Toelichting op ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Ontwerpbestemmingsplan Partiële Herziening Buitengebied
Ontwerpbestemmingsplan Partiële Herziening Buitengebied Gemeente Etten-Leur
Datum: 20 oktober 2021 Projectgegevens: TOE01-0461237-01E REG01-0461237-01A TEK01-0461237-01A Identificatienummer: NL.IMRO.0777.0145PHBUITENGEBIED-2001
datum vrijgave 20-10-2021
beschrijving revisie ontwerp
projectleider EB
vrijgave AH
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Geldende bestemmingsplannen en plangebied Opzet en inhoud van het bestemmingsplan
1 1 2
2
Planbeschrijving
4
2.1 2.2 2.3 2.4
Afstemming op nieuwe gemeentelijke beleidsinzichten Afstemming op Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Verbeteringen en correcties Verwerking van planologische wijzigingen
4 13 17 23
3
Beleidskader en omgevingsaspecten
25
3.1 3.2
Beleidskader Omgevingsaspecten
25 25
4
Juridische opzet
26
4.1 4.2 4.3
Plansystematiek Herziening van de regels Herziening van de verbeelding
26 26 27
5
Uitvoerbaarheid
29
5.1 5.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
29 29
Bijlage: − Nota vooroverleg Concept ontwerpbestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Voorbereiding op de Omgevingswet Naar verwachting treedt op 1 juli 2022 de Omgevingswet in werking. Op dat moment worden alle geldende bestemmingsplannen van een gemeente onderdeel van het gemeentebrede tijdelijke omgevingsplan. Om goed voorbereid te zijn op de overgang naar het omgevingsplan is het wenselijk dat een gemeente beschikt over een planvoorraad met actuele en uniforme bestemmingsplannen. Een actuele en uniforme planvoorraad maakt de transitie van het tijdelijke omgevingsplan naar het definitieve omgevingsplan eenvoudiger en maakt de geldende plannen tijdens de transitiefase beter raadpleegbaar. Dit is reden geweest om te bezien of actualisatie van het bestemmingsplan voor het buitengebied van Etten-Leur wenselijk is. Aanpassingen bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is vastgesteld op 30 september 2013. De afgelopen jaren is ervaring opgedaan met het bestemmingsplan. Op hoofdlijnen voldoet het bestemmingsplan prima, maar het is wenselijk om de planregeling op een aantal punten aan te passen of te verduidelijken. Enkele onderwerpen behoeven aanpassing op verzoek van de gemeenteraad (raadsprogramma), maar er zijn vooral aanpassingen gewenst naar aanleiding van de toepassingspraktijk van de afgelopen jaren.
Aanpassing van het bestemmingsplan biedt tegelijkertijd de mogelijkheid om een aantal nieuwe beleidsinzichten in het bestemmingplan te verwerken. Tenslotte geeft aanpassing van het bestemmingsplan de mogelijkheid om de regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant te vertalen. De aanpassingen zoals opgenomen in dit bestemmingsplan zijn toegelicht in hoofdstuk 2. Keuze voor partiële herziening Het bestemmingsplan ‘Partiële Herziening Buitengebied’ is opgesteld om de gewenste aanpassingen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ door te voeren. Daar waar het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ voldoet, zijn geen wijzigingen nodig. Dit bestemmingsplan is daarom vormgegeven als een partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, waarbij hoofdzakelijk de regels op onderdelen worden aangepast.
1.2
Geldende bestemmingsplannen en plangebied Geldende bestemmingsplannen Voor het grootste deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Na vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ op 30 september 2013 is een aantal wijzigingen in het plan doorgevoerd als gevolg van de volgende procedures: − de 'Reactieve aanwijzing ten aanzien van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Etten-Leur', zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op 5 november 2013; − de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ d.d. 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1583); − de partiële herziening 'Reparatieplan Buitengebied, Hoevenseweg 26 en statische opslag in kassen', vastgesteld door de gemeenteraad op 21 maart 2016; − de partiële herziening 'Paraplubestemmingsplan Vergroten inhoudsmaat burgerwoningen Buitengebied', vastgesteld door de gemeenteraad op 27 mei 2019. Voor sommige locaties in het buitengebied geldt een (postzegel)bestemmingsplan dat is vastgesteld na vaststelling van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ in 2013. Voor deze locaties gelden, juist heel bewust, meestal specifieke regelingen.
pagina 1 van 29
De gronden waar deze (postzegel)bestemmingsplannen gelden, zijn in de meeste gevallen buiten deze herziening van het bestemmingsplan ’Buitengebied’ gelaten. Hierdoor blijven de (postzegel)bestemmingsplannen ter plaatse gelden. De meeste wijzigingen die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden, betreffen zogeheten binnenplanse wijzigingen. Dat zijn wijzigingen die zijn doorgevoerd op grond van in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ opgenomen wijzigingsbevoegdheden. Het gaat bijvoorbeeld om de omzetting van voormalige agrarische bedrijfslocaties naar een woonbestemming of uitbreidingen/aanpassingen van agrarische bedrijfsvoeringen. Voor zover deze procedures afgerond en onherroepelijk zijn, zijn de wijzigingen verwerkt in deze herziening van het bestemmingsplan. Er vinden geen nieuwe planologische wijzigingen plaats voor deze locaties. De planologische wijzigingen die in deze herziening zijn overgenomen, zijn benoemd in paragraaf 2.4. Plangebied Het plangebied van deze herziening is grotendeels gelijk aan het plangebied van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Het plangebied omvat daarmee nagenoeg het hele buitengebied van de gemeente Etten-Leur. Aan de noordzijde van de kern Etten-Leur is het plangebied iets verruimd, zodat een strook woningen aan de Hanekinderstraat, die gelegen is in het buitengebied, ook binnen het bestemmingsplan voor het buitengebied komt te vallen.
Dat betreft echter niet meer dan een logischere begrenzing. Verder zijn, zoals hierboven toegelicht, diverse locaties buiten het plangebied gelaten zodat hier de specifieke postzegelplannen blijven gelden.
1.3
Opzet en inhoud van het bestemmingsplan Aanpassingen op de verbeelding en in de planregels Dit bestemmingsplan is een partiële herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied. De plangrens van dit bestemmingsplan is daarom grotendeels gelijk aan de plangrens van het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Op de verbeelding (kaart) van dit herzieningsplan zijn binnen de plangrens uitsluitend de gronden ingetekend waar een aanpassing van de verbeelding wordt gedaan. In deze herziening betreft dit enkel de verwerking van de in paragraaf 2.4 genoemde planologische wijzigingen die reeds hebben plaatsgevonden, alsmede een beperkt aantal correcties. De overige gronden vallen wel binnen het plangebied van dit herzieningsplan, maar op de verbeelding van deze herziening zijn daar geen bestemmingen of aanduidingen ingetekend. Op basis van het toepassingsbereik (artikel B van de planregels) blijft de huidige verbeelding hier ongewijzigd van toepassing. Kortom, bij deze partiële herziening vinden geen planologische wijzigingen plaats, maar de aangepaste regels zullen betrekking hebben op het hele plangebied van dit plan. De basis voor de planregels van dit bestemmingsplan zijn de huidige regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (inclusief vertaling van de in paragraaf 1.2 genoemde procedures).
