Plan van Aanpak definitieve versie.pdf
Tekst van het document
Een middelvoorschrift is bijvoorbeeld de bepaling dat bebouwing alleen mag worden gerealiseerd als deze voorzien wordt van een dove gevel. De initiatiefnemer mag daarmee alleen deze techniek/maatregel toepassen en niet bijvoorbeeld de toepassing van een geluidsscherm. Het voordeel is dat deze wijze van reguleren beter controleerbaar is. Wel is in de wet nog de mogelijkheid van gelijkwaardigheid opgenomen. Indien een initiatiefnemer kan aantonen dat een andere techniek of maatregel tot een gelijkwaardige oplossing leidt als de voorgeschreven maatregel, is dit alternatief toch mogelijk. Belangrijk is in dat geval dat voor het betreffende middelvoorschrift is opgenomen met welk motief die regel is gesteld, om daarmee af te kunnen wegen of er sprake is van gelijkwaardigheid. Het uitgangspunt van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk te werken met doelvoorschriften. Keuze: zoveel mogelijk werken met doelvoorschriften In lijn met de Omgevingswet wordt zoveel als mogelijk gewerkt met doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften. Dit geeft initiatiefnemers de ruimte om zelf te bepalen welke maatregelen of technieken worden toegepast om aan een doel te voldoen en sluit daarmee aan op het leidende principe om de gebruiker centraal te stellen. Daarnaast zorgt deze keuze voor een meer toekomstbestendig omgevingsplan dat niet hoeft te worden aangepast bij iedere innovatie.
Bovendien past deze keuze bij het werken in lijn met de bedoeling. Keuze 12: Bestaande of nieuwe activiteiten 22
Net als een bestemmingsplan, reguleert een omgevingsplan in nieuwe activiteiten (bijvoorbeeld de bouw van een nieuw huis, roeren van de grond, etc.). Een bestemmingsplan regelt daarnaast ook bestaande bebouwing en bestaand gebruik, bijvoorbeeld door de bouwvlakken rondom bestaande bebouwing. Door het verordenend karakter van het omgevingsplan is de vraag of ook in een omgevingsplan bestaande bebouwing moet worden gereguleerd. Keuze: Bij het verder uitwerken van het Omgevingsplan bepalen hoe om te gaan met bestaande bebouwing Bij het opstellen van het Omgevingsplan kan op meerdere manieren omgegaan worden met het vormgeven van de regels. Zo kan ook bestaande bebouwing worden weergegeven in een kaartlaag (serviceproduct). Bij het verder uitwerken van het Omgevingsplan en het opstellen van de regels zal bekeken worden óf en op welke wijze we dit vorm gaan geven. 4.1.7.3 Preventieve toetsing, vergunning-, melding- en informatieplichten Keuze 13: Welke houding nemen we aan ten opzichte van preventieve toetsing, vergunning-, melding- en informatieplichten De Omgevingswet biedt verschillende instrumenten die in het omgevingsplan kunnen worden opgenomen om activiteiten te reguleren: een informatieplicht, meldingsplicht of een vergunningplicht voor het verrichten van activiteiten.
Het instellen van een vergunningplicht voor activiteiten houdt een preventieve toets in alvorens een activiteit mag worden uitgevoerd. Hierbij kan gedacht worden aan de huidige omgevingsvergunning voor bouwen. In geval van een meldingsplicht mag een activiteit niet aanvangen alvorens er een melding van is gedaan. Het bevoegd gezag (o.a het college) kan naar aanleiding van de melding besluiten meer informatie te willen en de initiatiefnemer verplichten tot het sturen van informatie over de te verrichten activiteit. Ten slotte kan in het omgevingsplan een informatieplicht worden opgenomen als voorwaarde voor het verrichten van een activiteit. Hierbij mag een initiatiefnemer een activiteit starten, maar dient hij of zij de gemeente wel te informeren. Het doel van de informatieplicht is dat de gemeente wel het overzicht houdt van de activiteiten die binnen de gemeentegrenzen worden verricht. De activiteiten die hieronder vallen, zijn begrensd door concrete normen. De keuze tussen een melding- of vergunningplicht roept onder meer de vraag op tussen toetsing vooraf of toezichthouden en handhaving achteraf. In geval van een vergunningplicht wordt vooraf getoetst of aan de regels van het omgevingsplan wordt voldaan. Uiteraard moet hier ook een check achteraf plaatsvinden, maar de intensievere toetsing vooraf ondervangt een deel van de toezichthouding en handhaving achteraf.
In geval van een melding geven we als gemeente het vertrouwen dat de initiatiefnemer een melding doet en daarbij aan de vereisten voor de betreffende activiteit voldoet. Het doen van de melding geeft hem de mogelijkheid vervolgens de activiteit te verrichten. Uitgangspunt hierbij is vertrouwen in de initiatiefnemer; vertrouwen in het feit dat de activiteit conform de wettelijke vereisten wordt verricht, maar ook dat indien er een meldingplichtige activiteit wordt verricht de initiatiefnemer daadwerkelijk een melding zal doen. Ook heeft deze keuze gevolgen voor de leges. De keuze om minder met vergunningplichten te werken en in plaats daarvan melding- of informatieplichten in te stellen, zal leiden tot minder leges. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt voor de milieubelastende activiteiten (mba's) die onder het Bal vallen een meldingsplicht. Dit hoeft voor deze activiteiten niet meer geregeld te worden in het 23
omgevingsplan. Mba's die niet onder het Bal vallen zal het afhangen van gebied en activiteit of en hoe dit nog verder moet worden ingevuld. Keuze: Bij het verder uitwerken van het Omgevingsplan bepalen hoe om te gaan met vergunning-, melding- en informatieplichten De keuze hoe we willen omgaan met vergunning-, melding- en informatieplichten hangt af van het betreffende onderwerp in het Omgevingsplan. We stellen ons hierbij de vragen: 1. Wat willen we regelen en waarom? 2. Hoe wordt het geregeld (van niets regelen tot een verbod).
4.1.8 Maatwerk Keuze 14: Het gebruik van maatwerkvoorschriften en maatwerkregels laten afhangen van het concrete geval of de toepassing van maatwerkvoorschriften- en regels wordt vooraf bepaald. Onderscheid moet worden gemaakt tussen maatwerkvoorschriften en maatwerkregels. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag voor concrete gevallen afwijken van algemene regels voor een activiteit. Het maatwerkvoorschrift wordt in een apart maatwerkbesluit opgenomen. Het is vooral reactief. Maatwerkvoorschriften Met de Omgevingswet wil de regering meer mogelijkheden en ruimte bieden voor maatwerk. Dat kan onder meer door in het omgevingsplan onderwerpen aan te wijzen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen. Maatwerkvoorschriften zijn voorschriften waarmee de algemene regels kunnen worden aangevuld, versoepeld, aangescherpt maar ook waarvan kan worden afgeweken. Maatwerkvoorschriften worden opgenomen in een beschikking (een besluit of vergunning) en zijn daarmee individuele besluiten die worden opgelegd aan diegene die een bepaalde activiteit verricht. Deze voorschriften zijn niet nieuw. Voor onder meer milieubelastende activiteiten worden ook nu al maatwerkvoorschriften gesteld.
