kadernotitie windenergie Etten-Leur 4 juli 2005.pdf
Tekst van het document
KADERNOTITIE WINDENERGIE gemeente Etten-Leur 4 juli 2005
Samenvatting In de inleiding wordt aangegeven dat de kadernotitie uitsluitend betrekking heeft op grote windturbines. Daarnaast wordt het doel van de kadernotitie geformuleerd. Het doel van deze kadernotitie windenergie Etten-Leur is het vastleggen van het beleid met betrekking tot windenergie zodat alle betrokkenen weten waar ze aan toe zijn. Omdat de uiteindelijke plaatsing van windturbines altijd "maatwerk" is, kan deze nota niet op alle vragen op voorhand een antwoord geven. Op basis van nader overleg en onderzoek kan bij verdere uitwerking de gewenste zorgvuldigheid worden bereikt, waarbij de inhoud van deze nota als richtinggevend kader fungeert. De kadernotitie gaat in hoofdstuk 2 in op de beleidskaders op zowel landelijk, provinciaal als lokaal niveau. Daarnaast wordt ingegaan op algemene aspecten en wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 formuleert uitgangspunten voor het gemeentelijke windenergiebeleid waarbij aandacht is voor de regionale aanpak, rol en strategie, ambitieniveau, plaatsingsmogelijkheden en randvoorwaarden. De plaatsingsmogelijkheden en randvoorwaarden vormen het kader voor initiatiefnemers. In hoofdstuk 4 worden de plaatsingsmogelijkheden nagegaan aan de hand van een inventarisatie en beoordeling op hoofdlijnen van de verschillende gebieden in Etten-Leur. Uit een nadere beschouwing volgt een selectie van locaties.
Hierbij is gekeken naar samenhang met de aanwezige windturbines langs de Groene Dijk en afstemming met een initiatief in buurgemeente Halderberge. Conclusie hierbij is dat het noordelijk buitengebied plaats biedt voor een tweetal nieuwe locaties voor windenergie. Daarnaast is A58/Vosdonk als locatie geselecteerd. Voor de overige delen van Etten-Leur worden geen mogelijkheden aanwezig geacht. Uitsluitend lijnopstellingen zullen worden toegestaan. Solitaire windturbines worden voor geheel Etten-Leur uitgesloten. Het totale vermogen aan windenergie dat in Etten-Leur op basis van de geselecteerde locaties kan worden gerealiseerd bedraagt 35 MW. De bijdrage aan de duurzame energiedoelstelling is met dit vermogen zo groot dat daarmee 10% van het Etten-Leurse energieverbruik duurzaam wordt opgewekt.
Inhoudsopgave 1. Inleiding......................................................................................................................... 1 2. Beleidskaders ............................................................................................................... 2 2.1. Inleiding ................................................................................................................... 2 2.2. Internationaal en nationaal beleid en algemene aspecten ...................................... 2 2.2.1 Groene wet- en regelgeving ............................................................................... 2 2.2.2 De Vijfde Nota, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2...... 2 2.2.3 Milieuaspecten, risico en verstoring ................................................................... 3 2.3 Interbestuurlijke afspraken en samenwerking .......................................................... 7 2.4 Provinciaal beleid ..................................................................................................... 7 2.4.1. Het beleid duurzame energiehuishouding ......................................................... 7 2.4.2. Het Streekplan Noord-Brabant 2002 ................................................................. 7 2.4.3. Het natuur- en landschapsbeleid....................................................................... 8 2.4.4.
Het Cultuurhistorisch beleid .............................................................................. 8 2.4.5. Revitalisering van het landelijk gebied .............................................................. 8 2.4.6. Uitvoeringsnota Windenergie Noord-Brabant 2002........................................... 8 2.5 Wet- en regelgeving ............................................................................................... 10 2.6 Gemeentelijk beleid................................................................................................ 11 2.6.1 Bestaand planologisch beleid........................................................................... 11 2.6.2 De StructuurvisiePlus ....................................................................................... 11 2.6.3 Energiebeleid en duurzame energie................................................................. 12 3. Uitgangspunten gemeentelijk windenergiebeleid................................................... 13 3.1 Inleiding .................................................................................................................. 13 3.2 Regionale aanpak .................................................................................................. 13 3.3 Rol en strategie gemeente .....................................................................................
13 3.4 Ambitieniveau van de gemeente ............................................................................ 14 3.5 Plaatsingsmogelijkheden voor windturbines .......................................................... 14 3.6 Randvoorwaarden .................................................................................................. 15 4. Windenergiemogelijkheden in Etten-Leur ............................................................... 19 4.1 Inventarisatie en beoordeling locaties op hoofdlijnen............................................. 19 4.2 Nadere beschouwing van de positief beoordeelde locaties uit de inventarisatie ... 23 4.2.1 Inleiding ............................................................................................................ 23 4.2.2 Gemeentelijke beoordeling............................................................................... 24 4.2.3 Ambitieniveau en gemeentelijke beleid ............................................................ 27 4.2.4 Keuze project, partner en initiatiefnemer.......................................................... 27 4.2.5 Samengevat ..................................................................................................... 28 Literatuur..........................................................................................................................
29 Lijst van afkortingen en begrippen................................................................................ 30
Bijlagen ............................................................................................................................ 31
1. Inleiding De gemeente Etten-Leur beschikt op dit moment niet over een beleidsdocument specifiek voor windenergie. De noodzaak van een dergelijk document wordt echter steeds groter vanwege de volgende redenen: moderne windturbines kunnen nu ook in minder windrijke gebieden rendabel worden geplaatst; overheden hebben doelstellingen vastgesteld voor duurzame energie in het algemeen en voor windenergie in het bijzonder; initiatiefnemers vragen in toenemende mate om medewerking bij het realiseren van windturbines; een goed beoordelingskader hiervoor ontbreekt. Deze notitie handelt over grote windturbines. Momenteel zijn er tal van ontwikkelingen voor toepassing van windenergie in de gebouwde omgeving. Aangezien de ruimtelijke impact hiervan veel kleiner is als bij grote windturbines en bovendien deze ontwikkeling in een beginstadium is en de opbrengst in kilowatturen van deze nieuwe vormen van windenergie nog uiterst marginaal is ten opzichte van de grote windturbines, wordt in deze notitie uitsluitend ingegaan op de grote windturbines. Doel van deze kadernotitie windenergie Etten-Leur is het vastleggen van het beleid met betrekking tot windenergie. De gemeente maakt hiermee op hoofdlijnen duidelijke keuzes, zodat alle betrokkenen weten waar ze aan toe zijn. De gemeente opteert hierbij nadrukkelijk voor de regisseursrol.
In dat verband worden uitgangspunten geformuleerd en randvoorwaarden opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling van locaties voor windenergie, resulterend in concrete locaties. Omdat de uiteindelijke plaatsing van windturbines altijd "maatwerk" is, kan deze nota niet op alle vragen op voorhand een antwoord geven. Op basis van nader overleg en onderzoek kan bij verdere uitwerking de gewenste zorgvuldigheid worden bereikt, waarbij de inhoud van deze nota als richtinggevend kader fungeert. De plaatsing van windturbines is overigens slechts één van de mogelijkheden om invulling te geven aan het duurzame energiebeleid. Regionaal is afgesproken om in 2010 5% van de energiebehoefte in te vullen met duurzame energiebronnen. Windenergie vormt daarbij een belangrijk aandeel. Met windenergie alleen zou wat betreft de elektriciteitsbehoefte zelfs de doelstelling op korte termijn (5% in 2010) kunnen worden gerealiseerd. Voor de langere termijn is een bredere aanpak nodig waarbij andere duurzame energiebronnen zoals bio-energie, zonnecellen en warmtepompen moeten worden aangesproken. Uiteraard zal er voortdurend, ook nu al, aandacht moeten zijn voor het beperken van de energievraag.