In de planregels is in rood aangegeven welke aanpassingen (inclusief doorhalingen) door deze planherziening worden gedaan in de planregels. Deze herziening heeft voor wat betreft de regels dus uitsluitend betrekking op de in rood aangegeven onderdelen van de regels. De in zwart aangegeven delen van de regels zijn weergegeven in verband met de leesbaarheid, maar zijn geen onderdeel van de herziening en blijven dus ongewijzigd. Op deze wijze is in één document heel duidelijk zichtbaar hoe de regels vóór en ná deze partiële herziening luiden. In het toepassingsbereik in de planregels is deze methodiek verder uitgewerkt. Zie ook hoofdstuk 4 waarin de juridische opzet uitgebreid wordt toegelicht.
pagina 2 van 29
Opzet van de toelichting Deze toelichting is een toelichting op maat van de onderdelen die worden herzien. De aanpassingen waar dit herzieningsplan op ziet, zijn in hoofdstuk 2 (de planbeschrijving) gerubriceerd naar hun achtergrond. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op overig relevant actueel beleid en relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 4 bevat een toelichting op de systematiek van dit bestemmingsplan en de inhoud van de verbeelding en de planregels. Hoofdstuk 5 bevat een toelichting op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
pagina 3 van 29
2
Planbeschrijving De aanpassingen die in deze herziening worden gedaan, vallen uiteen in vier onderdelen. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens aandacht besteed aan: − de aanpassingen vanwege nieuwe gemeentelijke beleidsinzichten (paragraaf 2.1); − de aanpassingen vanwege de afstemming op de provinciale Interim omgevingsverordening (paragraaf 2.2); − de aanpassingen die het gevolg zijn van verbeteringen en correcties (paragraaf 2.3); en − de aanpassingen die het gevolg zijn van het overnemen van planologische wijzigingen die in de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden (paragraaf 2.4).
2.1
Afstemming op nieuwe gemeentelijke beleidsinzichten Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is gebaseerd op de inzichten en het geldende beleid uit de periode tot en met 2013. In de praktijk blijken de huidige regelingen voor bepaalde gebruiks- en bouwmogelijkheden niet (meer) goed te werken. Daarom worden in deze partiële herziening een aantal regelingen inhoudelijk aangepast. Het betreft de volgende onderwerpen.
2.1.1
Bijgebouwen bij woningen en bij omzetting vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing In de praktijk zijn er veel vragen over de mogelijkheden voor het oprichten en het gebruik van bijgebouwen, zowel bij bestaande woningen als in het geval van beëindiging van agrarische bedrijfsactiviteiten. Stoppende agrarische bedrijven kiezen soms voor statische binnenopslag in combinatie met de woning, omdat er in dat geval ruimere mogelijkheden zijn voor het behoud van (bij)gebouwen dan bij een wijziging naar de bestemming ‘Wonen’. De ondernemer stopt in dat geval met agrarisch ondernemen, blijft wonen in de voormalige agrarische bedrijfswoning en de bedrijfsgebouwen blijven staan ten behoeve van statische binnenopslag. In sommige gevallen blijven de voormalige bedrijfsgebouwen leeg staan. In deze gevallen is er, ondanks beëindiging van het agrarische bedrijf, vaak geen sprake van ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van sloop van bebouwing en/of het wegnemen van verharding. Omzetten naar de bestemming ‘Wonen’ is nu in veel gevallen niet aantrekkelijk, omdat dan maximaal 250 m2 aan bijgebouwen en overkappingen mag worden gehandhaafd/herbouwd en omdat gebruik voor statische opslag niet meer is toegestaan.
Hierdoor ontbreekt een stimulans om de bestemming te wijzigen naar ‘Wonen’ en wordt een ‘tussenoplossing’ – in de vorm van een nietagrarisch bedrijf, veelal statische opslag – vaak een eindsituatie. Omdat dergelijke oplossingen op langere termijn minder wenselijk zijn, is bezien in hoeverre de regels in het bestemmingsplan kunnen worden aangepast om het wijzigen naar een woonbestemming – met de daarbij gepaard gaande kwaliteitswinst – aantrekkelijker te maken. Omdat de huidige regelingen in de praktijk weinig maatwerk mogelijk maken, is een aantal regelingen aangepast. De regels in de bestemming ‘Wonen’ en de agrarische bestemmingen zijn in samenhang bezien, waardoor deze herziening van het bestemmingsplan een totaalpakket aan mogelijkheden biedt dat is afgestemd op de specifieke kenmerken en vragen in het Etten-Leurse buitengebied. In de regels zijn de volgende aanpassingen gedaan. 1. verruimen oppervlakte bijgebouwen en overkappingen; 2. verruimen sloopbonusregeling; 3. verruimen mogelijkheden bij omzetting naar wonen; 4. toelaten van statische binnenopslag bij woningen.
pagina 4 van 29
1. Verruimen oppervlakte bijgebouwen en overkappingen In het huidige bestemmingsplan is in de bestemming ‘Wonen’ per bouwperceel 100 m 2 aan bijgebouwen en overkappingen toegestaan. Op veel percelen in het buitengebied kan op grond van de mogelijkheden uit het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) nu al maximaal 150 m2 aan bijgebouwen en overkappingen vergunningvrij worden gebouwd. Juist bij woningen op (ruime) percelen in het buitengebied blijkt er in de praktijk behoefte aan een grotere oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken dan de 100 tot 150 m2 die nu kan worden gebouwd, bijvoorbeeld omdat extra ruimte nodig is voor het stallen van onderhoudsmaterieel. Een oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen van 200 m2 is in ruimtelijk opzicht goed passend op woonpercelen in het buitengebied van Etten-Leur. Het merendeel van de woonpercelen in het buitengebied heeft een forse omvang: ruim 85% van de bestemmingsvlakken ‘Wonen’ heeft een oppervlakte van meer dan 800 m2. Uitgaande van een hoofdgebouw van 100 m 2 en 200 m2 aan bijgebouwen/overkappingen blijven deze percelen – zelfs bij maximale benutting van de bouwmogelijkheden – voor minimaal 60% onbebouwd. Op de meeste percelen bedraagt het bebouwingspercentage zelfs nog aanzienlijk minder, omdat veel percelen groter zijn dan 800 m 2.
Verruiming van de bijgebouwenregeling tot 200 m2 leidt dan ook niet tot een onaanvaardbare verstening of verdichting van de woonpercelen in het buitengebied. Binnen de oppervlakte van 200 m2 vallen bovendien alle bijgebouwen en overkappingen die op een woonperceel worden gerealiseerd: zowel de aan- en uitbouwen aan het hoofdgebouw als alle vrijstaande bijgebouwen en overkappingen. In de praktijk wordt de oppervlakte van 200 m 2 dan ook verdeeld over verschillende bijgebouwen en overkappingen, die verspreid over het perceel staan. Om een te grote verdichting van kleine woonpercelen te voorkomen, is gelijktijdig een 50%-regeling geïntroduceerd. Deze regeling bepaalt dat maximaal 50% van de gronden achter de voorgevel van het hoofdgebouw, uitgezonderd de gronden onder het hoofdgebouw, mag worden bebouwd. Deze regeling komt in grote lijnen overeen met de 50%-regeling die geldt voor vergunningvrij bouwen en garandeert dat de achter- en zijtuin van woningen voor minimaal de helft onbebouwd blijft. In combinatie met de regels die worden gesteld over de afstand van gebouwen en overkappingen tot de perceelsgrenzen van derden en de (nieuwe) bepaling die regelt dat bijgebouwen en overkappingen ten minste 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw moeten worden gebouwd, is de verruiming van de bijgebouwenregeling ruimtelijk gezien goed inpasbaar.
