langer onder de regeling voor nevenactiviteiten geschaard, maar zijn afzonderlijk geregeld.
2.3.8
Advies van een ter zake deskundige (AAB) in de agrarische bestemmingen Indien gebruik wordt gemaakt van een afwijkingsbevoegdheid of een wijzigingsbevoegdheid in de agrarische bestemmingen, verplicht het huidige bestemmingsplan in veel gevallen om advies in te winnen bij een ter zake deskundige. Dit is veelal de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). In de praktijk blijkt een dergelijk advies niet altijd noodzakelijk. Het is bijvoorbeeld niet zinvol om in het geval van vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning bij een (overduidelijk) volwaardig agrarisch bedrijf advies in te winnen bij de AAB. Daarom is de ‘moet-bepaling’ (een verplichting voor het bevoegd gezag om advies in te winnen) gewijzigd in een ‘kan-bepaling’ (de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om een advies te verlangen).
2.3.9
Energievoorzieningen bij agrarische bedrijven Het huidige bestemmingsplan biedt glastuinbouwbedrijven de mogelijkheid om energievoorzieningen op te richten met een bouwhoogte van maximaal 12 meter (met een afwijkingsmogelijkheid tot 15 meter). De regeling is in deze herziening verbreed naar alle agrarische bedrijven. Hierdoor ontstaat bijvoorbeeld de mogelijkheid om op bedrijfsniveau op het erf een kleine windturbine op te richten. Daarnaast is in het kader van duurzaamheid en zuinig ruimtegebruik/dubbel ruimtegebruik in het bestemmingsplan de mogelijkheid opgenomen om in watervoorzieningen bij agrarische bedrijven drijvende zonnepanelen als energievoorziening ten behoeve van het agrarische bedrijf te bouwen.
2.3.10 Verharding buiten bouwvlak op agrarische percelen In de praktijk blijkt er bij fruitteeltbedrijven behoefte te zijn om rijpaden aan te leggen op agrarische gronden, zodat de gewassen bereikbaar zijn met landbouwmachines. Er is daarom een afwijkingsbevoegdheid toegevoegd die het mogelijk maakt om de aanleg van verharding ten behoeve van deze (rij)paden toe te staan. Daarbij is expliciet bepaald dat de afwijkingsbevoegdheid niet mag worden gebruik voor het aanleggen van teeltondersteunende voorzieningen, zoals containervelden. De afwijkingsbevoegdheid kan ook worden benut om verharding ten behoeve van een pad voor extensief recreatief medegebruik (een verhard wandel- of fietspad) toe te staan in de agrarische bestemmingen. 2.3.11 Wijzigen bedrijfsactiviteiten van bestaande niet-agrarische bedrijven Er is in de bestemming ‘Bedrijf’ een regeling opgenomen die het mogelijk maakt om onder voorwaarden via een afwijkingsbevoegdheid andere bedrijfsactiviteiten toe te staan dan de bestaande (en als zodanig aangeduide) bedrijfsactiviteiten. Dit kan enkel indien de nieuwe activiteit voorkomt in milieucategorie 1 of 2 van de bij de regels gevoegde Lijst van bedrijfsactiviteiten, of als het een daarmee vergelijkbare activiteit betreft.
pagina 19 van 29
De Lijst met bedrijfsactiviteiten is gefilterd, zodat op de lijst alleen bedrijfsactiviteiten voorkomen; functies als detailhandel, horeca en maatschappelijke voorzieningen komen niet voor op de lijst en kunnen dus niet via deze afwijkingsbevoegdheid worden toegelaten. 2.3.12 Uitsluiten van Bevi-inrichtingen en geluidzoneringsplichtige inrichtingen In de bestemming ‘Bedrijf’ is een gebruiksregel toegevoegd die de vestiging uitsluit van bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Er is een uitzondering gemaakt voor de bestaande lpg-tankstations. Daarnaast zijn geluidzoneringsplichtige inrichtingen (zogenaamde ‘grote lawaaimakers’) nu expliciet uitgesloten. 2.3.13 Aanpassingen in de dubbelbestemmingen ‘Leiding’ en ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ In de dubbelbestemmingen ‘Leiding’ en ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ zijn, mede op verzoek van TenneT, enkele aanpassingen gedaan om de regels te verduidelijken en de dubbelbestemmingen beter op elkaar af te stemmen. 2.3.14 Aanpassingen in de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ tot en met ‘Waarde – Archeologie 4’ schrijven archeologisch onderzoek voor bij bodemingrepen vanaf een bepaalde omvang en een bepaalde diepte.