1
2. Beleidskaders 2.1. Inleiding In dit hoofdstuk worden de relevante Europese, nationale, provinciale en gemeentelijke beleidskaders en algemene aspecten op hoofdlijnen weergegeven. Tevens komen de interbestuurlijke samenwerking en afspraken aan de orde. De genoemde beleidskaders vormen de basis voor de beleidsvorming zoals beschreven in hoofdstuk 3 “Uitgangspunten gemeentelijk windenergiebeleid”.
2.2. Internationaal en nationaal beleid en algemene aspecten 2.2.1 Groene wet- en regelgeving Voor de plaatsing van windturbines zijn de volgende regelingen relevant: de Flora- en Faunawet (ook wel de groene wet- en regelgeving genoemd); de Natuurbeschermingswet; de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De Flora- en Faunawet (2002) regelt de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten en hun leefgebied. Door de mogelijke invloed op flora en fauna is deze wet zowel bij realisering van nieuwe parken als bij uitbreiding van bestaande parken van belang. De Natuurbeschermingswet legt de basis voor het aanwijzen van natuurmonumenten. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan op basis van een beheersplan. Voor activiteiten, die de wezenlijke kenmerken van natuurmonumenten kunnen schaden, is een vergunning noodzakelijk. Op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn speciale beschermingszones aangewezen. Voor windturbineparken is vooral de ligging ten opzichte van vliegroutes van vogels belangrijk. Dit geldt niet alleen binnen de speciale beschermingszones maar ook daarbuiten. Windturbines gesitueerd in deze gebieden kúnnen negatieve gevolgen hebben voor de doelstellingen van de Vogelrichtlijn. Nader onderzoek zal in die gevallen moeten uitwijzen wat de mogelijke gevolgen van plaatsing kunnen zijn.
De gebieden die in Noord-Brabant onder de Natuurbeschermingswet en de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, zijn in het Streekplan ondergebracht in de zogenaamde Groene Hoofdstructuur-Natuur (GHS-Natuur). 2.2.2 De Vijfde Nota, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2 De rijksoverheid heeft in de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening een ruimtelijke visie op de plaatsing van windenergieprojecten uitgewerkt. In het kabinetsstandpunt hierover werd neergelegd dat het rijk met de provincies nadere afspraken maakt over de plaatsing van windturbines. Het beleid zoals in deze nota werd neergelegd was er onder andere op gericht windturbines zoveel mogelijk te bundelen tot lijnen of parken en ze te plaatsen op of nabij industrieterreinen en langs grootschalige infrastructuur zoals snelwegen, vaar- of spoorwegen. De uitgangspunten van de Vijfde Nota hebben de basis gevormd voor de Uitvoeringsnota Windenergie van de provincie Noord-Brabant “Brabant voor de Wind”. Bij de vestigingsplaatskeuze golden ingevolge de Vijfde Nota de volgende criteria: bij voorkeur plaatsing in jonge, grootschalige gebieden; bij voorkeur plaatsing aan de rand van open ruimten.
Het effect van visuele omheining van de open ruimte moet worden vermeden; windturbines mogen niet in conflict zijn met vrijwaringszones om ruimte te behouden voor toekomstige knelpunten; geen plaatsing in open landschappen, tenzij turbines landschappelijk goed inpasbaar 2
zijn en de locatie onmisbaar is om voldoende windenergie te realiseren; binnen de Ecologische Hoofdstructuur en de Groene Contourgebieden geldt de “nee, tenzij” afweging voor alle ingrepen binnen en in de nabijheid van groene contouren die mogelijk de bestaande waarden en wezenlijke kenmerken aantasten. De “nee, tenzij” afweging geldt in ieder geval voor windturbinecomplexen. Bovendien geldt binnen deze gebieden een basisbescherming, waarbij de beheerder verplicht is zorg te dragen voor de kwaliteit van het gebied. Nieuwe plannen binnen en in de nabijheid van deze gebieden die significante gevolgen kunnen hebben voor de te behouden waarden en kenmerken, zijn alleen in uiterste noodzaak mogelijk en na een zeer zorgvuldige beoordeling en afweging.
In april 2004 is de Nota Ruimte, de opvolger van de Vijfde Nota aan de Tweede Kamer aangeboden. Het beleid voor windenergie wordt daarin behandeld in de paragraaf Elektriciteitsvoorziening. Ten aanzien van windenergie is daarin opgenomen dat de realisering van 1500 MW windvermogen te land geschiedt om dwingende redenen van groot openbaar belang. Dit zou meer ruimte moeten bieden voor projecten in gebieden die vallen onder het beschermingsregime van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het rijk vraagt de provincies bij hun keuze van plaatsingsgebieden voor windturbines vrijwel dezelfde criteria te hanteren als die welke in de Vijfde Nota waren opgenomen. De provincies kiezen een plaatsingsstrategie van grootschalige dan wel kleinschalige bundeling van windturbines, afhankelijk van de mogelijkheden per landschapstype en de mogelijkheden tot combinatie met infrastructuur en bedrijventerreinen. Ook is in de Nota opgenomen, dat het rijk zonodig gebruik zal maken van de rijksprojectenprocedure, met de minister van Economische Zaken als projectminister, voor de bepaling van locaties voor windparken met een vermogen van 50 MW en hoger.
In het Structuurschema Groene Ruimte 2 staat dat het hoofddoel ten aanzien van het landelijke gebied is het behoud en de ontwikkeling van identiteit, verscheidenheid en beleving van het landschap en het voldoende functioneel inrichten van het landschap voor de diverse gebruiksfuncties. Om dit ook daadwerkelijk te realiseren, zijn kernkwaliteiten geformuleerd die uitgangspunten en toetsingscriteria vormen voor de planontwikkeling van het rijk, de provincies en de gemeenten. Bij ingrepen in het landelijke gebied is niet alleen de ingreep zelf van belang maar ook de manier waarop deze in het landschap wordt ingepast en de samenhang die in het landschap ontstaat. Uiteindelijk is het doel om de (ruimtelijke) kwaliteit van het betreffende gebied te behouden of te versterken. 2.2.3 Milieuaspecten, risico en verstoring De Wet milieubeheer De Wet milieubeheer (Wm) bepaalt dat in beginsel voor een windturbine een milieuvergunning nodig is. Evenals bij andere vergunningplichtige bedrijven, wordt via voorschriften bij deze vergunning geregeld dat voor omwonenden geen geluidhinder, lichtschittering of slagschaduweffect optreedt en dat ook andere nadelige milieueffecten tot een minimum worden beperkt. In 2001 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Voorzieningen en Installaties in werking getreden.
Deze AMvB regelt dat windturbines ook zonder milieuvergunning kunnen worden opgericht indien ze voldoen aan de in die AMvB opgenomen eisen. Eén van de eisen in de AMvB heeft betrekking op de minimale afstand tot woonbebouwing. Indien windturbines worden geplaatst op een afstand van minimaal vier maal de ashoogte vanaf de dichtstbijzijnde woning en indien het een project betreft met een opgesteld vermogen van minder dan 15 MW, is geen milieuvergunning nodig, maar kan met een meldingsplicht worden volstaan. Deze AMvB voorziet in principe in een gelijke bescherming tegen geluidhinder en andere vormen van hinder als de vergunning Wet milieubeheer. 3
Voor windenergie-initiatieven met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer, of een aantal turbines van 10 of meer is het verplicht te beoordelen of een Milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Het bevoegde gezag voor het eerste besluit waarmee de plaatsing van dergelijke windturbines mogelijk wordt gemaakt, moet bepalen of een MER nodig is. Het laten uitvoeren van een MER zal in principe alleen nodig zijn indien specifieke milieuomstandigheden, zoals de ligging nabij gevoelige gebieden, hinder of cumulatieve effecten, daartoe aanleiding geven. De genoemde grens van 15 MW is overigens recent opgetrokken van 10 naar 15 MW waardoor beter wordt aangesloten bij bovengenoemde AMvB. Ten aanzien van windturbines in de nabijheid van bebouwing gelden specifieke eisen. Onder bebouwing vallen onder andere woonhuizen, ziekenhuizen, sportcomplexen, kantoren e.d. De minimale afstand tot dergelijke bebouwing dient minimaal vier maal de ashoogte te bedragen. Ook moet voldaan worden aan de gestelde normen uit de AMvB, ten aanzien van geluid, slagschaduw en lichtschittering. Indien wordt voldaan aan de in de AMvB opgenomen eisen, volstaat een melding en behoeft geen milieuvergunning meer te worden aangevraagd. Bij woningen gelegen op een bedrijventerrein dient in beginsel te worden voldaan aan de norm van maximaal 50 dB(A) op de gevel.