In de Omgevingswet en AMvB’s en in de provinciale omgevingsverordening is (of wordt als het gaat om de omgevingsverordening) opgenomen ten aanzien van welke onderwerpen het mogelijk is om maatwerkvoorschriften te stellen. Met name het Besluit activiteiten leefomgeving biedt veel mogelijkheden om maatwerkvoorschriften te kunnen stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld aan milieubelastende activiteiten die niet in het Bal worden geregeld of voor milieuaspecten die niet in het Bal worden geregeld. Bijvoorbeeld strengere geluidvoorschriften aan een bedrijf. Maatwerkregels 24
Naast maatwerkvoorschriften kan in het omgevingsplan ook maatwerk mogelijk worden gemaakt via maatwerkregels. Hierbij gaat het niet om maatwerk voor een bepaald individu, maar om maatwerk voor een bepaald gebied of een bepaalde activiteit of meerdere activiteiten. Een maatwerkregel is een algemene regel van een gemeente die aanvullend is op een algemene regel van het Rijk of een provincie. Met de maatwerkregel kunnen gemeenten de regels van Rijk of provincie toespitsen op de lokale situatie, dit voor zover dit niet is verboden. Dit kan gaan om regels uit het Bal maar ook voor Rijksmonumenten. Deze maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan. Maatwerkregels kunnen enkel worden gesteld voor onderwerpen die door rijk of provincie zijn aangegeven. Een voorbeeld van maatwerkregels: bij de afwatering van een wijk kunnen problemen in het rioolstelsel en het watersysteem ontstaan. Om dit te beperken kunnen we in het omgevingsplan regels aan de afwatering van percelen van een wijk als maatwerkregels stellen. Vanuit de instructieregels in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving moet in sommige gevallen het bevoegd gezag verplicht maatwerkregels stellen. Het gaat om de bescherming van woningen en andere gevoelige of kwetsbare bouwwerken tegen geur, geluid, externe veiligheid en trillingen.
Maatwerkvoorschriften en maatwerkregels hebben geen vastgelegde volgorde en bestaan daarmee naast elkaar. Een maatwerkvoorschrift wordt vaker naar aanleiding van een melding opgelegd waardoor het een reactief karakter krijgt, in tegenstelling tot een maatwerkregel die juist een proactief karakter heeft. Een maatwerkregel kan ook voor toekomstige activiteiten gelden. Een maatwerkvoorschrift kan sneller worden opgelegd dan een maatwerkregel vanwege de procedure die gevolgd moet worden. Een maatwerkvoorschrift heeft immers de vorm van een beschikking waardoor het stellen van een dergelijk voorschrift enkele weken behelst. Dit in tegenstelling tot een maatwerkregel die de voorbereidingsprocedure van een omgevingsplan moet volgen en dat kan maanden in beslag nemen. Keuze: Het gebruik van maatwerkvoorschriften en maatwerkregels laten afhangen van het concrete geval Maatwerkvoorschriften Deze voorschriften zijn reactief en gelden voor een concreet geval. De praktijk zal de komende jaren leren wanneer het nodig is om maatwerkvoorschriften te stellen, op basis van ervaringen kan dit dan verder worden uitgewerkt. Wanneer de algemene zorgplicht in een concreet geval tekort schiet zal worden overgegaan tot het stellen van een maatwerkvoorschrift. Maatwerkregels Het stellen van algemeen werkende maatwerkregels is sterk gekoppeld aan de werkingsgebieden.
De keuzes kunnen worden gemaakt en uitgewerkt bij het opstellen van een omgevingsplan.
4.1.9 Zorgplicht Keuze 15: Opnemen specifieke zorgplichten In de Omgevingswet is een algemene zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat naast de overheid ook inwoners en ondernemers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet als er geen specifieke gemeentelijke regels of rijksregels van toepassing zijn. Als deze specifieke gemeentelijke of rijksregels er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. In de AMvB’s zijn specifieke zorgplichten opgenomen. Deze borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht is toegespitst op specifieke activiteiten voor concreet genoemde 25
belangen. Zowel in het Besluit activiteiten leefomgeving als het Besluit bouwwerken leefomgeving staan specifieke zorgplichten. Het gaat bijvoorbeeld om zorgplichten voor milieubelastende activiteiten, het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden en brandveilig gebruik van bouwwerken. Deze specifieke zorgplichten maken duidelijk wat er wel en niet moet gebeuren. Bijvoorbeeld degene die een milieubelastende activiteit uit hoofdstuk 3 van het Bal verricht, moet alles doen en laten om negatieve gevolgen voor het milieu te voorkomen. Hierbij kan je denken aan dat degene die verantwoordelijk is voor een activiteit, de beste beschikbare technieken gebruikt. De bruidsschat zorgt ook voor een specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in het omgevingsplan. Dit houdt in dat diegene die een milieubelastende activiteit uitvoert maatregelen neemt om nadelige gevolgen voor veiligheid, gezondheid en milieu te voorkomen of te beperken. De specifieke zorgplichten zijn algemene regels. Deze regels gelden direct voor inwoners en bedrijven. Daarnaast kunnen ook in het omgevingsplan nog specifieke zorgplichten worden opgenomen. Het handhaven op een (specifieke) zorgplicht is mogelijk.
Wel vraagt de eis van de rechtszekerheid dat inwoners en ondernemers slechts kunnen worden aangesproken op naleving van de zorgplicht, als zij vooraf hadden kunnen weten dat hun handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Het bevoegd gezag moet een in het kader van bestuurlijke handhaving gegeven last concreet invullen, zodat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeven te tasten over wat te doen of na te laten. Het is niet voldoende om in de last uitsluitend aan te geven dat de zorgplicht moet worden nageleefd. Keuze: We nemen ook in het omgevingsplan specifieke zorgplichten op Het is om de volgende redenen wenselijk om ook in het omgevingsplan Etten-Leur specifieke zorgplichten op te nemen: De specifieke zorgplichten in het Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit bouwwerken leefomgeving hebben alleen betrekking op de daarin gereguleerde activiteiten en mogen niet in het Omgevingsplan worden opgenomen. Het is wenselijk om in aanvulling daarop de zorgplicht ook toe te passen op de in het omgevingsplan gereguleerde activiteiten. Het gaat dan bijvoorbeeld om milieubelastende activiteiten die niet in het Bal zijn aangewezen. Dat maakt het mogelijk om op grond van die activiteiten handhavend op te treden en daarmee ook voor die activiteiten een vangnet te hebben.