In sommige gevallen kan uit andere informatie – bijvoorbeeld uit gegevens over eerdere ophoging of afgraving van gronden – blijken dat archeologisch onderzoek niet zinvol is. Er is daarom aan de dubbelbestemmingen een regeling toegevoegd die bepaalt dat, als uit andere informatie blijkt dat de gronden verstoord zijn of dat er ten gevolge van de ingreep geen verstoring zal plaatsvinden, een archeologisch onderzoek achterwege kan blijven. 2.3.15 Wijzigen van een bestaande waterloop Het huidige bestemmingsplan kent de mogelijkheid om via een wijzigingsbevoegdheid een bestaande houtsingel (bestemming ‘Groen – Houtsingel’) te verplaatsen. In de praktijk is gebleken dat deze behoefte er soms ook is voor bestaande waterlopen die zijn bestemd als ‘Water’. Deze mogelijkheid is toegevoegd onder de voorwaarde dat de wijziging waterhuishoudkundig inpasbaar moet zijn en dat de wijziging aanvaardbaar is met het oog op de landschappelijke, cultuurhistorische, natuurlijke, aardkundige en archeologische waarden van de gronden. Watergangen die onderdeel zijn van het Natuur Netwerk Brabant of die zijn aangewezen als ecologische verbindingszone mogen niet worden verplaatst. 2.3.16 Aanpassing regelingen vanwege Breda International Airport Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in de nabijheid van Breda International Airport.
Hierdoor gelden op grond van het huidige bestemmingsplan voor (delen van) het plangebied beperkingen ten aanzien van het oprichten van nieuwe bebouwing. Op grond van het actuele luchthavenbesluit zijn de beperkingengebieden van de luchthaven intussen echter anders dan ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ in 2013. Hierna wordt ingegaan op de wijzigingen en de consequenties voor de planregeling. Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant Op 17 mei 2013 hebben Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant de ‘Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant’ (verder: het luchthavenbesluit) vastgesteld. Dit luchthavenbesluit geldt voor luchthaven Seppe (Breda International Airport) en is in werking getreden op 4 september 2013. Op 11 april 2014 is een eerste wijziging op het luchthavenbesluit vastgesteld, die in werking is getreden op 23 augustus 2014.
pagina 20 van 29
Geluidcontouren Breda International Airport (Luchthavenbesluit)
Externe veiligheidscontouren Breda International Airport (Luchthavenbesluit)
pagina 21 van 29
In het luchthavenbesluit zijn in artikel 8 het luchthavengebied en in artikel 9 het beperkingengebied van luchthaven Seppe vastgesteld. In de artikelen 10, 11 en 12 van het luchthavenbesluit zijn de gebieden vastgesteld waarbinnen regels gelden ten aanzien van geluid, externe veiligheid en vliegveiligheid (zonering). Binnen deze aangewezen gebieden rondom luchthaven Seppe zijn de regels als opgenomen in het Besluit burgerluchthavens van toepassing, voor zover deze betrekking hebben op de bestemming en het gebruik van gronden. Op luchthaven Seppe is geen sprake van een vaste luchtverkeersleiding, waardoor de artikelen 15 en 16 van het Besluit burgerluchthavens niet van toepassing zijn. In het luchthavenbesluit zijn op basis van het Besluit burgerluchthavens diverse grenswaarden opgenomen. Grenswaarden definiëren de milieuruimte waarbinnen een luchthaven moet opereren. Deze gelden volgens de Wet luchtvaart voor de exploitant, de gebruikers en, indien aanwezig, de luchtverkeersdienstverleners. Het Besluit burgerluchthavens werkt deze grenswaarden verder uit. Op basis van deze grenswaarden kan een ruimtelijke indeling van de luchthaven en het gebied er om heen worden opgesteld. De zoneringen, die zijn gebaseerd op deze grenswaarden, zijn planologisch verankerd in het huidige bestemmingsplan.