Als voldaan wordt aan de AMvB wordt geacht te zijn voldaan aan deze geluidsnorm. Is wel een Wm-vergunning noodzakelijk dan wordt ook het aanwezige achtergrondniveau bij de beoordeling betrokken en kan dat betekenen dat meer dan 50 dB(A) op de gevel is toegestaan. Woningen gelegen op een geluidgezoneerd industrieterrein worden in de regel in het geheel niet beschermd tegen mogelijke geluidhinder. Wegen Onder wegen vallen rijkswegen, provinciale wegen, gemeentelijke wegen en private wegen. De minimale afstand tot een weg is 30 meter uit de rand van de verharding. Is sprake van een rotordiameter groter dan 60 meter dan dient de afstand minimaal de halve diameter te zijn. Het komt er dus op neer dat de rotor in beginsel niet boven de weg mag draaien. Dit op basis van de Beleidsregel van Rijkswaterstaat voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatswerken. In uitzonderlijke gevallen wordt overdraai boven wegen wel toegestaan. Hierbij dient middels een risicoanalyse aangetoond te worden dat er geen onaanvaardbaar risico voor het wegverkeer ontstaat. Verkeersintensiteit en toegestane maximum snelheid spelen daarbij een belangrijke rol. Waterwegen Waterwegen kunnen worden ingedeeld in rijksvaarwegen, provinciale vaarwegen, gemeentelijke vaarwegen en private vaarwegen.
De afstand van een windturbine tot de rand van de vaarweg bedraagt minimaal 50 meter en niet minder dan de helft van de rotordiameter (Beleidsregel Rijkswaterstaat). Waterkeringen en dijklichamen Waterkeringen kunnen worden ingedeeld naar hun functie in primaire dijken (water-land), secundaire dijken (land-land) en dammen (water-water). Waterkeringen zijn in beheer bij Rijkswaterstaat of waterschappen. Bij plaatsing van windturbines nabij waterkeringen is vergunning of ontheffing nodig op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) of de geldende dijkverordening (Handboek Risicozonering Windturbines). Een windturbine nabij een primaire waterkering vereist minimaal plaatsing buiten de kernzone van de primaire waterkering, mits dit geen negatieve gevolgen heeft voor de water4
kerende functie van de primaire waterkering conform de veiligheidsnorm van artikel 3 van de Wet op de waterkering. Spoorwegen De minimale afstand tot spoorwegen bedraagt: 2,85 meter + 5 meter + halve rotordiameter. Bijna alle spoorwegen in Nederland vallen onder de verantwoordelijkheid van Prorail. Dit is de vergunningverlenende instantie indien een (deel van een) rotorblad binnen het beheersgebied draait. Wanneer windturbines worden gepland in de buurt van het beheersgebied van Prorail is hun toestemming hiervoor noodzakelijk. Het gaat dan om een afstand van ongeveer 100 meter tot de spoorweg. Voor de HSL worden voorlopig dezelfde afstanden gehanteerd. Hoogspanningslijnen De minimale afstand tot hoogspanningslijnen bedraagt: de spanningsafstand + veiligheidstoeslag + vrije ruimte. In NEN 1060 ‘Bovengrondse Hoogspanningslijnen’ zijn deze waarden per situatie nader aangegeven. Bepalend voor de minimumafstand tot de windturbine is de maximale uitslag van de geleider bij een extreme windbelasting en het spanningsniveau van de geleider. Straalpaden Voor de minimale afstand tot een straalpad geldt dat de afstand tussen de hartlijn van een windturbine en die van het straalpad groter dient te zijn dan de rotorstraal, met een minimum van 35 meter.
Binnen een straal van 1 kilometer van een zend-/ontvangstinstallatie, moet de afstand van de tip van de rotor tot aan de hartlijn van het straalpad 35 meter zijn. In de nabijheid van straalpaden moet (schriftelijke) overeenstemming over het windenergieproject zijn verkregen van de beheerder van het straalpad. In het Handboek Risicozonering Windturbines is onderscheid gemaakt tussen beschermde en onbeschermde straalpaden. Voor onbeschermde straalpaden gelden geen beperkingen voor het plaatsen van windturbines. Voor beschermde straalpaden wordt bovengenoemde minimum afstand gehanteerd. In die gevallen waar twee of meer turbines van één (gepland) windpark met een deel van de rotorbladen binnen de 35 meter lijnen komen, dient goedkeuring te worden verkregen van KPN Telecom Netwerkdiensten. Zij beoordelen dan of plaatsing alsnog is toegestaan. De genoemde afstanden zijn overeengekomen met de beheerder van de beschermde straalpaden, KPN Telecom Netwerkdiensten. Buisleidingen De algemene stelregel luidt: Geen windturbines binnen plaatselijk vastgestelde veiligheidszones of in “zakelijk recht” -stroken rond buisleidingen (bijvoorbeeld aardgas-, telecommunicatie- en/of elektriciteitsleidingen) tenzij toestemming is verleend door de beheerder.
Burgerluchtvaart en Defensie Indien het project is gepland in de nabijheid van vliegvelden, funnels (obstakelvrije vlakken), luchtverkeersbeveiligingzones (LVB ’s) en/of laagvliegroutes, moet de verantwoordelijke instantie schriftelijk instemmen met het geplande project. De belangrijkste beperkingen voor de plaatsing van windturbines vanuit het beleid van Defensie zijn: - Funnels in het verlengde van de start- en landingsbanen van militaire vliegbases geldt een vlak van 15 km waarbinnen geen obstakels, in hoogte oplopend 0 tot 150 m1 zijn toegestaan (gemeten vanaf het NAP van de landingsdrempels). - Laagvlieggebieden: het plaatsen van obstakels hoger dan 30 meter onder het laagvlieggebied beschouwt de Luchtmacht als niet wenselijk. Echter, onder voorwaarde dat de obstakels worden voorzien van de voorgeschreven markeringen en obstakelverlichting, stemt de Luchtmacht in met het plaatsen van obstakels als windturbines en antennemas5
ten onder de laagvlieggebieden. De laagvlieggebieden in Noord-Brabant zijn ‘Maas-Waal’, ‘Oirschot’ en ‘Deurne-Asten’. - Laagvliegroute: de laagvliegroute (VO) start vanuit de vliegbasis Woensdrecht en ligt vervolgens over het noordelijk deel van de provincie Noord-Brabant. Aan weerszijden van de hartlijn van de laagvliegroute geldt een navigatie-tolerantiezone van 926 meter. De hoogtebeperking onder de VO laagvliegroute is inmiddels komen te vervallen. - Radarverstoringsgebied: ten behoeve van de luchtvaartbeveiliging is rond de militaire vliegbases Woensdrecht en Volkel een cirkelvormige zone opgenomen met een straal van 27,8 km waarbinnen radar- en communicatieapparatuur ongestoord moet kunnen functioneren. Plannen voor windturbineprojecten binnen de LVB-zone moeten derhalve altijd door het Ministerie van Defensie individueel op de mate van verstoring worden getoetst. Bij een verstoring van meer dan 10% tekent Defensie bezwaar aan waardoor realisatie van de voorgestelde locatie vrijwel onhaalbaar wordt. - Inner Horizontal Surface: rondom militaire vliegbases geldt een obstakelvrij vlak van 45 m1 hoog met een straal van 4 km rond de landingsdrempels (gemeten vanaf het NAP van de landingsdrempels). Dit obstakelvrije vlak gaat, van 4 km tot 6 km, over in een conisch vlak met een hellingshoek van 5% tot 145 m1 (gemeten vanaf het NAP van de landingsdrempels).
