CConstaterende datEtten-Leur
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels ontwerpbestemmingsplan.pdf

Raad besluit 24 januari 2022, gemeente Etten-LeurBij agendapunt: Vaststelling partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied50.722 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

De bouwhoogte van energievoorzieningen, niet zijnde windturbines, ten behoeve van glastuinbouwbedrijven agrarische bedrijven mag niet meer bedragen dan 12 m. g. Voor windturbines ten behoeve van agrarische bedrijven gelden de volgende regels: 1. per bouwvlak is één windturbine toegestaan; 2. de ashoogte mag niet meer bedragen dan 12 m; 3. de afstand van de windturbine tot bovengrondse hoogspanningsinfrastructuur mag niet minder bedragen dan de maximale werpafstand van een rotorblad bij twee maal nominaal toerental van de windturbine. h. De bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde teeltondersteunende kassen, mag niet meer bedragen dan 4 m. i. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 3.2.8 Agrarisch hulpgebouw buiten het bouwvlak Voor het bouwen van agrarische hulpgebouwen gelden de volgende regels: a. Agrarische hulpgebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpgebouw’. b. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte (m2)’. c. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m. d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m. e. De dakhelling mag niet minder bedragen dan 12° en niet meer dan 50°.

3.2.9 Teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak Voor het bouwen van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak gelden de volgende regels: a. Permanente teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde teeltondersteunende kassen, mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen’ worden gerealiseerd, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 m. b. De bouwhoogte van tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 4 m. 3.2.10 Voeder- en watervoorzieningen buiten het bouwvlak Voor het bouwen van voeder- en watervoorzieningen buiten het bouwvlak geldt gelden de volgende regels: a. Voeder- en watervoorzieningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voeder- en watervoorzieningen’ worden gerealiseerd, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.

24

b. Het is toegestaan om in watervoorzieningen drijvende zonnepanelen als energievoorziening ten behoeve van het agrarische bedrijf te bouwen, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m. 3.2.11 Overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, buiten het bouwvlak Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, buiten het bouwvlak geldt de volgende regel: a. Er mogen uitsluitend erf- en terreinafscheidingen met een open constructie worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 m. 1 m. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijken algemene bouwregels Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde: a. In 3.2 aanhef voor het uitbreiden, wijzigen en/of herbouwen van bedrijfswoningen bij een niet volwaardig agrarisch bedrijf of een niet volwaardige paardenhouderij, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. er dient sprake te zijn van een bedrijfsomvang van minimaal 60% van de omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf of volwaardige paardenhouderij; 2. om te bepalen of wordt voldaan aan het bepaalde onder 1 kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. het bepaalde onder 1 dient aangetoond te worden door een advies van een ter zake deskundige. b.

In 3.2 aanhef voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. er dient te worden voldaan aan het bepaalde in 3.2.1 en 3.2.2, met dien verstande dat de oppervlakte van de (gezamenlijke) ruimte(n) voor het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van de eigen agrarische producten geteeld op of in de directe omgeving van het bedrijf en niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten wordt afgestemd op de bedrijfsvoering; niet meer mag bedragen dan 750 m2; 2. het bepaalde in 3.5.2 is van overeenkomstige toepassing. c. In 3.2.1 onder c voor het bouwen op een afstand minder dan 5 m van dan wel op de perceelsgrenzen met derden, mits de gebouwen en overkappingen worden opgericht op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van de bedrijfswoning dan wel, indien geen bedrijfswoning aanwezig of toegestaan is, op een afstand van ten minste 3 m achter de voorste grens van het bouwvlak, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. het bouwen dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn; 2. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad. d.

In 3.2.1 onder c voor het bouwen op een afstand minder dan 5 m van dan wel op de perceelsgrenzen met derden in geval van herbouw, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. het bouwen dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn; 2. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad. d. In 3.2.1 onder d voor het bouwen van kassen op een kortere afstand tot de perceelsgrenzen met derden in geval van vervangende nieuwbouw, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de bestaande afstand mag niet worden verkleind; 2. het bouwen dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn; 3. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad.

3.3.2 Afwijken vergroten oppervlakte bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, ten behoeve van een grondgebonden teeltbedrijf of een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a voor het binnen het bouwvlak bouwen van meer dan de toegestane 5.000 m² bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, voor een grondgebonden teeltbedrijf of een en niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een grondgebonden veehouderij, intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