Op dit moment is op veel woonpercelen in het buitengebied al meer dan 100 of 150 m2 aan bijgebouwen en overkappingen aanwezig. In eerdere bestemmingsplannen (met name de bestemmingsplannen uit 1985 en 1998) werd bij omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming veelal geen sloopverplichting opgelegd. Mede hierdoor staat op ruim 60% van de bestemmingsvlakken met de bestemming ‘Wonen’ nu al meer dan 100 m2 aan bijgebouwen en overkappingen. Op ruim 40% van de bestemmingsvlakken ‘Wonen’ staat nu al meer dan 150 m2 aan bijgebouwen en overkappingen. Voor deze percelen is de sloopbonusregeling relevant. Na aanpassing van de sloopbonusregeling (zie hierna onder punt 2) mag de huidige oppervlakte in veel gevallen worden gehandhaafd, tot een maximum van 400 m2 (in uitzonderingsgevallen tot 500 m2). De generieke verruiming van de bijgebouwenregeling tot 200 m2 is mede ingegeven om te voorkomen dat een onevenredig groot verschil ontstaat tussen deze percelen en de percelen waarop nu minder dan 100 of 150 m2 bijgebouwen en overkappingen aanwezig is. 2. Verruimen sloopbonusregeling Het huidige bestemmingsplan kent een regeling die het mogelijk maakt om meer m2 aan bijgebouwen en overkappingen te realiseren dan de toegestane 100 m2, in ruil voor de sloop van overtollige bebouwing (bijvoorbeeld oude stallen of bedrijfsgebouwen).
pagina 5 van 29
Deze zogenaamde sloopbonusregeling voorziet erin dat ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ meer vierkante meters aan bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan (normaliter maximaal 100 m², bij toepassing van de regeling maximaal 250 m²) en/of dat de inhoud van de woning kan worden vergroot (normaliter maximaal 750 m3, bij toepassing van de regeling maximaal 850 m3). In de praktijk wordt slechts beperkt gebruik gemaakt van de regeling. Door de vereiste verhouding tussen sloop en herbouw en de beperkte extra oppervlakte die kan worden toegestaan (maximaal 250 m2, waar in veel gevallen al 150 m2 vergunningvrij mogelijk is) is het vaak aantrekkelijker om bestaande bebouwing op grond van het overgangsrecht te handhaven dan om (alle) bebouwing te slopen en nieuwe bebouwing op te richten. De kwaliteitsverbetering die het doel is van de sloopbonusregeling - namelijk de sloop van verouderde (bedrijfs)gebouwen en de herbouw van nieuwe bijgebouwen en overkappingen die passen bij een woonbestemming - wordt daardoor niet bereikt. Om de regeling aantrekkelijker te maken, is het wenselijk flexibeler om te gaan met de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen.
Hoewel een grotere oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen op veel voormalige agrarische bedrijfslocaties in ruimtelijk opzicht goed inpasbaar is, geeft het huidige bestemmingsplan onvoldoende mogelijkheden om hieraan medewerking te verlenen. De huidige sloopbonusregeling geeft daarom onvoldoende prikkel tot sanering van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en geeft weinig stimulans om stoppende agrarische ondernemers te laten omschakelen naar een woonbestemming. De regeling is daarom aangepast, waarbij nadrukkelijk wordt ingezet op het behalen van kwaliteitsverbetering op de locatie. De aangepaste sloopbonusregeling kent de volgende mogelijkheden: − Als op het perceel in de bestaande situatie (meer dan 200 m2 maar) minder dan 400 m2 aan bestaande, legaal opgerichte (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is, geldt de bestaande oppervlakte van deze gebouwen als maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen die kan worden toegestaan via de sloopbonusregeling. Omdat op grond van de huidige sloopbonusregeling voor deze situaties weinig winst is te halen (bij sloop mag maximaal 25% van de oppervlakte worden teruggebouwd), wordt in de praktijk juist op deze percelen oude bebouwing gehandhaafd. In de nieuwe sloopbonusregeling mag de oppervlakte aan gebouwen op deze percelen gelijk blijven.
De kwaliteitswinst wordt behaald doordat oude (voormalige agrarische) bedrijfsgebouwen worden gesloopt, waarna beter bij de woonfunctie passende bijgebouwen en overkappingen kunnen worden gerealiseerd. Bovendien geldt de eis van landschappelijke inpassing, waardoor het woonperceel bij gebruikmaking van de sloopbonusregeling zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast. − Als op het perceel 400 m2 of meer aan bestaande, legaal opgerichte (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is, bedraagt de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen die kan worden toegestaan 400 m2. In deze situaties leidt de sloopbonusregeling zowel tot de sloop van (voormalige agrarische) bedrijfsgebouwen als tot vermindering van bebouwingsoppervlakte. Een oppervlakte van 400 m2 is in ruimtelijk opzicht goed inpasbaar op voormalige agrarische bedrijfslocaties en verhoudt zich bovendien goed tot de 200 m2 aan bijgebouwen en overkappingen die in de bestemming ‘Wonen’ wordt toegelaten. Bovendien is 400 m2 is de maximale oppervlakte die op grond van de regionale uitwerking ‘Toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio WestBrabant’ kan worden toegestaan zonder vereiste van kwaliteitsverbetering van het landschap.
pagina 6 van 29
− Als in de bestaande situatie 400 m2 of meer aan bestaande, legaal opgerichte (voormalige) bedrijfsgebouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is en er kan in redelijkheid niet worden verlangd dat een bestaand gebouw gedeeltelijk wordt gesloopt, of de gedeeltelijke sloop van dat gebouw zou tot een onaanvaardbare ruimtelijke situatie leiden, bedraagt de maximale oppervlakte die kan worden toegestaan 500 m 2. Deze ‘uitloopregeling’ kan worden toegepast voor maatwerk in bijzondere gevallen. Dit is bijvoorbeeld het geval als een initiatiefnemer een uitbouw aan zijn woning wil realiseren en daarvoor overtollige bebouwing sloopt, maar gelijktijdig een bestaande schuur wil behouden, waardoor de totale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen meer dan 400 m 2, maar minder dan 500 m2 gaat bedragen. In zo’n geval is de kwaliteitswinst geborgd doordat alle ‘overige’ overtollige bebouwing wordt uitgeruild tegen de bouw van de nieuwe uitbouw. De sloop van (bijvoorbeeld) het laatste travee of spant van de schuur levert in zo’n geval geen extra kwaliteitswinst op, maar veeleer een verrommeling qua uitstraling. De kosten van zo’n ingreep wegen niet op tegen de voordelen ervan. De kans is zelfs aanwezig dat een initiatiefnemer in zo’n geval helemaal niet sloopt, omdat hij daarbij ook een deel van de schuur moet afbreken die hij juist wil behouden.
Daarmee zou de sloop-bonusregeling onnodig worden gefrustreerd. In zo’n geval kan maximaal 500 m2 aan bebouwing worden toegestaan. Daarbij geldt dan wel als voorwaarde dat – naast de landschappelijke inpassing – ook kwaliteitsverbetering van het landschap plaatsvindt. In alle situaties geldt dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen ofwel behouden mag blijven ofwel nieuw gebouwd mag worden. Nieuwe bijgebouwen of overkappingen die worden gebouwd op basis van de sloop-bonusregeling moeten voldoen aan alle regels die gelden voor de bouw van bijgebouwen en overkappingen, met uitzondering van de oppervlaktebepaling. Dat betekent dat bijgebouwen en overkappingen moeten worden opgericht binnen de bestemming ‘Wonen’, op ten minste 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw en met een goot- en bouwhoogte van maximaal 3,25 respectievelijk 5,5 meter. Deze maatvoerings- en situeringseisen zorgen ervoor dat nieuwe bijgebouwen worden opgericht op het woonperceel en met een hoogte die past binnen een woonbestemming. De sloop van overtollige bebouwing kan – net als in het huidige bestemmingsplan - ook worden ingezet voor het vergroten van de inhoud van het hoofdgebouw (in ruimtelijk opzicht belangrijkste deel van de woning).