Voor kleine vliegvelden zoals Seppe, indien er instrument landingsystemen aanwezig zijn of worden ontwikkeld, gelden afwijkende maten. De eerste cirkel bedraagt 2,5 km vanaf de baaneindes waarbinnen geen bouwwerken hoger dan 45 m mogen worden opgericht. Vanaf 2,5 km tot 3,6 km is een oplopende bebouwing toegestaan van 45 m tot respectievelijk 100 m. Van 3,6 km tot en met 5 km vanaf de baaneindes is bebouwing tot 100 m hoogte toegestaan. - Verlichtingszone: indien obstakels, bij hoge uitzondering, de obstakelvrije vlakken penetreren, is verlichting noodzakelijk. Industrie Voor industriegebieden wordt onderscheid gemaakt naar de volgende typen inrichtingen: − Inrichtingen die onder de generieke regels vallen en overige stationaire inrichtingen. − BRZO-plichtige inrichtingen (Besluit Risico’s Zware Ongevallen) waarvoor géén kwantitatieve risicoanalyse (QRA) vereist wordt. − BRZO-plichtige inrichtingen waarvoor een kwantitatieve risicoanalyse vereist wordt. Daarnaast is er nog de categorie ‘lichte industrie’ zoals werkplaatsen, kantoren, waar niet in continudienst gewerkt wordt en waar geen of slechts kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden gebruikt. Vanuit het oogpunt van risicoanalyses is deze categorie verder als ‘beperkt kwetsbare doelen’ te beschouwen en te behandelen volgens de categorie bebouwing.
De initiatiefnemer moet nagaan welke activiteiten plaatsvinden op het nabijgelegen bedrijventerrein. Bij de eigenaar of beheerder van het bedrijventerrein of bij de gemeente kan hij navragen welk type inrichtingen zich op het terrein bevinden en of de inrichtingen BRZO-plichtig zijn. Voor een uitgebreide uiteenzetting wordt verwezen naar het Handboek Risicozonering Windturbines. Grondwaterbeschermingsgebieden Op grond van de Provinciale Milieuverordening (PMV) is een ontheffing nodig voor boringen dieper dan 2 meter in waterwingebieden en beschermingsgebieden. In boringsvrije zones is ontheffing nodig voor boringen dieper dan 10 meter. Ook ten behoeve van funderingsconstructies voor windturbines in deze gebieden dient een ontheffing bij de provincie te worden aangevraagd.
6
2.3 Interbestuurlijke afspraken en samenwerking De Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (BLOW) van juli 2001 is een samenwerkingsovereenkomst tussen rijk, de provincies via het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de VNG. Voor alle partijen zijn daarin inspanningsverplichtingen opgenomen, zoals de provinciale taakstelling voor windenergievermogen in 2010. Deze taakstelling vloeit voort uit de rijksdoelstelling dat 5% van de energiebehoefte in 2010 afkomstig moet zijn van duurzame bronnen. Ten aanzien van de elektriciteitsproductie is afgesproken dat deze in 2010 voor 9% duurzaam moet zijn. In de BLOW is voor de provincie Noord-Brabant als doel opgenomen om in het jaar 2010 een opgesteld windenergievermogen te realiseren van minimaal 115 MW. Ook in regionaal verband wordt samengewerkt. Vanuit de gemeenschappelijke regeling “Milieu en Afval Regio Breda” vinden tal van activiteiten plaats waarmee de toepassing van duurzame energie wordt gestimuleerd. Meer daarover is vermeld in paragraaf 3.2.
2.4 Provinciaal beleid De belangrijkste onderdelen van het provinciaal beleid die van invloed zijn op de mogelijkheden voor windenergie zijn het beleid duurzame energiehuishouding, het streekplan, het natuur- en landschapsbeleid, het cultuurhistorische beleid en plannen aangaande de revitalisering van het landelijk gebied. Deze beleidsonderwerpen worden hierna kort beschreven. Ook op de provinciale uitvoeringsnota uit 2002 “Brabant voor de Wind” wordt nader ingegaan. 2.4.1. Het beleid duurzame energiehuishouding Met het provinciale beleid duurzame energiehuishouding wordt een bijdrage geleverd aan het internationaal klimaatbeleid. Het centrale milieudoel is het realiseren van de reductie van de emissie van CO2. Om dit milieudoel te bereiken, zijn drie maatschappelijke doelen gesteld, namelijk energiebesparing met 2% per jaar, 12,5% opwekking van duurzame energie in 2020 en het realiseren van een schone toepassing (ecologisch verantwoord en efficiënt gebruik) van fossiele brandstoffen. Het beleid duurzame energiehuishouding is de komende jaren gericht op een forse versterking en verbreding van de uitvoering door een samenhangend pakket van maatregelen. Om de doelen te realiseren, zet de provincie de volgende strategie in: Meer samenhang in beleid, een goede afstemming bij de uitvoering en integratie van energie en klimaat in andere beleidsvelden. 2.4.2.
Het Streekplan Noord-Brabant 2002 Op 22 februari 2002 is het nieuwe Streekplan ‘Brabant in Balans’ vastgesteld. De provincie streeft naar voortzetting van een economische groei, die gepaard gaat met een absolute vermindering van de milieubelasting. Via het ruimtelijk beleid wil de provincie de opwekking van duurzame energie als inzet van energiemaatregelen bevorderen. Voor windenergie heeft de provincie zich als doel gesteld om overeenkomstig de afspraken uit de BLOW-overeenkomst in 2010 tenminste 115 MW opgesteld vermogen te verwezenlijken. De energieproductie door windturbines wordt actief bevorderd en men wil daarvoor de benodigde ruimtelijke faciliteiten bieden, zowel in parken als in lijnopstelling, waarbij bundeling bij bedrijventerreinen of langs infrastructuur in stedelijke regio’s de voorkeur geniet. Maar ook in landelijke regio’s zijn windturbineparken onder voorwaarden toegestaan. Op de plaatsing van windturbines in een regionale natuur- en landschapseenheid (RNLE) en in de groene hoofdstructuur (GHS) daarbuiten, alsook in aardkundig waardevolle gebieden, is het “nee, tenzij” -principe van toepassing. Dit houdt in dat er sprake moet zijn van een zwaarwegend maatschappelijk belang, afwezigheid van alternatieven en com7
pensatie van verlies van natuur- en landschapswaarden. Ten aanzien van de oprichting van solitaire windturbines in de agrarische hoofdstructuur buiten een RNLE hanteert de provincie een terughoudend beleid. Voor een complete beschrijving van de voorwaarden voor de plaatsing van windturbines wordt verwezen naar de Uitvoeringsnota "Brabant voor de Wind". 2.4.3. Het natuur- en landschapsbeleid Bij de planvorming en de beoordeling van windturbineprojecten moeten de natuur- en landschapswaarden meer structureel en als zwaarwegend criterium worden meegenomen. De belangrijkste beperkingen voor de plaatsing van windturbines vanuit het natuuren landschapsbeleid worden bepaald door de karakteristiek van het landschap en de aanwezige natuur- en landschapswaarden. De hinder voor vogels door windturbines moet beperkt worden, hoewel een nul-risico in principe niet mogelijk is. Daarom worden windturbines bij voorkeur niet geplaatst in vogeltrekgebieden, vogelbroedgebieden en in belangrijke voedselgebieden voor vogels. Ook ten aanzien van lokaal verblijvende en foeragerende vleermuizen dient een vergelijkbare voorzorg te worden genomen.