De zorgplichten in de AMvB’s houden bewust geen rekening met onderdelen van de fysieke leefomgeving die zijn gedecentraliseerd. Een voorbeeld daarvan is het thema mobiliteit. Door het opnemen van een specifieke zorgplicht voor mobiliteit kan op grond van het omgevingsplan worden gestuurd op het gebruik van de weg en daarmee het plaatsen van ongewenste voorwerpen op de weg worden tegengaan. Een zorgplicht verdient in dit geval de voorkeur, omdat het ondoenlijk is om vooraf te bedenken welke ongewenste voorwerpen op de weg geplaatst kunnen worden en die in regels vast te leggen. De specifieke zorgplicht is er ook omdat er altijd onvoorziene situaties kunnen ontstaan, zoals ontwikkelingen waarmee de wetgever vooraf geen rekening kon houden. Zo kan na nieuw onderzoek blijken dat bepaalde stoffen schadelijker zijn dan eerder bekend was. Of kan er een nieuwe techniek ontstaan om nadelige effecten tegen te gaan. Burgers en bedrijfseigenaren moeten blijven nadenken over de gevolgen van hun activiteiten. Met name als situaties of omstandigheden veranderen. Zij zijn verplicht goed op nieuwe ontwikkelingen in te spelen. De specifieke zorgplicht biedt dus ook in toekomstige situaties bescherming van de leefomgeving. 26
Keuze: (De wijze van) het opnemen van een zorgplicht laten afhangen van het concrete geval Bij het opstellen van de bibliotheek wordt beoordeeld in welke gevallen of voor welke activiteiten specifieke zorgplichten worden opgenomen in het omgevingsplan. Op voorhand is namelijk nog niet aan te geven in welke gevallen een specifieke zorgplicht noodzakelijk of wenselijk is om op te nemen. Daarbij hanteren we tenminste de volgende criteria: de zorgplicht is en blijft een vangnetartikel voor zaken die bij het opstellen van het omgevingsplan niet of onvoldoende zijn te overzien/in te schatten; maatwerkvoorschriften of –regels worden alleen gesteld wanneer die een duidelijke meerwaarde hebben ten opzichte een specifieke zorgplicht; de zorgplicht blijft voldoende concreet en handhaafbaar. In navolging van de specifieke zorgplicht in het Bal (art. 2.11) verdient het aanbeveling om ook in het omgevingsplan voor milieubelastende activiteiten die niet zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van het Bal een vergelijkbare specifieke zorgplicht op te nemen. Dit laten afhangen van de concrete situatie en de milieubelastende activiteit. Daarbij steeds de vraag stellen wat een specifieke zorgplicht voor een MBA toevoegt aan de algemene zorgplicht uit de omgevingswet. De noodzaak van het stellen van specifieke zorgplichten wordt beoordeeld aan de hand van de regelpiramide.
4.1.10 Omgevingswaarden Keuze 16: Omgevingswaarden al dan niet gebruiken Omgevingswaarden zijn bedoeld voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Omgevingswaarden leggen de kwaliteit vast die een gemeente, provincie of Rijk voor (een onderdeel van) de fysieke leefomgeving wil en veelal minimaal moet bereiken. Omgevingswaarden kunnen ook volgen uit Europese of andere internationale verplichtingen. Een voorbeeld van een omgevingswaarde is bijvoorbeeld een maximale hoeveelheid fijnstof of maximale hoeveelheid geluid, gemeten binnen een bepaalde tijdseenheid. Een omgevingswaarde is gericht op de overheid en niet rechtstreeks op een inwoner of bedrijf. Doelen kunnen ook bereikt worden door het stellen van algemene regels. Algemene regels gelden wel rechtstreeks voor een inwoner of bedrijf De Rijksomgevingswaarden (hoofdstuk 2 Bkl) werken via de instructieregels door naar het omgevingsplan. Een voor Etten-Leur relevante rijksomgevingswaarde heeft betrekking op luchtkwaliteit. Vanwege een dreigende overschrijding wordt de gemeente verplicht een programma op te stellen. In hoofdstuk 5 van het BKL staan de instructieregels die van toepassing zijn op de omgevingsplannen. Deze hebben veelal betrekking op milieuaspecten en zullen omgezet moeten worden naar het omgevingsplan.
Dit is een belangrijk spoor waarmee de milieukwaliteit van de leefomgeving wordt geborgd. Gemeenten mogen ook voor andere onderwerpen omgevingswaarden stellen, voor bijvoorbeeld de geur van veehouderijen of voor lichthinder. Gemeenten mogen alleen omgevingswaarden vaststellen op terreinen waar Rijk of provincie geen omgevingswaarden hebben vastgesteld. De gemeente zet de omgevingswaarden in het omgevingsplan.
27
Omgevingswaarden is één van de instrumenten waarmee we als gemeente het beleid van de omgevingsvisie kunnen uitvoeren. De omgevingswaarde schept altijd een verplichting. Dit kan een resultaatsverplichting, een inspanningsverplichting of een andere verplichting inhouden. Als we omgevingswaarden in het omgevingsplan opnemen, moeten we onze taken en bevoegdheden zo uitvoeren dat deze omgevingswaarden ook worden behaald. Dat kan bijvoorbeeld door het stellen van algemene regels voor activiteiten, maar ook kan door feitelijk handelen of door het nemen van besluiten buiten de reikwijdte van de Omgevingswet, zoals verkeersmaatregelen. De vraag is of het nodig is om omgevingswaarden of aanvullingen op de rijksomgevingswaarden in het omgevingsplan op te nemen. Dit is afhankelijk van de ambities en doelen van de Omgevingsvisie. Het bereiken van die doelen is ook mogelijk door regels te verbinden aan activiteiten. Als we in het omgevingsplan omgevingswaarden hebben opgenomen, dan zijn we ook verplicht om te meten en te beoordelen of aan die waarde wordt voldaan. Wordt de waarde niet gehaald of dreigt deze niet te worden gehaald, dan moeten we een zogenoemd programma bij (dreigende) overschrijding vaststellen. In dat programma staan dan de acties om de omgevingswaarde alsnog te halen. Zie ook paragraaf 4.1.11.