25

a. De vergroting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. Om te bepalen of hieraan wordt voldaan, kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. Vooraf dient hieromtrent advies ingewonnen te worden bij een ter zake deskundige. b. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing. 3.3.3 Afwijken vergroten oppervlakte bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, ten behoeve van een grondgebonden veehouderij Het bevoegd gezag kan voor een grondgebonden veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘grondgebonden veehouderij’ bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a voor: <0000> het binnen het bouwvlak bouwen van meer dan de toegestane 5.000 m² bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen; en/of <0000> het binnen het bouwvlak vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven tot meer dan de gezamenlijke oppervlakte van de bestaande dierenverblijven; waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a voor het binnen het bouwvlak bouwen van meer dan de toegestane 5.000 m²

bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, voor een grondgebonden veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘grondgebonden veehouderij’, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Uitbreiding en/of wijziging van de bebouwing is niet toegestaan indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van: 1. een bestaand gebruik zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet; 2. bestaande activiteiten die stikstofemissie veroorzaken en vergund zijn; 3. bestaande activiteiten waarvoor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is verleend; 4. een vereveningseffect, zoals bedoeld in artikel 1. b. De vergroting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. Om te bepalen of hieraan wordt voldaan, kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. Vooraf dient hieromtrent advies ingewonnen te worden bij een ter zake deskundige. c. Het vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven voor het houden van geiten is niet toegestaan. d. Het vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven is uitsluitend toegestaan indien: 1.

maatregelen worden getroffen en in stand worden gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; er is sprake van een zorgvuldige veehouderij indien wordt voldaan aan de nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals die regels luiden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag; 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief. e. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' is het vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven uitsluitend toegestaan indien de veehouderij voldoet aan de criteria voor grondgebondenheid, zoals die criteria luiden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag. f.

Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

26

3.3.4 Afwijken vergroten oppervlakte bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, ten behoeve van een intensieve veehouderij Het bevoegd gezag kan voor een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a voor: <0000> het binnen het bouwvlak bouwen van meer dan de toegestane 5.000 m² bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen; en/of <0000> het binnen het bouwvlak vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven tot meer dan de gezamenlijke oppervlakte van de bestaande dierenverblijven; waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a voor het binnen het bouwvlak bouwen van meer dan de toegestane 5.000 m² bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, voor een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Uitbreiding en/of wijziging van de bebouwing is niet toegestaan indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van een vereveningseffect, zoals bedoeld in artikel 1. b. Na uitbreiding mag de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan 8.000 m². c.

De vergroting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. Om te bepalen of hieraan wordt voldaan, kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. Vooraf dient hieromtrent advies ingewonnen te worden bij een ter zake deskundige. d. Het vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven voor het houden van geiten is niet toegestaan. e. Het vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven is uitsluitend toegestaan indien: 1. maatregelen worden getroffen en in stand worden gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; er is sprake van een zorgvuldige veehouderij indien wordt voldaan aan de nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals die regels luiden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag; 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 3.

is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief. f. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' is het vergroten van de oppervlakte van dierenverblijven niet toegestaan. g. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing. h. Aanwezig zijn aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn die noodzaken tot uitbreiding ter plaatse. i. Zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte. j.

De beoogde ontwikkeling is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar. k. Voor wat betreft ammoniak, geur en fijnstof mag er geen sprake zijn van een toename van de emissie vanuit de betreffende inrichting. l. Tot 1 juni 2014 is vergroting ten behoeve van een geiten- en/of schapenhouderij niet toegestaan.

27

3.3.5 Afwijken bouwregels bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde: a. In 3.2.2 onder b voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, met een hogere goothoogte tot maximaal 9 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. b. In 3.2.2 onder c voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen, niet zijnde kassen, met een hogere bouwhoogte tot maximaal 12 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. 3.3.6 Afwijken bouwregels kassen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.3 onder e en 3.2.4 onder e voor het bouwen van vervangende kassen op minder dan 30 m afstand tot woningen/bedrijfswoningen van derden, maar niet minder dan de bestaande afstand, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De situering is milieuhygiënisch inpasbaar. b. De situering is stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar. c. De belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.

3.3.7 Afwijken vervangende nieuwbouw bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 aanhef en 3.2.5 onder b voor vervangende nieuwbouw van een bedrijfswoning, al dan niet op dezelfde locatie, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Vervangende nieuwbouw dient plaats te vinden binnen het bouwvlak. b. Er dient sprake te zijn van een bedrijfsomvang van minimaal 60% van de omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf of volwaardige paardenhouderij. Om te bepalen of hieraan wordt voldaan, kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. Dit dient aangetoond te worden door een advies van een ter zake deskundige. c. De afstand van het hoofdgebouw de bedrijfswoning tot de as van de openbare weg dient minimaal 15 m te bedragen. Deze afstand mag minder bedragen, mits: 1. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt geschaad; 2. er geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. d. De bouw van de bedrijfswoning mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven. e. De afwijking dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. f. De afwijking dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn.