Indien de lokale situatie ten aanzien van vogels daartoe aanleiding geeft, zal de gemeente aan de initiatiefnemer vragen een vogelstudie te laten uitvoeren, waarmee een inschatting kan worden gemaakt van de effecten van een bepaald initiatief op de vogelstand ter plaatse. Indien nodig zal de provincie een dergelijke studie betrekken in haar beoordeling van plannen voor windenergie. 2.4.4. Het Cultuurhistorisch beleid De provincie Noord-Brabant biedt met de Cultuurhistorische Waardenkaart een mogelijkheid om lokale cultuurhistorische waarden te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie streeft niet zozeer naar een beperking van alle initiatieven op of nabij cultuurhistorische waarden, maar wil bereiken dat het besef van deze waarden een belangrijke rol kan spelen bij ruimtelijke ontwerpen. Boven archeologische monumenten kunnen geen windturbines worden gebouwd en in waardevolle archeologische gebieden zal eerst een archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. 2.4.5. Revitalisering van het landelijk gebied In Brabant zijn zeven reconstructiecommissies en twee gebiedscommissies geïnstalleerd. Zij zijn verantwoordelijk voor de advisering aan het provinciaal bestuur met betrekking tot de revitalisering van het landelijk gebied en de ruimtelijke inrichting van het buitengebied.
De commissies hebben de opdracht om kansen voor energiebesparing te onderzoeken en de productie van duurzame energie te stimuleren. De commissies hoeven echter geen locaties aan te wijzen. Etten-Leur maakt deel uit van de gebiedscommissie Brabantse Delta. In het kader van de revitalisering van het platteland is het “Gebiedsplan Brabantse Delta” opgesteld. In dit plan is duurzame energie, waaronder windenergie in het buitengebied, als aandachtspunt opgenomen. Voor wat betreft uitvoering geeft men prioriteit aan windenergie. Er zijn geen concrete projecten op de ambitiekaart opgenomen om reden dat dit primair een verantwoordelijkheid is van de gemeente. 2.4.6. Uitvoeringsnota Windenergie Noord-Brabant 2002 In de nota Windenergie Noord-Brabant 2002 ‘Brabant voor de Wind’, wordt het provinciale windenergiebeleid vormgegeven en operationeel gemaakt. Het doel van de nota is een eenduidig toetsingskader aan te reiken voor marktpartijen, maatschappelijke organisaties en het bevoegde gezag. Hierbij hanteert de provincie vijf leidende uitgangspunten namelijk een voorwaardenscheppend/uitsluitend beleid, aandacht voor de optimale locatie, 8
zorgvuldige inpassing met gevoel voor kernkwaliteiten en belevingswaarden, een sterke regie en ondersteunende rol door de provincie en een aanwijzende en uitvoerende rol voor de (samenwerkende) gemeenten. De nota is een uitwerkingsplan van het provinciale beleid voor een duurzame energiehuishouding en geeft invulling aan één van de hoofddoelen, namelijk een sterke impuls voor hernieuwbare energiebronnen. De nota geeft ook concreet invulling aan het beleid uit het Streekplan. Om enerzijds recht te doen aan de beleidskaders en uitgangspunten en anderzijds via een eenduidig en consistent beleid projecten ook daadwerkelijk te kunnen realiseren, hanteert de provincie een stappenplan gekoppeld aan een toetsingskader. 1. Gebiedskeuze De ruimtelijke mogelijkheden op basis van het streekplanbeleid van de provincie, zijn op een "mogelijkheden en belemmeringen kaart" in kleuren weergegeven. Deze kaart geeft de eerste stap aan in de afweging waar windenergie wel en niet mogelijk is. De kaart geeft in de eerste plaats een indicatie van de beleidsmatige belemmeringen op provinciaal en nationaal niveau. De kaart doet dan ook dienst als hulpmiddel bij het bepalen van de mogelijkheden voor plaatsing van windturbines. De kaart geeft geen indicatie van de kansen op lokaal niveau. Er zal dus altijd een lokale afweging moeten volgen.
Daaruit kan blijken dat er sprake is van andere gebiedswaarderingen. Ook kan een initiatief afketsen op basis van regelgeving en van belang zijnde aspecten zoals bijvoorbeeld aangegeven in paragraaf 2.2.3. Daarnaast zijn de locatie- en projectkeuze van belang. Aldus dient het onderstaande te worden gelezen. De groengele gebieden: deze gebieden komen in principe in aanmerking voor het plaatsen van windturbines. Het betreft gebieden met veel dynamiek en ontwikkeling, zoals stedelijke regio’s en bedrijventerreinen en de AHS-landbouw gebieden. In karakteristieke gebieden die landschappelijk en cultuurhistorisch waardevol zijn, is plaatsing van turbines mogelijk, maar minder voor de hand liggend. Binnen de gele gebieden is vanwege de vaak bijzondere kenmerken en waarden meer bescherming nodig en moet extra zorgvuldig worden omgegaan met de eventuele plaatsing van windturbines. De classificatie "groen" wil overigens niet zeggen dat daar alles kan. De rode gebieden: dit zijn de meest waardevolle natuur- en landschapsgebieden in Noord-Brabant, die zijn aangemerkt als de Regionale Natuur- en Landschapseenheden (RNLE) en de GHS daarbuiten. Hier is plaatsing van windturbines in beginsel niet toegestaan.
Alleen als een windturbineproject langs grootschalige infrastructuur wordt gesitueerd en een beperkt aantal turbines in de GHS of EHS moet worden geplaatst kan de provincie, onder extra voorwaarden, een uitzondering maken. Het Ministerie van Defensie staat plaatsing van windturbines binnen de munitieveiligheidszone A, laagvliegroutes en funnels niet toe. Daarom zijn ook deze gebieden rood gemerkt. 2. Locatiekeuze De provincie hecht grote waarde aan optimale locaties voor windturbines die de landschappelijke variatie benadrukken en de dynamiek van het landschap of de omgeving een extra impuls geven. De voorkeur van de provincie gaat uit naar plaatsing op of bij bedrijventerreinen in stedelijke regio’s en gebieden als havens en stroken langs grootschalige infrastructuur. Maar ook in de landelijke regio’s is windenergie mogelijk. 3. Projectkeuze De projectkeuze wordt bepaald door de plaatsing (lijn, cluster, solitair of combinatie) en vormgeving (hoogte, rotordiameter, verhouding daartussen en de kleurstelling) van de windturbines. Het gaat hierbij om de detaillering en concrete invulling van de opstelling en 9
het turbineontwerp op de locatie. 4. Procedures Tot slot moeten de wettelijke procedures in gang worden gezet voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen (zie 2.5.). Verder wordt uitdrukkelijk verwezen naar de uitvoeringsnota “Brabant voor de wind”.
2.5 Wet- en regelgeving Voor een aanvraag voor het plaatsen van windturbines is een aantal wetten van belang zoals: Het bestemmingsplan (Wet op de Ruimtelijke Ordening) De Woningwet (WW) en het Bouwbesluit (BB) De Wet milieubeheer (Wm). Het bestemmingsplan (WRO) Vrijwel geen enkel gemeentelijk bestemmingsplan voorziet op dit moment in de mogelijkheid om moderne windturbines te plaatsen. Daarvoor is een herziening van het planologisch regime of vrijstelling van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Dit vergt een integrale beoordeling van het initiatief, waarbij ten behoeve van een afgewogen besluit alle relevante aspecten worden betrokken. Dit kan leiden tot het ontwikkelen van een nieuw bestemmingsplan of tot het starten van een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 WRO. Steeds dient voor de beoordeling van een windproject vanuit de belangrijkste gezichtspunten een (foto-)visualisatie te worden gemaakt. Hierbij hoort een onderbouwing waarin wordt aangegeven wat is gedaan om het project te laten aansluiten bij bestaande landschappelijke elementen, structuren en/of eenheden. Belangrijk hierbij is versterking van de landschappelijke kwaliteit van het gebied. De Woningwet Het oprichten van windturbines vereist een bouwvergunning op grond van de Woningwet (Ww).