Keuze: Omgevingswaarden laten afhangen van ambities en uitvoeringsprogramma Omgevingsvisie De keuze is gemaakt om al dan niet omgevingswaarden op te nemen in het omgevingsplan en de waarde van de omgevingswaarden af te laten hangen van de ambities en het uitvoeringsprogramma van de omgevingsvisie. Omgevingswaarden zijn namelijk sterk afhankelijk van de ambities voor onze gemeente, die zullen landen in de omgevingsvisie. Door in de visie en het daarin opgenomen uitvoeringsprogramma deze keuzes te maken, kunnen vervolgens deze keuzes juridisch vertaald worden in het omgevingsplan. 4.1.11 Monitoring Monitoring is een vorm van informatievoorziening over de fysieke leefomgeving. Bestuursorganen verzamelen gedurende langere tijd op systematische wijze gegevens over de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan. Deze monitoringsinformatie kan vervolgens gebruikt worden om te beoordelen of doelstellingen worden gehaald, of aan verplichtingen wordt voldaan en of er nog gebruiksruimte voor nieuwe ontwikkelingen is. Ook inwoners en ondernemers hebben belang bij de beschikbaarheid van de gegevens. Door actief monitoringsgegevens beschikbaar te stellen, kunnen onderzoekslasten voor concrete initiatieven verminderd worden.
Er zijn verschillende vormen van monitoring van (onderdelen van het omgevingsplan) denkbaar: Monitoring van omgevingswaarden: indien in het omgevingsplan omgevingswaarden worden opgenomen, zijn we als gemeente verplicht om te monitoren of aan deze omgevingswaarden wordt voldaan. Monitoren van gebruiksruimte: in het omgevingsplan kan bijvoorbeeld worden opgenomen dat in een gebied maximaal 1.500 woningen gebouwd kunnen worden. Vervolgens dient gemonitord te worden hoeveel van deze woningen gebouwd en vergund zijn en hoeveel van deze gebruiksruimte nog beschikbaar is voor aanvragen om omgevingsvergunning. Monitoren van ambities: in het omgevingsplan kunnen ambities uit bijvoorbeeld de omgevingsvisie vertaald worden in juridische regels. Via monitoring kan informatie worden verzameld om te evalueren of de gestelde ambities ook gehaald worden. Daarmee vormt monitoring een belangrijk element in de beleidscyclus en geeft het college en gemeenteraad belangrijke sturingsinformatie. De opzet van de monitoring is daarmee afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden in de omgevingsvisie en de wijze waarop de regels worden opgesteld. 28
4.1.12 Kostenverhaal Keuze 17: Per direct aan de slag met kostenverhaal of de keuzes met betrekking tot het kostenverhaal uitstellen tot het wettelijk kader duidelijk is. Ook voor het onderwerp kostenverhaal zullen keuzes gemaakt moeten worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan een verdeelsleutel voor kosten tussen verschillende activiteiten. Dienen bijvoorbeeld initiatiefnemers die sociale woningen realiseren ook mee te betalen aan bovenplanse kosten? En welke verhouding hanteren we tussen de bouw van woningen en bouw van voorzieningen? De keuzes die gemaakt worden dienen te passen binnen de wettelijke regels. Deze regels zijn vastgelegd in de Aanvullingswet grondeigendom. Deze wet treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking. Momenteel wordt er gewerkt aan een verdere verdieping van deze wet en de uitwerking hiervan naar de praktijk. Het is nu nog te vroeg om keuzes te maken over kostenverhaal. 4.1.13 Procesregels Op dit moment is nog onduidelijk in welke mate procesregels opgenomen kunnen worden in het omgevingsplan. Daarom worden nog geen keuzes voorgelegd over procesregels. Uitzondering is de keuze over participatie, aangezien duidelijk is dat procesregels over participatie wel in het omgevingsplan kunnen worden opgenomen.
Keuze 18: Intensiteit van participatie nu bepalen of na inwerkingtreding van de Omgevingswet Participatie is in de Omgevingswet een belangrijk element. De raad kan in het omgevingsplan bepalen voor welke gebieden en voor welke activiteiten burgerparticipatie plaats moet vinden. Dit zal na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij het opstellen van het omgevingsplan, verder worden uitgewerkt en bepaald. Bij omgevingsvergunningen is participatie niet verplicht behalve bij door de gemeenteraad aan te wijzen buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (hierna: BOPA's). Met de raad wordt op dit moment bekeken voor welke gevallen participatie verplicht moet worden gesteld. Indien niet aan deze eis wordt voldaan is de aanvraag niet compleet en kan in het uiterste geval worden besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Keuze: na inwerkingtreding Omgevingswet aanwijzen van activiteiten en gebieden waarvoor participatie verplicht is met uitzondering van BOPA's waarvoor de gemeenteraad vóór de inwerkingtreding moet aangeven of participatie verplicht is Binnen de deelprogramma's Omgevingswet wordt bekeken hoe de intensiteit van participatie wordt bepaald. Dit kan bijvoorbeeld verschillen per activiteit of per gebied. Bij het opstellen van (onderdelen van) het omgevingsplan zal een voorstel worden geformuleerd.
Hierin wordt de hoofdgedachte van de Omgevingswet gevolgd dat de omgeving zoveel mogelijk betrokken moet worden bij een ontwikkeling. Voor BOPA's zal de gemeenteraad een keuze vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet maken. De gemeenteraad kan voor categorieën van activiteiten participatie verplicht stellen.
4.2 Gegevens op orde: instrumentarium 29
Op 1 juli 2022 gaat het bestaande instrumentarium (bestemmingsplannen, beheersverordeningen, etc.) op in het tijdelijk omgevingsplan. In dit hoofdstuk worden keuzes gemaakt, die betrekking hebben op de periode tot 1 juli 2022. Focussen we ons bijvoorbeeld op het verbeteren van het bestaande plannen? Experimenteren we nog verder met bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte? Of richten we ons al volledig op het nieuwe instrumentarium? 4.2.1 Ruimtelijke plannen Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet worden de geldende bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, beheersverordeningen, inpassingsplannen, etc. en de bruidsschat via het overgangsrecht opgenomen in het tijdelijk omgevingsplan (zie ook paragraaf 3.1). Aanvragen om omgevingsvergunning worden aan dit tijdelijk omgevingsplan getoetst, totdat de gemeenteraad voor het betreffende gebied het volwaardige omgevingsplan heeft vastgesteld. De plannen die overgaan in het tijdelijk omgevingsplan zijn de ruimtelijke plannen die per 30 juni 2022 beschikbaar zijn op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het gaat om alle plannen, ongeacht de standaard waarmee deze zijn opgesteld (IMRO2006, IMRO2008 en IMRO2012). Daarnaast worden ook de bestemmingsplannen die als ontwerp voor 1 juli 2022 ter inzage zijn gelegd na vaststelling onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan.