Als de sloop (ook) wordt ingezet voor het vergroten van de inhoud van het hoofdgebouw gelden de volgende regels: − Voor iedere 100 m2 te slopen bebouwing mag de inhoud van het hoofdgebouw worden vergroot met 50 m3 tot een maximale inhoud van 850 m3; − Als (een deel van de) te slopen bebouwing wordt ingezet voor vergroting van het hoofdgebouw, wordt de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen die kan worden toegestaan teruggebracht met 5 m2 voor iedere 10 m3 waarmee het hoofdgebouw wordt vergroot. Deze laatste voorwaarde is opgenomen om te voorkomen dat gesloopte meters dubbel worden ingezet. Als een initiatiefnemer kiest voor vergroting van de inhoud van het hoofdgebouw, kunnen als gevolg daarvan minder bijgebouwen worden toegestaan. Hierna zijn twee rekenvoorbeelden gegeven waarin de werking van de sloopbonusregeling is toegelicht. Rekenvoorbeeld 1 Op een voormalige agrarische bedrijfslocatie met de bestemming ‘Wonen’ staat nu – buiten het hoofdgebouw van de woning - 900 m2 aan (overtollige) bebouwing. Als alle overtollige bebouwing wordt gesloopt, kan op basis van de sloopbonusregeling 400 m 2 aan bijgebouwen worden toegestaan op het perceel. De initiatiefnemer kiest er echter voor om het hoofdgebouw te vergroten tot 850 m3.
pagina 7 van 29
Dat is mogelijk, omdat meer dan 200 m2 (zijnde 100 m2 voor iedere 50 m3) aan bebouwing wordt gesloopt. De toegestane hoeveelheid bijgebouwen wordt dan teruggebracht van 400 m 2 tot 350 m2 (5 m2 minder bijgebouwen voor iedere 10 m3 extra hoofdgebouw). Rekenvoorbeeld 2 Op een voormalige agrarische bedrijfslocatie met de bestemming ‘Wonen’ staat nu – buiten het hoofdgebouw van de woning - 350 m2 aan (overtollige) bebouwing. Als alle overtollige bebouwing wordt gesloopt, kan op basis van de sloopbonusregeling 350 m 2 aan bijgebouwen worden toegestaan op het perceel. De initiatiefnemer kiest er echter voor om het hoofdgebouw te vergroten tot 800 m3. Dat is mogelijk, omdat meer dan 100 m2 aan bebouwing wordt gesloopt. De toegestane hoeveelheid aan bijgebouwen wordt dan teruggebracht van 350 m 2 tot 325 m2 (5 m2 minder bijgebouwen voor iedere 10 m3 extra hoofdgebouw). Het gebruik van de sloopbonusregeling is in de planregels niet beperkt tot één keer binnen de planperiode. Daarvoor is echter ook geen reden. In de voorwaarden van de sloop-bonusregeling is namelijk vastgelegd dat alle overtollige bebouwing moet worden gesloopt zodat de oppervlakte wordt teruggebracht tot hetgeen volgens de sloopbonusregeling kan worden toegestaan. Bij (eerste) toepassing van de regeling dient dus alle overtollige bebouwing te worden verwijderd.
Het staat een initiatiefnemer vervolgens vrij om de maximaal toegelaten oppervlakte te gebruiken voor het handhaven van bestaande bijgebouwen en/of voor het bouwen van nieuwe bijgebouwen. Indien een initiatiefnemer er in eerste instantie voor kiest om een bestaand bijgebouw te handhaven, is er geen reden om niet in een later stadium alsnog sloop van dit bijgebouw en de bouw van een nieuw bijgebouw toe te laten via (nogmaals) toepassen van de sloop-bonusregeling: de kwaliteitswinst – namelijk de sloop van overtollige bebouwing – is dan immers bij de eerste toepassing van de sloop-bonusregeling al bereikt. Bij een tweede toepassing wordt vanzelfsprekend niet méér oppervlakte toegestaan dan bij de eerste toepassing. 3. Verruimen mogelijkheden bij omzetting naar wonen De ontwikkeling van het merendeel van de gestopte agrarische ondernemers is een ontwikkeling richting wonen. Deze wijziging wordt in deze herziening gestimuleerd door het aantrekkelijker maken van de geldende regelingen, met name door ruimere mogelijkheden te bieden voor bijgebouwen, zowel rechtstreeks (zie onder 1) als via de sloopbonusregeling (zie onder 2). De ruimere mogelijkheden van de sloopbonusregeling zijn daarom ook opgenomen in de wijzigingsbevoegdheden die het mogelijk maken om een agrarisch bouwvlak of een bedrijfs-/horecabestemming te wijzigen naar ‘Wonen’ en/of ‘Tuin’.
In de praktijk blijkt dat bij het stoppen van een agrarisch bedrijf de vraag naar een bedrijfsmatige vervolgactiviteit beperkt is. Omschakelen naar wonen wordt in deze herziening aantrekkelijker gemaakt door vergroting van de hoeveelheid bijgebouwen die mag worden behouden of herbouwd. Er is daarmee veelal geen reden meer om te kiezen voor omschakeling naar een niet-woonbestemming, zodat daarmee een groter deel van de aanwezige bebouwing behouden zou kunnen blijven. De wijzigingsbevoegdheid die in het huidige plan is opgenomen voor wijziging van een agrarisch bouwvlak naar een niet-woonfunctie is daarom verwijderd. In de praktijk blijkt bovendien dat deze wijzigingsbevoegdheid onvoldoende mogelijkheden biedt voor maatwerk en daarom niet of nauwelijks wordt toegepast. Wijzigingsbevoegdheden worden opgenomen voor veel voorkomende wijzigingen, die in principe altijd toelaatbaar zijn en die goed zijn in te kaderen met wijzigingsvoorwaarden. Omdat voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-woonfunctie vrijwel altijd maatwerk nodig is, is een wijzigingsbevoegdheid lastig objectief in te kaderen. Een buitenplanse maatwerkafweging via een afzonderlijk (postzegel)bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is voor dergelijke omzettingen de meest logische optie.
pagina 8 van 29
4. Toelaten van statische binnenopslag bij woningen Het beleid is erop gericht om stoppende agrariërs of kopers van zo’n locatie te stimuleren om te schakelen naar wonen. Daartoe wordt de rechtstreeks toegestane oppervlakte bijgebouwen binnen de bestemming ‘Wonen’ opgehoogd (zie onder 1) en wordt de sloopbonusregeling verruimd (zie onder 2). Daarnaast wordt in deze herziening statische binnenopslag in de bestemming ‘Wonen’ rechtstreeks mogelijk gemaakt in plaats van via afwijking. Via de begripsbepaling voor statische opslag en de bouwregels voor bijgebouwen is voldoende afgebakend welk type binnenopslag in welke omvang is toegestaan. Bij woningen waar geen gebruik is gemaakt van de sloopbonusregeling kan maximaal 200 m2 aan bijgebouwen worden opgericht, bij volledige gebruikmaking van de sloopbonusregeling is sprake van maximaal 400 m2 (in uitzonderingsgevallen 500 m2) aan bijgebouwen. Omdat statische binnenopslag alleen inpandig mogelijk is, wordt de maximale oppervlakte aan statische binnenopslag in de bestemming ‘Wonen’ begrensd door de oppervlakte bijgebouwen die op een woonperceel staat of daar mag worden gebouwd. Om te voorkomen dat op woonpercelen waar nu nog een grotere oppervlakte aan (bij)gebouwen aanwezig is, de volledige oppervlakte mag worden gebruik voor statische binnenopslag, is een gebruiksregel toegevoegd.