De aanvraag moet worden getoetst aan het Bouwbesluit, de bouwverordening, het bestemmingsplan en aan redelijke eisen van welstand. Een verplichting tot bouwen is in beginsel niet zondermeer af te dwingen. Aan de hand van een haalbaarheidsonderzoek dient men aannemelijk te maken dat de windturbines daadwerkelijk zullen kunnen worden gebouwd. Met betrekking tot de bouwvergunning kunnen burgemeester en wethouders de vergunning intrekken wanneer niet binnen 26 weken na de verlening ervan wordt begonnen. Van deze mogelijkheid kan niet zondermeer gebruik gemaakt worden. Belanghebbenden dienen vooraf te worden gehoord en er moet een belang zijn om de vergunning in te trekken. De Wet milieubeheer In het kader van de Wet milieubeheer zijn windturbines met een rotordiameter van ten minste 2 meter en/of een vermogen van 4 kW vergunningplichtig. Echter, zodra turbines op een minimale afstand van 4 maal de ashoogte tot de dichtstbijzijnde bebouwing worden gepland en het vermogen van het project in totaal kleiner is dan 15 MW, dan valt het project onder de AMvB Voorzieningen en Installaties en kan worden volstaan met een meldingsplicht. Indien een project een vermogen heeft van 15 MW of meer, of uit 10 of meer turbines bestaat, dan dient het bevoegd gezag te beoordelen of er een Milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld.
Indien een geschikte locatie is gevonden en alle noodzakelijke vergunningen zijn verkregen, moet het project ook daadwerkelijk binnen een bepaalde tijd worden gerealiseerd. Wordt geen gebruik gemaakt van de vergunning dan vervalt deze na 3 jaar van rechtswe10
ge (artikel 8.18 van de Wet milieubeheer). Overig Verder wordt verwezen naar het gestelde in de paragrafen 2.2.1 en 2.2.3.
2.6 Gemeentelijk beleid 2.6.1 Bestaand planologisch beleid Om de mogelijkheden voor de realisatie van windturbines in Etten-Leur in beeld te brengen, is in 1998 door Nieuwland Advies een onderzoek gedaan en is vervolgens door Ecofys ook nog een zogenaamde quickscan uitgevoerd om potentiële locaties in kaart te brengen. De resultaten van deze onderzoeken zijn voor wat betreft het buitengebied opgenomen in het huidige bestemmingsplan “Buitengebied” en zien er kort samengevat als volgt uit: In het bestemmingsplan “Buitengebied” zijn twee zoekzones voor windturbines opgenomen: - een zone langs de Mark gelegen tussen de Leurse Haven en de Zevenbergseweg; - een zone aan de oostzijde van de Groene Dijk vanaf de Zeedijk tot aan de Lamsweg. Deze zoekzones –welke beide gelegen zijn in het noordelijke buitengebied- zijn op de bestemmingsplankaart aangegeven. Voor deze zoekzones is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het realiseren van windturbines in clustervorm (max. 5 turbines per zoekzone). Buiten de betreffende zoekzones worden in het buitengebied geen aanvaardbare mogelijkheden aanwezig geacht voor windturbines in clustervorm. Solitaire windmolens worden in het gehele buitengebied niet voorgestaan.
Voor wat betreft het stedelijk gebied is ingevolge genoemde onderzoeken industrieterrein Vosdonk een aandachtsgebied, zij het dat de mogelijkheden daar beperkt zijn. In 1998 is voor bedrijventerrein Vosdonk het volgende beleid vastgesteld: Voor het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein Vosdonk-West zullen in het bestemmingsplan mogelijkheden voor windturbines opgenomen worden zowel in clustervorm als solitair (zonder concrete plaatsbepaling). Deze mogelijkheid is later afgevallen vanwege beperkingen voortvloeiend uit de aanwezigheid van vliegveld Seppe. Gelet op de beperkte mogelijkheden en de reeds bestaande of geplande invulling, zal met betrekking tot de overige delen van bedrijventerrein Vosdonk in voorkomende gevallen worden gehandeld naar bevind van zaken (beoordeling van geval tot geval afhankelijk van wat zich aandient). Daarbij zal in beginsel een positieve grondhouding worden ingenomen. In geval van medewerking zal de wijze van medewerking (procedure) alsdan worden bezien. Op basis van deze uitgangspunten zijn de bestaande windturbines langs de Groene Dijk gerealiseerd en zijn voorstellen gedaan om de locatie A58/Vosdonk in ontwikkeling te nemen. Buiten de specifieke locatie van de reeds gerealiseerde windturbines langs de Groene Dijk voorziet geen van de bestemmingsplannen in een mogelijkheid voor plaatsing van windturbines.
Voor nieuwe initiatieven zal of het bestemmingsplan moeten worden aangepast of een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 WRO moeten worden gevolgd. De kortste weg is het volgen van genoemde vrijstellingsprocedure. 2.6.2 De StructuurvisiePlus In de raadsvergadering van 20 december 2004 heeft de gemeenteraad zich in het kader van StructuurvisiePlus op het standpunt gesteld dat nieuwe windmolens in het noordelijk 11
deel van de gemeente gerealiseerd kunnen worden, met dien verstande dat een definitief besluit zal worden genomen nadat de resultaten van de volgende acties bekend zijn: - een onderzoek naar (on)mogelijkheden van windenergie in het noordelijk deel van de gemeente, mede gelet op de (on)mogelijkheden van een goede landschappelijke inpassing; - te coördineren met omliggende gemeenten en beelden daarvan mee te nemen in deze kadernotitie. De StructuurvisiePlus is op 23 mei 2005 vastgesteld. 2.6.3 Energiebeleid en duurzame energie In het uitvoeringsprogramma van het op 20 december 2004 door de gemeenteraad vastgestelde klimaatbeleid is ten aanzien van duurzame energie opgenomen dat 5% van het energieverbruik in 2010 afkomstig is van duurzame bronnen. Daarbij is geen specifieke verdeelsleutel gemaakt naar de opties windenergie, bio-energie en duurzame energie achter de meter (warmtepompen, zonneboilers, zonnecellen). Het feit dat een moderne windturbine voor zo’n 1500 tot 2000 huishoudens elektriciteit opwekt, geeft aan dat windenergie binnen de gekozen doelstelling een hele belangrijke plaats inneemt.
12
3. Uitgangspunten gemeentelijk windenergiebeleid 3.1 Inleiding Gemeenten krijgen in toenemende mate te maken met vragen over windenergie. Agrariers, projectontwikkelaars, windmolencoöperaties en energiebedrijven verzoeken gemeenten medewerking te verlenen aan de realisatie van een windturbine of een windturbinepark. Zo ook in Etten-Leur. Er zijn momenteel vijf initiatiefnemers die een principeverzoek hebben neergelegd bij de gemeente, allen in het noordelijk deel van de gemeente. Met de bevoegdheden in het kader van de ruimtelijke ordening en met betrekking tot het afgeven van de bouwvergunning en de milieuvergunning hebben de gemeenten wettelijke instrumenten in handen om initiatieven te reguleren. In het kader van het gemeentelijk klimaatbeleid nemen gemeenten tegenwoordig ook zelf het initiatief tot plaatsing en/of stimulering van windturbines binnen hun gemeentegrenzen. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten voor een windenergiebeleid in gemeente beschreven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:
Regionale aanpak (intentieverklaring) Rol en strategie gemeente Ambitieniveau van de gemeente Plaatsingsmogelijkheden voor windturbines Randvoorwaarden
3.2 Regionale aanpak Ten behoeve van de toepassing van windenergie hebben de gemeenten in 2000 in regionaal verband een onderzoek laten uitvoeren naar mogelijk geschikte locaties voor windenergie. Voor wat betreft Etten-Leur is volstaan met het overnemen van de gegevens zoals die uit de onderzoeken van 1998 naar voren zijn gekomen. Deze inventarisatie heeft uiteindelijk geresulteerd in een regionaal windplan met een aantal beste en meer en minder geschikte locaties in de regio. De locatie A58/Vosdonk is in het regionale windplan opgenomen als kansrijke locatie. Ook in een aantal andere gemeenten in de regio zijn de meest geschikte locaties geselecteerd. In regionaal verband is afgesproken dat in 2010 minimaal 5% van de benodigde energie wordt opgewekt met duurzame bronnen, ook hier zonder verdeelsleutel naar opties.