4.2.1.1 Wat hebben we al gedaan? Inventarisatie bestemmingsplannen en beheersverordeningen Uit de inventarisatie van de Etten-Leurse bestemmingsplannen en beheersverordeningen blijkt dat: Er voor alle locaties een digitaal plan op ruimtelijkeplannen.nl is opgenomen; Het grootste deel van de plannen is opgesteld in IMRO2012, de meest recente en volledige standaard; Er geen beheersverordeningen zijn opgesteld; Er momenteel geen overbodige (niet actuele) plannen op de website ruimtelijkeplannen.nl staan. De website is voor de Etten-Leurse ruimtelijke plannen opgeschoond; Vanwege het feit dat de plannen in verschillende tijdsperioden zijn gemaakt, de uniformiteit nog beperkt is, met name in de begrippen. Ruimtelijkeplannen.nl is opgeschoond door niet meer geldende ruimtelijke plannen en (voor)ontwerpen voor reeds onherroepelijke plannen te verwijderen. Daarmee is het tijdelijke omgevingsplan actueler en overzichtelijker. 4.2.2 Verordeningen Er moet worden bepaald welke regels uit bestaande verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden geïntegreerd in het omgevingsplan. 4.2.2.1 Wat hebben we al gedaan? Er is in beeld gebracht welke (onderdelen van de) gemeentelijke verordeningen de fysieke leefomgeving raken. Hierin is onderscheid gemaakt welke regels naar het omgevingsplan moeten, mogen en niet mogen.
Vervolgens zijn de betreffende artikelen samengevoegd in één document. 30
Daarbij zijn de volgende zaken duidelijk geworden: Het clusteren naar activiteiten van onderdelen uit verschillende verordeningen zorgt ervoor dat een wirwar van artikelen ontstaat zonder samenhang. Het één op één overzetten van regels naar een regelset, geordend naar activiteiten, zorgt ervoor dat artikelen onleesbaar worden. Om samenhang te verkrijgen is een aanzienlijke aanpassing in de redactie van de artikelen nodig. Het heeft de voorkeur dit te doen op het moment dat ze naar het omgevingsplan gaan. Vervolgens kunnen we ze ordenen naar activiteiten en ervoor zorgen dat ze zoveel mogelijk een geheel vormen. 4.2.2.2 Keuzes Keuze 19: voor inwerkingtreding van de Omgevingswet geen verordening voor de fysieke leefomgeving opstellen Na het inventariseren van de gemeentelijke verordeningen en het samenvoegen van alle artikelen zou het opstellen van een Verordening voor de fysieke leefomgeving een vervolgstap kunnen zijn. Zoals reeds aangegeven vergt dit een aanzienlijke inspanning en capaciteit.
Hier wordt niet op ingezet om de volgende redenen: Bewoners en ondernemers worden twee keer geconfronteerd met een nieuw regime: eerst de wijziging van verordeningen naar één Verordening voor de fysieke leefomgevingen en daarna met de omzetting van de Verordening voor de fysieke leefomgeving naar het omgevingsplan;
Met het opstellen van een Verordening voor de fysieke leefomgeving wordt de transitie naar het omgevingsplan slechts in beperkte mate vereenvoudigd. Weliswaar zijn de regels die nu in tientallen verordeningen staan geïntegreerd en geharmoniseerd, maar vervolgens dienen deze regels nog geïntegreerd te worden met de regels die nu in bestemmingsplannen staan;
Het opstellen van één Verordening voor de fysieke leefomgeving is arbeidsintensief en kostbaar, gelet op bovenstaande bevindingen. Voorgesteld wordt de beschikbare capaciteit en middelen voor andere activiteiten in te zetten, zoals benoemd bij de overige keuzes.
4.3 Bruidsschat 4.3.1 Wat is de bruidsschat Onder de Omgevingswet krijgen gemeenten meer ruimte om lokaal afwegingen te maken. Het gaat dan bijvoorbeeld over horeca en huishoudelijk afvalwater, zaken die nu nog door het Rijk worden geregeld. Met de inwerkingtreding van de wet kunnen gemeenten deze keuzes maken. Het is echter onmogelijk dat gemeenten deze keuzes direct in hun omgevingsplan hebben verwerkt. Daarom zorgt de rijksoverheid voor een pakket regels dat automatisch onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan wordt. Deze regels worden de bruidsschat genoemd. Gemeenten krijgen door de bruidsschat de tijd om zelf een afweging te maken over onderwerpen die ze wel of niet willen regelen.
31
Het gaat hier om onderwerpen die op dit moment vallen onder het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012, de Woningwet, het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Besluit lozing afvalwater huishoudens. En straks bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in het omgevingsplan geregeld moeten worden. Het betreft voornamelijk regels waarbij grotendeels de locatie bepaalt of we ze moeten stellen of niet. Op dit moment zijn deze regels nog geschreven als één landelijke norm die voor iedereen en op de meeste plaatsen geldt. Er zijn op hoofdlijnen 4 soorten onderwerpen die worden opgenomen in de bruidsschat: regels voor milieubelastende activiteiten waaronder horeca, recreatie en detailhandel (Afdeling 22.3); regels over lozingen (Afdeling 22.5); regels over de gevolgen van emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven (aanvullingsbesluiten); regels op het gebied van bouwen, open erven en terreinen (afdeling 22.2). Bij het wijzigen van het omgevingsplan zal de gemeenteraad een keuze moeten maken over hoe om te gaan met de regels in de bruidsschat. De gemeenteraad moet grofweg de keuze maken tussen het wel, niet, of in aangepaste vorm opnemen van de bruidsschat in omgevingsplan. Gemeenten hebben zo de mogelijkheid om de bruidsschatregels gebiedsgericht of themagericht te wijzigen.
Daarmee ontstaat de ruimte om daadwerkelijk maatwerk toe te passen en regels toe te snijden op de lokale situatie. Het is van belang hierover goed na te denken. Tijdens de transitiefase (2022 t/m 2029) mogen we de regels uit de bruidsschat wijzigen, handhaven of laten vervallen. De enige beperking is dat er in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalde eisen staan waaraan de inhoud van het omgevingsplan moet voldoen. Daarmee is de opgave drieledig: specificeren: Om lokaal maatwerk te kunnen regelen, wanneer er bepaalde wensen zijn; 32
schrappen: Voor onderdelen uit de bruidsschat die voldoende zijn geborgd via een specifieke zorgplicht en waarvoor geen lokale knelpunten bestaan; afstemmen: het afstemmen van regels uit de bruidsschat op de gewijzigde regels in de Omgevingswet (Bkl). Er zijn daarvoor drie acties die de gemeente kan nemen: Schrap - waar er geen lokaal probleem is; Stem af - op de specifieke situatie in het gebied; Specificeer - als er specifieke wensen voor een gebied zijn.