Het betreft: − Geluidcontouren: Voor wat betreft geluid gelden drie contouren: de 48, 56 en 70 dB(A) Ldencontouren vanwege luchtverkeer. Binnen deze contouren gelden beperkingen voor het oprichten van nieuwe geluidgevoelige objecten. In tegenstelling tot de oude contouren ligt de huidige 48 dB(A) Lden-contour niet meer over het plangebied van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De aanduiding ‘geluidzone – vliegveld seppe’ en bijbehorende juridische regeling is daardoor niet meer nodig. Het bestemmingsplan is hierop aangepast door in de regels de tekst voor de aanduiding ‘geluidzone – vliegveld seppe’ door te halen en deze te vervangen door de tekst ‘Vervallen’. De aanduiding heeft daarmee geen juridische betekenis meer en legt dus geen beperkingen meer op aan de bouw van geluidgevoelige objecten. − Externe veiligheidscontouren: Rond Breda International Airport liggen plaatsgebonden risicocontouren 10-5/jaar en 10-6/jaar, waarbinnen beperkingen gelden voor het toelaten van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten. Deze contouren reiken niet over het plangebied van dit bestemmingsplan en daarom is geen regeling opgenomen. − Obstakelbeheervlakken: het huidige bestemmingsplan kent hiervoor al een juiste regeling, gekoppeld aan de aanduiding ‘luchtvaartverkeerzone’. Deze regeling behoeft geen aanpassing.
2.3.17 Radarstations Verspreid over Nederland staan militaire en burgerradarstations. Deze dienen ter beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en civiele luchtverkeer. Volgens de kaart behorend bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) ligt het plangebied binnen het radarverstoringsgebied van verschillende radarstations. Het meest nabijgelegen is radarstation Woensdrecht, terwijl radarstation Herwijnen het meest beperkend is. In een gebied rond deze radarstations dient rekening te worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rond de radarstations mogen geen bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Conform artikel 2.4 van de Rarro is rond de radarstations sprake van een cirkel met een straal van 75 kilometer, gemeten vanaf de positie van de radar. Deze cirkel bestaat uit een kern met een straal van 15 kilometer met een maximale bouwhoogte voor bouwwerken (in het algemeen) en daaromheen een ring die doorloopt tot 75 kilometer van de radar met een maximale bouwhoogte voor (alleen) windturbines. De maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen de kern van het radarverstoringsgebied is afhankelijk van de afstand van het beoogde bouwwerk tot de radar.
pagina 22 van 29
De maximale bouwhoogte in de kern wordt bepaald door een denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne (dit is voor radarstation Woensdrecht 48 meter + NAP en radarstation Herwijnen 25 meter + NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen op 15 kilometer vanaf de radarantenne. Vanaf dit punt is sprake van een denkbeeldige horizontale lijn, die alleen nog beperkingen oplegt aan de bouw van windturbines. Het plangebied ligt niet in de kern van één van de radarverstoringsgebieden (de cirkel van 15 kilometer), maar wel in de ring daaromheen. Binnen die ring gelden alleen beperkingen voor het bouwen van windturbines. Gelet op het hoogteverschil tussen de radarstations is radarstation Herwijnen (hoogte van de antenne 25 meter + NAP) bepalend voor de bouwhoogte van windturbines: het toetsingsvlak van Herwijnen ligt op een hoogte van 90 meter + NAP, terwijl het toetsingsvlak van Woensdrecht op een hoogte van 113 meter + NAP ligt. In het huidige bestemmingsplan is een algemene bouwregel opgenomen. Die bouwregel gaat echter uit van een verkeerde hoogte, namelijk 113 meter boven NAP vanwege radarstation Woensdrecht in plaats van 90 meter boven NAP vanwege het lager gelegen – en dus maatgevende – radarstation Herwijnen.