3.3 Rol en strategie gemeente Een gemeente kan meerdere rollen vervullen. De gemeente Etten-Leur heeft gekozen voor de regisseursrol langs de weg van de StructuurvisiePlus en een nadere uitwerking van beleidskader middels deze kadernotitie. De strategie van een gemeente wordt hoofdzakelijk bepaald door de rol die een gemeente voor zichzelf ziet en de (technische) mogelijkheden die ze heeft. Dit houdt in het uitvoeren van wettelijke taken en bevoegdheden en het uitvoeren van de interbestuurlijke afspraken die namens de gemeenten door de VNG mede zijn ondertekend. Verder worden taken als eigenaar en beheerder van gebouwen, infrastructuur en voorzieningen uitgevoerd. De kerntaken hierbij zijn het uitvoeren van wettelijke taken, het uitvoeren van interbestuurlijke afspraken (BANS Klimaatconvenant, BLOW) en het vinden van optimale plaatsingsmogelijkheden voor windturbines. Echter is de gemeente grondeigenaar van een windenergielocatie dan ligt het voor de hand om naast de hiervoor genoemde kerntaken de rol van initiatiefnemer te vervullen. Niet alleen wordt daarmee de duurzame energiedoelstelling gediend, maar kunnen ook 13
middelen worden gegenereerd.
3.4 Ambitieniveau van de gemeente Het beleidskader dat in 1998 is geformuleerd is tot stand gekomen in een tijd –hoe recent ook- dat de grootste turbines een vermogen hadden van 650 kW (ofwel 0,65 MW). Dit stelde eisen ten aanzien van de locatiekeuze wat betreft windaanbod. Moderne windturbines hebben een vermogen van 3 MW (en meer). Met de komst van deze grotere turbines met bijbehorende grotere masthoogte en verbeterde techniek is het windaanbod nog wel van invloed, maar minder bepalend dan voorheen. Vanwege de hoogte ondervinden turbines minder last van afnemende windintensiteit door “wrijvingsverliezen” ten gevolge van gebouwen en bomen. Op grotere hoogte is eerder sprake van “voldoende” wind en is de windintensiteit ook hoger zodat de kWh-opbrengst ook hoger is. In de volgende paragraaf zal worden ingegaan op de plaatsingsmogelijkheden. De ambitie van de gemeente Etten-Leur wordt als volgt geformuleerd: De gemeente Etten-Leur streeft –mede afhankelijk van andere te volgen procedures zoals een eventuele MER-procedure– naar afronding van de planologische procedures uiterlijk 1 januari 2007 zodat initiatieven voor windenergie in de geselecteerde gebieden en welke voldoen aan de gestelde kaders en randvoorwaarden, uiterlijk in 2010 kunnen zijn gerealiseerd en daarmee feitelijk bijdragen aan de doelstelling van 5% duurzame energie in 2010.
Voor het bereiken van 5% duurzame energie in Etten-Leur, wil dat worden bereikt met behulp van windenergie boven op de reeds gerealiseerde duurzame energie, dan is daarvoor globaal een opgesteld vermogen van 15 MW nodig, wat neerkomt op één lijnopstelling van 5 moderne 3 MW turbines. De nationale doelstelling om in 2010 5% duurzame energie te realiseren is een eerste stap op weg naar een volledige verduurzaming van de energiehuishouding op lange termijn. Er wordt dan ook geen doelstelling in termen van megawatts geformuleerd. Een inschatting, gebaseerd op de plaatsingsmogelijkheden in de volgende paragraaf, geeft aan dat in Etten-Leur nog zo’n 35 MW aan windenergie kan worden gerealiseerd. Daarmee kan het aandeel duurzaam van de Etten-Leurse energiehuishouding (gemeentebreed) naar 10% stijgen.
3.5 Plaatsingsmogelijkheden voor windturbines De plaatsingsmogelijkheden voor windturbines zijn mede bepaald door het nationale en provinciale beleid en bestaande wet- en regelgeving (hoofdstuk 2). Daarnaast worden de mogelijkheden begrensd door het resultaat van de gemeentelijke toetsing van de potentiële locaties (hoofdstuk 4). De inventarisatie van de mogelijkheden voor windenergie is richtinggevend voor de afbakening van de gebieden. De gemeente zal geen medewerking verlenen aan initiatieven voor de plaatsing van windturbines op andere locaties dan die in hoofdstuk 4 van deze beleidsnota zijn geselecteerd. Plaatsing van windturbines wordt alleen aanvaardbaar geacht in lijn- en clusteropstellingen. Aan plaatsing van solitaire windturbines zal geen medewerking worden verleend. Als initiatiefnemers aan de gemeente medewerking vragen voor windenergieprojecten in de geselecteerde gebieden dan zal de gemeente in principe actief meewerken aan de realisatie en de planherziening of vrijstellingsprocedure voor de locatie. Wel moet de initiatiefnemer voldoen aan de voorwaarden die door de gemeente gesteld worden aan de plaatsing van windturbines (paragraaf 3.6).
14
3.6 Randvoorwaarden De gemeente stelt, naast de wettelijke eisen en relevante aspecten (beschreven in hoofdstuk 2) de onderstaande randvoorwaarden aan de plaatsing van windturbines en aan de aanvragen door initiatiefnemers. Windturbines dienen een minimum vermogen te hebben van 1,3 MegaWatt Deze voorwaarde wordt gesteld om de plaatsing van kleine windturbines met een relatief laag rendement te voorkomen. Uitgangspunt is dat de aanwezige locaties zo goed mogelijk worden benut. De verhouding tussen ashoogte en rotordiameter dient te worden afgestemd op het aanwezige windmolenpark De verhouding tussen de ashoogte en de rotordiameter moet normaal gesproken liggen tussen 1,0 en 1,5, waarbij een verhouding van 1,2 de voorkeur heeft. Nu in het noordelijk buitengebied reeds een windmolenpark aanwezig is, is het van groot belang eenzelfde verhouding te hanteren. De feitelijke verhouding van het bestaande windmolenpark bedraagt 1,06 (66:62). In de praktijk hanteren windturbinefabrikanten standaard masthoogten, in oplopende hoogten. Er zal worden verlangd te kiezen voor die variant die de verhouding 1,06 zo dicht mogelijk benadert. De masthoogte van de turbines bedraagt niet meer dan 105 meter Een te groot verschil in hoogte ten opzichte van de bestaande windturbines zal, ondanks dezelfde verhouding van de ashoogte en de rotordiameter, een storend beeld opleveren.