3.3.8 Afwijken ten behoeve van een tijdelijke woonunit voor mantelzorg Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.6 onder a voor de plaatsing van een tijdelijke woonunit, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De woonunit is noodzakelijk ten behoeve van huisvesting in het kader van mantelzorg. b. Er is sprake van een zorgbehoefte welke tijdelijk van aard is. c. De zorgbehoefte is aangetoond door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige adviesinstantie. d. De oppervlakte van de woonunit mag niet meer bedragen dan 100 m2 80 m². e. De bouwhoogte van de woonunit mag niet meer bedragen dan 3,25 m. f. De woonunit dient minimaal 1 m 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw de woning te worden geplaatst. g. De woonunit mag ook vrij van de woning geplaatst worden. g. Zodra de zorgbehoefte niet meer aanwezig is dient de woonunit te worden verwijderd. h. De plaatsing van de woonunit mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven. i. De afwijking dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat.

28

3.3.9 Afwijken ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders in bedrijfsgebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 aanhef voor het (ver)bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders waarbij slaapgelegenheid, een gemeenschappelijke verblijfsruimte (kantine), sanitair (douches en toiletten) en kooken wasgelegenheid gerealiseerd kunnen worden, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Een dergelijke huisvesting is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijk grote arbeidsbehoefte binnen het betreffende agrarische bedrijf. Om te bepalen of hieraan wordt voldaan, kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. Vooraf dient hieromtrent advies ingewonnen te worden bij een ter zake deskundige. b. De bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen agrarische en andere bedrijven mogen niet worden beperkt. c. De huisvesting heeft geen onevenredige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van nabijgelegen woningen. d. De huisvesting betreft uitsluitend werknemers die alleen werkzaamheden verrichten voor het bedrijf waar ze zijn gehuisvest.

Indien een bedrijf over meerdere bedrijfslocaties beschikt, mogen werknemers ook op deze andere bedrijfslocaties werkzaam zijn, mits die locaties zich binnen de gemeente Etten-Leur bevinden. , die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten. e. De huisvesting per seizoenarbeider bedraagt niet meer dan 10 aaneengesloten maanden per periode van 12 maanden. maanden per kalenderjaar. f. De totale gebruiksoppervlakte per seizoenarbeider mag niet meer bedragen dan 15 m² . g. Er mag geen sprake zijn van zelfstandige bewoning dan wel zelfstandige wooneenheden. h. De huisvesting voldoet aan de normenset van de Stichting Normering Flexwonen, zoals die luidt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag, of heeft ten minste een daarmee vergelijkbare kwaliteit. 3.3.10 Afwijken ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders in woonunits of stacaravans Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 aanhef voor het binnen het bouwvlak bouwen van woonunits of stacaravans, sta- en toercaravans ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders waarbij slaapgelegenheid, een gemeenschappelijke verblijfsruimte (kantine), sanitair (douches en toiletten) en kook- en wasgelegenheid gerealiseerd kunnen worden, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

Een dergelijke huisvesting is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de tijdelijk grote arbeidsbehoefte binnen het betreffende agrarische bedrijf. Om te bepalen of hieraan wordt voldaan, kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. Vooraf dient hieromtrent advies ingewonnen te worden bij een ter zake deskundige. b. De bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen agrarische en andere bedrijven mogen niet worden beperkt. c. De huisvesting heeft geen onevenredige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van nabijgelegen woningen. d. De huisvesting betreft uitsluitend werknemers die alleen werkzaamheden verrichten voor het bedrijf waar ze zijn gehuisvest. Indien een bedrijf over meerdere bedrijfslocaties beschikt, mogen werknemers ook op deze andere bedrijfslocaties werkzaam zijn, mits die locaties zich binnen de gemeente Etten-Leur bevinden. , die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten. e. De huisvesting per seizoenarbeider bedraagt niet meer dan 10 aaneengesloten maanden per periode van 12 maanden. maanden per kalenderjaar. f. De totale gebruiksoppervlakte per seizoenarbeider mag niet meer bedragen dan 15 m². g. Er mag geen sprake zijn van zelfstandige bewoning dan wel zelfstandige wooneenheden. h.

De bouwhoogte van een woonunit of stacaravan, stacaravan en toercaravan bedraagt niet meer dan 3,5 m. i. De woonunits en stacaravans, stacaravans en toercaravans worden geplaatst binnen het bouwvlak doch niet in een bedrijfsgebouw. j. Voor wat betreft de woonunits en stacaravans, stacaravans en toercaravans dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing. k. De afwijking voor woonunits, stacaravans en/of toercaravans kan slechts worden verleend voor een periode van maximaal 5 jaar en vervalt in elk geval 5 jaar na de datum waarop ze is verleend.