Bovendien heeft de regeling betrekking op alle bouwwerken, terwijl er op grond van de Rarro alleen beperkingen zijn voor het oprichten of wijzigen van windturbines. De huidige regeling is daarom verwijderd. In plaats daarvan is een regeling opgenomen die bepaalt dat het oprichten dan wel wijzigen van windmolens met een tiphoogte boven 90 meter + NAP niet is toegestaan. Er is voorzien in een afwijkingsmogelijkheid, met als voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan het functioneren van de radar en dat vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de radar (het Ministerie van Defensie). Overigens maakt het bestemmingsplan geen nieuwe windmolens van deze hoogte mogelijk, maar zijn op de verbeelding alleen de huidige (bestaande en vergunde) windmolens als zodanig bestemd.
2.4
Verwerking van planologische wijzigingen Op verschillende locaties hebben na vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ in 2013 planologische wijzigingen plaatsgevonden door het vaststellen van een (postzegel)bestemmingsplan of een wijzigingsplan. Voor zover geen sprake is van plannen met (bewust) hele specifieke regelingen, zijn deze planologische wijzigingen in deze herziening overgenomen. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Na vaststelling van dit bestemmingsplan geldt voor deze locaties weer het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, inclusief de partiële herziening. In de volgende tabel is een overzicht opgenomen van de planologische wijzigingen die zijn overgenomen in deze herziening. Plannaam
Identificatienummer
Vastgesteld
Buitengebied, Lazerijstraat 2
NL.IMRO.0777.0058LAZERIJSTRAAT2-3001
11 juni 2013
Buitengebied, Lage Donk 15 en Sander 47
NL.IMRO.0777.0065LDON15ENSAN47-3001
22 september 2014
Wijziging Buitengebied, Lage Klappenberg 55
NL.IMRO.0777.0089WPLAGEKLAP55-3001
20 januari 2016
Wijziging Buitengebied, Meeuwisdijk 9
NL.IMRO.0777.0087WPMEEUWISDIJK9-3001
23 februari 2016
Wijziging Buitengebied, Midden Donk 10
NL.IMRO.0777.0085WPMIDDENDONK10-3002
10 januari 2017
Wijziging Buitengebied, Bankenstraat 17
NL.IMRO.0777.0095WPBANKENSTR17-3001
21 februari 2017
Wijziging Buitengebied, Haansberg 29
NL.IMRO.0777.0102WPHAANSBERG29-3001
31 augustus 2017
pagina 23 van 29
Plannaam
Identificatienummer
Vastgesteld
Wijziging Buitengebied, EVZ Laakse Vaart
NL.IMRO.0777.0108WPEVZLAAKSEVRT-3001
19 september 2017
Wijziging Buitengebied, Zeedijk 2
NL.IMRO.0777.0101WPZEEDIJK2-3001
6 februari 2018
Wijziging Buitengebied, Hoge Vaartkant 118
NL.IMRO.0777.0110WPHVAARTKNT118-3001
7 maart 2018
Wijziging Buitengebied, Bellendreef 16
NL.IMRO.0777.0111WPBELLENDRE16-3001
7 maart 2018
Wijziging Buitengebied, Grauwe Polder 192
NL.IMRO.0777.0114WPGRAUWEPOL192-3001
14 maart 2018
Wijziging Buitengebied, Lage Bremberg 8
NL.IMRO.0777.0106WPLBREMBERG8-3001
1 mei 2018
Wijziging Buitengebied, Rijsbergseweg 47a
NL.IMRO.0777.0126WPRIJSBWEG47A-3001
20 september 2018
Buitengebied, Bollenstraat 6
NL.IMRO.0777.0117BOLLENSTRAAT6-3001
30 oktober 2018
Wijziging Buitengebied, Wildert 21
NL.IMRO.0777.0120WPWILDERT21-3001
31 oktober 2018
Wijziging Buitengebied, Midden Donk 4
NL.IMRO.0777.0124WPMIDDENDONK4-3001
30 januari 2019
Wijziging Buitengebied, Bankenstraat 80
NL.IMRO.0777.0107WPBANKENSTR80-3001
4 juni 2019
Wijziging Buitengebied, Moerdijkse Postbaan 84
NL.IMRO.0777.0123WPMOERPOST84-3001
30 juli 2019
Lage Donk 45
NL.IMRO.0777.0138LAGEDONK45-3001
2 december 2019
Wijziging Buitengebied, Haansberg 41
NL.IMRO.0777.0122WPHAANSBERG41-3001
24 maart 2020
Wijziging Buitengebied, Heigatstraat 15
NL.IMRO.0777.0119WPHEIGATSTR15-3001