Hierdoor zal geen sprake kunnen zijn van visueel één project. Turbines moeten in elk geval nog passen bij de aard en schaal van het gebied. Lijn- of clusteropstelling Er wordt alleen medewerking verleend aan lijn- of clusteropstellingen. Het feitelijk kunnen realiseren daarvan dient vooraf vast te staan, ook in verband met bijvoorbeeld de eigendomsverhoudingen. De onderlinge afstand van turbines binnen een lijnopstelling dient zo goed als gelijk te zijn. De windturbines binnen de gemeente dienen alle eenzelfde draairichting te hebben Deze uniformiteit is gewenst om een onrustig horizonbeeld te voorkomen. De rotor van de turbines in het bestaande windmolenpark draaien met de wijzers van de klok mee. Er moet aantoonbaar voldaan kunnen worden aan de gestelde eisen en randvoorwaarden Initiatiefnemers dienen aan te tonen dat hun initiatief kan voldoen aan de wettelijke eisen die aan de plaatsing van windturbines worden gesteld en aan eventuele randvoorwaarden die bepaalde belemmeringen stellen (hoofdstuk 2). Er moeten visualisaties ter beoordeling landschappelijke inpassing worden aangeleverd Initiatiefnemers voor windturbines dienen de landschappelijke uitwerking in beeld te brengen door middel van een doelmatige visualisatie van de beoogde locatie.
Visualisaties zullen vanuit een aantal in nader overleg tussen initiatiefnemer en gemeente te bepalen gezichtspunten gemaakt dienen te worden. Er moet rekening gehouden worden met de draagkracht van het landschap De plaatsing van meerdere windturbine opstellingen in hetzelfde gebied kan het draagvlak van het landschap te zeer belasten. De gemeente zal nieuwe initiatieven in een gebied 15
dan ook steeds afwegen in het licht van al aanwezige windturbines. In geval de landschappelijke beoordeling negatief is, zal geen medewerking worden verleend aan realisering van die initiatieven.
16
Nieuw voor oud / Afbraakregeling De gemeente staat positief tegenover de vervanging van oude windturbines door nieuwe modernere typen met een hogere energie opbrengst. Eigenaren van bestaande windturbines kunnen echter niet zonder meer aanspraak maken op de mogelijkheid om deze turbines te vervangen door een nieuw groter exemplaar. Projectvoorstellen die dienen ter vervanging van bestaande windturbines of parken, zullen in beginsel op dezelfde wijze worden beoordeeld als nieuwe. Bij de huidige windturbines langs de Groene Dijk kan nog zo’n zeven jaar gebruik worden gemaakt van de MEP-regeling (subsidieregeling voor duurzame elektriciteitsproductie). Afhankelijk van de terugleververgoedingen, exploitatiekosten, de dan geldende energieprijzen en regelgeving en de resterende technische en economische levensduur kunnen de eigenaren besluiten tot vervanging door turbines van het nieuwste type indien daarmee een hogere opbrengst aan kWh tegen een lagere kostprijs kan worden bereikt. Windturbines die niet meer (permanent) worden gebruikt voor de opwekking van energie dienen te worden verwijderd. Dit dient bij voorkeur te worden geregeld door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst met de initiatiefnemer; de Wet milieubeheer biedt op dit punt namelijk onvoldoende aanknopingspunten.
Afstemming met andere projecten Rondom windturbines wordt een gebied van ongeveer 10 keer de tiphoogte van de rotor visueel beïnvloed. Zeker in gebieden met een (relatief open) landschappelijk karakter, is het van belang dat verschillende projecten zodanig op elkaar aansluiten of zijn afgestemd dat visueel sprake is van één project. Ook is het voldoende als de visuele beïnvloedingsgebieden van verschillende projecten elkaar niet overlappen en dat derhalve de onderlinge afstand van projecten tenminste 20 keer de tiphoogte van de rotor bedraagt. De afstemming heeft ook betrekking op de vormgeving, de kleur en het aantal wieken dat wordt toegepast. Dit laatste betekent concreet dat uitsluitend driewiekers zijn toegestaan. Optimalisering vermogen De initiatiefnemer moet met een investerings- en -exploitatieberekening aannemelijk maken dat het plan rendabel is. Het vermogen per turbine dient met het oog op het optimaliseren van de locatie, bij voorkeur minimaal 2 MW te bedragen. Het absolute minimum bedraagt 1,3 MW. Motivering locatiekeuze en plaatsingsvoorstel De initiatiefnemer dient steeds grondig en onderbouwd te motiveren waarom voor een bepaalde locatie is gekozen en tevens moet het concrete inrichtings- en plaatsingsvoorstel voor de turbines degelijk worden beargumenteerd.
Planschade ten laste van de initiatiefnemers Er dient vooraf een planschaderisicoanalyse te worden uitgevoerd. Bij te verwachten planschade dient deze door de initiatiefnemers te worden gedragen. Indien regelgeving wordt ingevoerd waardoor het mogelijk wordt om planschadeafwentelingsovereenkomsten af te sluiten, zal worden bezien of (tevens) hiervan gebruik gemaakt zal worden. Een wetswijziging op dit punt is momenteel in procedure. Onderzoeken ten laste van de initiatiefnemer Alle onderzoeken en rapporten die nodig zijn voor het verkrijgen van medewerking zijn voor rekening van de initiatiefnemer(s). De onderzoeksopdrachten dienen in overleg met de gemeente te worden geformuleerd. Daarnaast gelden uiteraard wettelijke verplichtingen zoals bijvoorbeeld bij de MER beoordelingsplicht. 17
Overig Voor het overige wordt verwezen naar de provinciale uitvoeringsnota “Brabant voor de wind”. Daarin staan nog diverse andere belangrijke punten.
18
4. Windenergiemogelijkheden in Etten-Leur Zoals gemeld heeft de gemeente Etten-Leur in 1998 een scan uit laten voeren om de mogelijke windlocaties te inventariseren. In deze inventarisatie is de haalbaarheid van windturbines op onder andere het gebied van ruimtelijke aanvaardbaarheid globaal getoetst. In totaal waren twee gebieden als in principe geschikt beoordeeld. Enerzijds het kleigebied (Krijtenburgse Polder, Hooge Zijpolder en Zwartenbergse Polder) als buitengebiedlocatie en anderzijds bedrijventerrein Vosdonk. Naast de scan is in 1998 door Nieuwland Advies een advies gegeven omtrent de landschappelijke inpasbaarheid van grote windturbines. Dit advies tezamen met de scan heeft geleid tot hetgeen in het huidige bestemmingsplan Buitengebied is vastgelegd en een beleidsuitgangspunt met betrekking tot bedrijventerrein Vosdonk. Inmiddels is de provinciale uitvoeringsnota “Brabant voor de wind” vastgesteld met daarin duidelijke kaders waarbinnen initiatieven voor windenergie kunnen worden ontwikkeld. In de nota is een kaart opgenomen waarin mogelijkheden en belemmeringen zijn aangegeven.
4.1 Inventarisatie en beoordeling locaties op hoofdlijnen Voordat hierna het Etten-Leurse grondgebied van noord naar zuid zal worden beschouwd op mogelijkheden voor windenergie, zal eerst worden uiteengezet welk initiatief in buurgemeente Halderberge speelt zodat bij de inventarisatie van mogelijkheden hiermee rekening kan worden gehouden. Bij de overige buurgemeenten zijn geen initiatieven bekend die grenzen aan Etten-Leurs grondgebied. Tijdens de informatieavond over de StructuurvisiePlus op 6 juli 2004 is duidelijk geworden dat er een initiatief bestaat in de Hoevense Beemden voor het plaatsen van windturbines. Uit overleg met de gemeente Halderberge is gebleken dat het een initiatief betreft van totaal 12 windturbines verdeeld over drie lijnopstellingen. De polder Hoevense Beemden heeft grotendeels een gele aanduiding op de provinciale windenergiekaart. Over het initiatief heeft overleg plaatsgehad met de provincie waarbij een ambtelijk advies is uitgebracht. Dit advies is als bijlage 1 bijgevoegd. Het Halderbergse initiatief wordt in het ambtelijk advies beoordeeld als grootschalig en onvoldoende samenhang met het bestaande park in Etten-Leur. Het advies komt er op neer dat op onderhavige locatie in beginsel windturbines mogelijk zijn, mits deze windturbines extra zorgvuldig worden ingepast.