Deze gebruiksregel maximeert de omvang van statische binnenopslag in de woonbestemming in alle gevallen op 400 m2. Gelet op de beperkte omvang en de aard van de activiteiten, is het effect van statische binnenopslag op de omgeving beperkt. Een nadere afweging per initiatief wordt daarom niet noodzakelijk geacht en statische opslag is bij recht toegestaan in de woonbestemming. De afwijkingsbevoegdheid binnen de bestemming ‘Wonen’ en de wijzigingsbevoegdheden naar een bedrijfsbestemming met statische binnenopslag binnen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’ zijn daarom vervallen. 2.1.2
Bouwregels voor woningen Het huidige bestemmingsplan kent een regeling waarbij in de bestemming ‘Wonen’ onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de woning en anderzijds bijgebouwen bij de woning. Op grond van de begrippen wordt er een functioneel onderscheid gemaakt: ruimtes met een (primaire) woonfunctie, waaronder de woonkamer, keuken en slaapkamers, zijn onderdeel van de woning. Ruimtes met een ondersteunende functie, waaronder garages, schuurtjes en bergingen, worden aangemerkt als bijgebouw. De woning mag volgens de planregels een inhoud van 750 m3 hebben, waarbij de inhoud van bijgebouwen niet meetelt. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 100 m2. In de praktijk levert dit functionele onderscheid regelmatig onduidelijkheid op bij de toetsing van vergunningaanvragen. Een inpandige garage maakt volgens de huidige regeling bijvoorbeeld geen deel uit van de woning, maar is een bijgebouw. De inhoud van een inpandige garage telt dus niet mee bij het bepalen van de inhoud van de woning, maar de oppervlakte ervan gaat ten koste van de toegelaten oppervlakte aan bijgebouwen. Ook voor aanbouwen geldt dat het gebruik ervan bepalend is voor de vraag of de aanbouw onderdeel is van de woning of dat deze als bijgebouw wordt aangemerkt.
Als een aanbouw aan een woning wordt gebouwd als garage telt de aanbouw mee in de oppervlakte aan bijgebouwen. Als eenzelfde aanbouw wordt gebouwd als keuken, slaapkamer of (uitbouw van de) woonkamer telt de aanbouw mee in de inhoud van de woning. Er is uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen reden om dit onderscheid te maken. Voor de ruimtelijke impact van een aanbouw aan een woning is het immers niet relevant of daarbinnen een slaapkamer, badkamer of (uitbouw van de) woonkamer aanwezig is, of dat de ruimte in gebruik is als garage of schuur. Bepalend voor de ruimtelijke impact zijn de situering en de afmetingen van de aanbouw. Omdat de huidige regels voor het bepalen van de inhoud van de woning en de oppervlakte van de bijgebouwen zijn geformuleerd als bouwregels, staan deze bovendien een gebruikswijziging niet in de weg.
pagina 9 van 29
Als er niet hoeft te worden gebouwd, wordt immers niet getoetst aan de bouwregels voor inhoud en oppervlakte. Het huidige bestemmingsplan maakt een gebruikswijziging van een (inpandige) garage naar een woonruimte dus mogelijk. Dit heeft tot gevolg dat bij een nieuwe bouwaanvraag wordt getoetst aan inhouds- en oppervlaktematen, terwijl functionele omzetting van een ruimte na realisering ervan niet kan worden tegengegaan. Daarom is gekozen voor een nieuwe opzet van de planregels, die eigenaren van woningen meer vrijheid geeft bij het realiseren van bouwplannen en die vergunningverlening vereenvoudigt. In plaats van te spreken van een functioneel onderscheid tussen enerzijds de woning en anderzijds de bijgebouwen bij de woning, wordt in deze herziening een ruimtelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds het hoofdgebouw en anderzijds de bijgebouwen (aanbouwen, uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen). Met deze benadering wordt aangesloten bij de regels die gelden voor vergunningvrij bouwen. Binnen een afstand van 4 meter van het hoofdgebouw wordt op grond van het Besluit omgevingsrecht namelijk geen functioneel onderscheid gemaakt: het is voor de mogelijkheden van vergunningvrij bouwen niet relevant of in een aanbouw een garage of een slaapkamer aanwezig is.
Door ook in het bestemmingsplan voor een ruimtelijk onderscheid te kiezen in plaats van een functioneel onderscheid, wordt beter aangesloten op deze vergunningvrije bouwmogelijkheden. In de begrippen is aangegeven dat een hoofdgebouw als volgt wordt bepaald: het hoofdgebouw is het gebouw, of het gedeelte daarvan, dat door zijn constructie, afmetingen en/of verschijningsvorm als het belangrijkste (gedeelte van een) gebouw ten behoeve van de woonfunctie is aan te merken; aangebouwde bijgebouwen die qua constructie, afmetingen en/of verschijningsvorm ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw worden niet als onderdeel van het hoofdgebouw aangemerkt. Het hoofdgebouw is dus het deel van de woning dat ruimtelijk gezien het belangrijkste is. In de praktijk is dat veelal het hoogste deel van de bebouwing. Aangebouwde bijgebouwen die in ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw, worden niet als onderdeel van het hoofdgebouw aangemerkt, ongeacht de functie die daarin aanwezig is. Het is hierdoor niet meer relevant of een aanbouw wordt gebruikt als garage/schuur of als onderdeel van de woning (woonkamer, slaapkamer of keuken): voor de toepassing van de regels van het bestemmingsplan valt de aanbouw altijd onder de regeling voor bijgebouwen (maximum oppervlakte) en niet onder de regeling voor hoofdgebouwen (maximum inhoud).
Discussies over aangebouwde en inpandige bijgebouwen (inpandige garage = bijgebouw, inpandige keuken = hoofdgebouw) doen zich hierdoor niet meer voor. Eigenaren van woonpercelen krijgen door de aangepaste regels meer vrijheid om een bouwplan te realiseren zoals zij dat voor ogen hebben: zij mogen immers op grond van de nieuwe regels zelf bepalen of een aanbouw aan het hoofdgebouw wordt gebruikt als garage/schuur of als onderdeel van de woning. Het gebruik van de ruimte is immers niet meer relevant voor de bouwmogelijkheden op het perceel. Deze regeling is ook van toepassing op bedrijfswoningen. Ook daar wordt voor de regels onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw en bijgebouwen. De systematiek van de bouwregels voor bedrijfswoningen is hierdoor hetzelfde als de systematiek van de bouwregels voor woningen in de bestemming ‘Wonen’. 2.1.3
Huisvesting van seizoenarbeiders Het is in het buitengebied onder voorwaarden toegestaan om seizoenarbeiders te huisvesten ten behoeve van de eigen agrarische bedrijfsvoering. In de basis voldoet de huidige regeling, zowel voor de ondernemers als naar de omgeving toe. Op onderdelen is de regeling niet duidelijk genoeg en levert die discussie op met initiatiefnemers. De regeling is daarom aangepast.
pagina 10 van 29
De huisvesting van seizoenarbeiders is niet meer gekoppeld aan het bouwvlak waar het werk wordt verricht, maar is per bedrijf geregeld. Eén bedrijf kan namelijk meerdere bouwvlakken hebben. Door de aanpassing van de regeling mogen seizoenarbeiders die op één van de bouwvlakken van een agrarisch bedrijf zijn gehuisvest, ook werkzaamheden verrichten op andere bedrijfslocaties van hetzelfde bedrijf binnen de gemeente Etten-Leur. Dat maakt een doelmatigere inzet van seizoenarbeiders mogelijk. Daarnaast is de regeling aangepast die huisvesting van seizoenarbeiders in woonunits of caravans mogelijk maakt. In deze regeling is de voorwaarde vervallen dat een vergunning voor maximaal 5 jaar kan worden verleend. Met de (aangepaste) regeling die bepaalt dat alleen op het eigen bedrijf mag worden gewerkt is er sowieso al een koppeling met de arbeidsbehoefte, en daarmee al van een doelmatigheidstoets: huisvesting is op grond van die bepaling immers uitsluitend toegestaan zo lang er op het eigen bedrijf werk is voor deze mensen. Aanvullend is aan de regels een voorwaarde toegevoegd om te kunnen beoordelen of en tot welke omvang de huisvesting inpasbaar is in de betreffende omgeving. Hiertoe moet worden getoetst of het woon- en leefklimaat voor de omwonenden niet onevenredig wordt geschaad.