24 november 2020
Wijziging Buitengebied, Wildert 55
NL.IMRO.0777.0159WPWILDERT55-3001
19 maart 2021
Naast deze (postzegel)bestemmingsplannen en wijzigingsplannen is op een enkele locatie een verleende omgevingsvergunning verwerkt in dit bestemmingsplan. Het betreft onder meer de omgevingsvergunning die de herstructurering van het windpark Groene Dijk mogelijk heeft gemaakt (de vervanging van vijf windturbines door drie grotere windturbines, inmiddels gerealiseerd). Ten gevolge hiervan zijn nieuwe bestemmingen ‘Bedrijf – Windturbine’, met bijbehorende aanduidingen voor de ashoogte en tiphoogte en bijbehorende veiligheidszones, ingetekend. Gelijktijdig zijn bestaande bestemmingen en bestaande veiligheidszones verwijderd en vervangen door een agrarische bestemming. Tenslotte is de vergunde situatie met betrekking tot de permanente teeltondersteunende voorzieningen nabij de Teerlingstraat op passende wijze bestemd. De vergunde permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn daarbij als zodanig aangeduid binnen de agrarische bestemming.
pagina 24 van 29
3
Beleidskader en omgevingsaspecten
3.1
Beleidskader Het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’ is opgesteld om de in hoofdstuk 2 benoemde aanpassingen door te voeren in het bestemmingsplan voor het buitengebied. De aanpassingen zien op de wijze waarop de bestaande situaties juridisch-planologisch zijn geregeld. Hiervoor is per aanpassing een specifieke afweging gemaakt. Indien van toepassing is relevant beleid hierbij betrokken. Daarnaast zijn in dit bestemmingsplan regelingen opgenomen om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met de regels die in de provinciale Interim omgevingsverordening zijn opgenomen. Dit is toegelicht in hoofdstuk 2.
3.2
Omgevingsaspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. Als een bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, moet worden aangetoond dat dit haalbaar is in relatie tot de planologische en milieuhygiënische aspecten. Deze herziening van het bestemmingsplan is gericht op voorbereiding op de Omgevingswet en op correcties, herstel van omissies en gewenste aanpassingen van de planregels. Dit is toegelicht in hoofdstuk 2. Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarvoor nader onderzoek noodzakelijk is. Wat betreft de overige algemene regelingen worden met deze herziening van het moederplan (het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van 2013) geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die wezenlijk anders zijn dan al mogelijk in het moederplan. In hoofdstuk 2 is hiervoor een nadere afweging gegeven. In het kader van deze herziening wordt geen geheel nieuwe afweging gemaakt ten aanzien van het moederplan, wel worden randvoorwaarden aangevuld of aangescherpt.
pagina 25 van 29
4
Juridische opzet
4.1
Plansystematiek Dit bestemmingsplan is een partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De verbeelding en regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ worden in dit plan op onderdelen aangepast, maar blijven voor het overige ongewijzigd van toepassing. Daarnaast worden diverse afgeronde, onherroepelijke planologische wijzigingen van de afgelopen jaren verwerkt, zodat hier de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ - inclusief de aanpassingen die worden gedaan in deze partiële herziening - van toepassing worden. Voor het opstellen van een herzieningsplan zijn geen standaarden of modelafspraken voorhanden. Hierna wordt aangegeven hoe (de herziening van) de regels en verbeelding zijn vormgegeven.