4.3.2 Keuzes Keuze 20: Wat gaan we doen met de bruidsschat Er is geen directe noodzaak om nu de bruidsschatregels uitgebreid te onderzoeken en een keuze te maken tussen intrekken of wijzigen. De bruidsschatregels zullen vanaf 1 juli 2022 deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Daarnaast wordt op dit moment nog steeds aan de regels in de bruidsschat gewerkt. Juist omdat de bruidsschatregels voor de milieubelastende activiteiten (Afdeling 22.3) en uit de aanvullingsbesluiten voor geluid en bodem betrekking hebben op locatie-specifieke situaties zal dit vanaf 1 juli 2022 voor een concrete situatie al doende uitgewerkt moeten worden. Waarschijnlijk kan dan ook gebruik worden gemaakt van adviezen van derden, bijvoorbeeld uit de samenwerking in de regio.
4.4 Integratie verordeningen in het omgevingsplan Keuze 21: Verordeningen gebiedsgericht integreren in het volwaardig omgevingsplan of in één keer na vaststellen van het volwaardig omgevingsplan In het omgevingsplan worden regels voor de fysieke leefomgeving opgenomen. Dat betekent dat ook delen van gemeentelijke verordeningen in het omgevingsplan worden opgenomen. Met de inventarisatie (zie paragraaf 4.2.2) is het speelveld duidelijk: er is in beeld gebracht welke regels mee moeten, mee kunnen en niet mee mogen in het omgevingsplan. Voor het moment waarop de verordeningen worden geïntegreerd, zijn verschillende keuzes mogelijk: 1. Gelijk met het gebiedsgericht omzetten van het tijdelijk omgevingsplan in het volwaardig omgevingsplan. 2. Na vaststellen van het volwaardig omgevingsplan, waarin alle bestaande regels zijn omgevormd vanuit het tijdelijk omgevingsplan. Keuze: integratie verordeningen na vaststellen van het volwaardig omgevingsplan De regels die nu in de gemeentelijke verordeningen staan worden in één keer geïntegreerd in het volwaardig omgevingsplan. Dit wordt opgepakt nadat alle regels uit het tijdelijk omgevingsplan zijn omgezet in het volwaardig omgevingsplan. Reden hiervoor is dat initiatieven getoetst kunnen worden aan de gemeentelijke verordeningen totdat deze zijn omgezet in het omgevingsplan. De wetgever geeft daar t/m 2029 de tijd voor.
Wijzigen van een (onderdeel van een) verordening (bijvoorbeeld door gewijzigd beleid) kan in de tussentijd via een aanpassing van de betreffende verordening. Dit in tegenstelling tot een regel van het tijdelijk omgevingsplan die alleen kan worden gewijzigd door een omzetting naar het volwaardig omgevingsplan. 33
Daarmee is de prioriteit om de verordeningregels om te zetten in het omgevingsplan lager dan de omzetting van de regels uit het tijdelijk omgevingsplan in het volwaardig omgevingsplan.
4.5 Annotatiestrategie Om het omgevingsplan op een simpele manier te kunnen gebruiken is het onder andere van belang dat mensen regels kunnen lezen en kunnen zien op welk gebied de regel van toepassing is. Daarnaast kunnen regels makkelijker doorzoekbaar worden gemaakt als er zoektermen worden gebruikt. Om dit mogelijk te maken, zullen de regels uit het omgevingsplan moeten worden geannoteerd. Annoteren is het toevoegen van informatie aan een gedeelte van de tekst van het omgevingsplan. Een markering (label, tag, etc.) heet een annotatie. Het feitelijk ‘markeren’ of van een (ken)merk voorzien van tekst, kan handmatig of geautomatiseerd gedaan worden. Met het annoteren kan je regels filteren: je kan een selectie van regels oproepen op basis van de aan de teksten toegekende annotatie. Om uniformiteit te bevorderen kan je de annotaties niet vrij kiezen. Er is landelijk een aantal standaard annotaties geformuleerd. Denk daarbij aan de annotatie ‘onderwerp’ waarbij je uit een aantal waarden kan kiezen zoals ‘bodem’ of ‘natuur’. Een annotatie kan een limitatieve waardelijst hebben of een uitbreidbare waardelijst: limitatieve waardelijst: er moet een waarde gekozen worden uit een lijst met vooraf gedefinieerde waarden, er mag geen waarde gebruikt worden die niet op de lijst voorkomt; uitbreidbare waardelijst: er is een lijst met vooraf gedefinieerde waarden.
Wanneer de gewenste waarde op de waardelijst voorkomt, wordt die gebruikt. Als de gewenste waar - de niet op de waardelijst voorkomt, wordt een eigen waarde gekozen. Annoteren is niet nieuw. Ook in het huidige stelsel van ruimtelijke plannen wordt reeds geannoteerd. Door op ruimtelijkeplannen.nl te klikken op de verbeelding worden de relevante planregels getoond. Dat is mogelijk doordat onderdelen van de bestemmingsplannen zijn voorzien van annotaties. Drie vormen van annotaties3 Een aantal annotaties is verplicht. Dat betreft Bekendmakingswet-annotaties. Bekendmakingswet-annotaties zijn verplichte annotaties die nodig zijn om besluiten te kunnen publiceren op de Landelijke voorziening. Het gaat hierbij om gegevens zoals het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, de datum waarop het besluit is genomen en de gebruikte versie van de standaard alsmede de annotatie die de (regel)tekst verbindt met het bijbehorende werkingsgebied. Dit is het juridisch minimumniveau waarop bevoegde gezagen dienen te annoteren. De Bekendmakingswet is op 1 juli 2021 vervangen door de Wet elektronische publicaties. Ook deze nieuwe wet kent verplichte annotaties om besluiten te kunnen publiceren op de Landelijke voorziening. De Bekendmakingswet-annotaties zijn verplicht om een besluit te kunnen publiceren, bekend te maken en te consolideren.
3
De standaarden zijn nog in ontwikkeling. Bij de totstandkoming van dit plan van aanpak is gebruik gemaakt van de consultatieversie 0.97.1 van het Toepassingsprofiel omgevingsplan
34
Een aantal andere annotaties is deels verplicht en deels optioneel. Het gaat dan om zogenaamde Omgevingswet- annotaties en Service-annotaties. Omgevingswet-annotaties zijn deels optionele en deels onder voorwaarden verplichte annotaties. Deze annotaties maken het mogelijk dat het DSO op de beoogde wijze kan functioneren, daarom worden ze ook wel aangeduid als “functionele annotaties”. Voorbeelden zijn het annoteren van activiteiten, functies en werkingsgebieden Deze annotatiesoort zorgt er voor dat de werkingsgebieden van regels op een kaart worden weergegeven. Service-annotaties zijn optionele annotaties. Deze annotaties bieden gebruikers een meer gedetailleerd inzicht, maar zijn niet noodzakelijk om het DSO op de beoogde wijze te laten functioneren. Voorbeelden van deze annotatiesoort zijn de annotaties: Regelkwalificatie (geeft bv. aan dat een regel een vergunningplicht of een meldingsplicht bevat), Thema, Onderwerp. Keuze 22: Annotatiestrategie verder uitwerken, met zo hoog mogelijk niveau van dienstverlening als randvoorwaarde Bij het uitwerken van de annotatiestrategie wordt uitgegaan van een zo hoog mogelijk niveau van dienstverlening. Dat betekent dat niet alleen gebruik wordt gemaakt van verplichte Bekendmakingswetannotaties en Omgevingswet-annotaties, maar ook van Service- annotaties voor zover dat een duidelijke meerwaarde heeft.