29

k. De huisvesting voldoet aan de normenset van de Stichting Normering Flexwonen, zoals die luidt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag, of heeft ten minste een daarmee vergelijkbare kwaliteit. 3.3.11 Afwijken ten behoeve van bouwwerken voor mestbewerking Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.7 voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten behoeve van mestbewerking van ter plaatse geproduceerde mest en/of mestverwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Mestbewerking en/of mestverwerking Het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde voor mestbewerking is uitsluitend toegestaan ten behoeve van een volwaardige intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ of ten behoeve van een volwaardige grondgebonden veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘grondgebonden veehouderij’. b. De activiteit is bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. c. De afwijking dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn. d. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 8 m. e. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 120 m². f.

Deze afwijking is niet toegestaan indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van: 1. een bestaand gebruik zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet; 2. bestaande activiteiten die stikstofemissie veroorzaken en vergund zijn; 3. bestaande activiteiten waarvoor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is verleend; 4. een vereveningseffect, zoals bedoeld in artikel 1. g. De afwijking dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn. 3.3.12 Afwijken bouwregels bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, binnen het bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde: a. In 3.2.7 onder a voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 m vóór (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast. b. In 3.2.7 onder d voor het bouwen van mestsilo’s met een hogere bouwhoogte tot maximaal 8 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. c. In 3.2.7 onder e voor het bouwen van torensilo’s en installaties met een hogere bouwhoogte tot maximaal 15 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. d.

In 3.2.7 onder f voor het bouwen van energievoorzieningen, niet zijnde windturbines, ten behoeve van agrarische bedrijven glastuinbouwbedrijven met een hogere bouwhoogte tot maximaal 15 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. e. In 3.2.7 onder g voor het bouwen van een windturbine ten behoeve van een agrarisch bedrijf met een hogere ashoogte tot maximaal 15 m, mits: 1. de tiphoogte niet meer bedraagt dan 25 m; 2. dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. f. In 3.2.7 onder g voor het bouwen van een windturbine ten behoeve van een agrarisch bedrijf op een kleinere afstand van de bovengrondse hoogspanningsinfrastructuur, mits: 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de hoogspanningsverbinding in de zin van het veilig en ongestoord functioneren van de hoogspanningsverbinding; 2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. g. In 3.2.7 onder i voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, met een hogere bouwhoogte tot maximaal 5 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is. 3.3.13 Afwijken bouwregels bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, buiten het bouwvlak Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.11 onder a: a.

Voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen met een open constructie met een bouwhoogte van maximaal 2 m, mits dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.

30

3.3.14 Afwijken situering bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.6 onder b voor het bouwen van een bijgebouw of overkapping op een afstand van minder dan 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, of voor het bouwen van een bijgebouw of overkapping vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het bouwen dient stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar te zijn. b. De belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad. 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Naast het bepaalde in artikel 35 wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: a. Het gebruik van meer dan één bouwlaag van een gebouw voor het houden van dieren ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden. a. Uitbreiding en/of wijziging van een agrarisch bedrijf indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van: 1. een bestaand gebruik zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet; 2. bestaande activiteiten die stikstofemissie veroorzaken en vergund zijn; 3.

bestaande activiteiten waarvoor een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet is verleend; 4. een vereveningseffect, zoals bedoeld in artikel 1. b. Het gebruik van bedrijfs- bedrijfsgebouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning als zelfstandige woning. c. Het gebruik van bedrijfs- bedrijfsgebouwen en vrijstaande bijgebouwen bij de bedrijfswoning als afhankelijke woonruimte. d. Het gebruik van gebouwen ten behoeve van bed & breakfast. d. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van kleinschalig kamperen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kleinschalig kamperen'; e. Ondersteunende horeca bij informatieve en/of educatieve activiteiten. f. Het gebruik van gebouwen ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - huisvesting seizoenarbeiders'. g. Het gebruik van een paardenhouderij als manege ter plaatse van de aanduiding ‘manege uitgesloten’. h. Het gebruik van gronden en bouwwerken buiten het bouwvlak ten behoeve van opslag, uitgezonderd opslag ten dienste van het agrarisch bedrijf in een agrarisch hulpgebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarisch hulpgebouw'. i.

Het gebruik van gronden binnen het bouwvlak voor agrarische bedrijfsactiviteiten, anders dan agrarisch grondgebruik, indien binnen het bouwvlak sprake is van wonen als bedoeld in 3.4.3. j. Het aanleggen van verhardingen buiten het bouwvlak anders dan ten behoeve van: 1. veepaden; 2. toegangspaden tot gebouwen; 3. in- en uitritten; 4. voeder- en watervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voederen watervoorzieningen' en 5. permanente teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen'. 3.4.2 Gebruiksregels veehouderijen Voor veehouderijen gelden de volgende regels: a. Binnen gebouwen mogen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden. b. Een gebruikswijziging van gebouwen die niet in gebruik zijn als dierenverblijf, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, is niet toegestaan. c. Een gebruikswijziging van gebouwen die niet in gebruik zijn als dierenverblijf voor het houden van geiten, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf voor het houden van geiten, is niet toegestaan.