Tenslotte is bepaald dat de huisvesting moet voldoen aan de normenset van de Stichting Normering Flexwonen, of dat de huisvesting ten minste van vergelijkbare kwaliteit moet zijn. Hiermee is een zorgvuldige huisvesting van seizoensarbeiders verzekerd. In samenhang hiermee is de mogelijkheid vervallen om seizoensarbeiders te huisvesten in toercaravans. De regeling is aangepast, zodat – naast huisvesting in bedrijfsgebouwen - uitsluitend nog woonunits of stacaravans mogelijk zijn. 2.1.4
Permanente teeltondersteunende voorzieningen De fysieke ligging van percelen en de grondposities van agrarische bedrijven belemmeren soms de mogelijkheid om permanente teeltondersteunende voorzieningen direct aansluitend aan het bouwvlak te realiseren. Soms worden percelen door een watergang, een houtsingel of een weg doorsneden of zijn grondposities van een bedrijf zodanig dat het realiseren van permanente teeltondersteunende voorzieningen direct aansluitend aan het bouwvlak niet tot de mogelijkheden behoort, maar dat realisering aan de overzijde van een weg of watergang wél mogelijk is. In ruimtelijk opzicht is dan nog altijd sprake van een duidelijke concentratie en clustering van permanente teeltondersteunende voorzieningen nabij het bouwvlak, zodat er geen bezwaar is om deze teeltondersteunende voorzieningen toe te laten. Daarom is de wijzigingsbevoegdheid voor het toestaan van permanente teeltondersteunende voorzieningen aangepast. Hierin is nu bepaald dat, als een nieuwe locatie voor permanente teeltondersteunende voorzieningen van een bouwvlak (of een bestaand aanduidingsvlak) wordt gescheiden door een weg, een waterloop of een houtsingel, deze locatie ook als ‘aansluitend’ wordt beschouwd.
Er geldt een uitzondering voor de rijksweg en provinciale wegen: die zijn van een zodanige aard en omvang dat gronden aan weerszijden van deze wegen niet meer als ‘aansluitend’ kunnen worden aangemerkt. Omdat het op grond van de aangepaste regeling mogelijk is dat bij een bedrijf meerdere aanduidingsvlakken komen te liggen, is in de oppervlaktebepaling bepaald dat de oppervlakte van alle aanduidingen voor teeltondersteunende voorzieningen gezamenlijk per bouwvlak niet meer mag bedragen dan 8 hectare (bestemming ‘Agrarisch’) respectievelijk 4 hectare (bestemming ‘Agrarisch met waarden’).
2.1.5
Bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’ In de praktijk is er weleens discussie over het al dan niet toestaan van verhardingen in de bestemming ‘Tuin’. Hoewel het bestemmingsplan hiervoor al een regeling kent, is deze aangepast zodat duidelijk is dat binnen de bestemming ‘Tuin’ ook terrassen en rechtstreekse toegangspaden tot gebouwen en overkappingen mogen worden aangelegd. Er is daarnaast een begrip ‘verharding’ aan het plan toegevoegd, zodat helder is dat ook halfverharding (grind, gebroken puin en dergelijke) onder de regels voor verharding valt.
pagina 11 van 29
Daarnaast is het in de praktijk wenselijk gebleken om op woonpercelen die nu deels zijn bestemd als ‘Wonen’ en deels als ‘Tuin’ de bestemmingen onderling te kunnen uitwisselen. Deze uitwisseling is bedoeld voor situaties waar de huidige ligging van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ een optimale indeling van een woonperceel in de weg staat. In 2013 zijn in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ – in overeenstemming met het provinciaal en gemeentelijk beleid om bebouwing zoveel mogelijk te concentreren – voor de woonpercelen bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ opgenomen. Het voornaamste verschil tussen deze bestemmingen is dat in de bestemming ‘Tuin’ geen gebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd en dat in deze bestemming slechts beperkt verharding is toegestaan. De ligging van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ is in 2013 per woonperceel bepaald op basis van de toenmalige indeling van de percelen. In de praktijk blijkt dat de bestemmingen in sommige gevallen niet handig liggen. Soms liggen de bestemmingen bijvoorbeeld zo dat het realiseren van nieuwe bijgebouwen uitsluitend in de breedte van het perceel (naast de woning) mogelijk is, terwijl het in stedenbouwkundig opzicht wenselijker kan zijn om een bijgebouw achter de woning te bouwen, zodat open ruimtes tussen woningen onbebouwd blijven.
Er is daarom een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’. De basisvoorwaarden zijn dat de gezamenlijke oppervlakte van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ voor het woonperceel niet wordt vergroot en dat de wijziging niet mag plaatsvinden binnen andere bestemmingen dan ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Bij een één-op-één uitruil van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ gelden geen aanvullende voorwaarden in de vorm van landschappelijke inpassing of kwaliteitsverbetering van het landschap. Er is dan immers geen sprake van vergroting van bestemmingen, maar uitsluitend van vormverandering, zodat de ruimtelijke uitstraling op hoofdlijnen niet wijzigt. Indien vergroting van de bestemming ‘Wonen’ gewenst is, kan op basis van de regionale uitwerking ‘Toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ (2014) gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden om onder voorwaarden te verruimen. Een vergroting van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ tot 1.500 m2 is mogelijk zonder tegenprestatie. Als sprake is van een vergroting van de bestemming ‘Wonen’ en het bestemmingsvlak is na deze vergroting groter dan 1.500 m2, dan dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing en in kwaliteitsverbetering van het landschap.
Als er sprake is van landschappelijke inpassing van een woonperceel, zal de bestemming van een deel van het perceel veelal gewijzigd worden naar bijvoorbeeld ‘Groen’ of ‘Groen-Houtsingel’. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ kent al een wijzigingsbevoegdheid om deze bestemmingen toe te voegen. Ter verduidelijking is in deze wijzigingsbevoegdheid nu aangegeven dat het toevoegen van een bestemming ‘Groen’ of ‘Groen – Houtsingel’ ook mogelijk is ten behoeve van landschappelijke inpassing. 2.1.6
Regeling voor bed & breakfast Het huidige bestemmingsplan maakt het via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk om een kleinschalige bed & breakfast (maximaal 2 kamers en maximaal 4 slaapplaatsen) toe te staan in een woning of een bedrijfswoning. Er zijn maximaal twee kamers en maximaal vier slaapplaatsen toegestaan. Gelet op deze beperkingen is de ruimtelijke impact van een bed & breakfast zeer beperkt. Het is daarom niet nodig om een bed & breakfast in een woning uitsluitend toe te staan via een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan. Een bed & breakfast in een woning (in de nieuwe systematiek het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen) kan bij recht worden toegestaan. Daarnaast is in de praktijk vaak de wens om een bed & breakfast te realiseren in een vrijstaand bijgebouw. Het huidige bestemmingsplan maakt dat niet mogelijk, maar in veel gevallen is een bed & breakfast in een vrijstaand bijgebouw ruimtelijk gezien goed inpasbaar, zeker in het buitengebied. Daarom is een afwijkingsbevoegdheid toegevoegd om een bed & breakfast in een vrijstaand bijgebouw te realiseren. De voorwaarden (maximaal 2 kamers en maximaal 4 slaapplaatsen) blijven gelijk.
pagina 12 van 29
Een regeling via afwijkingsbevoegdheid maakt het wel mogelijk om te toetsen of het gebruik geen onevenredige beperkingen oplevert voor omliggende (agrarische) bedrijven en of ter plaatse sprake is van een verantwoord woon- en leefklimaat.