4.2
Herziening van de regels In verband met de leesbaarheid van de planregels is ervoor gekozen om bij dit bestemmingsplan een volledige set regels op te nemen, waarin door middel van kleurgebruik duidelijk is gemaakt welke regels worden herzien door deze herziening. De basis van de set regels wordt gevormd door de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, zoals vastgesteld op 30 september 2013, inclusief de aanpassingen die in deze regels zijn gedaan door: − de reactieve aanwijzing van Gedeputeerde Staten (5 november 2013); − de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (20 mei 2015); − de partiële herziening ‘Reparatieplan Buitengebied, Hoevenseweg 26 en statische opslag in kassen' (vastgesteld 21 maart 2016); − de partiële herziening 'Paraplubestemmingsplan Vergroten inhoudsmaat burgerwoningen Buitengebied' (vastgesteld 27 mei 2019). Door deze opzet is het niet nodig om naast het herzieningsplan ook de regels van het moederplan te raadplegen, maar kan worden volstaan met het raadplegen van één document. De regels van dit bestemmingsplan zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken. Hoofdstuk 1 – Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels en bestaat uit twee artikelen. De artikelen zijn geletterd in plaats van genummerd, om verwarring met de genummerde artikelen van het oorspronkelijke bestemmingsplan te voorkomen.
− Artikel A bevat de begripsbepalingen die van belang zijn voor het plan. In dit artikel zijn slechts begripsbepalingen opgenomen voor ‘plan’, ‘bestemmingsplan’ en ‘bestemmingsplan ‘Buitengebied’’, zodat duidelijk is wat hiermee in de regels wordt bedoeld. − Artikel B betreft het toepassingsbereik. In artikel B.1 is bepaald dat op alle gronden binnen het plangebied de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van toepassing zijn, inclusief de aanpassingen die door middel van deze partiële herziening in de planregels worden gedaan. In artikel B.2 is geregeld hoe de verbeelding en regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ worden herzien. Daarbij is het volgende bepaald: 1. De verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ wordt herzien zoals aangegeven op de verbeelding van het herzieningsplan en blijft voor het overige ongewijzigd van toepassing.
pagina 26 van 29
2. De regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ worden herzien zoals aangegeven in hoofdstuk 2 van de planregels van de herziening en blijven voor het overige ongewijzigd van toepassing. Hoofdstuk 2 – Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn alle artikelen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ opgenomen, met daarin in rood de aanpassingen die met deze herziening worden doorgevoerd. Teksten die in rood zijn weergegeven, worden toegevoegd aan de huidige planregels, teksten die in rood zijn weergegeven en zijn doorgehaald worden uit de huidige planregels verwijderd. Dit herzieningsplan gaat dus uitsluitend over de rood gemarkeerde regels, de zwart weergegeven regels zijn de ‘basisregels’ van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ en blijven ongewijzigd. De aanpassingen zijn inhoudelijk toegelicht in hoofdstuk 2 van deze toelichting. Hoofdstuk 3 – Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 3 betreft de overgangs- en slotregels en bevat twee artikelen. Ook deze artikelen zijn geletterd om verwarring met de genummerde artikelen van het oorspronkelijke bestemmingsplan te voorkomen: − Artikel C bevat het overgangsrecht. In dit bestemmingsplan is het overgangsrecht opgenomen zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. − Artikel D bevat de slotregel. In deze regel is aangegeven hoe de regels van dit bestemmingsplan worden aangehaald.
4.3
Herziening van de verbeelding Het plangebied van deze herziening is grotendeels gelijk aan het plangebied van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van 2013. Het plangebied omvat daarmee nagenoeg het hele buitengebied van de gemeente Etten-Leur. Aan de noordzijde van de kern Etten-Leur is het plangebied iets verruimd, zodat een strook woningen aan de Hanekinderstraat, die gelegen is in het buitengebied, ook binnen het bestemmingsplan voor het buitengebied komt te vallen. Dat betreft echter niet meer dan een logischere begrenzing. Verder blijven er voor diverse locaties specifieke postzegelplannen gelden. Een en ander is verder toegelicht in hoofdstuk 1 van deze toelichting. Binnen het plangebied zijn de meeste gronden niet voorzien van bestemmingen of aanduidingen. Er zijn op de verbeelding van dit herzieningsplan uitsluitend bestemmingen en/of aanduidingen ingetekend op gronden waar via dit herzieningsplan een aanpassing wordt gedaan op de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Deze aanpassingen zijn als volgt vormgegeven: − Waar aan gronden een enkelbestemming is gegeven, wordt het betreffende deel van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vervangen door het betreffende gedeelte van de verbeelding van het herzieningsplan.