31

d. De bruto bedrijfsvloeroppervlakte aan intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' mag niet meer bedragen dan 600 m². e. Mestbewerking van ter plaatse geproduceerde mest is toegestaan als onderdeel van de bedrijfsvoering van een veehouderij. Mestbewerking van elders geproduceerde mest is niet toegestaan. 3.4.3 Gebruik ten behoeve van wonen Behalve ten behoeve van agrarisch gebruik, is gebruik van de bedrijfswoning, de overige bouwwerken en de bijbehorende gronden ten behoeve van wonen toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: a. Het gebruik ten behoeve van wonen mag uitsluitend plaatsvinden binnen het bouwvlak. b. Het gebruik ten behoeve van wonen mag uitsluitend plaatsvinden door de hoofdbewoner(s). c. Het gebruik ten behoeve van wonen mag uitsluitend plaatsvinden indien binnen het bouwvlak geen agrarische bedrijfsactiviteiten, anders dan agrarisch grondgebruik, plaatsvinden. d. Uitsluitend de bestaande bedrijfswoning mag gebruikt worden als woning, waarbij dit gebouw wordt aangemerkt als belangrijkste hoofdgebouw. e. Behalve ten behoeve van agrarisch gebruik, mogen de overige bouwwerken uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van huishoudelijk gebruik verband houdend met wonen, waarbij de oppervlakte ten behoeve van dit gebruik niet meer mag bedragen dan 200 m2 100 m2.

3.4.4 Aan-huis-gebonden-beroep Het gebruik van een bedrijfswoning en/of een bijgebouw bij de bedrijfswoning ten behoeve van een aan-huis-gebonden-beroep is toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: a. Het gebruik heeft een kleinschalig karakter en zal dat behouden en is naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming. b. Uitsluitend toegestaan zijn aan-huis-gebonden-beroepen die zijn opgenomen op de Lijst van aan-huis-gebonden-beroepen zoals opgenomen in bijlage 12 bij deze regels. Indien in de lijst nadere voorwaarden zijn gesteld voor specifieke aan-huis-gebonden-beroepen, zijn deze aan-huis-gebonden-beroepen uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de nadere voorwaarden. c. De vloeroppervlakte die wordt gebruikt voor een aan-huis-gebonden-beroep bedraagt maximaal 50 m2. De daarvoor te benutten ruimte in de bedrijfswoning beslaat maximaal 33% van het gebruiksoppervlak van de bedrijfswoning, of maximaal 50 m² van de bijgebouwen. d. Het gebruik ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat diegene die de activiteit in de woning of in een bijgebouw uitvoert tevens hoofdbewoner van de woning is en dat er ter plaatse geen personeel werkzaam is. e.

Het betreft niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer, dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte. f. Er vindt geen uitoefening van detailhandel plaats, met uitzondering van ter plaatse vervaardigde producten. g. Buitenopslag ten dienste van het aan-huis-gebonden-beroep is niet toegestaan. 3.4.5 Bed & breakfast Het gebruik van de bedrijfswoning ten behoeve van bed & breakfast is toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: a. De exploitatie van de bed & breakfast wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner van de woning. b. De woonfunctie van de woning blijft behouden. c. Per woning is sprake van maximaal 2 bed & breakfast kamers en maximaal 4 slaapplaatsen. d. De vloeroppervlakte aan logeereenheden en zelfstandige sanitaire voorzieningen mag niet meer bedragen dan 50 m². e. Parkeren geschiedt op eigen terrein. f. Een bed & breakfast is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied glastuinbouw doorgroeigebied’, ‘zoekgebied glastuinbouw vestigingsgebied 1’ en ‘zoekgebied glastuinbouw vestigingsgebied 2’.

32

3.4.6 Huisvesting seizoenarbeiders in bedrijfsgebouwen Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - huisvesting seizoenarbeiders' is huisvesting van seizoenarbeiders in bedrijfsgebouwen uitsluitend toegestaan bij een volwaardig agrarisch bedrijf, waarbij de volgende regels gelden: a. De gebruiksoppervlakte bedraagt niet meer dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)'. b. De huisvesting betreft uitsluitend werknemers die alleen werkzaamheden verrichten voor het bedrijf waar ze zijn gehuisvest. Indien een bedrijf over meerdere bedrijfslocaties beschikt, mogen werknemers ook op deze andere bedrijfslocaties werkzaam zijn, mits die locaties zich binnen de gemeente Etten-Leur bevinden. , die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten. c. De huisvesting per seizoenarbeider bedraagt niet meer dan 10 aaneengesloten maanden per periode van 12 maanden. maanden per kalenderjaar. d. Er is geen sprake van zelfstandige bewoning dan wel zelfstandige wooneenheden. 3.4.7 Bestaande nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw De volgende bestaande nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw zijn toegestaan binnen het bouwvlak van de betreffende agrarische bedrijven, waarbij de volgende regels gelden: a.