2.2
Afstemming op Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
2.2.1
Algemeen Het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is vastgesteld in 2013. Het bestemmingsplan is afgestemd op de Verordening ruimte 2012, die het geldende provinciale beleidskader was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in september 2013. De Verordening ruimte is na die datum meermaals herzien, wat met name gevolgen heeft gehad voor de regeling voor veehouderijen. De meest actuele verordening is de op 5 november 2019 in werking getreden Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov), die de Verordening ruimte heeft vervangen. De Iov bevat regels voor de fysieke leefomgeving. De regels hebben betrekking op ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, bodem en wegen. De Iov heeft naast de Verordening ruimte NoordBrabant ook de Provinciale milieuverordening, de Verordening natuurbescherming, de Verordening water, de Verordening ontgrondingen en de Verordening wegen vervangen. De Iov is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels uit de voorheen geldende verordeningen zijn gehandhaafd met het daarbij horende beschermingsniveau, en dat er in beginsel geen beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, bijvoorbeeld uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven In hoofdstuk 2 van de Interim omgevingsverordening staan rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven. Er gelden onder andere rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden en stiltegebieden, voor activiteiten rond provinciale wegen, voor ontgrondingen en voor handelingen die te maken hebben met bepaalde beschermde dier- en plantensoorten. Ook voor het kappen van houtopstanden buiten de bebouwde kom en voor veehouderijen gelden rechtstreeks werkende regels. Instructieregels voor gemeenten In hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening zijn instructieregels voor gemeenten opgenomen. De instructieregels gelden voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken. De regels zijn een doorvertaling van het provinciaal beleid uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Omgevingsvisie Noord-Brabant. Doorwerking in bestemmingsplannen Bij de vaststelling van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de actuele provinciale verordening. Dat is een verplichting. Deze herziening wordt daarom aangegrepen om het bestemmingsplan voor het buitengebied van Etten-Leur in overeenstemming te brengen met de actuele provinciale regels zoals opgenomen in de Iov.
De regelingen die ten gevolge hiervan aan het bestemmingsplan worden toegevoegd, zijn niet nieuw. De in het bestemmingsplan aangepaste regels voor veehouderijen zijn namelijk ook opgenomen in de rechtstreeks werkende regels van de Iov, en daarvóór in de rechtstreeks werkende regels van de Verordening ruimte. De regels gelden dus nu ook al rechtstreeks vanuit de Iov en worden één op één vertaald in de partiële herziening van het bestemmingsplan. De nieuwe regels die aan dit bestemmingsplan zijn toegevoegd, zijn niet strenger dan de Iov voorschrijft. Met de vertaling in het bestemmingsplan worden dus niet meer of minder mogelijkheden geboden dan nu het geval is, maar wordt slechts de plek van de regels aangepast: terwijl nu nog (deels) wordt getoetst aan de rechtstreeks werkende regels van hoofdstuk 2 van de Iov, staan straks alle relevante regels in het bestemmingsplan.
pagina 13 van 29
2.2.2
Vertaling in deze partiële herziening In het kader van deze partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is bezien in hoeverre het planologisch regime aangepast moet worden aan de Iov. Hiervoor zijn diverse artikelen uit de instructieregels van de Iov relevant, in het bijzonder de regels zoals opgenomen in Afdeling 3.6 ‘Vitaal platteland’. Binnen het plangebied gaat het om regels over: 1. veehouderijen binnen het landelijk gebied; 2. geitenhouderijen; 3. mestbewerking. De regels die in het huidige bestemmingsplan zijn opgenomen voor grondgebonden teelten, glastuinbouw en overige agrarische bedrijven (anders dan veehouderijen) zijn al in overeenstemming met de Iov. Voor deze regelingen zijn daarom geen aanpassingen nodig. De gemeente Etten-Leur maakt géén deel uit van een zogeheten stalderingsgebied. De instructieregels voor veehouderijen in stalderingsgebieden zijn daarom niet relevant voor dit bestemmingsplan. Alle regels van de Iov zijn gekoppeld aan werkingsgebieden die op de kaart van de verordening zijn weergegeven. De systematiek van het huidige bestemmingsplan kent al een afstemming op deze werkingsgebieden (bijvoorbeeld de groenblauwe mantel en het Natuurnetwerk Brabant, voorheen de ecologische hoofdstructuur) en behoeft dus geen aanpassing. Wel is op de verbeelding een aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ toegevoegd.
Dat betreft een verplichte doorvertaling van de Iov. In Etten-Leur valt een enkel bedrijf binnen die aanduiding. Op één locatie ligt de aanduiding ‘beperkingen veehouderij’ in de Iov voor een kleine strook over het bouwvlak van een actief agrarisch bedrijf (melkveehouderij). Binnen deze zone is een vergund bedrijfsgebouw gelegen. Hier is de aanduiding daarom iets aangepast en strak tegen het bouwvlak aangelegd. De regels van deze partiële herziening zijn afgestemd op de regels uit de Iov. Daarom zijn enkele relevante begrippen toegevoegd of aangepast. Het gaat om de begrippen ‘criteria voor grondgebondenheid’, ‘dierenverblijf’, ‘geitenhouderij’, ‘grondgebonden teeltbedrijf’ (vervanging van grondgebonden agrarisch bedrijf), ‘grondgebonden veehouderij’, ‘landbouwhuisdieren’, ‘mestbewerking’, ‘nadere regels zorgvuldige veehouderij’ en ‘veehouderij’. Daarnaast zijn de volgende aanpassingen gedaan. 1. Regels voor veehouderijen Op grond van de Iov zijn in het bestemmingsplan regels opgenomen ten aanzien van de oppervlakte en het gebruik van bouwwerken bij veehouderijen. De hoofdregel is dat de oppervlakte van dierenverblijven niet méér mag bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van bestaande dierenverblijven (dierenverblijven die nu legaal aanwezig zijn of nog mogen worden gebouwd op basis van een omgevingsvergunning).
Via afwijking kan een grotere oppervlakte aan dierenverblijven worden toegestaan onder de voorwaarden die in de Iov zijn gesteld: − er moet sprake zijn van een zorgvuldige veehouderij zoals bedoeld in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij (vastgesteld door Gedeputeerde Staten); − de ontwikkeling moet inpasbaar zijn in de omgeving vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving; − er moet worden voldaan aan regels voor de geurbelasting (normen voor de achtergrondbelasting zoals gesteld in de Iov); − er moet een zorgvuldige dialoog zijn gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief.
pagina 14 van 29
Deze voorwaarden zijn opgenomen als voorwaarden voor het afwijken van de bouwregels (bij de bouw van nieuwe dierenverblijven) en voor het afwijken van de gebruiksregels (bij de ingebruikname van gebouwen als dierenverblijf die nu nog niet in gebruik zijn als dierenverblijf). Daarnaast zijn de voorwaarden toegevoegd aan de wijzigingsbevoegdheden voor vormverandering of vergroting van het bouwvlak van een grondgebonden veehouderij of een intensieve veehouderij. Aanvullende regels binnen ‘beperkingen veehouderij’ De Iov stelt extra regels aan veehouderijen binnen het gebied ‘beperkingen veehouderij’. Het hier gestelde geldt alleen als een bedrijf binnen een gebied met die aanduiding ligt. Binnen het gebied ‘beperkingen veehouderij’ wordt onderscheid gemaakt in veehouderijen die grondgebonden zijn volgens de criteria van de provincie (criteria voor grondgebondenheid in de ‘Nadere regels zorgvuldige veehouderij’, vastgesteld door Gedeputeerde Staten) en in veehouderijen die niet grondgebonden zijn. Voor veehouderijen die niet grondgebonden zijn, geldt dat iedere toename van de bebouwingsoppervlakte, uitgezonderd een vergroting van de bedrijfswoning of bijgebouwen bij de bedrijfswoning, moet worden uitgesloten.