Omdat het hier gaat om een (integrale) vervanging, zijn voor deze gronden niet alleen de enkelbestemming(en), maar ook eventuele dubbelbestemmingen en aanduidingen uit het geldende bestemmingsplan overgenomen en – waar nodig – aangepast naar aanleiding van de beoogde herziening. − Waar aan gronden geen enkelbestemming is gegeven, maar alleen een dubbelbestemming en/of gebiedsaanduiding, wordt deze dubbelbestemming of gebiedsaanduiding toegevoegd aan de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De overige (enkel- en dubbel)bestemmingen van de gronden en alle bijbehorende aanduidingen blijven dan ongewijzigd van toepassing, maar worden aangevuld met een extra dubbelbestemming en/of gebiedsaanduiding.
pagina 27 van 29
− Waar de gebiedsaanduiding ‘overige zone - … vervallen’ is opgenomen, wordt de corresponderende dubbelbestemming of aanduiding verwijderd van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De overige (enkel- en dubbel)bestemmingen van de gronden en alle overige aanduidingen blijven hier ongewijzigd van toepassing. Voor de overige gronden binnen het plangebied, waar geen aanpassingen aan de verbeelding nodig zijn, zijn geen bestemmingen of aanduidingen ingetekend. Op grond van het toepassingsbereik dat is opgenomen in hoofdstuk 1 van de planregels blijft op deze gronden de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ ongewijzigd van toepassing. Het (opnieuw) intekenen van bestemmingen en aanduidingen voor deze gronden is daarom niet noodzakelijk en kan alleen maar onbedoelde fouten tot gevolg hebben.
pagina 28 van 29
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal Als in een bestemmingsplan een bouwplan mogelijk gemaakt wordt zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, dient conform artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk als het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door het sluiten van een anterieure overeenkomst met grondeigenaren of ontwikkelende partijen. Dit bestemmingsplan is een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. In dit plan zijn correcties en verbeteringen doorgevoerd, zijn verschillende afgeronde, onherroepelijke planologische wijzigingen overgenomen en zijn aanpassingen gedaan om (flexibiliteits)regelingen af te stemmen op actuele beleidsinzichten. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe bouwplannen mogelijk als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het opstellen van een exploitatieplan of het sluiten van anterieure overeenkomsten is daarom niet aan de orde. Financiële uitvoerbaarheid Met deze herziening zijn geen kosten gemoeid, behoudens de kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is financieel uitvoerbaar.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Het concept ontwerpbestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’ is op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden aan de betrokken instanties en organisaties. Er zijn vooroverlegreacties ontvangen van de provincie Noord-Brabant, Waterschap Brabantse Delta, Tennet, het Ministerie van Defensie, de gemeente Zundert en de gemeente Moerdijk. De vooroverlegreacties zijn samengevat en beantwoord in een nota vooroverleg, die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. In de nota is per reactie aangegeven of deze heeft geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Het concept ontwerpbestemmingsplan is daarnaast toegestuurd aan de lokale afdeling van de ZLTO, aan de Vereniging Glastuinbouw Etten-Leur en aan de lokale afdeling van IVN. Op 22 juli 2021 is het plan toegelicht aan vertegenwoordigers van de ZLTO en de Vereniging Glastuinbouw. IVN heeft te kennen gegeven dat zij geen aanleiding ziet voor een nadere toelichting op het plan. In het ontwerpbestemmingsplan is, waar nodig en mogelijk, rekening gehouden met de resultaten van het overleg met de ZLTO en de Vereniging Glastuinbouw. Verdere procedure Het ontwerpbestemmingsplan doorloopt de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening.
Het plan wordt in het kader van die procedure gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd, waarbij de mogelijkheid wordt geboden tot het indienen van een zienswijze. Na afloop van de periode van terinzagelegging worden de zienswijzen beoordeeld en wordt het plan ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
pagina 29 van 29