Een kaasmakerij is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch kaasmakerij’, waarbij maximaal 400 m² van de bedrijfsvloeroppervlakte van de bebouwing mag worden gebruikt ten behoeve van de productie. b. Kamerverhuur is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘kamerverhuur’ waarbij het aantal kamers niet meer mag bedragen dan 7. c. Kleinschalig kamperen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - kleinschalig kamperen’, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. het aantal toeristische standplaatsen mag niet meer bedragen dan 25; 2. sanitaire en/of slechtweervoorzieningen zijn toegestaan in bestaande bebouwing tot een maximum van 250 m², waarvan maximaal 100 m² ondersteunende horeca; 3. kleinschalig kamperen is enkel toegestaan in de periode 15 maart tot en met 31 oktober. d. Ondersteunende horeca is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - ondersteunende horeca’, waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m². e. Een paardenmelkerij met zorgfunctie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - paardenmelkerij met zorgfunctie’, waarbij in zijn totaliteit maximaal 120 m² gebruikt mag worden ten behoeve van de zorgfunctie en/of ondersteunende horeca. f.

Een zorgfunctie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch zorgfunctie’, waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m². Waarbij nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw uitsluitend zijn toegestaan bij een agrarisch bedrijf. 3.4.8 Nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw De volgende nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw zijn toegestaan binnen het bouwvlak van agrarische bedrijven, waarbij de volgende regels gelden: a. Kleinschalige ambachtelijke verwerking van eigen agrarische producten als ondergeschikt zelfstandig onderdeel van de bedrijfsactiviteiten, waarbij de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m². b. Huisverkoop waarbij de totale gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m². c. De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven. 3.4.8 Neventak intensieve veehouderij De bruto bedrijfsvloeroppervlakte aan intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' mag niet meer bedragen dan 600 m². 3.4.9 Tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen Het gebruik van de gronden voor tijdelijke en overige teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn, is toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: a.

De hoogte mag niet meer bedragen dan 4 m.

33

b. De plaatsing van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen vindt maximaal 6 maanden per kalenderjaar plaats. 3.4.9 Geiten- en/of schapenhouderij Tot 1 juni 2014 is Uitbreiding en hervestiging van en omschakeling naar een geiten- en/of schapenhouderij niet toegestaan. 3.4.10 Aanleggen van verhardingen Het aanleggen van verhardingen, met uitzondering van het aanleggen van verhardingen voor veepaden, toegangspaden tot gebouwen en in- en uitritten, is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - voeder- en watervoorzieningen' en ‘specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen’. 3.4.11 Aanleggen van aarden wallen ten behoeve van voeder- en watervoorzieningen a. Het aanleggen van aarden wallen ten behoeve van voeder- en watervoorzieningen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voederen watervoorzieningen'. b. De hoogte van aarden wallen ten behoeve van voeder- en watervoorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 m. 3.4.12 Landschappelijke inpassing a.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.1’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf en/of waterbassin, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.1 bij deze regels. b. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.2’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een waterbassin, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.2 bij deze regels. c. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.3’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf en/of waterbassin, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.3 bij deze regels. d.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.4’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.4 bij deze regels. e. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.5’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.5 bij deze regels. f. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.6’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een waterbassin, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.6 bij deze regels. g.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.7’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een waterbassin, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.7 bij deze regels. h. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.8’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een waterbassin en/of watertanks, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.8 bij deze regels.

34

i.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.9’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een waterbassin, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.9 bij deze regels. j. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.10’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een agrarisch bedrijf, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.10 bij deze regels. k. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.11’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf en/of waterbassin, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.11 bij deze regels. l.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.12’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.12 bij deze regels. m. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.13’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf/kwekerij en/of watervoorzieningen en/of permanente teeltondersteunende voorzieningen, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.13 bij deze regels, met dien verstande dat de landschappelijke inpassing ter plaatse van de bestaande, te slopen woning Bankenstraat 17 mag worden aangebracht na sloop van de woning, maar uiterlijk in het eerstvolgende plantseizoen na sloop. n.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.14’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.14 bij deze regels. o. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.15’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.15 bij deze regels. p. De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.16’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een agrarisch bedrijf, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.16 bij deze regels. q.

De gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - voorwaarde landschappelijke inpassing 6.17’ mogen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van een paardenhouderij, indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals opgenomen in bijlage 6.17 bij deze regels. 3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Afwijken ten behoeve van ingebruikname gebouwen als dierenverblijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.2 onder b ten behoeve van het in gebruik nemen van gebouwen als dierenverblijf, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De ingebruikname van gebouwen als dierenverblijf is niet toegestaan indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanuit de betreffende inrichting, tenzij sprake is van een vereveningseffect, zoals bedoeld in artikel 1. b. De ingebruikname van gebouwen als dierenverblijf dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het agrarisch bedrijf. Om te bepalen of hieraan wordt voldaan, kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. c. De ingebruikname van gebouwen als dierenverblijf voor het houden van geiten is niet toegestaan. d.

De ingebruikname van gebouwen als dierenverblijf is uitsluitend toegestaan indien:

35

1. maatregelen worden getroffen en in stand worden gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; er is sprake van een zorgvuldige veehouderij indien wordt voldaan aan de nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals die regels luiden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag; 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij het initiatief. e. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' is de ingebruikname van gebouwen als dierenverblijf uitsluitend toegestaan indien de veehouderij voldoet aan de criteria voor grondgebondenheid, zoals die criteria luiden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag.

3.5.2 Afwijken ten behoeve van het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 voor het als ondergeschikte functie bij een volwaardig agrarisch bedrijf bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten dient plaats te vinden binnen de toegestane totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen niet zijnde kassen. Hierbij mag wordt de oppervlakte van de (gezamenlijke) ruimte(n) voor het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van de eigen agrarische producten geteeld op of in de directe omgeving van het bedrijf en niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten afgestemd op de bedrijfsvoering. niet meer bedragen dan 750 m². b. De niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten moeten dezelfde teelt betreffen als de eigen agrarische producten geteeld op of in de directe omgeving van het bedrijf en mogen het aandeel daarvan niet overtreffen. c.

Voor het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten dient gebruik te worden gemaakt van dezelfde machines als voor het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van de eigen agrarische producten geteeld op of in de directe omgeving van het bedrijf. d. De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven. e. De activiteit mag niet leiden tot een zelfstandige bedrijfsactiviteit. f. Om te bepalen of wordt voldaan aan het voorgaande, kan het bevoegd gezag een advies van een ter zake deskundige verlangen. Vooraf dient omtrent het vorenstaande advies ingewonnen te worden bij een ter zake deskundige. g. Zodra de agrarische hoofdfunctie ter plaatse wordt gestaakt, dient ook het bewerken, afvoergereedmaken en verpakken van niet eigen dan wel elders geteelde agrarische producten te worden beëindigd. h. De afwijking mag geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben en de infrastructuur van en naar het bedrijf moet geschikt zijn om de extra verkeersbewegingen te verwerken. i. De afwijking dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn. j. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

3.5.3 Afwijken ten behoeve van nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en 3.4.8 voor het gebruik van gronden en/of bebouwing ten behoeve van nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw bij een agrarisch bedrijf, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw bij agrarische bedrijven zijn enkel toegestaan binnen het bouwvlak, tenzij het vormen van verbrede landbouw betreft die buiten het bouwvlak kunnen worden uitgeoefend en daar passend zijn, zoals boerengolf en kleinschalig kamperen.

36

b. Nevenfuncties dienen binnen de bestaande bebouwing te worden gesitueerd. c. De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven en de nevenfunctie/vorm van verbrede landbouw moet in relatie tot het agrarisch bedrijf staan als een ondergeschikt, niet-zelfstandig onderdeel van de bedrijfsactiviteiten. In geval van statische binnenopslag dient er sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. d. De nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw die kunnen worden toegestaan en de gebieden waar deze wel of niet zijn toegestaan, zijn opgenomen in de tabel in bijlage 1. e. De oppervlakte aan nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw mag niet meer bedragen dan is aangegeven in de tabel in bijlage 1. Bij cumulatie van meerdere vormen van nevenfuncties mag de totale omvang aan nevenfuncties niet meer bedragen dan 400 m², waarbij alleen ten behoeve van statische binnenopslag maximaal 600 m² statische binnenopslag aan de toegestane 400 m² mag worden toegevoegd. f. Buitenopslag ten behoeve van nevenfuncties en/of vormen van verbrede landbouw is niet toegestaan. g. De nevenfunctie en/of vorm van verbrede landbouw dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn. h. De nevenfunctie en/of vorm van verbrede landbouw mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben. i.

De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 3.5.4 Afwijken ten behoeve van kleinschalig kamperen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder f onder d ten behoeve van kleinschalig kamperen bij een agrarisch bedrijf, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Kleinschalig kamperen is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘kernrandzone’, ‘zoekgebied glastuinbouw doorgroeigebied’, ‘zoekgebied glastuinbouw vestigingsgebied 1' en ‘zoekgebied glastuinbouw vestigingsgebied 2’. b. De omvang mag maximaal 25 toeristische standplaatsen bedragen. c. In beginsel dienen de standplaatsen binnen het bouwvlak te worden gesitueerd, dan wel in een zone van maximaal 50 m aansluitend aan het bouwvlak. Indien de standplaatsen buiten het bouwvlak worden gesitueerd, dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd beplantingsplan tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing. d. Sanitaire en/of slechtweervoorzieningen zijn toegestaan in bestaande bebouwing tot een maximum van 250 m², waarvan maximaal 100 m² ondersteunende horeca. e. Kleinschalig kamperen is enkel toegestaan in de periode 15 maart tot en met 31 oktober. f.