Dat maakt het traject van het opstellen van het omgevingsplan weliswaar arbeidsintensiever, maar verhoogt het gebruiksgemak en de toegankelijkheid van het omgevingsplan in grote mate.
4.6 Toepasbare regels 4.6.1 Wat zijn toepasbare regels? Toepasbare regels zijn de vertaling van juridische regels naar begrijpelijke vragenbomen voor initiatiefnemers. Via één digitaal loket (het Digitaal Stelsel Omgevingswet; DSO) kan je kijken wat er qua ontwikkelingen op een locatie mogelijk is, kan toetsen of er juridische vereisten zijn voor een ontwikkeling (denk aan het aanvragen van een omgevingsvergunning of het doen van een melding) en een omgevingsvergunning kan aanvragen of een melding kan doen. Om de juridische vereisten inzichtelijk te maken, zullen vragenbomen worden ingericht. Met het doorlopen van een vragenboom krijg je antwoord op de vraag of je ergens een vergunning voor nodig hebt. Om deze vragenbomen zo gebruiksvriendelijk mogelijk te laten werken moeten de juridische regels vertaald worden naar ‘toepasbare regels’. Vanuit het Digitaal Stelsel worden toepasbare regels gezien als regels die de gebruiker en zijn activiteiten centraal stellen, waar de juridische regels het (lokale) beleid centraal stellen. Om het DSO op de juiste manier te kunnen ontsluiten, zal in ieder geval gebruik gemaakt moeten worden van toepasbare regels. Daar hebben gemeenten geen keuze in. Waar je wel een keuze in hebt is op de manier waarop.
Je kan kiezen voor een minimumniveau Het minimumniveau gaat uit van een simpele tekst waar voor meer informatie over de juridische vereisten verwezen wordt naar een telefoonnummer of de website van de gemeente. We kunnen ook kiezen om verder 35
te gaan dan dit minimumniveau. Dat kan voor alle producten of slechts een deel van de producten. De keuze hiervoor kan afhangen van de complexiteit van de juridische tekst en de wijze waarop je dit kan vertalen in een vragenboom. Sommige juridische teksten lenen zich meer of minder voor het doorlopen van een vragenboom dan andere. 4.6.2 Overgangsperiode We omarmen in Etten-Leur de opzet van het toegankelijker en begrijpelijker maken van onze regels vanuit het oogpunt van onze ambitie op de dienstverlening. Naast het vertalen van onze juridische regels in de vragenbomen trachten we ook de juridische regels zelf te vereenvoudigen in het omgevingsplan. Het vereenvoudigen van de regels in ons Omgevingsplan is geen makkelijke opgave. Dit zal de nodige tijd vergen en pas tot uiting komen in ons definitief op te stellen Omgevingsplan. Tot die tijd zullen wij ons inspannen om de vragenbomen zodanig te formuleren dat deze voor initiatiefnemers begrijpelijk zijn en eenvoudig te doorlopen zijn. Keuze 23: Toepasbare regels tot 1 juli 2022 Alhoewel toepasbare regels bedoeld zijn om de dienstverlening te vergroten, zal het tot 1 juli 2022 niet mogelijk zijn deze op de door ons gewenste manier vorm te geven. Onze voorkeur ligt bij het zo eenvoudig mogelijk doorlopen van begrijpelijke vragenbomen.
Gelet op de beschikbare capaciteit en de onduidelijkheid over de definitieve regels is het op dit moment niet mogelijk maar ook wenselijk om de vragenbomen zo vorm te geven. We moeten dus keuzes maken.
We gebruiken de toepasbare regels in ieder geval voor veel voorkomende producten en zullen deze op een minimumniveau vormgeven. Dat betekent dat verwezen wordt naar de website en het telefoonnummer van de gemeente Etten-Leur. Keuze 24: Toepasbare regels vanaf 1 juli 2022 Voorgesteld wordt om allereerst het tijdelijk omgevingsplan gebiedsgericht om te zetten in het volwaardig omgevingsplan dat aan alle wettelijke vereisten voldoet. Na vaststelling van het definitieve omgevingsplan, worden de toepasbare regels opgesteld. Hiermee zorgen we er enerzijds voor dat de termijn waarin het tijdelijk omgevingsplan geldt, zo kort mogelijk wordt gehouden en anderzijds dat de toepasbare regels zo veel mogelijk uniform kunnen worden vormgegeven. Bij het opstellen van het omgevingsplan worden, zoals eerder aangegeven, de regels in het Omgevingsplan zo begrijpelijk mogelijk weggeschreven zodat de vertaling naar toepasbare regels zo makkelijk mogelijk wordt gemaakt.
4.7 Harmoniseren van begrippen Wat hebben we al gedaan? Begrippen bestemmingsplannen Bij de opstelling van bestemmingsplannen in Etten-Leur worden uniforme begripsomschrijvingen gehanteerd. Indien in de praktijk blijkt dat aanpassing nodig is dan wordt deze doorgevoerd voor de nieuwe bestemmingsplannen. Dit betekent dat in de loop der tijd kleine verschillen zijn ontstaan in de begripsomschrijvingen. Inhoudelijk betekenen deze echter niet iets wezenlijk anders. Daarnaast zijn er mogelijk nog planspecifieke begripsomschrijvingen. Dit zijn begrippen die maar in één bestemmingsplan te vinden zijn. 36
Inventariseren begrippen verordeningen Er is in beeld gebracht welke (onderdelen van de) gemeentelijke verordeningen betrokken moeten worden bij het opstellen van het omgevingsplan. Voor de begrippen in deze (onderdelen van de) gemeentelijke verordeningen is vervolgens bekeken in hoeverre deze begrippen zich (al) lenen voor opname in het omgevingsplan. De vragen die daarbij per begrip beantwoord worden zijn: Komt het begrip ook voor in de begripsbepaling van andere verordeningen? (“overlap met andere regels”);
Wordt in het begrip of in de definitie verwezen naar een artikel uit dezelfde of een andere regeling? (“verwijzing”) Dit is relevant, omdat het begrip daarom niet één op één overgenomen kan worden in het omgevingsplan;
Is dit begrip onduidelijk als deze uit de context (thema of onderwerp van de verordening) wordt gehaald? (“vaag begrip”);
Is het begrip bruikbaar voor meerdere onderwerpen? (“bruikbaar voor meerdere onderwerpen”).