Daarnaast geldt dat de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen (extra oppervlak aan dierenverblijven, vormverandering en vergroting bouwvlak) in dit gebied uitsluitend mogen worden geboden aan grondgebonden veehouderijen. Uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijen binnen het gebied ‘beperkingen veehouderij’ is op grond van de Iov uitgesloten. Deze regeling is vertaald in het bestemmingsplan. Bij de flexibiliteitsbepalingen (afwijkingsmogelijkheden van de bouw- en gebruiksregels en wijzigings- bevoegdheden) is geregeld dat ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij’ uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van de afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid als het een veehouderij betreft die voldoet aan de criteria voor grondgebondenheid. In het begrip ‘criteria voor grondgebondenheid’ dat is opgenomen in artikel 1 van de planregels is een relatie gelegd met de nadere regels zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten. In de voorwaarden is geregeld dat altijd moet worden getoetst aan de actuele nadere regels, dus de regels zoals die gelden ten tijde van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag (in het geval van een afwijkingsbevoegdheid) of ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan (in het geval van een wijzigingsbevoegdheid). Uitsnede Iov ‘beperkingen veehouderij’
pagina 15 van 29
Peildatum bestaande bebouwing In de Iov wordt als peildatum voor de oppervlakte aan bestaande dierenverblijven uitgegaan van 21 september 2013. Deze datum is in de Iov opgenomen omdat vanaf dat moment in de Verordening ruimte regels zijn gesteld voor de uitbreiding van de bebouwingsoppervlakte van veehouderijen. Vanaf die datum zijn door de provincie ook direct rechtstreeks werkende regels in het leven geroepen, waardoor er vanaf 21 september 2013 geen toename van de oppervlakte van dierenverblijven heeft kunnen plaatsvinden als die strijdig was met de Verordening ruimte of de Iov. Het is echter wél mogelijk dat na die tijd dierenverblijven zijn bijgebouwd, namelijk voor veehouderijen die voldeden aan de regels die de Verordening ruimte of de Iov daaraan stelden. Indien in het bestemmingsplan zou worden gerefereerd aan de datum van 21 september 2013 zouden deze (legaal gerealiseerde) uitbreidingen worden miskend en kunnen veehouderijen in de problemen komen, bijvoorbeeld als een vergunning nog niet is gerealiseerd. Daarom is in het bestemmingsplan niet verwezen naar 21 september 2013, maar naar ‘bestaand’, zijnde de bebouwing die nu legaal aanwezig is of nog mag worden gebouwd op basis van een vergunning. In verband hiermee is aan de begrippen een begrip voor ‘bestaand’ toegevoegd, dat voor de peildatum verwijst naar de terinzagelegging van het ontwerp van dit herzieningsplan.
Aanvullende regels voeropslag De Iov bepaalt dat bouwvlakken voor veehouderijen maximaal 1,5 hectare groot mogen zijn. Daarnaast biedt de Iov de mogelijkheid om aansluitend aan het bouwvlak voedervoorzieningen te realiseren, als dat nodig is voor een grondgebonden veehouderij en tot een maximale oppervlakte van 5.000 m2. Het huidige bestemmingsplan kent al een wijzigingsbevoegdheid voor het realiseren van voeder- en watervoorzieningen. Deze wijzigingsbevoegdheid komt overeen met de bepalingen uit de Iov. De regeling is ter verduidelijking aangevuld met de voorwaarde dat extra ruimte voor voederopslag enkel kan worden toegestaan voor een grondgebonden veehouderij. Ook is de huidige regeling aangevuld met een voorwaarde ten aanzien van landschappelijke inpassing. 2. Regels voor geitenhouderijen Op grond van de Verordening ruimte 2012 is in het huidige bestemmingsplan geregeld dat tot 1 juni 2014 de oppervlakte aan bebouwing ten behoeve van een geiten- en/of schapenhouderij niet meer mag bedragen dan bestaand. Deze regeling is qua termijn inmiddels achterhaald en is daarom geschrapt. In de Iov is nu voorgeschreven dat een bestemmingsplan omschakeling naar een geitenhouderij en uitbreiding van een geitenhouderij moet uitsluiten. Dit is verwerkt in de bestemmingsomschrijving en de bouw- en gebruiksregels van de agrarische bestemmingen.
Daarnaast is bij de flexibiliteitsbepalingen voor het toestaan van extra dierenverblijven of het veranderen/vergroten van bouwvlakken toegevoegd dat deze regelingen niet mogen worden gebruikt voor geitenhouderijen. 3. Regels voor mestbewerking Mestbewerking van mest die ter plaatse wordt geproduceerd, bijvoorbeeld door bezinking of scheiding van mest, is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering van een veehouderij en is op grond van het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied’ toegestaan. De Iov staat mestbewerking van ter plaatse geproduceerde mest bij een veehouderij toe, maar bepaalt dat mestbewerking van elders geproduceerde mest is uitgesloten. Het bestemmingsplan is hiermee in overeenstemming gebracht en verduidelijkt. In de gebruiksregels voor veehouderijen is nu expliciet geregeld dat alleen mestbewerking van ter plaatse geproduceerde mest is toegestaan. De mogelijkheden die de Iov biedt voor mestvergisting voor samenwerkende melkrundveebedrijven en mestbewerking in de vorm van niet-agrarische bedrijven worden niet vertaald in de herziening. De nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke activiteiten vergt een integrale ruimtelijke afweging, die het beste buitenplans kan plaatsvinden. De bouwregels van de agrarische bestemmingen zijn in deze herziening niet aangepast.
pagina 16 van 29
Dit betekent dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor mestbewerking zijn toegestaan mits ze maximaal 3 meter hoog zijn (de maximaal toegelaten hoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde). Indien grotere bouwwerken nodig zijn, kan gebruik worden gemaakt van de bestaande afwijkingsbevoegdheid.
2.3
Verbeteringen en correcties Op basis van praktijkervaringen met het huidige bestemmingsplan wordt in deze herziening een aantal aanpassingen doorgevoerd ter verduidelijking, vereenvoudiging of correctie van de regels. Voorwaarden die in de praktijk onnodig of onbruikbaar zijn gebleken, zijn geschrapt. Soms zijn voorwaarden toegevoegd om bij vergelijkbare regelingen consequent te zijn. Een aantal regelingen is anders geformuleerd zodat sprake is van een eenduidigere en duidelijkere interpretatie. De belangrijkste aanpassingen en correcties worden hierna kort toegelicht.
2.3.1
Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering van het landschap De gemeente Etten-Leur hecht belang aan een groen buitengebied. Daarom wordt voor nieuwe ontwikkelingen al jarenlang de voorwaarde gesteld dat deze zorgvuldig landschappelijk moeten worden ingepast. Deze voorwaarde is ook gekoppeld aan een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan. Gebleken is dat de eis voor landschappelijke inpassing niet consequent aan de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden is gekoppeld. Waar nodig is de voorwaarde in deze herziening alsnog toegevoegd. Als een ontwikkeling een grotere impact heeft, wordt naast een zorgvuldige landschappelijke inpassing een tegenprestatie gevraagd in de vorm van kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit wordt gedaan op basis van de regionale uitwerking ‘Toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ (2014). De voorkeur bij kwaliteitsverbetering van het landschap is dat deze tegenprestatie plaatsvindt op dezelfde locatie als waar de ontwikkeling plaatsvindt. Soms is een tegenprestatie op dezelfde locatie echter niet mogelijk of niet wenselijk. In zo’n geval is storting van een bijdrage in het gemeentelijk landschapsfonds (het fonds ‘Reserve Landschapsbeleid, onderdeel Kwaliteitsverbetering van het landschap’) mogelijk.