De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven. 3.5.5 Afwijken ten behoeve van ondersteunende horeca bij informatieve en/of educatieve activiteiten Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder g onder e voor het gebruik van gronden en/of bebouwing ten behoeve van ondersteunende horeca bij informatieve en/of educatieve activiteiten bij een agrarisch bedrijf, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m². b. De agrarische functie op het perceel dient als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar te blijven. 3.5.6 Afwijken ten behoeve van mantelzorg Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder d onder c en toestaan dat een vrijstaand bijgebouw gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De afwijking is noodzakelijk ten behoeve van huisvesting in het kader van mantelzorg. b. Er is sprake van een zorgbehoefte welke tijdelijk van aard is. c. De zorgbehoefte is aangetoond door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige adviesinstantie. d. De oppervlakte voor afhankelijke woonruimte mag niet meer bedragen dan 100 m2 80 m². e. Zodra de zorgbehoefte niet meer aanwezig is dient het gebruik te worden beëindigd. f.

Het gebruik als afhankelijke woonruimte mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven. g. De afwijking dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat.

37

3.5.7 Afwijken ten behoeve van bed & breakfast in een vrijstaand bijgebouw Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.5 en toestaan dat een vrijstaand bijgebouw bij de bedrijfswoning gebruikt wordt als bed & breakfast, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De exploitatie van de bed & breakfast wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner van de woning. b. De woonfunctie van de woning blijft behouden. c. Per woning is in totaal sprake van maximaal 2 bed & breakfast kamers en maximaal 4 slaapplaatsen, inclusief kamers/slaapplaatsen in het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen. d. De totale vloeroppervlakte aan logeereenheden en zelfstandige sanitaire voorzieningen in het hoofdgebouw, aangebouwde bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50 m². e. Parkeren geschiedt op eigen terrein. f. Het gebruik als bed & breakfast mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische en andere bedrijven. g. De afwijking dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. h. Bed & breakfast is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied glastuinbouw doorgroeigebied’, ‘zoekgebied glastuinbouw vestigingsgebied 1’ en ‘zoekgebied glastuinbouw vestigingsgebied 2’.

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder e ten behoeve van bed & breakfast, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Voorzieningen voor bed & breakfast zijn uitsluitend toegestaan binnen de bestaande woning. b. De exploitatie van de bed & breakfast wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner van de woning. c. Per woning is sprake van niet meer dan 2 bed & breakfast kamers en maximaal 4 slaapplaatsen. d. De woonfunctie van de woning blijft behouden. e. De vloeroppervlakte aan logeereenheden en zelfstandige sanitaire voorzieningen mag niet meer bedragen dan 50 m². f. De bed & breakfast-voorziening is vanuit milieuhygiënisch oogpunt inpasbaar in de omgeving. g. Bed & breakfast is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘zoekgebied glastuinbouw doorgroeigebied’, ‘zoekgebied glastuinbouw vestigingsgebied 1’ en ‘zoekgebied glastuinbouw vestigingsgebied 2’. h. Parkeren geschiedt op eigen terrein. 3.5.8 Afwijken ten behoeve van huisvesting seizoenarbeiders in bestaande woning Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder h onder f ten behoeve van de huisvesting van seizoenarbeiders in een bestaande woning, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

De huisvesting vindt plaats in een bestaande woning, waarbij de gebruiksoppervlakte niet minder bedraagt dan 12 m² per seizoenarbeider. b. Er mogen niet meer dan 6 seizoenarbeiders per woning gehuisvest worden. c. Er mag geen sprake zijn van zelfstandige wooneenheden. d. De huisvesting voldoet aan de normenset van de Stichting Normering Flexwonen, zoals die luidt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag, of heeft ten minste een daarmee vergelijkbare kwaliteit. 3.5.9 Afwijken ten behoeve van huisvesting seizoenarbeiders in bedrijfsgebouwen, woonunits of stacaravans Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.4.1 onder h onder f ten behoeve van: a. De huisvesting van seizoenarbeiders in bedrijfsgebouwen, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in 3.3.9. b. De huisvesting van seizoenarbeiders in woonunits of stacaravans, sta- en toercaravans, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in 3.3.10.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EttenLeur&id=9cced9d8-98aa-411a-b029-cf337c220071