Tijdens de analyse van de begrippen in verordeningen komt het volgende naar voren: Veel begrippen zijn onduidelijk wanneer geen duidelijke koppeling met het onderwerp wordt gemaakt. Het is daarmee niet mogelijk om deze begrippen één op één over te nemen naar het omgevingsplan.
In veel regelingen worden ‘wet’ of ‘verordening’ als begrip in de begrippenlijst geplaatst. Dit is uiteraard per regeling een andere wet of verordening, die veelal zullen opgaan in de Omgevingswet of het omgevingsplan.
In de begripsomschrijvingen waar wordt verwezen naar andere regelingen, moet gekeken worden of deze in de Omgevingswet terugkomen of vervallen. Waar verwezen naar hoger wetgeving is dit geen probleem. Het is juist wenselijk dit zoveel mogelijk te doen.
Begrippen uit artikelen van verordeningen die niet overgaan naar het omgevingsplan zijn niet relevant voor het omgevingsplan. Voor de duidelijkheid verdient het wel de aanbeveling om bij het herzien van deze verordeningen de begrippen zoveel mogelijk in lijn te brengen met de begrippen uit het omgevingsplan.
Stelselcatalogus Als één van de onderdelen van het DSO wordt de Stelselcatalogus opgeleverd. Deze catalogus is - sterk vereenvoudigd - een digitaal woordenboek waarmee gemeenten en andere bevoegde gezagen een gemeenschappelijk begrippenkader kunnen ontwikkelen en daar hun eigen specifieke aanvullingen in kunnen opnemen. De Stelselcatalogus zal begrippen bevatten uit wet- en regelgeving, uit landelijke standaarden en normen, en uit decentrale regelgeving, alsmede omschrijvingen van die begrippen en relaties tussen de diverse begrippen. Daarmee zal de Stelselcatalogus een belangrijke ondersteuning vormen voor het harmoniseren van de begrippen die we in het omgevingsplan zullen gebruiken. Keuze 25: Definiëren van begrippen gelijktijdig met opstellen omgevingsplan . Het definiëren van begrippen wordt gelijktijdig opgepakt met het opstellen van de omgevingsplannen. Op dat moment is het duidelijk welke begrippen gebruikt worden en in welke context. Daarbij worden de landelijke Stelselcatalogus geraadpleegd en zo veel mogelijk toegepast. Deze begrippen worden opgenomen in de 37
bibliotheek. Dit geldt overigens ook voor de standaardregels die bij de opstelling van de omgevingsplannen worden geformuleerd. Keuze 26: Onderstaand stappenschema aanhouden Voor het harmoniseren van begrippen voor het omgevingsplan wordt gebruik gemaakt van een stappenplan. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het onderstaande stappenplan uit de online tool ‘Ontwerpvragen voor het omgevingsplan’ van de VNG.
4.8 Periode tot en na inwerkingtreding Omgevingswet 38
4.8.1 Periode tot inwerkingtreding Omgevingswet Aanvragen om omgevingsvergunning die tot en met 30 juni 2022 worden ingediend, worden beoordeeld en getoetst volgens het huidige recht. Direct na datum van inwerkingtreding zullen aanvragen worden ingediend die volgens het nieuwe recht en de bijbehorende procedures worden doorlopen. Wij hebben dus te maken met een periode direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet waarin procedures volgens zowel het oude als het nieuwe recht naast elkaar lopen. Voor bestemmingsplannen waarvan het ontwerp voor inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, geldt nog de huidige procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Een voorbeeld hiervan is de herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied". 4.8.2 Periode na inwerkingtreding Omgevingswet Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen er aanvragen komen voor zowel initiatieven die passen in het tijdelijk omgevingsplan als initiatieven die niet passen binnen het tijdelijk omgevingsplan. Afwijken van het tijdelijk omgevingsplan is dan mogelijk met behulp van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) of door wijziging van het tijdelijk omgevingsplan in het volwaardig omgevingsplan.
De afwijking middels een BOPA is de meest eenvoudige methode van afwijken en min of meer vergelijkbaar met de huidige buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan op grond van de Wabo. Er moet dan al wel sprake zijn van een concreet bouwplan. Het afwijken middels een BOPA is niet mogelijk als ook regels van omliggende percelen moeten worden aangepast. In dat geval is afwijken alleen mogelijk door het omzetten van het tijdelijk omgevingsplan in een volwaardig omgevingsplan. Ook voor een uitbreidingslocatie of een grotere inbreidingslocatie zoals bijvoorbeeld het Wipakkerterrein heeft de omzetting van het tijdelijk omgevingsplan in een volwaardig omgevingsplan de voorkeur. Dit zijn projecten die een ruime tijd lopen en vaak gefaseerd worden uitgevoerd. Een omgevingsplan biedt dan betere mogelijkheden om in te spelen op de ontwikkelingen op de woningmarkt. Keuze 27: Medewerking aan initiatieven bij voorkeur via een omgevingsplanactiviteit Voor initiatieven die niet passen in het tijdelijk omgevingsplan wordt zoveel mogelijk medewerking verleend via een BOPA. Deze procedure kost in principe maximaal 8 weken, terwijl een omzetting van het tijdelijk in het volwaardig omgevingsplan vele maanden zal kosten. Daarmee is deze procedure het meest klantvriendelijk.
Bovendien wordt daarmee voorkomen dat de ambtelijke capaciteit die beschikbaar is voor het opstellen van het volwaardig omgevingsplan ingezet moet worden voor het faciliteren van initiatieven, waardoor de transitie naar het volwaardig omgevingsplan vertraging oploopt. Keuze 28: Er wordt een bibliotheek opgesteld om snel medewerking te kunnen verlenen aan alle gewenste initiatieven In de bibliotheek worden alle standaardregels opgenomen voor het omgevingsplan Etten-Leur. Het is daarmee een omgevingsplan op hoofdlijnen: het kent de indeling zoals het volwaardig omgevingsplan en het bevat de regels die voor een groot deel van Etten-Leur voldoen. De regels in deze bibliotheek worden vervolgens (gebiedsgericht gekoppeld aan werkingsgebieden. Op dat moment wordt ook gekeken of de standaardregels voldoende zijn of dat aanvullende regels moeten worden gesteld om lokaal maatwerk te bieden.
39
De regels in de bibliotheek kunnen daarnaast worden gebruikt om medewerking te verlenen aan initiatieven die niet passen in het tijdelijk omgevingsplan en waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA (zie keuze 35) niet volstaat. Doordat de standaardregels al beschikbaar zijn, kan relatief snel een omgevingsplanwijziging voor de betreffende ontwikkeling in routing worden gebracht.
40